ECLI:NL:GHAMS:2026:1366

ECLI:NL:GHAMS:2026:1366

Instantie Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak 12-05-2026
Datum publicatie 22-05-2026
Zaaknummer 200.347.962/200.347.964
Rechtsgebied Civiel recht
Procedure Hoger beroep
Zittingsplaats Amsterdam

Samenvatting

Tussenarrest. Verschuldigdheid contractuele boete. Herroepen gerechtelijke erkentenis. Bewijslevering nodig voor het antwoord op de vraag of (i) een toezegging is gedaan dat overeenkomst op elk moment kosteloos kon worden beëindigd en (ii) geïntimeerden gerechtvaardigd erop hebben mogen vertrouwen dat die toezegging namens appellante is gedaan.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht

team I (handel)

zaaknummers : 200.347.962/01 en 200.347.964/01

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 12 mei 2026

in de zaak met nummer 200.347.962/01 (eerste aanleg rechtbank Amsterdam: 10865905 \ CV EXPL 24-241) van

[appellant 1] ,

gevestigd in [plaats 1] ,

appellante,

advocaat: mr. S.S. van Gijn te Amsterdam,

tegen

1. [geïntimeerde 1] V.O.F .,

gevestigd in [plaats 2] ,

2. [geïntimeerde 2],

wonend in [plaats 2] ,

3. [geïntimeerde 3],

wonend in Badhoevedorp,

geïntimeerden,

advocaat: mr. P.F.A. Reichenbach te Zwolle,

en in de zaak met nummer 200.347.964/01 (eerste aanleg rechtbank Amsterdam: 10865881 \ CV EXPL 24-238) van

[appellant 1] ,

gevestigd in [plaats 1] ,

appellante,

advocaat: mr. S.S. van Gijn te Amsterdam,

tegen

[geïntimeerde 4] , h.o.d.n. [geïntimeerde 4],

wonend in [plaats 2] ,

geïntimeerde,

advocaat: mr. P.F.A. Reichenbach te Zwolle.

Partijen worden hierna [appellant 1] , [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 4] genoemd.

1. De zaken in het kort

In deze procedures vordert [appellant 1] betaling van een contractuele boete van [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 4] , omdat zij hun overeenkomst met [appellant 1] hebben opgezegd. [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 4] menen dat zij die boete niet hoeven te betalen omdat een vertegenwoordiger van [appellant 1] zou hebben toegezegd dat zij de overeenkomst op elk moment kosteloos konden opzeggen. De rechtbank heeft de vorderingen van [appellant 1] afgewezen. Het hof is van oordeel dat bewijslevering nodig is voor het antwoord op de vraag of (i) daadwerkelijk een dergelijke toezegging is gedaan en (ii) [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 4] gerechtvaardigd erop hebben mogen vertrouwen dat die toezegging namens [appellant 1] is gedaan.

2. De gedingen in hoger beroep

[appellant 1] is bij dagvaarding van 9 oktober 2024 in hoger beroep gekomen van (i) een vonnis van 12 juli 2024 van de kantonrechter in de rechtbank Amsterdam (hierna: de kantonrechter), onder bovenvermeld zaaknummer gewezen tussen [appellant 1] als eiseres in conventie, verweerster in reconventie en [geïntimeerde 1] als gedaagden in conventie, eisers in reconventie en (ii) een vonnis van 12 juli 2024 van de kantonrechter, onder bovenvermeld zaaknummer gewezen tussen [appellant 1] als eiseres in conventie, verweerster in reconventie en [geïntimeerde 4] als gedaagde in conventie, eiser in reconventie (hierna: de bestreden vonnissen).

Bij tussenarresten van 26 november 2024 is in beide zaken een mondelinge behandeling na aanbrengen gelast, die op 30 januari 2025 heeft plaatsgevonden en waarvan proces-verbaal is opgemaakt.

In beide zaken zijn daarna, afzonderlijk, de volgende stukken ingediend:

- memorie van grieven, met producties;

- memorie van antwoord, met producties.

De zaken zijn verder gezamenlijk behandeld. Partijen hebben tijdens de mondelinge behandeling van 18 februari 2026 hun zaak laten toelichten: [appellant 1] door mrs. E.T. van den Hout en M.A.M. Chin aan de hand van spreekaantekeningen die zij hebben overgelegd, en [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 4] door hun advocaat. [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 4] hebben nog een productie in het geding gebracht.

Ten slotte is arrest gevraagd.

3. De feiten

Het hof gaat in beide zaken uit van de volgende feiten. Dit zijn de feiten zoals die door de rechtbank zijn vastgesteld, voor zover niet in geschil, en met enige aanpassing en aanvulling met andere vaststaande feiten. Daarbij heeft het hof bij de formulering in aanmerking genomen wat [appellant 1] in grief I naar voren heeft gebracht.

[appellant 1] is een onderneming gespecialiseerd in de handel in en bemiddeling van energiegerelateerde producten en diensten.

[appellant 1] had een samenwerkingsovereenkomst met [naam 1] (hierna: [naam 1] ) op basis waarvan [naam 1] klanten voor [appellant 1] heeft geworven.

[naam 1] heeft contact gezocht met [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 4] voor het sluiten van een overeenkomst met [appellant 1] . Deze overeenkomst zag op (i) het leveren en plaatsen van zonnepanelen voor de bedrijfspanden die [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 4] zouden bouwen en (ii) de afhandeling van de financiering en de subsidieverstrekking voor de zonnepanelen.

[appellant 1] heeft in december 2021 een eerste offerte uitgebracht aan [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 4] . Deze offerte heeft [naam 2] (hierna: [naam 2] ), gemachtigde van [appellant 1] , persoonlijk overhandigd aan [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 4] . [naam 1] was daarbij.

In januari 2022 is [naam 2] opnieuw bij [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 4] op bezoek geweest om nieuwe offertes persoonlijk aan hen te overhandigen. [naam 1] was daarbij.

Op 7 februari 2022 heeft [naam 1] offertes van 26 januari 2022 per e-mail aan [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 4] gestuurd.

[appellant 1] heeft op 30 mei 2022 de definitieve offertes gemaild naar [geïntimeerde 1] , [geïntimeerde 4] en [naam 1] . [naam 2] is toen nogmaals bij [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 4] op bezoek geweest en heeft de definitieve offertes persoonlijk overhandigd aan [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 4] . [naam 1] was daarbij. [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 4] hebben de offertes op 31 mei 2022 ondertekend.

In de offertes zijn de algemene voorwaarden van [appellant 1] van toepassing verklaard op de overeenkomsten met [appellant 1] . Artikel 3.8 van de algemene voorwaarden luidt als volgt:

"Indien wederpartij om welke reden dan ook geen gebruik zal maken van de diensten van [appellant 1] en/of de overeenkomst/offerte/opdracht/aanbieding annuleert tussen [appellant 1] en wederpartij is de wederpartij een boete verschuldigd aan [appellant 1] De boete bedraagt 15% van de totale overeenkomst/offerte/opdracht/aanbieding prijs. Deze prijs staat vermeld in de overeenkomst/offerte/opdracht/aanbieding die is afgesloten tussen [appellant 1] en wederpartij."

Op 12 oktober 2022 heeft [appellant 1] een e-mail gestuurd naar [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 4] met daarin de mededeling dat de subsidieaanvraag was goedgekeurd en dat het project binnen 18 maanden gerealiseerd moest worden.

[geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 4] hebben op 23 januari 2023 een afspraak gehad met [naam 2] om de voortgang van het project te bespreken. [naam 1] was bij deze afspraak.

Op 27 januari 2023 heeft [geïntimeerde 4] een e-mail gestuurd naar Liander om te vragen wat de status was van de aanvraag grootverbruik. Op 23 maart 2023 heeft Liander hierop gereageerd met de mededeling dat pas in het vierde kwartaal van 2028 de vermogensbeperking van het elektriciteitsnet zou zijn opgeheven (en dus een aansluiting voor het grootverbruik kon worden aangelegd).

[appellant 1] heeft op 11 mei 2023 facturen gemaild naar [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 4] voor de zonnepanelen. Daarop hebben [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 4] gereageerd met de mededeling dat de werkzaamheden niet doorgaan en dat zij andere offertes hebben aangevraagd. Vervolgens heeft nog een bespreking plaatsgevonden tussen [appellant 1] , [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 4] , waarbij ook [naam 1] aanwezig was. Op 22 mei 2023 hebben [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 4] aanvullende voorwaarden getekend. Op 14 juni 2023 hebben [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 4] per e-mail bevestigd dat zij niet verder willen met [appellant 1] .

[appellant 1] heeft deze e-mails van [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 4] beschouwd als beëindiging van de overeenkomsten en heeft op 19 juni 2023 een boete van € 17.662,05 gefactureerd aan zowel [geïntimeerde 1] als [geïntimeerde 4] . [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 4] hebben deze facturen van [appellant 1] niet voldaan.

4. De procedures bij de kantonrechter

Samengevat heeft [appellant 1] bij de kantonrechter gevorderd om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, zowel [geïntimeerde 1] als [geïntimeerde 4] te veroordelen tot betaling van € 19.444,03 (de hoofdsom van € 17.662,05 vermeerderd met rente tot de datum van dagvaarding en incassokosten), met rente en kosten. [appellant 1] heeft aan haar vordering ten grondslag gelegd dat [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 4] op grond van artikel 3.8 van de algemene voorwaarden een boete moeten betalen omdat zij de overeenkomsten hebben geannuleerd.

[geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 4] hebben verweer gevoerd tegen de vorderingen van [appellant 1] . Daarnaast hebben zij in voorwaardelijke reconventie vorderingen tegen [appellant 1] ingesteld.

De kantonrechter heeft de vorderingen van [appellant 1] afgewezen. De kantonrechter heeft geoordeeld dat [naam 1] namens [appellant 1] mondeling heeft toegezegd dat [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 4] de overeenkomst op elk moment kosteloos konden beëindigen en dat [appellant 1] gebonden is aan die mondelinge toezegging omdat [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 4] erop hebben mogen vertrouwen dat [naam 1] die toezegging namens [appellant 1] heeft gedaan. De voorwaardelijk reconventionele vorderingen van [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 4] heeft de kantonrechter afgewezen omdat niet aan de voorwaarde was voldaan.

5. De vorderingen in hoger beroep

[appellant 1] vordert vernietiging van de bestreden vonnissen en alsnog – uitvoerbaar bij voorraad – toewijzing van haar vorderingen, met veroordeling van [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 4] in de kosten van het geding in beide instanties.

Volgens [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 4] moet het hof de vorderingen van [appellant 1] afwijzen en het vonnis bekrachtigen, met – uitvoerbaar bij voorraad – veroordeling van [appellant 1] in de kosten van het geding in hoger beroep, met nakosten en rente.

6. De beoordeling

Het draait in deze zaak om de vraag of tussen enerzijds [appellant 1] en anderzijds [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 4] als gevolg van een toezegging van [naam 1] zijn overeengekomen dat [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 4] de overeenkomst met [appellant 1] op elk moment kosteloos kunnen annuleren.

De algemene voorwaarden zijn niet vernietigbaar

Het hof ziet aanleiding eerst te beoordelen of de algemene voorwaarden – waarin het boetebeding staat – van toepassing zijn op de overeenkomsten tussen enerzijds [appellant 1] en anderzijds [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 4] . [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 4] hebben in eerste aanleg een beroep gedaan op de vernietigbaarheid van dit beding omdat hun geen redelijke mogelijkheid zou zijn geboden kennis te nemen van de algemene voorwaarden. Als de grieven van [appellant 1] slagen, zou dit verweer (dat dan door het hof moet worden beoordeeld) alsnog aan toewijzing in de weg kunnen staan. Volgens [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 4] heeft [appellant 1] de algemene voorwaarden niet ter hand gesteld en heeft [appellant 1] volstaan met een verwijzing naar een link waarop de algemene voorwaarden te vinden zijn. Bovendien werkte die link niet voorafgaand aan het sluiten van de overeenkomst, aldus [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 4] .

Het hof is van oordeel dat het beroep op vernietigbaarheid van de algemene voorwaarden niet slaagt. [appellant 1] heeft aan [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 4] een redelijke mogelijkheid geboden kennis te nemen van de algemene voorwaarden van [appellant 1] . Of sprake is van zo'n redelijke mogelijkheid tot kennisname, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Als de algemene voorwaarden zonder noemenswaardige inspanning gevonden kunnen worden op of via de website waarnaar in een offerte is verwezen, moet worden aangenomen dat de algemene voorwaarden gemakkelijk elektronisch toegankelijk zijn (vgl. HR 2 juni 2023, ECLI:NL:HR:2023:835). Daarvan is in dit geval sprake. In de offertes, die ook per e-mail naar [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 4] zijn gestuurd, staat dat de algemene voorwaarden van toepassing zijn op de overeenkomst en staat een link naar de website van [appellant 1] waarop de algemene voorwaarden te vinden zijn. De algemene voorwaarden waren dus makkelijk toegankelijk voor [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 4] . Dat de link niet werkte voorafgaand aan het sluiten van de overeenkomst in mei 2022, hebben [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 4] onvoldoende onderbouwd. Zij hebben slechts verwezen naar een screenshot van een datum ruim ná het sluiten van de overeenkomst, waarop bovendien staat dat de webpagina niet kan worden bekeken omdat de gebruiker mogelijk offline is of een slechte verbinding heeft. Daaruit kan dus niets worden afgeleid over de beschikbaarheid van de algemene voorwaarden op de website van [appellant 1] voorafgaand aan het sluiten van de overeenkomst. Bovendien ligt het in de rede dat [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 4] het bij [appellant 1] zouden hebben aangekaart als de link naar de algemene voorwaarden niet werkte, maar daarvan is niet gebleken.

Het hof neemt bij de verdere beoordeling dan ook als uitgangspunt dat de algemene voorwaarden van toepassing zijn op de overeenkomsten tussen [appellant 1] en [geïntimeerde 1] en tussen [appellant 1] en [geïntimeerde 4] .

Bewijs nodig voor stelling dat [naam 1] een mondelinge toezegging heeft gedaan

De kantonrechter is er bij de beoordeling vanuit gegaan dat [naam 1] aan [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 4] heeft toegezegd dat zij kosteloos de overeenkomst met [appellant 1] konden opzeggen. De kantonrechter heeft dat oordeel gebaseerd op een gerechtelijke erkentenis van [appellant 1] in haar conclusie van antwoord in reconventie in de zaak tegen [geïntimeerde 1] . Daarin staat: "Een bemiddelaar heeft dit weliswaar aan [geïntimeerde 1] toegezegd, maar (…)". Een gelijkluidende passage staat in de conclusie van antwoord in reconventie in de zaak tegen [geïntimeerde 4] . [appellant 1] komt op tegen dit oordeel met grief II. Deze grief slaagt. Het hof licht dit hierna toe.

Artikel 154 lid 2 Rv bepaalt dat een gerechtelijke erkentenis kan worden herroepen als aannemelijk is dat zij door een dwaling is afgelegd. Van een erkentenis onder invloed van dwaling is sprake wanneer men door een misverstand tot een bekentenis is gekomen die men anders niet gedaan zou hebben. Het begrijp dwaling heeft hier een ruimere betekenis dan het begrip dwaling als wilsgebrek. Als uitgangspunt geldt dat een goede procesorde eist dat een herroeping plaatsvindt zodra de herroepende partij daartoe de mogelijkheid heeft.

Volgens [appellant 1] heeft zij niet bedoeld te stellen dat een bemiddelaar daadwerkelijk een toezegging heeft gedaan, maar had daar zoiets moeten staan als: "zou zijn toegezegd". De bedoelde zin berust op een vergissing – in de formulering – van de deurwaarder die het processtuk heeft geschreven, aldus [appellant 1] . Het hof volgt [appellant 1] in dit betoog. [appellant 1] is niet aanwezig geweest bij de gestelde toezegging door [naam 1] zodat niet voor de hand ligt dat zij hierover een stellige uitspraak heeft willen doen. In dit geval is aannemelijk dat sprake van een vergissing aan de zijde van [appellant 1] in de conclusie van antwoord in reconventie. [appellant 1] heeft deze vergissing gelijk daarna, tijdens de mondelinge behandeling en nogmaals in de memorie van grieven, rechtgezet. Voor zover de hierboven geciteerde zin al kan worden opgevat als een erkentenis door [appellant 1] , heeft zij deze dus tijdig herroepen.

Het hof zal daarom alsnog beoordelen of [naam 1] mondeling aan [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 4] heeft toegezegd dat zij de overeenkomsten met [appellant 1] op elk moment kosteloos konden beëindigen. [appellant 1] betoogt met grief III dat dat niet het geval is.

Bij de beoordeling stelt het hof voorop dat [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 4] zich erop beroepen zij de overeenkomst met [appellant 1] kosteloos konden annuleren. Dit is een bevrijdend verweer. Op grond van de hoofdregel van artikel 150 Rv rusten daarom op [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 4] de stelplicht en – bij voldoende gemotiveerde betwisting door [appellant 1] – de bewijslast. Zij moeten dus feiten en omstandigheden stellen (en bewijzen) waaruit kan worden afgeleid dat [naam 1] een mondelinge toezegging aan hen heeft gedaan.

[geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 4] hebben het volgende aangevoerd ter ondersteuning van hun stelling dat zij een mondelinge afspraak hadden met [naam 1] die behelsde dat zij kosteloos mochten opzeggen. Vanaf dag één heeft [naam 1] toegezegd dat [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 4] kosteloos konden opzeggen. [naam 1] heeft hen nadrukkelijk gegarandeerd dat zij nergens aan gebonden waren en dat zij te allen tijde de samenwerking mochten beëindigen, zonder problemen en/of discussie en zonder contractuele boete. Nadat zij de overeenkomst hadden opgezegd en [appellant 1] hun een boete in rekening had gebracht, hebben zij contact opgenomen met [naam 1] . Hij heeft hun toen duidelijk te kennen gegeven dat zij nergens aan verbonden waren en dat hij dit met hen had afgesproken. Dit blijkt uit een schriftelijke verklaring van [naam 1] van 30 juni 2023:

"Hierbij verklaar ik, Veysel [naam 1] namens energycompany en [appellant 1] , dat ik de opdracht met betrekking tot zonnepanelen installatie van [straat] [nummer 1] en [nummer 2] vanaf dag 1 heb aanvaard. Middels deze schriftelijke verklaring ga ik tevens akkoord met de annulering van de opdracht van de kosten."

[appellant 1] heeft betwist dat [naam 1] een dergelijke mondelinge toezegging heeft gedaan. Volgens [appellant 1] blijkt nergens uit wat de precieze woorden van [naam 1] zouden zijn geweest en op welk moment hij deze toezegging zou hebben gedaan. Ook blijkt uit de verklaring van [naam 1] – die dateert van na de opzegging van de overeenkomsten – niet dat hij voorafgaand aan het sluiten van de overeenkomsten aan [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 4] heeft toegezegd dat zij op elk moment kosteloos konden opzeggen. Uit een latere verklaring van [naam 1] volgt juist dat volgens [naam 1] [naam 2] (en niet [naam 1] zelf) deze toezegging zou hebben gedaan:

"Vervolgens hebben de heer [naam 2] en ik gezamenlijk een afspraak gehad met [geïntimeerde 4] en [geïntimeerde 1] . Tijdens deze afspraak heeft de heer [naam 2] de offerte toegelicht. Hij heeft daarbij uitdrukkelijk aangegeven dat [geïntimeerde 4] en [geïntimeerde 1] nergens aan vastzaten, omdat eerst het subsidie- en financieringstraject moest worden geregeld. Daarbij is door hem aangegeven dat, indien de subsidie zou worden toegekend, hij ook de financiering volledig zou kunnen verzorgen, en dat indien dit niet zou lukken, het traject kosteloos kon worden beëindigd."

Bovendien is het opmerkelijk dat [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 4] deze kosteloze opzeggingsmogelijkheid niet in de overeenkomst hebben laten vermelden, terwijl dit voor hen toch een wezenlijk onderdeel was van de overeenkomst, aldus [appellant 1] .

