ECLI:NL:GHAMS:2026:1329

ECLI:NL:GHAMS:2026:1329

Instantie Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak 12-05-2026
Datum publicatie 12-05-2026
Zaaknummer 23-001006-23
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Hoger beroep
Zittingsplaats Amsterdam

Samenvatting

Ontneming.

Uitspraak

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-001006-23

datum uitspraak: 12 mei 2026

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 21 maart 2023 op de vordering van het openbaar ministerie ingevolge artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht in de ontnemingszaak met nummer

13-108572-20 tegen de betrokkene

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ) op [geboortedag] 1968,

adres: [adres 1] .

Procesgang

Het openbaar ministerie heeft in eerste aanleg gevorderd dat aan de betrokkene de verplichting zal worden opgelegd tot betaling van een geldbedrag aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, geschat tot een bedrag van € 27.445,54.

De betrokkene is bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 21 maart 2023 - kort gezegd - veroordeeld ter zake van het opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B en C van de Opiumwet gegeven verbod.

Voorts heeft de politierechter in de rechtbank Amsterdam bij vonnis van 21 maart 2023 de betrokkene de verplichting opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 27.445,00 ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.

De betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen beide vonnissen.

De betrokkene is bij arrest van het gerechtshof Amsterdam van 12 mei 2026 veroordeeld ter zake van -kort gezegd - het opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B en C van de Opiumwet gegeven verbod.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 21 april en 12 mei 2026.

De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de betrokkene en de raadsman naar voren hebben gebracht.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat daarvan slechts aantekening is gedaan ingevolge artikel 378a van het Wetboek van Strafvordering.

Schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het wederrechtelijk verkregen voordeel dient te worden vastgesteld op een bedrag van € 5.000,00, nu de betrokkene ter terechtzitting in hoger beroep heeft verklaard gemiddeld € 1.250,00 aan schuldvermindering per maand te hebben ontvangen voor zijn werkzaamheden in de aangetroffen hennepkwekerij en het niet aannemelijk is geworden dat de opbrengst van de oogst naar de betrokkene is gegaan.

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de betrokkene enkel moest oppassen op de hennepkwekerij en om die reden geen wederrechtelijk verkregen voordeel ervan heeft genoten. De schuld die de betrokkene bij anderen heeft gehad, is wel verminderd met in totaal ongeveer € 5.000,00 en dat bedrag dient daarom als uitgangspunt te worden genomen bij de berekening van enig wederrechtelijk verkregen voordeel.

Het hof overweegt als volgt.

De betrokkene heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard een schuld te zijn aangegaan bij ‘gangsters’ ter hoogte van ongeveer € 7.000,00, te vermeerderen met rente die hem daarover werd berekend. De betrokkene heeft ook verklaard voor een periode van vier maanden alleen in het huis waar de kwekerij is aangetroffen te zijn geweest om de hennepplanten water te geven en een oogje in het zeil te houden, en daarvoor maandelijks tussen € 1.000,00 en € 1.500,00 aan schuldvermindering te hebben ontvangen. Dit komt neer op een schuldvermindering van ten minste € 4.000,00 en ten hoogste

€ 6.000,00 in totaal.

Het hof is van oordeel dat het dossier voldoende aanwijzingen bevat die erop duiden dat de betrokkene geen rechtstreeks wederrechtelijk verkregen voordeel heeft genoten van de geslaagde oogsten van de hennepkwekerij, en die het verhaal van de betrokkene dus ondersteunen.

Zo volgt uit dossierpagina 33 dat bij de woning aan de [adres 2] – waar de hennepkwekerij is aangetroffen – een auto op naam van [persoon] wordt gesignaleerd die tevens is gezien bij de [adres 3] . Op dit laatstgenoemde adres zijn eerder meerdere kilo’s hennep, 17 kilo cocaïne, een vuurwapen, peperspray en een ploertendoder aangetroffen. Bovendien zag de hennepkwekerij er bijzonder professioneel uit en is het opmerkelijk dat de betrokkene niet in de buurt van [plaats] woont. Op grond van het voorgaande ziet het hof aanleiding om de verklaring van de betrokkene te volgen, in die zin dat hij uitsluitend voordeel heeft genoten in de vorm van schuldvermindering.

Het hof zal het wederrechtelijk verkregen voordeel, conform de hoogste schatting van de betrokkene zelf, vaststellen op een bedrag van € 6.000,00.

Verplichting tot betaling aan de Staat

De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep gevorderd dat aan de betrokkene de verplichting wordt opgelegd tot betaling aan de staat van € 5.000,00 ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel. Weliswaar is er in hoger beroep sprake van een overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), maar de advocaat-generaal gaat er daarbij van uit dat het hof deze overschrijding al bij de strafoplegging in de samenhangende strafzaak zal compenseren.

De raadsman heeft het hof verzocht rekening te houden met de draagkracht van de betrokkene, nu de medische omstandigheden van de betrokkene een voltijdbaan onmogelijk gaan maken. Een vermindering van 50 procent (en daarmee een bedrag van € 2.500,00) is in deze situatie redelijk.

Het hof overweegt als volgt.

Het hof verwerpt het draagkrachtverweer. Op grond van hetgeen door de raadsman is aangevoerd en ook overigens is niet aanstonds aannemelijk geworden dat de betrokkene thans, noch naar redelijke verwachting in de toekomst, niet in staat is en zal zijn het vast te stellen bedrag aan wederrechtelijk verkregen voordeel te voldoen. Er is derhalve geen aanleiding wegens ontoereikende draagkracht tot een lagere vaststelling van het door de veroordeelde aan de Staat te betalen bedrag aan wederrechtelijk verkregen voordeel te besluiten.

Het hof stelt wel vast dat het recht van de betrokkene om binnen een redelijke termijn te worden berecht, als bedoeld in artikel 6, eerste lid, EVRM, is geschonden. Als uitgangspunt geldt dat de berechting van de zaak in hoger beroep behoort te zijn afgerond met een einduitspraak binnen twee jaren nadat het rechtsmiddel is ingesteld. Op 21 maart 2023 is namens de verdachte hoger beroep ingesteld. Het hof doet bij arrest van 12 mei 2026 einduitspraak. Hieruit volgt dat in hoger beroep sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn van ongeveer een jaar en twee maanden. De mate van dat tijdsverloop valt niet aan de verdediging toe te rekenen. Het hof is van oordeel dat dit een matiging van de op te leggen betalingsverplichting tot het hierna vermelde bedrag tot gevolg moet hebben.

Aan de betrokkene dient, ter ontneming van het door hem wederrechtelijk verkregen voordeel, de verplichting te worden opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 5.000,00.

Toepasselijk wettelijk voorschrift

De op te leggen maatregel is gegrond op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Stelt het bedrag waarop het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op een bedrag van € 6.000,00 (zesduizend euro).

Legt de betrokkene de verplichting op tot betaling aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel van een bedrag van € 5.000,00 (vijfduizend euro).

Bepaalt de duur van de gijzeling die ten hoogste kan worden gevorderd op 50 dagen.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. J.L. Bruinsma, mr. M.J.A. Plaisier en mr. A.J. van Es, in tegenwoordigheid van

mr. C. van der Laan, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van

12 mei 2026.

Mr. A.J. van Es is wegens afwezigheid buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

=========================================================================

[…]

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. C. van der Laan

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand