ECLI:NL:GHAMS:2026:136

ECLI:NL:GHAMS:2026:136, Gerechtshof Amsterdam, 13-01-2026, 200.341.494

Instantie Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak 13-01-2026
Datum publicatie 22-01-2026
Zaaknummer 200.341.494
Rechtsgebied Civiel recht
Procedure Hoger beroep
Zittingsplaats Amsterdam

Samenvatting

afspraak tussen leverancier en retailer van sieraden over retourneren van voorraad; uitleg overeenkomst’

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht,

team I (handel)

zaaknummer : 200.341.494/01

zaak-/rolnummer rechtbank Amsterdam : C/13/722481/HA ZA 22-714

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 13 januari 2026

in de zaak van

[appellant] ,

gevestigd te [plaats 1] ,

appellante,

advocaat: mr. M.M.N.C. Schellekens te Amsterdam,

tegen

[geïntimeerde] ,

gevestigd te [plaats 1] ,

geïntimeerde,

advocaat: mr. F.J. Laagland te Eindhoven.

Partijen worden hierna [appellant] en [geïntimeerde] genoemd.

1. De zaak in het kort

[appellant] verkocht als dealer sieraden van [geïntimeerde] . Begin 2020 had [appellant] een grote voorraad Pandoraproducten. [appellant] en [geïntimeerde] zijn toen overeengekomen dat [appellant] producten aan [geïntimeerde] mocht retourneren. Over de waarde die [appellant] daarvoor zou ontvangen bleken partijen naderhand van mening te verschillen. [appellant] heeft gesteld dat zij met [geïntimeerde] is overeengekomen dat 100% van de door haar betaalde inkoopwaarde gecrediteerd zou worden en dat [appellant] daarvoor nieuwe producten bij [geïntimeerde] zou kunnen inkopen. [geïntimeerde] heeft zich op het standpunt gesteld dat zij een voorstel zou doen voor de waarde die zij aan [appellant] zou crediteren. De rechtbank heeft de vorderingen van [appellant] afgewezen omdat de rechtbank niet bewezen achtte dat de door [appellant] gestelde afspraak met [geïntimeerde] is gemaakt. Het hof vernietigt het vonnis van de rechtbank en wijst de vordering van [appellant] toe.

2. Het geding in hoger beroep

[appellant] is bij dagvaarding van 25 april 2024 in hoger beroep gekomen van een vonnis van 31 januari 2024 van de rechtbank Amsterdam, onder bovenvermeld zaaknummer gewezen tussen [appellant] als eiseres en [geïntimeerde] als gedaagde (hierna: het bestreden vonnis).

Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:

- memorie van grieven, met producties;

- memorie van antwoord.

Op 28 oktober 2025 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden. Bij die gelegenheid hebben mr. Schellekens voornoemd tezamen met mr. M.C. Nass namens [appellant] en mr. Laagland voornoemd tezamen met mr. [naam 4] namens [geïntimeerde] de zaak toegelicht en hebben de advocaten spreekaantekeningen overgelegd. [appellant] heeft tevens de voorafgaand aan de zitting toegezonden producties 39 t/m 42 in het geding gebracht.

Ten slotte is arrest gevraagd.

3. Feiten

Het hof gaat uit van de volgende feiten.

[appellant] is een onderneming met als bedrijfsactiviteiten onder andere het bij derden inkopen en vervolgens zelf op detailhandelsniveau verkopen van sieraden, juwelen en horloges.

[geïntimeerde] is onder andere een producent van sieraden. [geïntimeerde] maakt bij de handel van haar sieraden, naast haar eigen verkooppunten, gebruik van zogenoemde dealers/distributeurs. Deze dealers verkopen de producten vervolgens aan consumenten.

[appellant] en [geïntimeerde] hebben vanaf 2010 meerdere zakelijke overeenkomsten met elkaar gesloten. [appellant] verkoopt sieraden van [geïntimeerde] .

In 2016 hebben zij een distributieovereenkomst gesloten voor de duur van drie jaar. Uit hoofde van deze overeenkomst rustte op [appellant] een aantal verplichtingen, waaronder minimale inkoopverplichtingen met betrekking tot producten van [geïntimeerde] (€ 35.000,- per jaar) en jaarlijkse verkooptargets (€ 75.000,- per jaar).

Op 15 maart 2018 is tussen partijen een nieuwe overeenkomst gesloten voor de duur van twee jaar, waarbij een minimale inkoop van € 480.000,- is overeengekomen en een verkooptarget van € 500.000,-. Deze overeenkomst is vanaf 15 maart 2020 met een jaar verlengd.

Op 18 december 2019 heeft [appellant] een e-mail gestuurd aan [geïntimeerde] over de samenwerking, waarin zij onder meer heeft aangegeven dat zij wil bespreken of een groot deel van haar voorraad Pandorasieraden geretourneerd kan worden aan [geïntimeerde] of dat er een voorstel gedaan kan worden tot omruiling.

Vervolgens heeft er op 4 februari 2020 een gesprek plaatsgevonden tussen [geïntimeerde] en [appellant] over de samenwerking.

Op 7 februari 2020 heeft J. [naam 4] van [appellant] (hierna: [naam 4] ) een e-mail gestuurd aan [geïntimeerde] over de bespreking van 4 februari 2020. Onder het kopje “voorraad” staat het volgende in de e-mail:

de voorraad is een serieus probleem, deze is op 31 december 2019 euro 531k. Hier tegenover staan verkopen van euro 395k (beiden zijn kostprijs). Deze is te hard gegroeid in het bijzonder door de vele drops met grote pakket. Deze had echter al moeten teruglopen. De voorraad wordt op het moment minder dan één keer omgezet op jaarbasis. [appellant] zal een voorraadlijst doen toekomen zodat team [geïntimeerde] kan kijken welke artikelen er teruggenomen kunnen worden.”.

In de in het geding gebrachte e-mail is zichtbaar dat hier met de hand het volgende is bijgeschreven: “wordt doorgestuurd voorstel” en daaronder “100% credit”.

Op 3 maart 2020 heeft een telefonisch gesprek plaatsgevonden over de samenwerking.

Daarna zijn Pandorasieraden van [appellant] teruggestuurd aan [geïntimeerde] .

Op 5 maart 2020 heeft [naam 1] van [geïntimeerde] (hierna: [naam 1] ) aan [appellant] bij wijze van update over het retour sturen van goederen het volgende bericht (door)gestuurd:

(…) as soon as I have the final list I’ll let check the list Merchandising so that we know which item we can swap to [plaats 2] and which one we need to send to EDC. Afterwards the Partner needs to create 2 RMAs: one for the parcel that goes to [plaats 2] and one for the items that goes to EDC. Then he will be able to send the parcels. As soon [plaats 2] confirms to have got the parcel we will ask EDC to close the RMA created for the [plaats 2] shipment. The credit note for the EDC shipment will be created as soon the parcel reach the warehouse. (…)

Vervolgens heeft [naam 1] op 13 maart 2020 onder meer aan [naam 4] gemaild: “(…) bij deze de finale lijst voor verzameling/verzending. Het is gemarkeerd in twee groepen en het ziet er naar uit dat de hele lijst geaccepteerd is. Groen gemarkeerd is de verzending voor naar [plaats 2] > Verwerken in de cloud via het retour systeem. Na ontvangst RMA dit met mij delen. We moeten hier intern zorgen dat de lijst terecht komt in het systeem van [plaats 2] . Ik zal je dan ook adres sturen etc. Zonder kleur gemarkeerd is de verzending voor EDC( [plaats 3] ) > deze verwerk je via het retour systeem in de cloud. Na ontvangst RMA kan je het opsturen zoals gebruikelijk”.

In mei 2020 zijn drie creditnota’s met betrekking tot de teruggestuurde Pandorasieraden verstuurd door [geïntimeerde] aan [appellant] ter hoogte van een totaalbedrag van € 214.810,66 exclusief BTW, zijnde € 259.920,91 inclusief BTW.

Op 5 augustus 2020 heeft [geïntimeerde] aan [appellant] het volgende bericht per e-mail:

(…) Wij hebben ondertussen alles kunnen verwerken van de retour van jullie artikelen alsook de volledige berekening kunnen maken aan de hand van de huidige waarde van de artikelen en hadden deze graag samen even besproken om zo nieuwe goederen aan te kopen. Hierbij wil ik graag op korte termijn een telefonische afspraak inplannen samen met [naam 2] (…)”.

Vervolgens heeft [naam 4] van [appellant] op diezelfde dag gereageerd dat hij graag op 12 augustus 2020 een gesprek wenste. Op 12 augustus 2020 hebben [naam 4] van [appellant] en [naam 3] van [geïntimeerde] (hierna: [naam 3] ) met elkaar gesproken. Tijdens dit gesprek bleken partijen van mening te verschillen over de tussen hen gemaakte afspraken over de retour gezonden goederen.

Na het ontstaan van dit geschil tussen partijen is de overeenkomst op 15 maart 2021 geëindigd.

Op 26 augustus 2022 heeft [geïntimeerde] een bedrag van € 57.271,15 betaald aan [appellant] .

4. Procedure bij de rechtbank

Samengevat heeft [appellant] gevorderd dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

I. voor recht verklaart dat [geïntimeerde] in verzuim is in de nakoming van de op haar rustende verbintenis(sen) jegens [appellant] uit hoofde van de tussen haar en [appellant] gesloten overeenkomst van retournering/omruiling;

II. [geïntimeerde] veroordeelt tot betaling van de vervangende schadevergoeding als gevolg van dit verzuim, tegen behoorlijk bewijs van kwijting, ten belope van het bedrag van € 186.816,66, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente vanaf 1 juli 2020, althans vanaf 1 mei 2022, althans vanaf de dag van dagvaarding (28 juli 2022);

III. [geïntimeerde] veroordeelt tot betaling van de buitengerechtelijke incassokosten ten belope van het bedrag van € 2.995,44, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente vanaf de dag van dagvaarding;

IV. [geïntimeerde] veroordeelt in de proces- en nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf de bedoelde termijn voor voldoening.

Bij mondelinge uitspraak van 19 april 2023 heeft de rechtbank [appellant] opgedragen te bewijzen dat tussen partijen is afgesproken dat [appellant] artikelen van [geïntimeerde] mocht retourneren en voor 100% van de inkoopwaarde van die artikelen of voor het bedrag van de nog te ontvangen creditfacturen opnieuw mocht inkopen door nieuwe bestellingen bij [geïntimeerde] te plaatsen. Vervolgens zijn onder andere [naam 4] , [naam 1] en [naam 3] als getuigen gehoord.

In het bestreden vonnis heeft de rechtbank de vorderingen van [appellant] afgewezen en [appellant] in de proceskosten veroordeeld. De rechtbank heeft daartoe, samengevat, geoordeeld dat [appellant] niet is geslaagd in het haar opgedragen bewijs.

5. Vordering in hoger beroep

[appellant] vordert het bestreden vonnis te vernietigen en alsnog – uitvoerbaar bij voorraad – haar vorderingen toe te wijzen en daarnaast [geïntimeerde] te veroordelen aan [appellant] terug te betalen al hetgeen [appellant] ter uitvoering van het bestreden vonnis aan [geïntimeerde] heeft voldaan of nog zal voldoen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van betaling tot de dag van terugbetaling en [geïntimeerde] te veroordelen in de kosten van het geding in beide instanties, inclusief nakosten en rente.

Volgens [geïntimeerde] moet het hof de vorderingen van [appellant] afwijzen en het bestreden vonnis bekrachtigen, met veroordeling van [appellant] in de kosten van het geding in hoger beroep met rente.

6. Beoordeling

Met haar zes grieven komt [appellant] op tegen het oordeel van de rechtbank dat [appellant] niet is geslaagd in het haar opgedragen bewijs en tegen de daarop gebaseerde afwijzing van de vorderingen van [appellant] .

In de kern draait het geschil in hoger beroep om de vraag of [appellant] en [geïntimeerde] zijn overeengekomen dat [appellant] haar voorraad Pandorasieraden zou retourneren en voor de volledige daartegenover staande inkoopwaarde (100% credit) nieuwe goederen bij [geïntimeerde] mocht bestellen.

Bij de beoordeling van de vraag wat [appellant] en [geïntimeerde] zijn overeengekomen, stelt het hof de Haviltex-maatstaf voorop. Daarbij komt het aan op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan elkaars verklaringen en gedragingen mochten toekennen en hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Daarbij kan mede van belang zijn tot welke maatschappelijke kringen partijen behoren en welke rechtskennis van zodanige partijen kan worden verwacht. Ook gedragingen van partijen na het sluiten van de overeenkomst kunnen van belang zijn voor de aan die afspraak te geven uitleg.

[appellant] baseert de door haar gestelde afspraak dat zij Pandoraproducten tegen creditering van 100% van de inkoopwaarde mocht retourneren in de eerste plaats op de bespreking van 4 februari 2020. Die bespreking had [appellant] geïnitieerd om te bespreken of een groot deel van haar voorraad Pandorasieraden geretourneerd of omgeruild kon worden. [geïntimeerde] was bereid haar goede klant [appellant] , die al jaren veel producten afnam, daarin tegemoet te komen en te helpen met het vinden van een oplossing, zoals blijkt uit de verklaring van [naam 3] . Tussen partijen staat in ieder geval vast dat [appellant] en [geïntimeerde] tijdens die bespreking hebben afgesproken dat [appellant] een nog nader af te stemmen deel van de voorraad aan [geïntimeerde] zou mogen retourneren. In dat gesprek is ook aan de orde geweest dat [appellant] een deel van haar voorraad zou kunnen ruilen tegen molens. Uit de getuigenverklaringen volgt niet dat er tijdens die bespreking uitdrukkelijk is besproken dat de producten retour mochten tegen 100% van de inkoopwaarde, maar daaruit volgt evenmin dat is afgesproken dat [geïntimeerde] met een voorstel zou komen voor een vergoeding van de waarde van de sieraden die zij retour zou nemen.

In de samenvatting van de bespreking die [naam 4] namens [appellant] op 7 februari 2020 aan [geïntimeerde] stuurde, bevestigde [naam 4] de afspraak dat artikelen “teruggenomen” zouden kunnen worden en dat [appellant] daarvoor voorraadlijsten aan [geïntimeerde] zou sturen. [naam 4] heeft in die e-mail aan [geïntimeerde] uitdrukkelijk gevraagd om een eventuele onjuiste weergave van de gemaakte afspraken te corrigeren, maar [geïntimeerde] heeft op die e-mail niet gereageerd.

Nadat [appellant] vervolgens conform afspraak op 10 februari 2020 haar voorraadlijsten met [geïntimeerde] had gedeeld, reageerde [naam 1] namens [geïntimeerde] daarop met: “(…) ik zal deze intern doorzetten om uit te zoeken wat retour kan of vervangen kan worden met eventueel de windmolens. (…)”.

In hun correspondentie volgend op de bespreking van 4 februari 2020 hebben beide partijen termen als ‘terugnemen’ en ‘retour’ gebruikt: termen die gewoonlijk betekenen dat producten worden teruggegeven en dat de prijs wordt terugbetaald. Dat duidt erop dat [appellant] , maar ook [geïntimeerde] , ervan uitging dat [appellant] de inkoopwaarde volledig gecrediteerd zou krijgen. Daarbij neemt het hof in aanmerking dat in de juweliersbranche niet ongebruikelijk is dat bij het retourneren van sieraden 100% van de inkoopwaarde wordt gecrediteerd, zoals blijkt uit door [appellant] overgelegde verklaringen en retourverwerking van andere leveranciers en het feit dat [geïntimeerde] dat zelf ook doet, zoals blijkt uit de verklaring van [naam 1] .

Na deze e-mailwisseling hebben [naam 4] en [naam 1] op 3 maart 2020 de bevestiging van de afspraken in de e-mail van 7 februari 2020 nog telefonisch besproken. Bij die gelegenheid heeft [naam 4] volgens hem een aantal handgeschreven aantekeningen gemaakt. Bij het kopje “voorraad” en de samenvatting van de afspraak omtrent het terugnemen van voorraad staat “wordt doorgestuurd voorstel” en “100% credit” geschreven. [appellant] heeft toegelicht dat de notitie “100% credit” is gemaakt ter bevestiging van de eerder gemaakte afspraak die telefonisch door [naam 1] nogmaals werd bevestigd. Tegenover de toelichting van [appellant] over de achtergrond van de aantekening “100% credit” staat geen ontkenning van de opmerking van [naam 1] , maar alleen de verklaring van [naam 1] dat zij zich niet meer kan herinneren of zij 100% credit heeft gezegd. De toelichting van [appellant] dat de aantekening “100% credit” berust op de inhoud van het besprokene wint aan kracht doordat de eveneens handgeschreven aantekening “afbeelding wordt doorgestuurd” bij het kopje “voorraad molens [geïntimeerde]”, op de dag van het telefoongesprek – 3 maart 2020 – is gevolgd door een e-mail van [naam 1] aan [naam 4] waarin zij schrijft “Bij deze zoals telefonisch besproken: - Molens, de oude variant is zoals aangegeven niet meer beschikbaar. Wel hebben we de nieuwe variant: (…)” met daaronder een afbeelding van een Pandorabedel in de vorm van een molen, met vermelding van onder meer de inkoopprijs van € 17,73.

Op basis van de bespreking van 4 februari 2020 waarin was afgesproken dat [appellant] haar voorraad zou mogen retourneren en dat zij in ruil voor een deel daarvan molens zou ontvangen, de daarop gevolgde correspondentie en het branchegebruik was [appellant] in de gerechtvaardigde veronderstelling dat zij 100% van de inkoopwaarde gecrediteerd zou krijgen voor haar te retourneren voorraad en dat zij van dat tegoed weer nieuwe items bij [geïntimeerde] kon inkopen.

Ook in de naderhand nog van [geïntimeerde] ontvangen correspondentie mocht [appellant] bevestiging zien van haar veronderstelling dat zij 100% van de inkoopwaarde gecrediteerd zou krijgen en voor die waarde bij [geïntimeerde] nieuwe producten zou kunnen bestellen.

Zo ontving [appellant] op 5 maart 2020 van [geïntimeerde] het doorgestuurde bericht van [geïntimeerde] in [plaats 3] met praktische aanwijzingen over het retourproces en de creditnota die voor [appellant] gemaakt zou worden zodra de geretourneerde producten in het distributiecentrum zouden zijn ontvangen (zie 3.12 hiervoor). In het handelsverkeer heeft de term creditnota gewoonlijk de betekenis dat daarmee een eerder uitgereikte factuur ongedaan wordt gemaakt of gecorrigeerd wordt, en vormt het bewijs dat de desbetreffende betalingsverplichting niet meer bestaat. [appellant] heeft aangegeven dat zij de naderhand ontvangen creditnota’s ook in haar administratie heeft verwerkt.

Vervolgens heeft [naam 1] op 13 maart 2020 onder meer aan [naam 4] gemaild dat het er naar uitziet dat de hele lijst geaccepteerd is en heeft zij instructies gegeven voor de retourzending van goederen naar locaties van [geïntimeerde] in [plaats 2] en [plaats 3] (zie 3.13 hiervoor).

Op 21 april 2020 heeft [appellant] een retourakkoord van [geïntimeerde] ontvangen: een 30 pagina’s tellende lijst van de items die teruggestuurd zullen worden, met referentie “[retour] [naam 5]”. Van elk artikel staat het artikelnummer, het te retourneren aantal, een artikelomschrijving, de prijs en de “Prijs eenheid” vermeld. [appellant] heeft toegelicht dat in de laatste kolom het retourbedrag is vermeld dat resulteert na vermenigvuldiging van het aantal te retourneren items en de prijs per eenheid zoals die inclusief korting voor [appellant] gold. Het retourbedrag van € 100.606,38 op de laatste pagina van het retourakkoord correspondeerde dus met 100% van de voor [appellant] geldende inkoop(kortings)prijs voor de geretourneerde producten. [geïntimeerde] heeft die toelichting onvoldoende gemotiveerd betwist. [geïntimeerde] heeft slechts tegengeworpen dat [appellant] niet mocht uitgaan van de daarop vermelde bedragen omdat [geïntimeerde] de waarde van de retour gekomen artikelen nog moest bepalen en dat daarop handmatig nog kosten zoals handling- en retourkosten in mindering moesten worden gebracht. Aan dat betoog gaat het hof voorbij, omdat uit niets is gebleken dat [geïntimeerde] een dergelijk voorbehoud bij het retourakkoord heeft gemaakt en ook zo aan [appellant] heeft gecommuniceerd en evenmin dat zij op enig moment in het proces tegenover [appellant] heeft gerefereerd aan een dergelijk voorbehoud of aan [geïntimeerde] ’s returns policy, die bovendien naar haar eigen zeggen niet op de onderhavige situatie, maar alleen in het geval van beëindiging, van toepassing is.

Daarna heeft [appellant] op 11 mei 2020 een e-mail ontvangen van [naam 1] dat sinds de laatste gezamenlijke afspraak de meeste punten al zijn afgehandeld. Zij somt vervolgens op dat de verlenging is ondertekend, de goederen zijn verwerkt en dat [appellant] begin van die week ook een creditnota zal ontvangen voor de goederen die naar [plaats 2] zijn gegaan. In de context van die situatie – dat wat [geïntimeerde] betreft de meeste punten al zijn afgehandeld – stelt [naam 1] in dezelfde e-mail voor om een voor de volgende dag geplande afspraak af te zeggen. Zodoende werd na ontvangst van het retourakkoord en met dit bericht het gerechtvaardigde vertrouwen van [appellant] bevestigd dat de afspraak met [geïntimeerde] creditering van 100% van de inkoopprijs inhield en na ontvangst van de creditnota’s zou zijn afgewikkeld. Daaraan doet niet af dat [naam 4] op 15 juni 2020 nog een bespreking met [naam 1] had gepland om de nadere (financiële) afwikkeling van de retour gezonden zaken te bespreken. [appellant] heeft onweersproken toegelicht dat zij deze bespreking had verzocht vanwege de op dat moment sterk teruggelopen verkopen als gevolg van corona. Bij die stand van zaken zou het heel lang duren voordat het grote creditsaldo bij [geïntimeerde] zou kunnen worden besteed en [naam 4] wilde daarom bespreken of dat saldo (deels) op andere wijze zou kunnen worden afgewikkeld. Deze bespreking werd afgezegd door [naam 1] vanwege complicaties bij haar zwangerschap en heeft ook nadien niet meer plaatsgevonden.

Vervolgens heeft [appellant] de aangekondigde creditnota’s, waarin de volledige voor haar geldende inkoop(kortings)prijs van elk item werd gecrediteerd op 19, 20 en 26 mei 2020 ook van [geïntimeerde] ontvangen. Op grond daarvan kreeg [appellant] , inclusief BTW, respectievelijk bedragen van € 159.032,64, € 499,31 en € 100.388,96 gecrediteerd. De creditnota’s bevatten bovendien referenties als: “ [return] [appellant] [pier] 350045 after approval, confirmed [naam 5] ” en “ [retour] [naam 5] ”.

De stelling van [appellant] dat de creditnota’s voldeden aan de wettelijke factuurvereisten van artikel 35a lid 1 van de Wet op de omzetbelasting 1968 en dat zij deze daarom als zodanig in haar boekhouding heeft verwerkt, heeft [geïntimeerde] onvoldoende gemotiveerd betwist. Uit niets blijkt dat de creditnota’s ‘pro forma’ zouden zijn of door [geïntimeerde] als controlemechanisme voor haar voorraadadministratie werden gebruikt. [geïntimeerde] had die controle van retour gezonden goederen immers al direct na ontvangst, op een meer geëigende manier, uitgevoerd op basis van een Excel-lijst waarin de goederen, artikelcodes, zowel van [appellant] als van [geïntimeerde] , en inkoopprijs waren opgenomen. Zij had die controle ook al uitgevoerd vóórdat zij het retourakkoord aan [appellant] heeft verstuurd waarin gegevens over aantallen, stuksprijzen en totale inkoopwaarde van de goederen vermeld waren (zie 6.13 hiervoor). Ook de door [geïntimeerde] gehanteerde doorlopende nummering van haar facturen en creditfacturen wijst erop dat ook [geïntimeerde] de creditfacturen als volwaardige facturen heeft geadministreerd. Ten slotte is niet gebleken dat, voor zover de creditnota’s onjuist zouden zijn geweest, [geïntimeerde] deze creditnota’s door middel van facturen en aanvullende creditnota’s heeft gecorrigeerd.

[appellant] heeft in de in mei 2020 van [geïntimeerde] ontvangen creditnota’s dan ook redelijkerwijs de bevestiging kunnen zien dat haar afspraak met [geïntimeerde] inhield dat zij 100% van de inkoopwaarde van de door haar geretourneerde goederen gecrediteerd kreeg en dat het saldo daarvan voor haar beschikbaar was voor toekomstige inkopen. Zij werd daarin verder bevestigd toen zij, eind juli 2020, zonder dat zij in de tussenliggende twee maanden een andersluidend signaal of bericht van [geïntimeerde] had ontvangen, een door [geïntimeerde] opgesteld rekeningoverzicht ontving. Daarop staat het saldo van de bedragen van de drie hiervoor genoemde creditnota’s vermeld en ten laste daarvan is een factuur voor een bestelling voldaan. Ook dat strookt met een normale boekhoudkundige verwerking, zodat [appellant] daar ook van uit mocht gaan en er, ook hier mede gelet op de afwezigheid van enig voorbehoud van de zijde van [geïntimeerde] , geen rekening mee hoefde te houden dat [geïntimeerde] dat saldo op een later moment nog zou herzien en verminderen.

Pas voor het eerst in haar e-mail van 5 augustus 2020 heeft [geïntimeerde] ter sprake gebracht dat zij een berekening had gemaakt van de waarde voor de retour ontvangen sieraden en dat zij die met het oog op de inkoop van nieuwe goederen met [appellant] wilde bespreken. Tot dat moment was [geïntimeerde] nimmer met een dergelijk voorstel voor die waardebepaling gekomen noch had zij daar in haar correspondentie aan gerefereerd, terwijl de sieraden al eind april 2020 door [geïntimeerde] waren ontvangen. Dat had wel voor de hand gelegen als zij van meet af aan van mening was geweest dat de afspraak met [appellant] inhield dat [geïntimeerde] na het retour ontvangen van de sieraden een voorstel zou doen voor een vergoeding van de waarde van de sieraden die [geïntimeerde] bereid was terug te nemen. Ook het door [geïntimeerde] zonder enig voorbehoud verzenden van het retourakkoord, inclusief vermelding van aantallen en bedragen, de toezending van als onvoorwaardelijk gepresenteerde en ook nadien niet gecorrigeerde creditnota’s en toezending van het rekeningoverzicht waarin een factuur wordt verrekend met het saldo van eerder gecommuniceerde creditbedragen laten zich bij gebreke van een nadere toelichting niet goed met de door [geïntimeerde] voorgestane uitleg verenigen. Bij die stand van zaken wordt ook het betoog van [geïntimeerde] gepasseerd dat [naam 1] en [naam 3] niet bevoegd waren tot het maken van een afspraak tot vergoeding van 100% van de inkoopwaarde. [appellant] mocht, gelet op het voorgaande, er in elk geval gerechtvaardigd op vertrouwen dat aan de zijde van [geïntimeerde] de afspraak bevoegd was gemaakt.

De uitleg dat [geïntimeerde] nog een voorstel voor de waardebepaling zou doen roept bovendien vragen op, nu zij in augustus 2020 aan [appellant] verklaarde dat zij de retour ontvangen sieraden inmiddels zelf alweer had verkocht of had laten omsmelten. Op dat moment had zij nog geen vergoedingsvoorstel voor de voorraad aan [appellant] gedaan. Het meteen zonder overleg doorverkopen dan wel omsmelten, liet geen ruimte voor de mogelijkheid dat [appellant] het voorstel van [geïntimeerde] zou afwijzen wanneer zij met de voorgestelde vergoedingswaarde niet akkoord was. Indien [appellant] niet met het voorstel akkoord zou gaan, zou [geïntimeerde] de sieraden immers niet meer kunnen terugsturen naar [appellant] zodat zij deze zelf alsnog (met korting) kon verkopen.

Ter zitting heeft [geïntimeerde] het standpunt ingenomen dat zij eenzijdig mocht bepalen welke waarde [appellant] voor de retour gestuurde producten zou ontvangen en dat [geïntimeerde] die waarde alleen nog aan [appellant] hoefde mede te delen. Wanneer die uitleg zou worden gevolgd, valt niet in te zien waarom [geïntimeerde] in haar e-mail van 5 augustus 2020 voorstelde nog een bespreking over de waarde te hebben. Bij die uitleg had immers voor de hand gelegen dat [geïntimeerde] schriftelijk een berekening van de waardebepaling van producten voor de outlet en voor omsmelten aan [appellant] zou doorgeven. Niet is gebleken dat [geïntimeerde] de waardebepaling waarop zij zich tijdens het telefoongesprek van 12 augustus 2020 zegt te hebben gebaseerd op enig moment voor (of na) dit gesprek met [appellant] heeft gedeeld of dat daaraan in voorafgaande correspondentie is gerefereerd. Dat [geïntimeerde] op 30 november 2020, en dus nadat voor partijen duidelijk was dat zij een geschil hadden over de uitleg van hun afspraak, twee nadere creditnota’s heeft uitgereikt waarin zij de door haar bepaalde lagere waarde aan [appellant] crediteert, maakt al het voorgaande niet anders. Temeer nu niet is gebleken dat de drie creditnota’s die [appellant] eerder had ontvangen en van de juistheid waarvan zij mocht uitgaan (zie 6.16 hiervoor), door middel van facturen zijn gecorrigeerd.

Wat [geïntimeerde] voor het overige heeft aangevoerd legt onvoldoende gewicht in de schaal om tot een andere uitleg te komen.

Op grond van al het voorgaande acht het hof de door [appellant] gestelde afspraak bewezen dat [appellant] artikelen van [geïntimeerde] mocht retourneren en voor 100% van de daar tegenover staande inkoopwaarde opnieuw mocht inkopen. Daaruit volgt dat de grieven I, IV, V en VI slagen en tot vernietiging van het bestreden vonnis moeten leiden. Bij die stand van zaken behoeven de grieven II en III, bij gebrek aan belang, geen afzonderlijke behandeling.

[appellant] heeft onbetwist gesteld dat van de totale inkoopwaarde van de door haar geretourneerde producten, na verrekening door [geïntimeerde] met een aantal van haar latere inkopen, per saldo een bedrag van € 244.087,81 resteerde. Op grond van de tussen [appellant] en [geïntimeerde] bestaande afspraak zou zij voor dat bedrag in beginsel nieuwe producten bij [geïntimeerde] hebben kunnen bestellen. Als gevolg van de beëindiging van de distributieovereenkomst door [geïntimeerde] is het voor [appellant] evenwel niet langer mogelijk om voor dat bedrag bij [geïntimeerde] sieraden te bestellen. Daarmee is nakoming van de afspraak blijvend onmogelijk geworden.

[appellant] stelt dat zij [geïntimeerde] op 11 maart 2021 heeft laten weten dat zij om die reden vervangende schadevergoeding zal vorderen, welke omzetting [geïntimeerde] niet heeft weersproken. Tussen partijen staat vast dat [geïntimeerde] in augustus 2022 een bedrag van € 57.271,15 aan [appellant] heeft betaald. Daarmee resteert van het bedrag van € 244.087,81 waarop [appellant] aanspraak kan maken nog een bedrag van € 186.816,66 dat voor vergoeding in aanmerking komt bij wijze van vervangende schadevergoeding. De hoogte van dit bedrag is rekenkundig het uitvloeisel van de afspraak zoals [geïntimeerde] die met [appellant] heeft gemaakt en waaraan zij over en weer uitvoering hebben gegeven. Voor zover in het kader van die afspraak verouderde voorraad is geretourneerd, geldt dat [geïntimeerde] dat wist of kon weten op basis van de voorraadlijsten die [appellant] haar had gestuurd en dat zij daar destijds mee ingestemd heeft. Ook was op dat moment de impact van de coronacrisis op (onder meer) haar bedrijfsvoering al merkbaar. Zodoende heeft [geïntimeerde] met de retourafspraak ook de financiële implicaties die de afspraak voor haar zou (kunnen) hebben geaccepteerd. Die kan zij niet nu alsnog op [appellant] afwentelen. Het beroep van [geïntimeerde] op matiging, eigen schuld en voordeelverrekening stuit hierop af. Het voorgaande maakt toewijzing van het gevorderde bedrag van € 186.816,66 evenmin naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar. Het gevorderde bedrag zal dan ook worden toegewezen.

Over dit bedrag zal de wettelijke rente van artikel 6:119 BW worden toegewezen. Het betreft immers een vordering tot (vervangende) schadevergoeding en geen vordering uit een handelsovereenkomst, zodat de wettelijke handelsrente van artikel 6:119a BW niet van toepassing is. Als ingangsdatum voor de wettelijke rente zal het hof aansluiten bij de datum waarop de distributieovereenkomst tussen [geïntimeerde] en [appellant] is beëindigd – 15 maart 2021 – omdat op dat moment nakoming door [geïntimeerde] van haar verbintenis jegens [appellant] om sieraden te leveren tot een waarde gelijk aan de inkoopwaarde van de geretourneerde goederen blijvend onmogelijk is geworden.

[appellant] vordert op grond van artikel 6:96 lid 2 sub c BW vergoeding van een bedrag van € 2.995,44 aan buitengerechtelijke incassokosten. Uit artikel 6:96 lid 3 BW volgt evenwel dat die bepaling niet van toepassing is voor zover in het gegeven geval krachtens artikel 241 Rv de regels betreffende de proceskosten van toepassing zijn. [appellant] heeft ten aanzien van de door haar gevorderde buitengerechtelijke kosten niet onderbouwd dat in dit geval meer werkzaamheden zijn verricht dan de verrichtingen waarvoor de in artikel 237 Rv bedoelde kosten een vergoeding plegen in te sluiten. Om die reden zijn de door haar gevorderde buitengerechtelijke incassokosten niet toewijsbaar.

Bij de gevorderde verklaring voor recht heeft [appellant] onvoldoende belang nu haar vordering tot betaling van schadevergoeding wordt toegewezen, zodat deze zal worden afgewezen.

[appellant] heeft ter zitting in hoger beroep verklaard dat zij ter uitvoering van het bestreden vonnis aan de daarin tegen haar uitgesproken proceskostenveroordeling heeft voldaan. Nu zij in dit hoger beroep in het gelijk wordt gesteld en het bestreden vonnis zal worden vernietigd, komt de grondslag daaraan te ontvallen. Haar vordering tot terugbetaling van hetgeen zij ter uitvoering van het bestreden vonnis aan [geïntimeerde] heeft voldaan is gelet daarop toewijsbaar, evenals de daarover gevorderde wettelijke rente vanaf de dag van betaling tot de dag van terugbetaling.

[geïntimeerde] is in het hoger beroep in het ongelijk gesteld en zal daarom worden veroordeeld in de proceskosten in het geding in beide instanties aan de zijde van [appellant] . Het hof begroot de proceskosten van [appellant] als volgt:

eerste aanleg

- explootkosten € 131,18

- griffierecht € 5.737,00

- salaris advocaat € 7.520,00 (tarief V × 4 punten)

- taxe getuige € 35,00 (mevrouw [naam 1] )

Totaal € 13.423,18

hoger beroep

- explootkosten € 115,22

- griffierecht € 6.561,00

- salaris advocaat € 7.144,00 (tarief V × 2 punten)

Totaal € 13.820,22

7. Beslissing

Het hof:

vernietigt het bestreden vonnis en doet opnieuw recht:

veroordeelt [geïntimeerde] tot betaling aan [appellant] van een bedrag van € 186.816,66 aan vervangende schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 15 maart 2021 tot de dag van betaling;

veroordeelt [geïntimeerde] tot terugbetaling aan [appellant] van al hetgeen [appellant] ter uitvoering van het bestreden vonnis van 31 januari 2024 aan [geïntimeerde] heeft voldaan, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag van betaling tot de dag van terugbetaling;

veroordeelt [geïntimeerde] in de proceskosten van [appellant] in beide instanties, voor de eerste aanleg vastgesteld op € 13.423,18 en voor het hoger beroep op € 13.820,22, te vermeerderen met de wettelijke rente, als niet binnen veertien dagen na dit arrest aan de proceskostenveroordeling is voldaan;

veroordeelt [geïntimeerde] tot betaling van € 178,- voor nasalaris, te vermeerderen met € 92,- voor nasalaris en de kosten van het betekeningsexploot als niet binnen veertien dagen na dit arrest aan de kostenveroordeling is voldaan en betekening van dit arrest plaatsvindt, te vermeerderen met de wettelijke rente, als niet binnen veertien dagen na het verschuldigd worden van de nakosten aan deze veroordeling is voldaan;

verklaart deze veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mrs. M.B.F. Valk, D.M.I. de Waele en S.C.H. Molin, en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 13 januari 2026.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?