Het hof is van oordeel dat [appellant 1] de stellingen van [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 4] voldoende gemotiveerd heeft betwist. Dit heeft tot gevolg dat [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 4] – conform hun bewijsaanbod – in de gelegenheid worden te bewijzen dat [naam 1] aan hen mondeling heeft toegezegd dat zij de overeenkomst met [appellant 1] kosteloos konden opzeggen. Zij kunnen – als zij dat willen – nadere stukken in het geding brengen en getuigen laten horen.

Voor de leesbaarheid zal het hof hierna als uitgangspunt nemen dat [naam 1] de bedoelde toezegging heeft gedaan, zonder daarmee vooruit te lopen op een oordeel of dat daadwerkelijk het geval is.

Bewijs nodig voor stelling dat [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 4] er gerechtvaardigd op mochten vertrouwen dat [naam 1] bevoegd was [appellant 1] te vertegenwoordigen

Vervolgens is de vraag aan de orde of [appellant 1] is gebonden aan de toezegging van [naam 1] , met andere woorden of [naam 1] bevoegd was [appellant 1] te vertegenwoordigen. Tussen partijen is niet in geschil dat [naam 1] niet daadwerkelijk zelfstandig bevoegd was [appellant 1] te binden aan zijn toezegging. De kantonrechter heeft echter geoordeeld dat [appellant 1] desondanks gebonden is aan de toezegging door [naam 1] . De kantonrechter heeft in dat verband overwogen dat [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 4] erop hebben mogen vertrouwen dat [naam 1] de toezegging namens [appellant 1] deed en dat zij er ook op hebben mogen vertrouwen dat [naam 1] bevoegd was [appellant 1] te vertegenwoordigen. Tegen deze overwegingen komt [appellant 1] op met grieven IV, V en VI. Het hof zal deze grieven gezamenlijk behandelen.

Ook als een partij niet daadwerkelijk een volmacht heeft verleend, kan die partij tegenover een wederpartij gebonden worden door een persoon die handelt als gevolmachtigde. Artikel 3:61 lid 2 BW beschermt de wederpartij als sprake is van – kort gezegd – schijn van volmachtverlening. Daarvoor is vereist dat de wederpartij op grond van een verklaring of gedraging van degene in wiens naam is gehandeld heeft aangenomen en onder de gegeven omstandigheden redelijkerwijze mocht aannemen dat wel een toereikende volmacht was verleend aan de persoon die heeft gehandeld als gevolmachtigde.

Bij de beoordeling is van belang dat [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 4] zich erop beroepen dat [appellant 1] is gebonden aan de toezegging van [naam 1] en dus dat [naam 1] bevoegd was [appellant 1] te vertegenwoordigen. Op grond van de hoofdregel van artikel 150 Rv rusten daarom op [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 4] de stelplicht en – bij voldoende betwisting – de bewijslast van feiten en omstandigheden die de conclusie rechtvaardigen dat zij redelijkerwijs mochten aannemen dat [appellant 1] een toereikende volmacht aan [naam 1] had verleend om de toezegging namens [appellant 1] te doen.

[geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 4] hebben ter onderbouwing van hun stelling het volgende aangevoerd. Vanaf dag één hebben zij contact gehad met [naam 1] ; hij was hun contactpersoon bij [appellant 1] . [naam 1] stuurde hun de eerste offerte. [naam 1] stelde samen met NRG de offertes op en besprak deze ook met [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 4] . [naam 2] is nooit hun contactpersoon geweest. [naam 1] is altijd de persoon geweest die hen benaderde en met offertes is gekomen. Tijdens de besprekingen en contactmomenten konden [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 4] niet vermoeden dat [naam 1] en [appellant 1] een samenwerkingsovereenkomst hadden en dat daaruit moest blijken dat [naam 1] niet bevoegd was [appellant 1] te vertegenwoordigen. [appellant 1] heeft met geen woord gerept van een samenwerkingsovereenkomst. [naam 2] en [naam 1] hebben zichzelf gepresenteerd als medewerkers van [appellant 1] . [appellant 1] heeft [naam 1] in een e-mail zelfs aangeduid als "collega". [naam 1] was steeds aanwezig bij besprekingen tussen [appellant 1] en [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 4] . [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 4] hebben hem daarvoor niet uitgenodigd. [naam 2] en [naam 1] hebben dus gezamenlijk opgetreden als volledig vertegenwoordigingsbevoegde personen handelend in naam van [appellant 1] . Als [naam 1] [appellant 1] niet kon vertegenwoordigen, dan had [appellant 1] dat duidelijk kenbaar moeten maken.

[appellant 1] heeft de stellingen van [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 4] betwist. Zij heeft in dit verband het volgende aangevoerd. [appellant 1] had een samenwerkingsovereenkomst met [naam 1] . Deze samenwerking hield in dat [naam 1] tegen vergoeding potentiële klanten aanbracht bij [appellant 1] , waarna [appellant 1] het gehele proces verder op zich nam. Op alle momenten waarop [appellant 1] een afspraak had met [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 4] , is zij in de persoon van [naam 2] naar deze afspraken gegaan. [appellant 1] heeft [naam 1] nooit uitgenodigd voor deze afspraken; [naam 1] was daar op uitnodiging van [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 4] . [naam 1] beschikt niet over de benodigde inhoudelijke kennis en heeft geen inhoudelijke bijdrage geleverd aan de gesprekken met [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 4] . [naam 1] staat los van [appellant 1] en handelt onder de naam [naam 3] . Dat was ook duidelijk voor [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 4] . Zij hebben namelijk verklaard:

"Wij hebben van [ [naam 1] ] begrepen dat hij werkte voor een bedrijf met de naam [naam 3] . [ [naam 1] ] is later onze tussenpersoon geworden met betrekking tot het aansluiten van elektra- en gasaansluitingen."

[appellant 1] is de partij die de offerte heeft uitgebracht aan [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 4] en zij heeft omtrent de overeenkomst gemaild met [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 4] . [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 4] hebben steeds [naam 1] , althans zijn bedrijf [naam 3] , toegevoegd aan de e-mails. Het overgrote deel van de communicatie vond plaats met [naam 2] of een andere medewerker van [appellant 1] via het e-mailadres info@nrgcompleet.nl, met de handtekening van [appellant 1] . De offerte en de overeenkomst staan op briefpapier van [appellant 1] . [naam 2] is in december 2021 en januari 2022 al bij [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 4] op bezoek geweest om de offertes te overhandigen. Daarnaast staat [naam 2] als behandelaar op de offertes die in die tijd zijn overhandigd. [naam 2] was namens [appellant 1] bij alle besprekingen. [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 4] mochten er dan ook niet op vertrouwen dat [naam 1] een toezegging namens [appellant 1] kon doen, omdat [naam 2] niet aanwezig was bij een dergelijke toezegging.

Het hof is van oordeel dat [appellant 1] de stellingen van [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 4] voldoende gemotiveerd heeft betwist. Dit betekent dat [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 4] – conform hun bewijsaanbod – in de gelegenheid worden gesteld feiten en omstandigheden te bewijzen die de conclusie rechtvaardigen dat zij redelijkerwijs mochten aannemen dat [appellant 1] een toereikende volmacht aan [naam 1] had verleend om de toezegging namens [appellant 1] te doen. Het hof merkt in dit verband op dat de rol van [naam 1] tijdens de gesprekken waar [naam 2] en [naam 1] beiden bij aanwezig waren en de vraag hoe [naam 1] kennis kreeg van tijd en plaats waarop de gesprekken plaatsvonden (via [geïntimeerde 1] en/of [geïntimeerde 4] of anderszins) hierbij een belangrijke rol zullen spelen. [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 4] kunnen – indien gewenst – nadere stukken in het geding brengen en getuigen laten horen.

Geen dwaling en geen onrechtmatige daad

Als [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 4] niet slagen in het leveren van het hiervoor genoemde bewijs, komt niet vast te staan dat zij een afspraak met [appellant 1] hebben gemaakt over het kosteloos opzeggen van de overeenkomst. Zij moeten dan de boete betalen die [appellant 1] hun op grond van de algemene voorwaarden in rekening heeft gebracht. Voor dat geval hebben [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 4] zich op het standpunt gesteld dat zij de overeenkomst met [appellant 1] hebben vernietigd omdat zij de overeenkomst hebben gesloten op basis van een onjuiste voorstelling van zaken (artikel 6:228 lid 1 aanhef en sub a BW). Daarnaast hebben zij als gevolg van de dwaling schade geleden op basis van een onrechtmatige daad (artikel 6:162 BW), aldus [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 4] . Het hof zal deze verweren nu alvast beoordelen.

Het hof verwerpt deze verweren en licht dat als volgt toe.

Volgens [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 4] heeft [appellant 1] hen niet duidelijk en correct ingelicht over (i) het feit dat de overeenkomst niet kosteloos kon worden opgezegd, (ii) de niet-marktconforme prijzen voor de zonnepanelen en (iii) de onmogelijkheid om via Liander een aansluiting grootverbruik te regelen. Deze verwijten gaan niet op. Het feit dat de overeenkomst niet kosteloos kon worden opgezegd, staat vermeld in de algemene voorwaarden die van toepassing zijn op de overeenkomst. Zoals hiervoor is overwogen, hadden [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 4] voldoende gelegenheid voorafgaand aan het sluiten van de overeenkomst hiervan kennis te nemen. Bovendien is het niet ongebruikelijk dat een overeenkomst als deze niet kosteloos kan worden geannuleerd. [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 4] hadden hier dus op bedacht moeten zijn. Verder hebben [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 4] onvoldoende onderbouwd dat de prijs die zij in mei 2022 met [appellant 1] zijn overeengekomen, niet marktconform was. Het enkele feit dat de prijzen in de markt volgens hen een jaar later een stuk lager lagen, is daarvoor onvoldoende. Daarnaast hebben [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 4] onvoldoende gesteld waaruit kan volgen dat [appellant 1] heeft toegezegd dat een aansluiting grootverbruik haalbaar zou zijn. Volgens hun eigen stellingen heeft [naam 1] – en dus niet [appellant 1] – hen geadviseerd grootverbruik aan te vragen. Daarop hebben [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 4] zelf een aanvraag voor een aansluiting grootverbruik ingediend bij Liander. Het regelen van een aansluiting grootverbruik viel dus onder de verantwoordelijkheid van [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 4] . Dat volgt ook uit de offertes, waarin een dergelijke aanvraag niet staat in de lijst van werkzaamheden die [appellant 1] zou verrichten.

Dit alles brengt mee dat van onjuiste mededelingen van de kant van [appellant 1] – en dus van dwaling als gevolg daarvan – geen sprake is. Evenmin is om deze redenen sprake van een onrechtmatige daad door [appellant 1] .

Slotsom

De slotsom luidt dat [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 4] in de gelegenheid worden gesteld bewijs te leveren als hiervoor in 6.12 en 6.19 vermeld. Het hof zal iedere verdere beslissing aanhouden.

7. De beslissing

Het hof:

laat [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 4] toe tot het leveren van het bewijs (i) dat [naam 1] hun mondeling heeft toegezegd dat zij de overeenkomst met [appellant 1] kosteloos konden opzeggen en (ii) van feiten en omstandigheden die de conclusie rechtvaardigen dat zij redelijkerwijs mochten aannemen dat [appellant 1] een toereikende volmacht aan [naam 1] had verleend om die toezegging namens [appellant 1] te doen;

verwijst de zaak naar de rol van 9 juni 2026 voor het eventueel in het geding brengen van nadere bewijsstukken door [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 4] ;

bepaalt dat, als [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 4] getuigen willen laten horen, een getuigenverhoor zal plaatshebben voor mr. Y. Steeg-Tijms, daartoe tot raadsheer‑commissaris benoemd, in het Paleis van Justitie, IJdok 20 in Amsterdam op een nog te bepalen dag en uur;

bepaalt dat [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 4] in dat geval uiterlijk op 9 juni 2026 aan het (enquêtebureau van het) hof moeten laten weten op welke dagen partijen, hun advocaten en de getuigen in de periode beschikbaar zijn in de periode juni tot en met september 2026, en daarbij de namen van de getuigen moeten doorgeven;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. M.M.M. Tillema, Y. Steeg-Tijms en J.G. Sijmons en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 12 mei 2026.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand