ECLI:NL:GHAMS:2026:1362

ECLI:NL:GHAMS:2026:1362

Instantie Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak 12-05-2026
Datum publicatie 20-05-2026
Zaaknummer 200.362.903/01
Rechtsgebied Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure Hoger beroep
Zittingsplaats Amsterdam

Samenvatting

Rechtsmacht Nederlandse rechter. Gewone verblijfplaats minderjarige was ten tijde van het uitbrengen van de inleidende dagvaarding in Nederland. Desondanks is de Nederlandse rechter onbevoegd; de vordering tot terugverhuizing van de minderjarige ziet in essentie op teruggeleiding van de minderjarige naar Nederland. Dit valt niet onder de ouderlijke verantwoordelijkheid in de zin van Brussel II-ter maar onder het Haags Kinderontvoeringsverdrag 1980. De minderjarige bevindt zich feitelijk in Zuid-Afrika. Onder verwijzing naar de Hoge Raad uitspraak van 9 december 2011 (ECLI:NL:HR:2011:BU2834) kan de vordering niet bij de Nederlandse rechter, maar slechts bij de Zuid-Afrikaanse rechter worden ingediend. Het hof verklaart zich onbevoegd. artikel 1, lid 1 onder b en lid 2 Brussel II-ter, artikel 2, lid 2 onder 7 Brussel II-ter, artikel 7 Brussel II-ter, Haags Kinderontvoeringsverdrag 1980.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht

Team III (familie- en jeugdrecht)

Zaaknummer: 200.362.903/01 SKG

Zaaknummer rechtbank Amsterdam: C/13/777476 / KG ZA 25-860 NB/BB

arrest van de meervoudige familiekamer van 12 mei 2026 in de zaak van

[de vader] ,

wonende te [plaats A] ,

appellant in principaal hoger beroep,

tevens geïntimeerde in incidenteel hoger beroep,

advocaat: mr. J.A.M. Schoenmakers te Breda,

tegen

[de moeder] ,

wonende te Zuid-Afrika ,

geïntimeerde in principaal hoger beroep,

tevens eiseres in incidenteel hoger beroep,

advocaat: mr. M.H. Aalmoes te Amsterdam.

Als belanghebbende heeft het hof aangemerkt:

- [kind 1] , geboren [in] 2019 in [plaats A] .

In de procedure heeft een adviserende taak:

de Raad voor de Kinderbescherming,

gevestigd te Den Haag, locatie [plaats A] ,

hierna: de raad.

1. Het geding in hoger beroep

Partijen worden hierna respectievelijk de vader en de moeder genoemd.

De vader is bij dagvaarding van 12 december 2025 in hoger beroep gekomen van een vonnis van de voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam (hierna: de voorzieningenrechter) van 26 november 2025 (hierna: het bestreden vonnis), in kort geding gewezen tussen de vader als eiser en de moeder als gedaagde.

De appeldagvaarding bevat de grieven.

Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:

- memorie van antwoord tevens houdende incidenteel appel met producties;

- memorie van antwoord in incidenteel appel.

De vader heeft in principaal hoger beroep vijf grieven voorgedragen en geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en - uitvoerbaar bij voorraad – de vorderingen van de vader alsnog toewijst.

De moeder heeft in principaal hoger beroep geconcludeerd tot:

I. onbevoegdheid aan te nemen c.q. de vader niet-ontvankelijk te verklaren in zijn beroep, althans dit ongegrond te verklaren, dan wel – als al bevoegd – de grieven te verwerpen en het bestreden vonnis te bekrachtigen voor zover daarin is bepaald dat de moeder en de kind(eren) niet hoeven terug te keren naar Nederland en afwijzing van het verbod buiten Nederland te verhuizen;

II. de vader te veroordelen in de kosten van één dan wel beide instanties.

De moeder heeft in incidenteel hoger beroep geconcludeerd tot:

I. vernietiging van het bestreden vonnis, te weten voor zover het betreft de overweging en/of vaststelling en/of aanname dat de gewone verblijfplaats van [kind 1] naar Nederland is gewijzigd, tijdelijk gewijzigd is, of gewijzigd is geweest op basis waarvan bevoegdheid van de Nederlandse rechter is aangenomen;

II. met veroordeling van de vader in de kosten van één dan wel beide instanties.

De vader heeft in incidenteel hoger beroep geconcludeerd tot niet-ontvankelijkheid van de moeder in haar beroep, althans de vorderingen af te wijzen en opnieuw rechtdoende het bestreden vonnis te vernietigen met toewijzing van zijn vorderingen in eerste aanleg.

De mondelinge behandeling van de zaak vond plaats op 20 maart 2026. Verschenen ter zitting zijn partijen met hun advocaten en een vertegenwoordiger van de raad, V. Aelbers.

Mr. Schoenmakers en mr. Aalmoes hebben ter zitting gepleit aan de hand van pleitaantekeningen, die aan het dossier zijn toegevoegd.

Beide partijen hebben producties in het geding gebracht, de vader producties 1 tot en met 8, de moeder producties 22 tot en met 29.

De moeder is ter zitting via een digitale (video)verbinding verschenen. De vader heeft daartegen vooraf bezwaar gemaakt, welk bezwaar door het hof is verworpen, mede gelet op het feit dat de moeder woonachtig is in Zuid-Afrika en het hof van oordeel is dat fysieke aanwezigheid in redelijkheid niet van haar kon worden gevergd.

Het hof heeft op 23 maart 2026 van mr. Aalmoes een e-mail ontvangen met als bijlage deel één van haar pleitnota voor de zitting van 12 november 2025 bij de rechtbank. Zoals ter zitting in hoger beroep is besproken, ontbrak dit stuk in het procesdossier. Mr. Schoenmakers heeft ter zitting verklaard geen bezwaar te hebben tegen het alsnog overleggen van dit stuk, nu het een voor beide partijen bekend stuk betreft. De (complete) pleitnota is toegevoegd aan het procesdossier.

Na de zitting heeft het hof partijen bij rolbeslissing in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over mogelijke toepasselijkheid van het Haagse Verdrag inzake de burgerrechtelijke aspecten van internationale ontvoering van kinderen van 25 oktober 1980 (hierna: Haags Kinderontvoeringsverdrag 1980) en de gevolgen daarvan voor de bevoegdheid van de Nederlandse rechter.

Mr. Aalmoes heeft verzocht, onder verwijzing naar artikel 2.1 onder a van het procesreglement civiele dagvaardingszaken bij de gerechtshoven, geen acht te slaan op de door mr. Schoenmakers ingediende stukken, omdat deze stukken te laat zouden zijn ingediend. Het hof verwerpt dit bezwaar. Op grond van artikel 1.3 van het procesreglement is de roldatum en het inlevertijdstip dinsdag 10.00 uur. De stukken van mr. Schoenmakers zijn binnenkomen op dinsdag 21 april 2026 om 9.00 uur en daarmee tijdig ingediend.

Ten slotte is arrest gevraagd.

2. De feiten

Partijen hebben een relatie met elkaar gehad. Zij hebben niet samengewoond.

Partijen zijn de ouders van:

- [kind 1] , geboren [in] 2019 in [plaats A] .

De vader heeft [kind 1] erkend. Partijen oefenen het gezamenlijk gezag uit over [kind 1] .

De moeder heeft uit een eerdere relatie nog een dochter, genaamd [kind 2] (hierna: [kind 2] ), geboren [in] 2013.

De vader heeft sinds 2023 een relatie met mevrouw [naam] . Zij hebben een zoon samen, genaamd [kind 3] , geboren [in] 2024.

De vader, de moeder en [kind 1] hebben de Nederlandse nationaliteit.

De moeder is in juni 2022 met [kind 1] en [kind 2] naar Zuid-Afrika verhuisd. De vader van [kind 2] heeft daarvoor toestemming gegeven maar de vader van [kind 1] niet. De moeder heeft daarom voor haar verhuizing toestemming aan de rechtbank gevraagd voor de verhuizing met [kind 1] . Bij beschikking van 1 juni 2022 is die vervangende toestemming verleend en is een zorgregeling en informatieregeling vastgesteld. De vastgestelde zorgregeling luidt als volgt:

- [kind 1] verblijft driemaal per jaar minimaal zeven dagen bij de vader in Nederland, waarbij zij met de moeder naar Nederland reist, op kosten van de moeder;

- [kind 1] heeft minimaal eenmaal per jaar gedurende zeven dagen contact met de vader in Zuid-Afrika , waarbij de moeder de kosten van een retourticket van de vader naar Zuid-Afrika betaalt met een maximum van € 750, - per retourticket en de vader kosteloos in het huis van de moeder mag verblijven;

- het is de vader toegestaan om altijd bij [kind 1] op bezoek te gaan in Zuid-Afrika , waarbij hij op eigen kosten reist, maar wel in het huis van de moeder mag verblijven;

- de vader heeft minimaal twee keer per week op dinsdag en donderdag om 18:00 uur contact met [kind 1] via videobellen.

In de vastgestelde informatieregeling is opgenomen dat de moeder is gehouden de vader te informeren over medische aangelegenheden aangaande [kind 1] .

Bij beschikking van 27 december 2022 heeft dit gerechtshof de beschikking van

1 juni 2022 bekrachtigd, nadat de vader hoger beroep had ingesteld. Wel heeft het hof een uitgebreidere informatieregeling vastgesteld, die inhoudt dat de moeder de vader maandelijks dient te informeren over de algehele ontwikkeling van [kind 1] en hem dient te raadplegen over belangrijke beslissingen ten aanzien van [kind 1] .

Van juni 2022 tot maart 2025 heeft [kind 1] met de moeder en haar zus [kind 2] in Zuid-Afrika gewoond. Op 1 maart 2025 is de moeder met [kind 1] (en [kind 2] ) teruggekeerd naar Nederland, [plaats B ] , waar zij tot 10 oktober 2025 verbleven. Sindsdien verblijft de moeder met beide kinderen in Zuid-Afrika ( [plaats C] ).

3. De vorderingen

In eerste aanleg heeft de vader gevorderd om de moeder op straffe van een dwangsom te veroordelen binnen drie dagen na betekening van het vonnis met [kind 1] terug te verhuizen naar [plaats B ] en te verbieden om met [kind 1] naar het buitenland, in het bijzonder Zuid-Afrika , te verhuizen.

De voorzieningenrechter heeft de door de vader gevraagde voorziening geweigerd en de proceskosten gecompenseerd.

4. De beoordeling

Rechtsmacht van de Nederlandse rechter

[kind 1] verblijft sinds 10 oktober 2025 in [plaats C] , Zuid-Afrika , waardoor de zaak een internationaal karakter heeft. Het hof dient ambtshalve te beoordelen of de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft ten aanzien van de vorderingen en behandelt daarmee ook eerst het incidenteel hoger beroep van de moeder.

De voorzieningenrechter heeft in het bestreden vonnis overwogen dat de vordering van de vader valt binnen het [plaats C] van de Verordening (EU) 2019/1111 van 25 juni 2019 (hierna: Brussel II-ter). Op grond van artikel 7 van de verordening Brussel II-ter zijn ter zake de ouderlijke verantwoordelijkheid bevoegd de gerechten van de lidstaat op het grondgebied waar het kind zijn gewone verblijfplaats heeft op het tijdstip dat de zaak bij het gerecht aanhangig is gemaakt. De voorzieningenrechter heeft geoordeeld dat de Nederlandse rechter bevoegd is kennis te nemen van de vorderingen van de vader omdat de gewone verblijfplaats van [kind 1] ten tijde van het aanhangig maken van het kort geding nog in Nederland was.

Het incidentele beroep van de moeder richt zich tegen het oordeel van de voorzieningenrechter dat de woonplaats van [kind 1] ten tijde van het aanhangig maken van het kort geding in Nederland was. De moeder stelt dat sprake was van een kortdurend verblijf in Nederland voor de noodzakelijke verbouwing van haar woning en dat de gewone verblijfplaats van [kind 1] daardoor niet is gewijzigd van Zuid-Afrika naar Nederland. Subsidiair meent zij dat voor zover de gewone verblijfplaats tijdelijk zou zijn overgegaan naar Nederland, de gewone verblijfplaats ten tijde van het aanhangig maken van het kort geding weer in Zuid-Afrika was. Alle bestaande voorzieningen in [plaats C] heeft de moeder tijdens haar verblijf in Nederland gehandhaafd, zodanig dat alles direct kon worden opgepakt bij terugkeer van de moeder en de kinderen in Zuid-Afrika .

Anders dan de moeder is het hof van oordeel dat [kind 1] ten tijde van het uitbrengen van de inleidende dagvaarding in kort geding, te weten 28 oktober 2025, haar gewone verblijfplaats in Nederland had. Het hof overweegt daartoe als volgt.

[kind 1] is in Nederland geboren en heeft tot zij tweeënhalf jaar oud was met de moeder in Nederland gewoond. Zoals gezegd woonde [kind 1] van juni 2022 tot maart 2025 met de moeder in Zuid-Afrika en verbleef zij van 1 maart 2025 tot 10 oktober 2025 met de moeder (en [kind 2] ) in Nederland, in [plaats B ] . Naar het oordeel van het hof heeft de moeder ook in hoger beroep onvoldoende aannemelijk gemaakt dat haar verblijf met haar dochters in Nederland in 2025 een tijdelijk karakter had. Integendeel, uit de overgelegde correspondentie, waaronder Whatsapp-berichten en e-mails, blijkt veeleer dat de terugkeer naar Nederland in maart 2025 gericht was op een bestendig verblijf. Zo is in de Whatsapp-conversaties tussen de ouders te lezen dat zij in oktober 2023 al praatten over het regelen van een school voor [kind 1] in Nederland. Ook in correspondentie in 2024 en begin 2025 maakt de moeder melding van terugkeer naar Nederland met de bedoeling afspraken te maken over de omgang en mededeling van inschrijving bij naschoolse activiteiten in Nederland.

Verder heeft de vader, op verzoek van de moeder, toestemming gegeven voor inschrijving van [kind 1] in de Basisregistratie Personen (BRP) en gedurende het verblijf in Nederland stond [kind 1] ingeschreven bij een huisarts en tandarts in [plaats B ] .

De stelling van de moeder dat de gewone verblijfplaats van [kind 1] niet is gewijzigd omdat zij slechts vanwege renovatiewerkzaamheden aan haar woning in Nederland genoodzaakt was tijdelijk naar Nederland te komen, is onvoldoende door haar onderbouwd en vindt geen steun in de stukken.

Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat het verblijf van [kind 1] in Nederland vanaf maart 2025 niet als tijdelijk kan worden aangemerkt. Het centrum van het leven van [kind 1] , en derhalve haar gewone verblijfplaats, bevond zich vanaf maart 2025 in Nederland.

Dat enige tijd is verstreken tussen het moment waarop [kind 1] naar Zuid-Afrika is vertrokken en de dag waarop de inleidende dagvaarding is uitgebracht doet hier niet aan af. De beslissing van de moeder om definitief naar Zuid-Afrika te vertrekken, lijkt vrij plotseling te hebben plaatsgevonden. Zo wist de vader niet af van de bedoeling van de moeder om zich (weer) te vestigen in Zuid-Afrika . Uit de mail van de directeur van de school van [kind 1] in Nederland van 31 oktober 2025 blijkt dat ook de school niet door de moeder was geïnformeerd over het vertrek. Het hof is dan ook met de voorzieningenrechter van oordeel dat onder deze omstandigheden de gewone verblijfplaats op 28 oktober 2025 nog in Nederland was, ondanks dat [kind 1] zich inmiddels in Zuid-Afrika bevond.

Uit dit oordeel volgt echter niet dat de Nederlandse rechter bevoegd is een beslissing te nemen in dit geschil. De vader vordert terugverhuizing van [kind 1] naar Nederland en een verbod om met [kind 1] naar Zuid-Afrika te verhuizen. Anders dan de vader in zijn akte houdende uitlating betoogt, ziet zijn vordering daarmee in essentie op de teruggeleiding van [kind 1] naar Nederland. Dat de vader zelf de vordering kwalificeert als een verhuizing en niet als ontvoering maakt dat niet anders. Ook de door de vader genoemde achterliggende feiten en omstandigheden maken dat niet anders, omdat de door vader ingestelde vordering daarmee in essentie niet verandert.

Teruggeleiding is geen onderwerp dat valt onder de ouderlijke verantwoordelijkheid in de zin van artikel 1, eerste lid onder b en tweede lid alsmede artikel 2, tweede lid onder 7 van de verordening Brussel II-ter. Bij kwesties die de ouderlijke verantwoordelijkheid betreffen moet met name worden gedacht aan beslissingen die betrekking hebben op de in artikel 1 tweede lid van de verordening Brussel II-ter vermelde onderwerpen, zoals gezag en omgang. De vorderingen van de vader zien daar niet op, maar hebben alleen de onmiddellijke terugkeer van [kind 1] tot doel. Daarmee vallen de vorderingen onder het Haags Kinderontvoeringsverdrag 1980. Onder verwijzing naar de uitspraak van de Hoge Raad van 9 december 2011 (ECLI:NL:HR:2011:BU2834) kan deze vordering niet bij de Nederlandse rechter, maar slechts bij de Zuid-Afrikaanse rechter worden ingediend, omdat [kind 1] zich daar sinds 10 oktober 2025 feitelijk bevindt.

De vader voert in zijn akte houdende uitlating aan, met verwijzing naar overwegingen van de Hoge Raad in de hiervoor genoemde uitspraak uit 2011, dat hij de Centrale Autoriteit niet heeft ingeschakeld en daarom de Nederlandse rechter bevoegd is gebleven. Het hof gaat daar aan voorbij. In de betreffende overwegingen heeft de Hoge Raad enkel tot uitdrukking gebracht dat ook in geval de Centrale Autoriteit niet is ingeschakeld en een rechtstreeks verzoek tot teruggeleiding wordt gedaan, uit de systematiek van het Haags Kinderontvoeringsverdrag 1980 volgt dat (slechts) de rechter bevoegd is van de staat waar het kind zich bevindt.

Verder voert de vader aan dat de teruggeleidingsprocedures in Zuid-Afrika “rampzalig” lang duren, waarop de Surpreme Court of Appeal in Zuid-Afrika scherpe kritiek heeft geuit. De vader is ernstig ziek en heeft om die reden groot belang bij een voortvarende behandeling. Het hof onderkent dat belang, maar zonder dat de vader enige pogingen heeft gedaan om die procedure aanhangig te maken, kan niet gezegd worden dat hij van een voortvarende behandeling verstoken blijft. De gezondheidstoestand van de vader is blijkens zijn stellingen ernstig, maar maakt op zich niet dat van de bevoegdheidsregels afgeweken kan worden. Van de moeder mag echter verwacht worden dat zij gelegenheid geeft en ook actie onderneemt om te zorgen dat de vader en [kind 1] fysiek tijd met elkaar kunnen doorbrengen.

Uit het voorgaande volgt dat het bestreden vonnis vernietigd zal worden en dat het hof zich onbevoegd zal verklaren van de vorderingen van de vader kennis te nemen. Hetgeen overigens door partijen nog is aangevoerd behoeft bij deze uitkomst geen bespreking meer.

Voor een proceskostenveroordeling over en weer ziet het hof geen aanleiding, aangezien sprake is van een familierechtelijk geschil.

5. Beslissing

Het hof:

rechtdoende in principaal en incidenteel hoger beroep:

vernietigt het vonnis van de voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam van 26 november 2025 in kort geding en, opnieuw rechtdoende:

verklaart zich onbevoegd om van de vorderingen van de vader kennis te nemen;

compenseert de proceskosten in beide instanties in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Dit arrest is gewezen door mrs. J.M. van Baardewijk, M.C. Schenkeveld en A.R. van Wieren en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 12 mei 2026.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand