GERECHTSHOF AMSTERDAM
Afdeling civiel recht en belastingrecht
Team III (familie- en jeugdrecht)
zaaknummer: 200.360.399/01
zaaknummer rechtbank: 11530325 BM VERZ 25-295 ZK
beschikking van de meervoudige kamer van 29 april 2026 in de zaak van
[betrokkene] ,
wonende te [plaats A] , gemeente [gemeente] ,
verzoeker in hoger beroep,
hierna: (de) betrokkene,
advocaat: mr. N. de Vos te Diemen,
Het hof heeft daarnaast als belanghebbenden aangemerkt:
- BeauFin B.V. t.h.o.d.n. Beaufin Bewindvoering & Budgetbeheer (hierna: de voormalige bewindvoerder/mentor);
- Adema Bewindvoering B.V. (hierna: de huidige bewindvoerder/mentor);
- [de moeder] (hierna: de moeder);
- [broer 1] (hierna: broer [broer 1] );
- [broer 2] (hierna: broer [broer 2] ).
1. De zaak in het kort
De zaak gaat over de (ontvankelijkheid van het hoger beroep met betrekking tot de)vraag of het bewind over de goederen van betrokkene moet worden opgeheven en over de te benoemen persoon van de bewindvoerder.
De kantonrechter in Haarlem heeft bij beschikking van 4 juli 2025 het verzoek van betrokkene tot opheffing van het bewind, afgewezen en de zaak ten aanzien van de vraag wie als bewindvoerder moet worden benoemd tot uiterlijk 12 juli 2025 aangehouden. De kantonrechter heeft daarna bij beschikking van 11 september 2025 BeauFin B.V. ontslagen als bewindvoerder en Adema Bewindvoering B.V. als opvolgend bewindvoerder benoemd. De betrokkene is het met beide beslissingen niet eens. Hij wil dat het bewind alsnog wordt opgeheven of, als het hof het bewind in stand laat, dat zijn ex-partner, mevrouw [naam 1] , tot bewindvoerder wordt benoemd.
2. De procedure in hoger beroep
Betrokkene is op 15 oktober 2025 in hoger beroep gekomen van de beschikkingen van de kantonrechter van de rechtbank Noord-Holland, locatie Haarlem (hierna: de kantonrechter) van 4 juli 2025 en van 11 september 2025 (hierna: de bestreden beschikkingen).
Het hof heeft daarnaast het volgende stuk ontvangen:
- het proces-verbaal van de zitting van 26 mei 2025 bij de kantonrechter, ontvangen op 13 november 2025.
De zitting heeft op 29 april 2026 plaatsgevonden. Daarbij waren aanwezig:
- de betrokkene, bijgestaan door zijn advocaat;
- [naam 1] (hierna: mevrouw [naam 1] );
- de voormalige bewindvoerder/mentor, vertegenwoordigd door [naam 2] en [naam 3] ;
- de huidige bewindvoerder/mentor, vertegenwoordigd door W. Hendriks (via een videoverbinding).
De moeder, broer [broer 1] en broer [broer 2] zijn behoorlijk opgeroepen maar niet ter zitting verschenen.
Ter zitting heeft het hof mondeling uitspraak gedaan. Deze beschikking is daarvan de schriftelijke uitwerking.
3. De feiten
Betrokkene is geboren [in] 1969 te [plaats B] .
Betrokkene is vader van twee kinderen.
De kantonrechter heeft op 29 juni 2023 de goederen van betrokkenen onder bewind gesteld op grond van de lichamelijke of geestelijke toestand van betrokkene, met benoeming van Beaufin B.V. tot bewindvoerder.
4. De omvang van het hoger beroep
De kantonrechter heeft bij beschikking van 4 juli 2025 het verzoek van betrokkene tot opheffing van het bewind afgewezen en de behandeling van de zaak voor het overige aangehouden. De kantonrechter heeft vervolgens bij beschikking van 11 september 2025, voor zover hier van belang, BeauFin B.V. ontslagen als bewindvoerder en Adema Bewindvoering B.V. benoemd als bewindvoerder.
Betrokkene verzoekt na aanvulling ter zitting, met vernietiging van de bestreden beschikkingen, primair zijn inleidende verzoek tot opheffing van het bewind alsnog toe te wijzen en subsidiair de huidige bewindvoerder te ontslaan en mevrouw [naam 1] te benoemen als opvolgend bewindvoerder.
De huidige bewindvoerder/mentor heeft ter zitting in hoger beroep afwijzing van de verzoeken van betrokkene bepleit.
5. De motivering van de beslissing
Ontvankelijkheid ten aanzien van het hoger beroep tegen de beschikking van de kantonrechter van 4 juli 2025
Ingevolge artikel 806 lid 1 aanhef en onder a Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) kan door de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden hoger beroep worden ingesteld binnen drie maanden na de dag van de uitspraak. Als die termijn op een zaterdag, zondag of algemeen erkende feestdag eindigt, wordt die verlengd tot en met de eerstvolgende dag die niet een zaterdag, zondag of algemeen erkende feestdag is (artikel 1 lid 1 Algemene termijnenwet). Volgens vaste rechtspraak zijn rechtsmiddelentermijnen van openbare orde en moeten deze door de rechter ambtshalve worden toegepast. In het belang van een goede rechtspleging moet duidelijkheid bestaan over het tijdstip waarop een termijn voor het aanwenden van een rechtsmiddel aanvangt en eindigt, en aan een rechtsmiddelentermijn moet strikt de hand worden gehouden (vgl. Hoge Raad 21 februari 2014, ECLI:NL:HR:2014:413). Alleen wanneer sprake is van bijzondere omstandigheden kan een uitzondering worden gemaakt.
In de beschikking van de kantonrechter van 4 juli 2025 wordt het verzoek van de betrokkene tot opheffing van het bewind afgewezen. Hiermee heeft de kantonrechter uitdrukkelijk beslist over enig deel van het door de betrokkene verzochte en is een einde gemaakt aan dat deel van het geding. Dat betekent dat op dit punt sprake is van een eindbeschikking. De termijn om hoger beroep in te stellen tegen deze beschikking is drie maanden, gerekend vanaf de datum van de uitspraak. Dat is zaterdag 4 oktober 2025. Aangezien de termijn op een zaterdag eindigt, wordt die verlengd tot en met de eerstvolgende dag die niet een zaterdag, zondag of algemeen erkende feestdag is. Dit betekent dat betrokkene uiterlijk op (maandag) 6 oktober 2025 tijdig hoger beroep had kunnen instellen tegen deze beschikking waarin zijn verzoek om opheffing van het bewind werd afgewezen. Het beroepschrift is echter pas op 15 oktober 2025 ingediend, en daarmee niet tijdig. Het hof is van oordeel dat er geen bijzondere omstandigheden zijn gebleken die een uitzondering op deze termijn rechtvaardigen. De betrokkene is dan ook niet-ontvankelijk in zijn hoger beroep voor zover dit is ingesteld tegen de beslissing tot afwijzing van zijn verzoek het bewind op te heffen in de beschikking van 4 juli 2025.
Inhoudelijke beoordeling van het hoger beroep tegen de beschikking van de kantonrechter van 11 september 2025
Wettelijk kader
Uit artikel 1:435 eerste lid van het Burgerlijke Wetboek (BW) volgt dat de rechter bij het instellen van het bewind of zo spoedig mogelijk daarna een bewindvoerder benoemt. Hij vergewist zich van de bereidheid en vormt zich een oordeel over de geschiktheid van de te benoemen persoon.
Op grond van artikel 1:435 derde lid BW volgt de rechter bij de benoeming van de bewindvoerder de uitdrukkelijke voorkeur van de rechthebbende, tenzij gegronde redenen zich tegen zodanige benoeming verzetten.
Uit artikel 1:448, eerste lid aanhef en sub e en tweede lid, BW volgt dat de bewindvoerder door de rechter ontslag kan worden verleend met ingang van een door deze te bepalen dag, hetzij op eigen verzoek, hetzij wegens gewichtige redenen of omdat hij niet meer voldoet aan de eisen om bewindvoerder te kunnen worden, zulks op verzoek van de medebewindvoerder of degene die gerechtigd is onderbewindstelling te verzoeken als bedoeld in artikel 1:432, eerste en tweede lid, BW, dan wel ambtshalve.
De standpunten
Betrokkene stelt dat hij uitdrukkelijk zijn voorkeur heeft uitgesproken om mevrouw [naam 1] tot bewindvoerder te benoemen. Mevrouw [naam 1] is zijn ex-partner en moeder van zijn twee kinderen en kent zijn verleden. Bovendien wil zij haar werkzaamheden als bewindvoerder kosteloos verrichten. Hij kan zich niet vinden in het oordeel van de kantonrechter dat een dergelijke benoeming niet wenselijk zou zijn, vanwege de geuite zorgen over mogelijk interen op de erfenis en de nog aanwezige gronden voor het bewind. Betrokkene betwist deze zorgen.
De opvolgend bewindvoerder/mentor heeft tijdens de zitting in hoger beroep toegelicht dat betrokkene aanvankelijk een uitkering op grond van de Participatiewet genoot, maar door het verkrijgen van een erfenis over vermogen beschikt en daardoor geen recht meer heeft op een uitkering. De betrokkene zal eerst dienen in te teren op zijn vermogen voordat hij weer aanspraak kan maken op een uitkering. Momenteel kan hij op die wijze in zijn levensonderhoud voorzien en daarnaast ontvangt hij nog zorgtoeslag. Met betrekking tot de vraag of mevrouw [naam 1] de taak van bewindvoerder zou kunnen overnemen, heeft de opvolgend bewindvoerder/mentor verklaard dat hij dit op dit moment niet de juiste stap acht. Het dossier van betrokkene vereist nog diverse acties, in het bijzonder met betrekking tot het mettertijd aanvragen van een uitkering, iets waar een professionele bewindvoerder meer geschikt voor is. Naar verwachting zal betrokkene over ongeveer twee jaar weer in aanmerking komen voor een uitkering. Voorts dient de betrokkene zich te houden aan de afspraken met de gemeente.
De voormalige bewindvoerder/mentor heeft tijdens de zitting in hoger beroep verklaard dat de contacten met de betrokkene over het bewind vrij gemoedelijk verliepen, maar dat de erfenis voor stress bij de betrokkene heeft gezorgd. De samenwerking met de betrokkene was mede daardoor niet meer werkbaar; vandaar dat de voormalig bewindvoerder/mentor toen zijn ontslag heeft verzocht.
Mevrouw [naam 1] heeft tijdens de zitting in hoger beroep verklaard dat zij niet eerder als bewindvoerder is benoemd , maar dat zij zich bewust is van de verplichtingen om een administratie bij te houden en de rekening met betrekking tot de erfenis zorgvuldig te beheren. Zij weet en begrijpt dat er regels gelden omtrent het interen op de erfenis en dat zij als bewindvoerder verantwoordelijk zal zijn voor het beheer van het vermogen. Verder heeft mevrouw [naam 1] aangegeven dat zij zich als bewindvoerder zal inlezen op bepaalde onderdelen, zoals bijvoorbeeld de vraag wanneer een machtiging van de kantonrechter is vereist. Zij is bereid om deze taken op zich te nemen. Zij wenst van het bewindsbureau graag duidelijke instructies en richtlijnen te ontvangen over haar werkzaamheden en de daarbij te volgen procedures. Zij heeft tevens verklaard af te zien van een vergoeding voor het uitoefenen van het bewind.
De beoordeling door het hof
Het hof overweegt als volgt.
Uit de stukken in het dossier en hetgeen tijdens de zitting in hoger beroep is besproken, blijkt onder meer dat betrokkene destijds zelf het verzoek tot bewind heeft ingediend. Hij heeft verklaard dit te hebben gedaan uit woede jegens de gemeente [gemeente] , die in 2022 zijn uitkering zes maanden stopzette. Betrokkene heeft inmiddels spijt van dit handelen.
Mevrouw [naam 1] is de ex-partner van betrokkene en de moeder van hun twee kinderen. Zij is gepromoveerd econoom en heeft enige ervaring als boekhouder. Momenteel is zij werkzaam bij [X] als IT-auditor bij de interne auditdienst. In een e-mail aan de kantonrechter van 3 september 2025 heeft mevrouw [naam 1] aangegeven bereid te zijn bewindvoerder van betrokkene te worden en haar werkzaamheden zonder vergoeding te willen uitvoeren. Betrokkene heeft in hoger beroep zijn uitdrukkelijke voorkeur uitgesproken dat, indien zijn vermogen onder bewind blijft, mevrouw [naam 1] tot bewindvoerder wordt benoemd.
Nu betrokkene zijn uitdrukkelijke voorkeur heeft uitgesproken, dient het hof te beoordelen of gegronde redenen bestaan die zich verzetten tegen de benoeming van mevrouw [naam 1] tot bewindvoerder. Het hof is niet gebleken van dergelijke redenen, althans niet zodanig dat zij zich verzetten tegen die benoeming. Hoewel op termijn diverse acties in het dossier van betrokkene dienen te worden ondernomen, is het hof van oordeel dat deze naar verwachting niet zodanig complex zijn dat deze niet door de voorgestelde bewindvoerder zouden kunnen worden uitgevoerd. Dit geldt temeer omdat is gebleken dat op dit moment sprake is van een rustige en overzichtelijke periode met betrekking tot het onder bewind staande vermogen. Met de gemeente zijn afspraken gemaakt over het interen op het vermogen. Daarnaast zijn alle schulden afgelost die er indertijd waren. Verder zal het enige tijd duren voordat weer een uitkering bij de gemeente kan worden aangevraagd. Bovendien is het hof gebleken dat de voorgestelde bewindvoerder, gelet op haar opleidingsniveau en haar huidige werkzaamheden, in staat moet worden geacht dergelijke relatief overzichtelijke taken uit te voeren; dit geldt eveneens voor de gebruikelijk werkzaamheden als bewindvoerder. Het belang van betrokkene bij het volgen van zijn voorkeur weegt zwaarder dan de door de huidige bewindvoerder/mentor aangevoerde bezwaren. Nu mevrouw [naam 1] bereid is de taak als bewindvoerder op zich te nemen en geschikt is om als bewindvoerder op te treden, zal zij worden benoemd als opvolgend bewindvoerder.
Voor het overige geldt dat de regeling van het bewind voldoende waarborgen biedt voor toezicht op het financiële beheer. De bewindvoerder legt jaarlijks rekening en verantwoording af en heeft voor sommige beslissingen de toestemming van de kantonrechter nodig. Voor informatie over het bewind van betrokkene kan mevrouw [naam 1] contact opnemen met het bewindsbureau van de kantonrechter in Noord-Holland.
Het hof zal de bestreden beschikking van 11 september 2025 vernietigen voor zover daarbij Adema Bewindvoering B.V. ook over de periode vanaf 10 juni 2026 nog als bewindvoerder is benoemd, en het verzoek van betrokkene om mevrouw [naam 1] te benoemen als opvolgend bewindvoerder, toewijzen.
6. De beslissing
Het hof:
verklaart betrokkene niet-ontvankelijk in zijn hoger beroep tegen de beschikking van de kantonrechter van 4 juli 2025, voor zover daarbij zijn verzoek tot opheffing van het bewind is afgewezen;
vernietigt de beschikking van de kantonrechter van 11 september 2025 voor zover daarbij Adema Bewindvoering B.V. ook over de periode vanaf 10 juni 2026 nog als bewindvoerder is benoemd, en in zoverre opnieuw rechtdoende:
ontslaat met ingang van 10 juni 2026 Adema Bewindvoering B.V. als bewindvoerder over de (toekomstige) goederen van [betrokkene] , geboren [in] 1969 te [plaats B] ;
benoemt met ingang van 10 juni 2026 tot opvolgend bewindvoerder:
[naam 1]
Correspondentieadres:
[adres]
bepaalt dat Adema Bewindvoering B.V. eindrekening en verantwoording aflegt aan betrokkene en de opvolgend bewindvoerder over de periode van 11 september 2025 tot 10 juni 2026;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
bekrachtigt de bestreden beschikking voor het overige.
Deze beschikking is gegeven door mr. A.V.T. de Bie, mr. A.N. van de Beek en mr. M.T. Hoogland, in tegenwoordigheid van mr. T.L. Prins als griffier en is op 29 april 2026 in het openbaar uitgesproken door de voorzitter.
Deze beschikking vormt de uitwerking van de mondelinge uitspraak van 29 april 2026 en is op 13 mei 2026 aldus vastgesteld door voornoemde raadsheren en ondertekend door de voorzitter.