arrest
___________________________________________________________________ _ _
GERECHTSHOF AMSTERDAM
Afdeling civiel recht en belastingrecht
Team III (familie- en jeugdrecht)
zaaknummer : 200.363.271/01 SKG
zaaknummer rechtbank : C/13/776410 / KG ZA 25-799 NCB/MA
arrest van de meervoudige familiekamer van 28 april 2026
inzake
[de vader] ,
zonder vaste woon- of verblijfplaats, verblijvend in [plaats A] ,
appellant,
advocaat: mr. T.T. Robijn te Amsterdam,
tegen
[de moeder] ,
wonend te [plaats B] ,
geïntimeerde,
advocaat: mr. M. Amrani te Amsterdam.
1. Het geding in hoger beroep
Partijen worden hierna de vader en de moeder genoemd.
De vader is bij dagvaarding van 17 december 2025 in hoger beroep gekomen van een deel van een vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Amsterdam (hierna: de voorzieningenrechter) van 25 november 2025, in kort geding gewezen tussen de vader als eiser en de moeder als gedaagde.
De appeldagvaarding bevat de grieven.
De vader heeft geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en alsnog:
I. een voorlopige omgangsregeling tussen hem en de hierna nader aan te duiden minderjarige [minderjarige] zal bepalen waarbij de vader [minderjarige] ziet:
- drie keer per week (dinsdag, donderdag en zaterdag) gedurende drie uur per dag, bij de vader thuis of op een andere locatie buitenshuis;
- na zes maanden: twee dagen per week van 12.00 uur tot 16.00 uur;
- na een jaar: een volledige dag (met overnachting) per week bij de vader;
- althans een zodanige regeling zal bepalen als het hof juist zal achten;
II. een informatieregeling zal vaststellen waarbij de moeder de vader eens per week per e-mail uitgebreid dient te informeren over [minderjarige] ;
III. de moeder zal veroordelen tot nakoming van de vast te stellen voorlopige omgangsregeling;
IV. de moeder zal veroordelen tot betaling van een dwangsom van € 500,-, althans een door het hof te bepalen dwangsom, per dag of dagdeel dat de moeder niet voldoet aan het gevorderde onder I en II.
Partijen hebben de zaak ter zitting van 27 maart 2026 doen bepleiten door hun advocaten, de moeder aan de hand van pleitnotities die zijn overgelegd. De vader werd ter zitting tevens bijgestaan door mevrouw H. Abdullah, tolk in de Engelse taal.
Ten slotte is arrest gevraagd.
2. Feiten
Het hof gaat uit van de feiten die de voorzieningenrechter in het bestreden vonnis heeft vastgesteld, waarvan de juistheid tussen partijen niet in geschil is. Die feiten zijn, hier en daar aangevuld met andere vaststaande feiten, de volgende.
Uit de relatie van partijen is [minderjarige] geboren [in] 2025. De moeder is belast met het eenhoofdig gezag over [minderjarige] . [minderjarige] woont bij de moeder. De relatie van partijen is beëindigd vóór de geboorte van [minderjarige] .
De vader heeft bij de rechtbank Amsterdam een verzoek ingediend tot het verkrijgen van vervangende toestemming voor erkenning van [minderjarige] , wijziging van de geslachtsnaam en vaststelling van een omgangsregeling.
3. Beoordeling
Voorgeschiedenis
Partijen hebben een relatie gekregen in 2017. De vader, die de Guinese nationaliteit heeft, verbleef toen nog in Guinee. Hij is in 2021 voor een studie naar Letland gereisd en is in mei 2021 naar Nederland gekomen om zich bij de moeder te voegen. Hij heeft een verblijfsvergunning aangevraagd, waarover de procedure nog loopt.
De moeder is geboren in Guinee en heeft de Nederlandse nationaliteit.
[in] 2024 zijn partijen gehuwd volgens de Islamitische wet. Hun relatie is in januari 2025 beëindigd. De vader heeft [minderjarige] sinds diens geboorte [in] 2025 nog niet gezien.
Eerste aanleg
De vader heeft de moeder op 6 oktober 2025 gedagvaard in kort geding en heeft - samengevat - gevorderd dat de moeder, op straffe van een dwangsom, wordt veroordeeld om mee te werken aan een door de voorzieningenrechter vast te stellen voorlopige omgangsregeling met een opbouw.
De voorzieningenrechter heeft overwogen dat te weinig bekend is over de vader en dat omgang begeleid zou moeten plaatsvinden gezien de jonge leeftijd van [minderjarige] . De voorzieningenrechter heeft de gevraagde voorziening geweigerd en de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de raad), in het kader van de door de vader gestarte bodemprocedure over erkenning en omgang, verzocht om onderzoek te doen naar de vraag welke contactregeling het meest in het belang van [minderjarige] is.
Tegen de weigering van de gevraagde voorziening en de daaraan ten grondslag gelegde motivering komt de vader met zijn grieven op.
Standpunt vader
De vader weerspreekt dat te weinig bekend is over hem om een voorlopige omgangsregeling vast te stellen; partijen hebben een jarenlange relatie gehad en de moeder kent hem dus heel goed. De moeder schetst nu een eenzijdig beeld van hem, waarbij zij stelt dat hij haar zou hebben mishandeld en angst zou hebben aangejaagd, maar zij onderbouwt dat alleen met een aangifte die zij pas heeft gedaan nadat de vader zijn vordering had ingesteld. Het enkele feit dat de vader nu geen vaste woon- of verblijfplaats heeft, betekent niet dat er te weinig bekend is over hem of dat zijn geschiktheid als ouder niet kan worden beoordeeld. Hij vormt geen gevaar voor [minderjarige] en hij heeft geen mentale problemen. De voorzieningenrechter had ook moeten kijken naar de aanwijzingen dat de vader betrokken is bij [minderjarige] , in welk verband de vader verwijst naar de apps waarin partijen voorafgaand aan de geboorte contact hebben gehad over onder andere een babyuitzet.
Juist voor een jong kind is omgang van belang omdat de basis voor de hechting dan al wordt gelegd. Dat de moeder stress ervaart door contact tussen [minderjarige] en de vader is nog geen reden om geen contact te laten plaatsvinden. De overdracht van [minderjarige] kan via een derde of via een begeleide voorziening plaatsvinden.
De vader en [minderjarige] verliezen cruciale maanden als pas omgang wordt bepaald nadat de raad zijn onderzoek heeft verricht. [minderjarige] heeft recht op contact met beide ouders.
Standpunt moeder
De moeder meent dat de vorderingen van de vader terecht zijn afgewezen door de voorzieningenrechter. Het is niet in het belang van [minderjarige] om aan de vader te worden meegegeven voor contactmomenten. De moeder is veelvuldig mishandeld door de vader. Zij is hierdoor nog steeds ernstig getraumatiseerd. De gedachte dat zij opnieuw met hem in contact zou moeten treden, veroorzaakt bij de moeder veel angst. Daarbij komt dat het nog steeds ontbreekt aan relevante achtergrondinformatie over de vader. Hij heeft geen vaste woon- of verblijfplaats en is niet in het bezit van een verblijfsvergunning. Evenmin is bekend hoe het is gesteld met zijn (mentale) gezondheid, of hij onder behandeling staat voor agressieregulatie en wat hij in het dagelijks leven doet.
De moeder vreest bovendien voor ontvoering van [minderjarige] aangezien de vader geen banden heeft met Nederland en heeft gezegd terug te willen naar Guinee.
De moeder is het met de voorzieningenrechter eens dat de bodemprocedure de juiste plek is om te onderzoeken of omgang in het belang van [minderjarige] is en, zo ja, in welke vorm en met welke frequentie. Dat kan pas worden beoordeeld na een onderzoek en advies van de raad.
Rechtsmacht en toepasselijk recht
De zaak draagt een internationaal karakter. De Nederlandse rechter heeft internationale rechtsmacht nu [minderjarige] zijn gewone verblijfplaats in Nederland heeft. De voorzieningenrechter heeft impliciet Nederlands recht toegepast op het gevorderde. Dat is niet in geschil, zodat ook het hof daarvan uitgaat.
Voorlopige omgangsregeling
Ter zitting in hoger beroep is gebleken dat in de bodemprocedure een bijzondere curator is benoemd die inmiddels diens onderzoek heeft afgerond en heeft geadviseerd om de vader vervangende toestemming voor erkenning van [minderjarige] te verlenen. Er is nog geen zittingsdatum gepland door de rechtbank.
De raad is nog niet gestart met zijn onderzoek; uit een door de vader in het geding gebrachte brief van de raad van 4 februari 2026 volgt dat de huidige wachttijd bij de raad gemiddeld zeven maanden bedraagt en dat een onderzoek twee à drie maanden in beslag neemt. De vader wil het onderzoek - dat vermoedelijk dus pas eind 2026 afgerond is - niet afwachten en wil vast beginnen met een kennismaking met [minderjarige] en contactopbouw tussen hen. Het hof kan die wens van de vader begrijpen; zijn belang bij een snelle start van het contact is evident. In beginsel geldt dat ook een kind belang heeft bij het leren kennen van zijn (andere) ouder. In het geval van [minderjarige] gaat het echter om een zeer jong kind dat volledig afhankelijk is van zijn verzorger(s) en zijn vader nog nooit heeft gezien. Daarbij komt dat de moeder zegt onverminderd last te hebben van angst voor de vader. Zij heeft zich aangemeld bij een psycholoog voor een EMDR-behandeling, maar die komt niet goed van de grond omdat deze procedure loopt. Het hof constateert dat bij de moeder op dit moment onvoldoende draagvlak lijkt te zijn voor (onbegeleide) omgang tussen [minderjarige] en de vader; evenmin wil zij familie of vrienden belasten met de begeleiding van de omgang, hetgeen ook de vader niet wenselijk acht. Gezien die weerstand, en in aanmerking genomen dat [minderjarige] een acht maanden oud (en dus nog kwetsbaar) kind is, is het hof van oordeel dat het momenteel in strijd is met de zwaarwegende belangen van [minderjarige] om een onbegeleide (voorlopige) omgangsregeling te bepalen. Indien er contact komt, moet dat onder professionele begeleiding plaatsvinden. Een kort geding leent zich niet voor het vaststellen van een dergelijke regeling. Evenmin leent een kort geding zich voor een onderzoek of en, zo ja, op welke wijze omgang tussen de vader en [minderjarige] mogelijk is. De raad zal eerst zijn onderzoek moeten doen en de resultaten daarvan zullen aan de orde moeten komen in de reeds lopende bodemprocedure.
Dat betekent dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bekrachtigen. Het geeft partijen wel in overweging om, conform de suggestie van de advocaat van de moeder, de raad zelf alvast te benaderen met hun hulpvraag, aangezien het van belang is dat er beweging komt in de zaak.
Informatieregeling
De vader heeft zijn eis in hoger beroep vermeerderd in die zin dat hij in de appeldagvaarding ook de vaststelling van een wekelijkse informatieregeling heeft gevorderd. Deze eisvermeerdering levert, anders dan de moeder aanvoert, geen strijd met de eisen van een goede procesorde op.
Het hof zal deze vordering van de vader deels toewijzen, aldus dat de moeder eens per maand - via de advocaten van partijen – relevante informatie dient te verstrekken aan de vader over de ontwikkeling, het welzijn en de gezondheid van [minderjarige] en die informatie vergezeld laat gaan van een recente foto van [minderjarige] .
Dwangsom
Het hof zal geen dwangsom verbinden aan de informatieplicht. Niet gebleken is dat de moeder geen medewerking zal verlenen en dat er dus een noodzaak is voor een dwangmiddel.
Conclusie
Het vonnis waarvan beroep zal worden bekrachtigd en het hof zal een informatieplicht vaststellen.
4. Beslissing
Het hof:
bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;
bepaalt dat de moeder één keer per maand, voor het eerst uiterlijk 12 mei 2026, via haar advocaat, aan de (advocaat van de) vader informatie over [minderjarige] moet verschaffen, te weten informatie over zijn ontwikkeling, welzijn en gezondheid en dat zij daarbij een recente foto van [minderjarige] moet voegen;
wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit arrest is gewezen door mr. J.F. Miedema, mr. A.R. Sturhoofd en mr. M.J. Vonk en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 28 april 2026.