ECLI:NL:GHAMS:2026:1339

ECLI:NL:GHAMS:2026:1339

Instantie Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak 07-05-2026
Datum publicatie 18-05-2026
Zaaknummer 23-002806-25
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Hoger beroep
Zittingsplaats Amsterdam

Samenvatting

jeugdzaak, W&O opzettelijk voorhanden hebben vuurwerk, bespreking bewijsverweren ( vormverzuimen en onderzoek naar samenstelling van het vuurwerk). voorwaardelijke werkstraf

Uitspraak

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 23 april 2026 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de raadsman en de zittingsvertegenwoordiger van de Raad voor de Kinderbescherming (verder: Raad) naar voren hebben gebracht.

Omvang van het hoger beroep

De kinderrechter heeft de verdachte bij voormeld vonnis vrijgesproken van hetgeen aan hem in de zaak met parketnummer 13-230603-25 ten laste is gelegd.

Namens de verdachte is blijkens de akte instellen hoger beroep enkel hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kinderrechter tot bewezenverklaring van het onder 13-392357-24 ten laste gelegde.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is, voor zover in hoger beroep nog aan de orde, tenlastegelegd dat:

hij op of omstreeks 1 november 2024, te Amsterdam, in elk geval in Nederland, al dan niet opzettelijk vuurwerk, te weten twee Cobra's, buiten een inrichting als bedoeld in artikel 1.1.4, 2.2.1, 3.2.1 of 3A.2.1 van het Vuurwerkbesluit, voorhanden heeft gehad.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, zal worden vernietigd, omdat het hof tot andere beslissingen komt dan de kinderrechter.

Bewijsoverwegingen

Standpunt van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting gerekwireerd tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit. Zij heeft zich op het standpunt gesteld dat de kinderrechter passend heeft gereageerd op de gevoerde verweren. Er is geen sprake geweest van enig onherstelbaar vormverzuim in het vooronderzoek en voor zover hiervan wel sprake is geweest is dit niet van dien aard dat dit tot bewijsuitsluiting moet leiden. Het bij de verdachte aangetroffen vuurwerk had zodanig de uiterlijke verschijningsvorm van cobra’s dat mede gelet op het rapport van het NFI voor een bewezenverklaring geen onderzoek naar de chemische samenstelling vereist was.

Standpunt van de raadsman

De raadsman heeft ter terechtzitting - kort samengevat - bepleit dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van hetgeen hem ten laste is gelegd. De doorzoeking van de bromfiets heeft in strijd met de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit en daarmee onrechtmatig plaatsgevonden. Het voorschrift van artikel 96 Sv dat strekt ter bescherming tegen willekeurige en ontoelaatbare privacy schendingen door de politie is geschonden. De verdachte heeft hier nadeel van ondervonden; zijn privacy is geschonden en zijn recht op een eerlijke proces is beperkt.

Vervolgens is de verdachte onderworpen aan een verhoor zonder dat hij is gewezen op zijn recht te zwijgen en zijn recht op rechtsbijstand, waardoor de artikelen 27c lid 2 en 29 lid 2 Sv, welke zeer fundamentele strafvorderlijke voorschriften behelzen, zijn geschonden. De verdachte heeft ook hier nadeel van ondervonden; zijn recht op privacy is aangetast en er is een inbreuk op zijn lichamelijke integriteit gemaakt. Hetgeen des te meer klemt nu de verdachte destijds minderjarig was en een nacht op het politiebureau heeft moeten doorbrengen. Bovendien is hiermee aan hem het recht op een eerlijk proces ontzegd.

Voornoemde vormverzuimen leiden, gelet op de geschonden belangen, de ernst hiervan alsmede het nadeel voor de verdachte, ieder voor zich en in onderlinge samenhang bezien tot de conclusie dat de bevindingen nadien moeten leiden tot bewijsuitsluiting en daarmee tot vrijspraak. Ook de vondst van het vermeende vuurwerk dient dus van het bewijs te worden uitgesloten; de onrechtmatige verhoorsituatie leidt er immers toe dat ook de fouillering en daarmee het aantreffen van de cobra’s onrechtmatig was nu er ook overigens geen grondslag voor fouillering was.

Verder heeft de raadsman bepleit dat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat de verdachte vuurwerk als bedoeld in artikel 1.2.4 van het Vuurwerkbesluit voorhanden had, nu geen onderzoek is gedaan naar de chemische samenstelling van de inhoud van de in beslag genomen verpakkingen.

Oordeel van het hof

Bespreking verweer vormverzuimen

In het proces-verbaal van 1 november 2024 relateren de verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] dat de politie in de avond van 1 november 2024 meerdere meldingen krijgt dat er zwaar vuurwerk wordt afgestoken op Plein 40-45 door jeugdigen waarbij ook een vloeistof wordt gebruikt, waarop zij zich naar voornoemd plein begeven. Aldaar ziet verbalisant [verbalisant 1] een bromfiets op de stoep rijden met voor hen uit de buurt bekende jeugdigen. Een deel van het kenteken bestaat uit [kenteken] . Verbalisant [verbalisant 1] spreekt de bestuurder van de bromfiets aan, maar deze rijdt door. Kort hierop wordt een bromfiets met kenteken [kenteken] door verbalisant [verbalisant 2] alsnog tot stilstand gedwongen. Verbalisant [verbalisant 1] de verdachte mee dat hij een proces-verbaal krijgt voor het rijden op de stoep. Vervolgens openen de verbalisanten de buddy van de bromfiets om het framenummer te controleren. Bij het openen van de buddy zien de verbalisanten twee flessen wasbenzine. De verbalisanten vragen de verdachte waar dit voor is, waar de verdachte geen antwoord op geeft. Omdat de verdachte niet zoveel zegt en wat lacherig doet, vragen de verbalisanten of hij vuurwerk bij zich heeft en of zij de verdachte mogen fouilleren. De verdachte geeft daarvoor toestemming en bij zijn fouillering worden twee cobra’s aangetroffen. Vervolgens wordt de verdachte aangehouden wegens het voorhanden hebben van de cobra’s. De cobra’s worden in beslaggenomen.

Het hof stelt aan de hand van voormeld proces-verbaal vast dat de verdachte in eerste instantie wordt verdacht van het met zijn bromfiets over de stoep rijden. Gelet op deze verdenking wordt hij - gegeven de verdenking van dit strafbare feit - rechtmatig tot stilstand gebracht, waarna de buddy van zijn bromfiets wordt geopend om het framenummer te controleren op basis van het kentekenbewijs in het kader van het opmaken van een proces-verbaal voor rijden op de stoep. Anders dan de raadsman is het hof van oordeel dat het om deze reden openen van de buddyseat niet onrechtmatig was. Overigens heeft de verdachte ter zitting bij de kinderrechter verklaard dat hij akkoord was met het openen van de buddy, hetgeen instemming impliceert. Het verweer van de raadsman dat sprake is geweest van een onrechtmatige doorzoeking van de buddy wordt verworpen

Met het aantreffen van de flessen wasbenzine in de buddy ontstaat bij de verbalisanten vervolgens het - gezien deze brandbare stof in samenhang beschouwd met voornoemde eerdere meldingen -gerechtvaardigd vermoeden dat de verdachte te maken heeft met het afsteken van illegaal vuurwerk op Plein 40-45. De verbalisanten vragen hem of hij vuurwerk bij zich heeft en toestemming hem te fouilleren. Met de raadsman is het hof van oordeel dat daarmee een verhoorsituatie ontstaat voorafgaand waaraan de verdachte de cautie had moeten worden gegeven en hij op zijn recht op rechtsbijstand had moeten worden gewezen. Nu dat niet is gebeurd, is het hof met de raadsman van oordeel dat sprake is van onherstelbare vormverzuimen zoals bedoeld in artikel 359a Sv. Met het niet wijzen op deze rechten wordt naar het oordeel van het hof ook de (latere) toestemming voor de fouillering aangetast, zodat ook de fouillering onrechtmatig is geweest.

Op grond van het bepaalde in artikel 359a Sv kan het hof, in het geval dat in het voorbereidend onderzoek een onherstelbaar vormverzuim is begaan, overgaan tot het toepassen van één van drie rechtsgevolgen, te weten niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie, bewijsuitsluiting en strafvermindering. Daarnaast is er de mogelijkheid om het vormverzuim enkel te constateren en daaraan geen rechtsgevolg te verbinden.

Voor de beantwoording van de vraag of en zo ja welk gevolg aan de vormverzuimen dient te worden verbonden, houdt het hof rekening met het belang dat het geschonden voorschrift dient, de ernst van het verzuim en het nadeel dat daardoor wordt veroorzaakt. In dat kader verdient opmerking dat het feit dat het niet ontdekken van de cobra’s die de verdachte voorhanden had niet geldt als een rechtens te respecteren belang. Het hof is van oordeel dat het niet wijzen op het recht om te zwijgen en het recht op rechtsbijstand alsmede de onrechtmatige fouillering dusdanig van aard zijn dat strafvermindering aangewezen is, gelet op het belang dat de geschonden voorschriften dienen, de ernst van het verzuim en het nadeel dat de verdachte heeft geleden, met name zijn geschonden recht op privacy. Voor de mate waarin strafvermindering zal worden toegepast wijst het hof op hetgeen hierna onder ‘Oplegging van straf’ is overwogen.

Uit vaste jurisprudentie blijkt dat, indien sprake is van een ernstige schending van een strafvorderlijk voorschrift of rechtsbeginsel, onder omstandigheden bewijsuitsluiting noodzakelijk kan worden geacht als rechtsstatelijke waarborg voor een eerlijk proces als bedoeld in artikel 6 EVRM en als middel om met opsporing en vervolging belaste ambtenaren te weerhouden van onrechtmatig optreden en daarmee als middel om te voorkomen dat vergelijkbare vormverzuimen in de toekomst zullen plaatsvinden. In het bijzonder dient de rechter dan te beoordelen of het vormverzuim zodanig ernstig is dat niet met stafvermindering kan worden volstaan, maar bewijsuitsluiting gerechtvaardigd is. In dit geval is het hof van oordeel dat door de geconstateerde vormverzuimen niet het recht op een eerlijk proces als bedoeld in artikel 6 EVRM is geschonden. Nu het hof ook overigens geen rechtvaardiging ziet voor bewijsuitsluiting, zal het hof volstaan met de hierna te noemen strafvermindering. In zoverre verwerpt het hof het verweer van de raadsman.

Bespreking verweer bewezenverklaring vuurwerk

In het procesdossier bevindt zich een proces-verbaal van bevindingen van onderzoek aan in beslag genomen vuurwerk. Uit dit proces-verbaal van 19 november 2024 blijkt dat de onder de verdachte in beslag genomen twee stuks vuurwerk met goednummer PL1300 BVH 2024262301 6 op uiterlijke kenmerken zijn onderzocht door [verbalisant 3] , hoofdagent, werkzaam als materiedeskundige vuurwerk.

Hij heeft het in beslag genomen vuurwerk op deze uiterlijke kenmerken ingedeeld op Lijst III; professioneel vuurwerk, meer specifiek Bangers, zwaar knalvuurwerk, waarbij hij heeft betrokken het ‘Verkort rapport Explosievenonderzoek aan betwist vuurwerk’ van het Nederlands Forensisch Instituut van 30 juli 2024 (2024.05.17.083 RAC Cobra 6 2024) inclusief bijlagen waarin vuurwerk van gelijk merk en type is onderzocht op chemische samenstelling.

Gelet op het grote aantal vuurwerkstrafzaken is door het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) veel onderzoek gedaan naar aanleiding van het aantreffen van betwist vuurwerk. Het NFI heeft per soort vuurwerk diverse typen en uitvoeringen onderzocht op onder meer het gewicht en de samenstelling van de lading. Aangenomen kan worden dat vuurwerk van een bepaalde fabrikant dat onder een bepaalde merknaam en met een bepaalde typeaanduiding als in massaproductie vervaardigd op de markt wordt gebracht, in beginsel steeds dezelfde samenstelling heeft.

Inmiddels is het een vaste en geaccepteerde werkwijze dat het in een strafzaak inbeslaggenomen vuurwerk vergeleken wordt met vuurwerk dat in eerdere onderzoeken is aangetroffen. Het NFI heeft zo voor een groot aantal soorten vuurwerk deskundigenverklaringen opgesteld. Voor zover het onder een verdachte inbeslaggenomen vuurwerk voorzien is van een merk- en typeaanduiding die overeenkomt met de merk- en typeaanduiding van door het NFI onderzocht vuurwerk, zoals in deze zaak het geval is, kan in het algemeen het NFI-rapport tot bewijs van de samenstelling van het inbeslaggenomen vuurwerk dienen. Voorts is er in de onderhavige zaak geen enkele reden om ervan uit te gaan dat hetgeen in beslag is genomen geen cobra’s zouden zijn.

Om deze reden verwerpt het hof het verweer van de raadsman.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 1 november 2024, te Amsterdam, opzettelijk vuurwerk, te weten twee cobra's, voorhanden heeft gehad.

Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezenverklaarde levert op:

Overtreding van een voorschrift gesteld krachtens artikel 9.2.2.1 Wet milieubeheer, opzettelijk begaan.

Strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is strafbaar, omdat geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid ten aanzien van het bewezenverklaarde uitsluit.

Oplegging van straf

De kinderrechter heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezenverklaarde veroordeeld tot een taakstraf in de vorm van een werkstraf voor de duur van 30 uren, subsidiair 15 dagen jeugddetentie, geheel voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren met algemene en bijzondere voorwaarden.

De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting gevorderd dat de verdachte voor het tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een taakstraf in de vorm van een werkstraf voor de duur van 30 uren, subsidiair 15 dagen jeugddetentie, geheel voorwaardelijk, met een proeftijd van 1 jaar.

De raadsman heeft ter terechtzitting het hof verzocht de zaak in geval van een bewezenverklaring met een andere strafmodaliteit dan een werkstraf af te doen, te weten een geldboete en wel ter hoogte van

€ 250,00. Ter onderbouwing voert de raadsman aan dat de verdachte wat vuurwerkbezit bezit een first offender is, dat hij als minderjarige een nacht op het politiebureau heeft moeten doorbrengen en dat artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht van toepassing is. Subsidiair verzoekt de raadsman een op te leggen voorwaardelijke werkstraf te matigen tot maximaal 10 uur.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft twee cobra’s voorhanden gehad. Cobra’s behoren tot een van de zwaarste categorieën knalvuurwerk. Daarom gelden strenge regels voor het voorhanden hebben en gebruik hiervan. Door te handelen als bewezen verklaard heeft de verdachte er blijk van gegeven zich niets van deze regelgeving en risico’s aan te trekken. Ondeskundig voorhanden hebben van dergelijk zwaar vuurwerk brengt aanzienlijke risico’s en overlast met zich mee. De verdachte is hier te gemakzuchtig, nonchalant en gevaarzettend mee omgesprongen en heeft kennelijk niet of in onvoldoende mate stilgestaan bij de mogelijke gevolgen.

Het hof heeft kennisgenomen van de Richtlijn voor strafvordering vuurwerkdelicten van het openbaar ministerie waarin voor een first offender die 1 tot 20 stuks vuurwerk categorie F 4 (zoals cobra’s) voorhanden heeft een taakstraf voor de duur van 90 uur wordt genoemd.

In het nadeel van de verdachte weegt het hof mee dat hij blijkens een op zijn naam staand uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 10 april 2026 ten tijde van belang in een proeftijd liep.

Het hof heeft verder meegewogen dat de zittingsvertegenwoordiger van de Raad ter terechtzitting afstand heeft genomen van het eerdere advies van 20 oktober 2025 strekkende tot het opleggen van een deels voorwaardelijke taakstraf in de vorm van een werkstraf met algemene en bijzondere voorwaarden. Ter terechtzitting heeft de Raad geadviseerd te volstaan met een zogenoemde ‘kale werkstraf’.

Het hof acht gelet op al het voorgaande een taakstraf in de vorm van een werkstraf voor de duur van 30 uur, subsidiair 15 dagen jeugddetentie, in beginsel op zijn plaats, maar zal gelet op de geconstateerde vormverzuimen de straf met 15 uren verminderen en acht, alles afwegende, een taakstraf in de vorm van een werkstraf voor de duur van 15 uren, subsidiair 7 dagen jeugddetentie, passend en geboden. Het hof zal de werkstraf in voorwaardelijke vorm opleggen.

Het hof verwerpt het verweer van de raadsman strekkende tot het enkel opleggen van een geldboete.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 63, 77a, 77g, 77h, 77m, 77n, 77x, 77y en 77z van het Wetboek van Strafrecht, artikel 9.2.2.1 van de Wet Milieubeheer, de artikelen 1a, 2 en 6 van de Wet op de Economische delicten en artikel 1.2.4 van het Vuurwerkbesluit.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf, bestaande uit een werkstraf voor de duur van 15 (vijftien) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 7 (zeven) dagen jeugddetentie.

Bepaalt dat de werkstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd van 1 (één) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. C.J. van der Wilt, mr. P.J. van Eekeren en mr. M.K. Durdu-Agema, in tegenwoordigheid van mr. A.M. van Tilburg, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 7 mei 2026.

De oudste en de jongste raadsheer alsmede de griffier zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

=========================================================================

[…]

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. A.M. van Tilburg

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand