ECLI:NL:GHAMS:2026:1334

ECLI:NL:GHAMS:2026:1334

Instantie Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak 12-05-2026
Datum publicatie 15-05-2026
Zaaknummer 200.353.045
Rechtsgebied Civiel recht
Procedure Hoger beroep
Zittingsplaats Amsterdam

Samenvatting

Het gaat in deze zaak om een vordering tot terugbetaling. De appeldagvaarding dateert van na 1 januari 2025, zodat het per die datum in werking getreden nieuwe bewijsrecht van toepassing is. De vordering wordt na waardering van het bijgebrachte bewijs, waaronder verklaringen van getuigen, onder wie eiser, deels toegewezen.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I

zaaknummer : 200.353.045/01

zaaknummer rechtbank Amsterdam : C/13/743139 / HA ZA 23-1090

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 12 mei 2026

in de zaak van

[appellant] ,

wonend te [plaats 1] ,

appellant in principaal appel,

geïntimeerde in incidenteel appel,

hierna te noemen [appellant] ,

advocaat: mr. A. Hashem Jawaheri te Amsterdam,

tegen

[geïntimeerde 1] ,

wonend te [plaats 2] ,

en

[geïntimeerde 2] ,

wonend te [plaats 3] ,

geïntimeerden in principaal appel,

appellanten in incidenteel appel,

hierna te noemen [geïntimeerden] en afzonderlijk [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] ,

advocaat: mr. M.M. Dezfouli te Den Haag.

1. De zaak in het kort

Het gaat in deze zaak om een vordering tot terugbetaling. De appeldagvaarding dateert van na 1 januari 2025, zodat het per die datum in werking getreden nieuwe bewijsrecht van toepassing is. De vordering wordt na waardering van het bijgebrachte bewijs, waaronder verklaringen van getuigen, onder wie eiser, deels toegewezen.

2. Het geding in hoger beroep

[appellant] is bij dagvaarding tevens houdende de grieven van 24 maart 2025 in hoger beroep gekomen van het (eind)vonnis van de rechtbank Amsterdam van 26 februari 2025, onder bovenvermeld zaaknummer gewezen tussen [appellant] als eiser en [geïntimeerden] als gedaagden.

De dagvaarding is op 8 april 2025 aangebracht bij het hof.

Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:

- memorie van grieven overeenkomstig de appeldagvaarding, met producties;

- memorie van antwoord, tevens houdend incidenteel appel;

- memorie van antwoord in incidenteel appel.

Op 13 maart 2026 heeft een mondelinge behandeling van de zaak plaatsgehad, alwaar partijen hun zaak door hun advocaten hebben laten toelichten en vragen van het hof hebben beantwoord.

Ten slotte is arrest gevraagd.

[appellant] heeft geconcludeerd tot - naar het hof begrijpt - vernietiging van het in deze zaak gewezen tussen- en eindvonnis en - uitvoerbaar bij voorraad - toewijzing alsnog van zijn gehele vordering, met veroordeling van [geïntimeerden] in de kosten van het geding in beide instanties.

[geïntimeerden] hebben in het principaal appel geconcludeerd tot ongegrond verklaring van het appel en in het incidenteel appel om primair de vordering van [appellant] op nihil te stellen en subsidiair € 7.500 toewijsbaar te oordelen, in plaats van het toegewezen bedrag van € 10.000, met - uitvoerbaar bij voorraad - veroordeling van [appellant] in de kosten van beide instanties.

[appellant] heeft in het incidenteel appel geconcludeerd tot niet-ontvankelijk verklaring van het appel en veroordeling van [geïntimeerden] in de kosten.

Beide partijen hebben in hoger beroep bewijs aangeboden.

3. Feiten

De rechtbank heeft in het deze zaak gewezen tussenvonnis van 10 juli 2024 als feiten tot uitgangspunt genomen:

(i) Partijen hebben de Iraanse nationaliteit. Iraanse banken hebben geen aansluiting op het SWIFT-systeem. Hierdoor is het vrijwel onmogelijk om bancaire transacties te verrichten van en naar Iran.

(ii) [geïntimeerde 1] heeft bij [appellant] aangegeven dat het wel mogelijk is om geld over te brengen naar Iran middels het zogenoemde Hawala-bankieren. Dit betekent dat het geldbedrag aan een persoon in Nederland wordt gegeven en dat dit bedrag vervolgens in Iran aan de aangewezen persoon wordt overhandigd.

Als onbestreden in hoger beroept gaat ook het hof hier vanuit.

4. Eerste aanleg

[appellant] heeft bij de inleidende dagvaarding gevorderd dat [geïntimeerden] worden veroordeeld tot betaling aan hem van € 40.000 met rente. Aan de vordering is ten grondslag gelegd dat hij € 30.000 in delen van € 10.000 aan [geïntimeerde 1] heeft gegeven en eenmalig een bedrag van € 10.000 aan [geïntimeerde 2] voor - kort gezegd - diensten die niet zijn uitgevoerd.

[geïntimeerden] hebben de vordering gemotiveerd bestreden.

tussenvonnis van 10 juli 2024

De rechtbank heeft de vordering beoordeeld op de grondslag van onverschuldigde betaling en heeft tot uitgangspunt genomen dat het geld dat [appellant] aan [geïntimeerde 1] en/of [geïntimeerde 2] heeft gegeven door deze(n) moet worden terugbetaald. Zij heeft in geluidsfragmenten en een aantal eerdere rechterlijke veroordelingen van [geïntimeerde 1] in soortgelijke zaken aanknopingspunten gezien voor de stelling dat [appellant] geld aan [geïntimeerde 1] heeft gegeven. De stelling dat ook geld aan [geïntimeerde 2] is gegeven, is bij gebrek aan aanknopingspunten aanstonds ongegrond bevonden. Vervolgens is aan [appellant] te bewijzen opgedragen dat hij € 30.000 aan [geïntimeerde 1] heeft gegeven.

eindvonnis van 26 februari 2025

De rechtbank heeft de verklaringen van de ter uitvoering van de bewijsopdracht voorgebrachte getuigen gewaardeerd en heeft op grond daarvan één betaling van € 10.000 aan [geïntimeerde 1] bewezen geacht. De vordering tegen [geïntimeerde 1] is toegewezen tot het bedrag van € 10.000 met rente vanaf 22 november 2023, met afwijzing van het meer of anders gevorderde en met compensatie van kosten.

5. Hoger beroep

De rechtbank heeft de bewezenverklaring van één overhandiging van € 10.000 aan [geïntimeerde 1] gebaseerd op de getuigenverklaring van [appellant] zelf en die van [naam] . Dat [appellant] daarnaast nog geld aan [geïntimeerde 1] heeft gegeven, heeft de rechtbank niet bewezen geacht, kort gezegd omdat de verklaringen van [appellant] op de mondelinge behandeling en die van de getuigen (onder welke die van [appellant] ) niet goed met elkaar zijn te rijmen.

in principaal appel

De grieven 1 tot en met 3 strekken tot betoog dat wel degelijk is bewezen dat [appellant] meer dan € 10.000 heeft gegeven. Daarmee vragen de grieven om een nieuwe waardering van het door [appellant] bijgebrachte bewijs. De appeldagvaarding dateert van na 1 januari 2025, zodat daarop het per die datum in werking getreden nieuwe bewijsrecht van toepassing is. Dat betekent voor deze zaak dat het hof in de waardering van de getuigenverklaring van [appellant] net zo vrij is als in de waardering van de verklaringen van de andere getuigen.

De grieven slagen in zoverre dat ook een tweede overdracht van € 10.000 door [appellant] aan [geïntimeerde 1] bewezen wordt geacht. [appellant] en Pourazmiani hebben beiden als getuigen verklaard dat [appellant] twee keer € 10.000 in een envelop aan [geïntimeerde 1] heeft gegeven; één keer voor het huis van Pourazmiani en één keer bij hem in de winkel, beide keren in diens bijzijn. De verklaringen vinden steun in een geluidsfragment 3 waarvan een schriftelijke weergave met vertaling als productie 11 bij dagvaarding is overgelegd en waarover [geïntimeerde 1] als getuige heeft verklaard: “Hij [ [appellant] ] vroeg mij 40.000 euro naar Iran te sturen en mijn antwoord is dat dit niet kan. Dit bericht gaat over porties van 10. Ik heb dit wel gezegd.” Dat levert bewijs op voor de door [appellant] gestelde bedragen en is bovendien een aanwijzing voor de rol van [geïntimeerde 1] in de Iraanse gemeenschap die [appellant] kennelijk ertoe heeft gebracht om haar geld te geven. Die rol vindt bovendien steun in de eerdere rechterlijke veroordelingen van [geïntimeerde 1] in soortgelijke zaken, waaruit een patroon van handelen blijkt als waar het hier om gaat.

Over de andere gestelde bedragen die [appellant] aan [geïntimeerde 1] en/of [geïntimeerde 2] zou hebben gegeven, is niet begrijpelijk en eenduidig verklaard. Er zou nog geld per bank zijn overgemaakt dat weer gedeeltelijk zou zijn teruggestort en door [appellant] deels alsnog in contanten zou zijn gegeven. Uit de getuigenverklaringen noch anderszins valt echter eenduidig op te maken wat precies naar wiens bankrekening ( [geïntimeerde 1] of [geïntimeerde 2] ) is overgemaakt en wat daarna precies aan wie ( [geïntimeerde 1] of [geïntimeerde 2] ) alsnog in contanten is gegeven. Hier wreekt zich dat zelfs niet de desbetreffende bankafschriften zijn overgelegd waaruit wellicht nog een en ander zou kunnen blijken.

Bij deze stand van zaken blijft het bij een bewezenverklaring van twee maal € 10.000 aan [geïntimeerde 1] . Dat [appellant] meer geld aan [geïntimeerde 1] en/of [geïntimeerde 2] heeft gegeven wordt ook in hoger beroep niet bewezen geoordeeld.

in incidenteel appel

Grief 1 in incidenteel appel strekt tot betoog - voor zover nog van belang - dat [geïntimeerde 1] een bedrag van € 2.500 aan [appellant] heeft teruggegeven. Dat betoog slaagt. [appellant] heeft als getuige bevestigd dat hij tussen de € 2.500 en € 3.000 van [geïntimeerde 1] heeft terugontvangen op de bankrekening van zijn moeder in Iran. Het betreffende bankafschrift bevindt zich als productie 10 bij de inleidende dagvaarding, zo is ter zitting in hoger beroep verklaard. Dat bedrag dient dus op het door [geïntimeerde 1] aan [appellant] terug te betalen bedrag in mindering te worden gebracht. In zoverre slaagt het incidenteel appel.

in principaal en incidenteel appel voorts

Het gedeeltelijk slagen van de grieven in het principaal en incidenteel appel betekent dat de vordering van [appellant] tegen [geïntimeerde 1] tot een bedrag van € 17.500 toewijsbaar is wegens - onbestreden in hoger beroep - onverschuldigde betaling. Bij die uitkomst is [geïntimeerde 1] de in eerste aanleg en het principaal appel overwegend in het ongelijk gestelde partij, reden waarom zij in de kosten daarvan zal worden veroordeeld. In zoverre slaagt ook grief 4 in het principaal appel tegen de compensatie van de kosten in eerste aanleg.

De vordering tegen [geïntimeerde 2] is bij gebrek aan bewijs ook in hoger beroep niet toewijsbaar. Wat hem betreft geldt [appellant] als de in eerste aanleg en principaal appel in het ongelijk gestelde partij, hetgeen [appellant] op een kostenveroordeling ten laste van [geïntimeerde 2] komt te staan. Daarmee slaagt ook grief 2 in het incidenteel appel, zij het vruchteloos, nu zijn kosten worden begroot op nihil, omdat hij bij dezelfde advocaat als [geïntimeerde 1] is verschenen en niet is gesteld of gebleken dat daarnaast relevante kosten zijn gemaakt voor de zaak van [geïntimeerde 2] .

In het incidenteel appel zijn partijen over een weer op punten in het ongelijk gesteld, reden waarom de daarmee gemoeide kosten worden gecompenseerd.

De slotsom is dat [appellant] in het hoger beroep tegen het tussenvonnis niet-ontvankelijk zal worden verklaard bij gebreke van kenbare grieven en dat het eindvonnis zal worden vernietigd. De vordering van [appellant] wordt toegewezen tot een bedrag van € 17.500, te vermeerderen met - als verder niet bestreden - rente vanaf 22 november 2023, met afwijzing van het meer of anders gevorderde, waaronder de vordering tegen [geïntimeerde 2] . Aan bewijslevering wordt niet toegekomen omdat geen stellingen en weren zijn betrokken die, indien bewezen althans ontzenuwd, kunnen leiden tot een andere uitkomst van de zaak. Verder worden partijen over en weer in de kosten veroordeeld, zoals hierna in het dictum bepaald.

6. Beslissing

Het hof:

in het principaal en incidenteel appel

verklaart [appellant] niet-ontvankelijk in het hoger beroep tegen het tussenvonnis van 10 juli 2024;

vernietigt het eindvonnis van 26 februari 2025;

en opnieuw rechtdoende:

veroordeelt [geïntimeerde 1] tot betaling aan [appellant] van € 17.500, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over dat bedrag vanaf 22 november 2023 tot de dag van volledige betaling;

veroordeelt [geïntimeerde 1] in de kosten van het geding in eerste aanleg en het principaal appel, tot op heden aan de zijde van [appellant] begroot op in eerste aanleg € 382,73 aan verschotten en € 2.149 voor salaris en in het principaal appel op € 508,43 aan verschotten en € 2.580 voor salaris;

veroordeelt [appellant] in de kosten van de eerste aanleg en het principaal appel, tot op heden aan de zijde van [geïntimeerde 2] begroot op nihil;

verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders gevorderde, waaronder de vordering tegen [geïntimeerde 2] ;

compenseert de kosten van het incidenteel appel in dier voege dat [geïntimeerde 1] en [appellant] elk de kosten dragen.

Dit arrest is gewezen door mrs. F.J. van de Poel, A.S. Arnold en E. Verhulp en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 12 mei 2026.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand