GERECHTSHOF AMSTERDAM
afdeling civiel recht en belastingrecht
team I (handel)
zaaknummer : 200.356.902/01
zaak-/rolnummer rechtbank Amsterdam : C/13/767978/ KG ZA 25-292
arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 19 mei 2026
in de zaak van
1. [appellant 1] ,
2. [appellant 2],
3. [appellant 3],
4. [appellant 4],
5. [appellant 5],
alle gevestigd/wonend te [plaats] ,
advocaat: mr. P. de Haas te Rotterdam,
tegen
ING BANK N.V.,
gevestigd te Amsterdam,
geïntimeerde,
hierna: ING
advocaat: mr. M.E.G. Murris te Utrecht.
Partijen worden hierna enerzijds [appellant 1] , [appellant 2] , [appellant 3] , [appellant 4] , [appellant 5] en gezamenlijk [appellanten] genoemd, en anderzijds ING.
1. Het geding in hoger beroep
[appellanten] zijn bij dagvaarding van 9 juli 2025 in hoger beroep gekomen van het vonnis van 25 juni 2025 van de voorzieningenrechter in de rechtbank Amsterdam, onder bovenvermeld zaaknummer gewezen tussen [appellanten] als eisers en ING als gedaagde.
De appeldagvaarding bevat tevens de grieven tegen het bestreden vonnis, en daarbij is een productie overgelegd. ING heeft daarna een memorie van antwoord ingediend, met productie.
Op 3 april 2026 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden. De advocaten hebben de zaak toegelicht aan de hand van spreekaantekeningen die zij hebben overgelegd. Voorafgaand aan de zitting hebben [appellanten] een akte met productie overgelegd.
Ten slotte is arrest gevraagd.
2. Feiten
Het hof gaat uit van de volgende feiten.
[appellant 5] is bestuurder van [appellant 1] en [appellant 2] . Ook is hij bestuurder en (indirect) aandeelhouder van [appellant 3] en [appellant 4] .
[appellant 1] is opgericht in juni 2021. Zij is actief in de uitzendbranche en levert technisch personeel aan diverse opdrachtgevers. Eerder had [appellant 1] zelf vijf à zes uitzendkrachten op de payroll, maar sinds januari 2023 leent zij alleen nog personeel in via onder andere [bedrijf] (hierna: [bedrijf] ), waarvan [appellant 5] tot januari 2022 bestuurder was en tot maart 2024 aandeelhouder. Dat ingeleende personeel leent [appellant 1] vervolgens door aan haar opdrachtgevers.
[appellanten] bankierden bij ING. In de periode van 11 oktober 2023 tot en met 5 augustus 2024 heeft ING een klantonderzoek uitgevoerd bij [appellanten] In deze periode van onderzoek heeft ING op verschillende momenten onder meer vragen gesteld en zorgen geuit over (i) de reden voor inlening van personeel door [appellant 1] bij [bedrijf] en andere bv’s, (ii) het ontbreken van bewijs van girale betalingen aan ingeleende medewerkers, (iii) verschillende facturen die ten grondslag liggen aan transacties met [bedrijf] , (iv) het gebruik van de G-rekening, en (v) de door [appellant 1] genoemde winstmarge die volgens ING niet correspondeerde met de omvang van de transacties die naar privérekeningen van [appellant 5] zijn overgeboekt en waarvan een deel weer werd overgeboekt naar crypto-exchanges.
De vragen van ING zijn door (de advocaat van) [appellanten] niet naar tevredenheid van ING beantwoord, waarna ING op 5 augustus 2024 op grond van artikel 35 van de van toepassing zijnde Algemene Bankvoorwaarden is overgegaan tot beëindiging van de relaties met [appellanten] , met registratie in het intern verwijzingsregister van ING (hierna: IVR) voor de duur van zeven jaar.
3. Procedure bij de rechtbank
[appellanten] hebben gevorderd – samengevat – om bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis:
I. ING te verbieden om uitvoering te geven aan de opzegging van de bankrelaties met [appellanten] , op straffe van een dwangsom,
II. ING te veroordelen alle bankproducten waaronder de bankrekeningen, betaalpassen, creditcards en overige producten van [appellanten] in stand te laten en uitvoering te geven aan transacties op de rekeningen, op straffe van een dwangsom,
III. ING te verbieden om [appellanten] op te nemen in het IVR of in een vergelijkbaar register, op straffe van een dwangsom,
IV. ING te voordelen in de (daadwerkelijke) kosten die verband houden met het bezwaar tegen de beëindiging alsook de klachtprocedure, te vermeerderen met de wettelijke rente,
V. ING te veroordelen in de (daadwerkelijke) proceskosten en in de buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.
De voorzieningenrechter heeft geoordeeld dat [appellanten] geen (spoedeisend) belang hebben bij hun vorderingen tot hervatting van hun bancaire relatie met ING, en bij de vordering met betrekking tot de registratie in het IVR. De voorzieningenrechter heeft de vorderingen afgewezen en [appellanten] veroordeeld in de proceskosten.
4. Vordering in hoger beroep
[appellanten] vorderen dat het bestreden vonnis wordt vernietigd en hun vorderingen alsnog – uitvoerbaar bij voorraad – worden toegewezen, met veroordeling van ING in de kosten van het geding in beide instanties. Zij hebben daaraan toegevoegd de vordering dat ING wordt geboden de opzegging van de relatie met [appellanten] ongedaan te maken voor zover zij deze heeft beëindigd.
ING concludeert tot bekrachtiging van het bestreden vonnis en afwijzing van de vermeerderde eis, met – uitvoerbaar bij voorraad – veroordeling van [appellant 1] in de proceskosten.
5. Beoordeling
De voorzieningenrechter heeft overwogen dat [appellant 5] en [appellant 1] elders (meerdere) bankrekeningen hebben, dat het betalingsverkeer op de rekeningen van [appellant 2] en [appellant 3] nagenoeg is opgedroogd, en dat [appellant 4] zelf haar bankrekening bij ING heeft beëindigd. ING voegt hieraan toe dat [appellant 2] en [appellant 3] vermoedelijk ook elders bankieren of geen activiteiten meer verrichten. [appellanten] hebben dit niet bestreden. Gelet hierop moet ervan worden uitgegaan dat [appellanten] voor hun betalingsverkeer en overige bankzaken, voor zover benodigd, niet zijn aangewezen op de bankrekeningen bij en bankrelatie met ING. Zij hebben daarom geen spoedeisend belang bij hun vorderingen die strekken tot herstel van de bankrelatie bij ING.
Uit wat ING heeft toegelicht over de IVR-registratie begrijpt het hof dat ING in het IVR – althans in de daarbij behorende Gebeurtenissenadministratie – heeft geregistreerd dat (i) [appellanten] onvoldoende hebben meegewerkt aan het cliëntenonderzoek, (ii) ING haar cliëntenonderzoek niet heeft kunnen afronden en (iii) uit het cliëntenonderzoek onacceptabele integriteitsrisico's volgen. Het hof overweegt dat (de Gebeurtenissenadministratie behorend bij) het IVR slechts een intern register is, dat alleen door (bepaalde medewerkers van) ING (en haar dochterondernemingen) te raadplegen is. Volgens [appellanten] kan deze informatie niettemin ook bij andere banken terecht komen. Concrete feiten waaruit dat volgt hebben [appellanten] echter niet gesteld althans niet aannemelijk gemaakt, zodat het hof daaraan voorbijgaat. Aangezien [appellanten] voor hun betalingsverkeer en overige bankzaken voor zover nodig gebruik maken van andere banken, worden zij daarin niet belemmerd door de IVR-registratie bij ING. [appellanten] hebben daarom geen spoedeisend belang bij hun vordering die strekt tot verwijdering van deze registratie.
[appellanten] hebben verder aangevoerd dat ING op grond van wet- en regelgeving zoals de Wet gegevensverwerking door samenwerkingsverbanden bevoegd of gehouden is informatie te delen met andere partijen, zoals toezichthouders en andere banken. Volgens [appellanten] , zo begrijpt het hof hen, kan dit ertoe leiden dat de informatie opgenomen in (de Gebeurtenissenadministratie behorend bij) het IVR bij dergelijke partijen terecht komt. ING stelt dat het niet haar bedoeling is zulke herleidbare informatie te delen (en dat zij dat tot nu toe ook niet heeft gedaan). Maar zelfs als dat anders mocht worden, betekent dat niet zonder meer dat [appellanten] een spoedeisend belang hebben bij verwijdering van de IVR-registratie. Als uitwisseling van informatie zou leiden tot onderzoek naar [appellanten] door toezichthouders of andere partijen uit de financiële sector met wie [appellanten] een relatie hebben, betekent dat niet dat [appellanten] daarmee beperkt zullen zijn in het doen van hun bankzaken. Hetzelfde geldt voor vragen van derden naar aanleiding van publicatie van het vonnis van de voorzieningenrechter, zoals de vragen die Rabobank aan [appellant 5] heeft gesteld. Dergelijke vragen kunnen door [appellanten] worden beantwoord, zoals in dit geval ook door [appellant 5] is gedaan, zonder dat dit noodzakelijkerwijs leidt tot een belemmering in het gebruik van hun bankrekeningen of het doen van andere bankzaken. Het feit dat derden, zoals (nieuwe) handelsrelaties, aan de informatie in het gepubliceerde vonnis mogelijk consequenties verbinden die voor [appellanten] nadelig zijn, betekent evenmin dat [appellanten] spoedeisend belang hebben bij hun vorderingen tot herstel van de bankrelatie en verwijdering uit het IVR. Het rechtvaardigt in elk geval niet dat door toewijzing van deze vorderingen op de uitkomst van een bodemprocedure wordt vooruitgelopen.
[appellanten] hebben ten slotte niets gesteld waaruit een spoedeisend belang volgt bij hun vordering sub IV.
De slotsom is dat [appellanten] ook in hoger beroep geen spoedeisend belang hebben bij hun vorderingen. Het bestreden vonnis zal worden bekrachtigd. [appellanten] zullen worden veroordeeld in de proceskosten in hoger beroep. Het hof stelt de proceskosten aan de zijde van ING als volgt vast:
- griffierecht € 827
- salaris advocaat € 2.580 (tarief II, 2 punten)
Totaal € 3.407
6. Beslissing
Het hof:
bekrachtigt het bestreden vonnis;
veroordeelt [appellanten] in de proceskosten, tot nu vastgesteld op € 3.407;
veroordeelt [appellanten] tot betaling van € 189,- voor nasalaris, te vermeerderen met € 98,- voor nasalaris en de kosten van het betekeningsexploot als niet binnen veertien dagen na dit arrest aan de kostenveroordeling is voldaan en betekening van dit arrest plaatsvindt;
verklaart deze veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit arrest is gewezen door mrs. S.C.H. Molin, J.W. Frieling en D. Busch en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 19 mei 2026.