GERECHTSHOF AMSTERDAM
afdeling civiel recht en belastingrecht
team I (handel)
zaaknummer : 200.348.712/01
zaak-/rolnummer rechtbank Amsterdam : C/13/730679/ HA ZA 23-209
arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 12 mei 2026
in de zaak van
[appellant] ,
gevestigd in [plaats 1] ,
appellante,
geïntimeerde in het voorwaardelijk incidenteel beroep,
advocaat: mr. M.J. Elkhuizen te Amsterdam,
tegen
[geïntimeerde] , nu genaamd [geïntimeerde],
gevestigd in ' [plaats 2] ,
geïntimeerde,
appellante in het voorwaardelijk incidenteel beroep,
advocaat: mr. D.L.A. van Voskuilen te Rotterdam.
Partijen worden hierna [appellant] en [geïntimeerde] genoemd.
1. De zaak in het kort
[geïntimeerde] en [appellant] hebben – samen met twee andere vennootschappen – via [bedrijf 2] geïnvesteerd in [bedrijf 5] . Vanaf 2009 heeft [geïntimeerde] geen extra investeringen meer gedaan; [appellant] en de twee andere vennootschappen wel. In 2021 is [bedrijf 5] verkocht voor een bedrag van € 9 miljoen. De netto opbrengst van [bedrijf 2] van de verkoop is uitgekeerd aan [appellant] en de twee andere vennootschappen; [geïntimeerde] heeft daarvan niets ontvangen. [geïntimeerde] stelt dat [appellant] ongerechtvaardigd is verrijkt ten koste van [geïntimeerde] . Volgens [appellant] is dat niet het geval omdat [geïntimeerde] destijds afstand heeft gedaan van haar aanspraken. De rechtbank heeft [geïntimeerde] gelijk gegeven en [appellant] veroordeeld een bedrag van € 300.000 aan [geïntimeerde] te betalen. Het hof oordeelt dat [appellant] ongerechtvaardigd is verrijkt ten koste van [geïntimeerde] , maar acht een hogere schadevergoeding dan € 50.000 niet redelijk.
2. Het geding in hoger beroep
[appellant] is bij dagvaarding van 8 oktober 2024 in hoger beroep gekomen van de vonnissen van 6 december 2023, 8 mei 2024 en 18 september 2024 van de rechtbank Amsterdam, onder bovenvermeld zaak-/rolnummer gewezen tussen [geïntimeerde] als eiseres en [appellant] als gedaagde (hierna: de bestreden vonnissen).
Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:
memorie van grieven, met producties;
memorie van antwoord, tevens memorie van grieven in voorwaardelijk incidenteel appel, met productie;
memorie van antwoord in voorwaardelijk incidenteel appel.
Op 21 januari 2026 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden. De advocaten hebben de zaak toegelicht aan de hand van spreekaantekeningen die zij hebben overgelegd. [appellant] heeft nog producties in het geding gebracht en [geïntimeerde] heeft een akte naamswijziging (met productie) genomen.
Ten slotte is arrest gevraagd.
3. De feiten
[geïntimeerde] is een investeringsmaatschappij. Haar bestuurder is [naam 1] . [naam 1] is ook bestuurder van [bedrijf 1] . (hierna: [bedrijf 1] ). Die vennootschap heeft in 2009 € 562.500 betaald aan [bedrijf 2] (hierna: [bedrijf 2] ).
[appellant] is een vennootschap waarvan [naam 2] bestuurder is.
[bedrijf 2] is in 2007 opgericht met als doel het "tegen toekenning van certificaten verwerven en administreren van aandelen in het kapitaal van [bedrijf 4] , dan wel het houden van aandelen in certificaten in het kapitaal van andere vennootschappen". [bedrijf 2] hield (uiteindelijk) 38,75% van de aandelen in [bedrijf 5] (hierna: [bedrijf 5] ).
Naast [naam 1] had [bedrijf 2] nog drie investeerders: [naam 3] , [naam 4] en [naam 2] , die elk via hun vennootschappen (respectievelijk [bedrijf 6] , [bedrijf 7] en [appellant] ) geld hebben ingelegd. Hun gezamenlijke investering bedroeg in 2009 € 562.500. [naam 1] , [naam 3] , [naam 5] en [naam 2] worden hierna ook wel aangeduid als de investeerders.
Aanvankelijk was [naam 3] de enige bestuurder van [bedrijf 2] . In 2013 zijn ook [naam 5] en [naam 2] bestuurders geworden van [bedrijf 2] .
Op 10 mei 2010 heeft een bijeenkomst plaatsgevonden van investeerders in [bedrijf 5] . Tijdens die bijeenkomst bleek dat [bedrijf 5] (nog steeds) zwaar verliesgevend was, het eigen vermogen miljoenen negatief was en er een groot acuut liquiditeitstekort was. Als de aandeelhouders niet dadelijk zouden bijstorten was de onderneming niet alleen de facto failliet, maar zou het faillissement moeten worden aangevraagd. De nieuwe directie van [bedrijf 5] heeft tijdens die bijeenkomst een plan gepresenteerd om [bedrijf 5] te redden. [naam 1] heeft toen laten blijken geen vertrouwen te hebben in een goede afloop en heeft de bijeenkomst vroegtijdig verlaten.
Op 1 juni 2010 heeft [geïntimeerde] een e-mail gestuurd naar de drie overige investeerders met daarin onder andere het volgende:
"De heer [naam 1] heeft afgelopen weekend de gebeurtenissen rond Capability nogmaals overdacht waarbij een nare bijsmaak is blijven hangen. Zonder hierop verder in te gaan, aangezien de heer [naam 1] hier zelf in een later stadium op terug zal komen, kan ik wel melden dat er geen voornemen bestaat om additionele gelden aan de Stichting ter beschikking te stellen. (…)
Nu de heer [naam 1] niet voornemens is om bij te storten zal de aandeelhoudersverhouding veranderen. In dit licht meld ik dat de (…) storting door [bedrijf 1] . is verricht en derhalve ook het aandelenbelang op naam van [bedrijf 1] . geadministreerd dient te worden. (…) Graag zou ik vernemen hoe de nieuwe aandeelhoudersverdeling er volgens u komt uit te zien nadat de andere participanten hebben bijgestort."
In een e-mail van 30 augustus 2010 heeft [naam 3] aan [naam 5] en [naam 2] het volgende geschreven:
"Nu zeker is dat [naam 6] niet meedoet verzoek ik jullie jullie aandeel in de [bedrijf 5] storting te voldoen (…)"
Op 18 april 2012 heeft [geïntimeerde] een e-mail gestuurd naar de andere drie investeerders waarin onder meer staat:
"Ter voorbereiding van de bespreking morgen om 10.00 uur (…) wil [naam 6] [naam 1] de onderstaande onderwerpen bespreken. (…)
Huidige economische stand van zaken [bedrijf 5]
De verwatering van de [bedrijf 5] certificaten"
In een brief van 19 november 2014 van [geïntimeerde] aan [bedrijf 2] staat onder andere het volgende:
" [geïntimeerde] is certificaathouder in de [bedrijf 2] en verzoekt uit dien hoofde om de jaarcijfers van 2011 tot en met 2013. Daarnaast is [geïntimeerde] aandeelhouder in [bedrijf 5] Ook de jaarrekeningen van [bedrijf 5] Holding (…) ontvangen wij graag."
Op 4 december 2015 heeft [geïntimeerde] in een e-mail aan de overige drie investeerders onder meer geschreven:
"Het lijkt ons het meest effectief om spoedig met elkaar af te spreken ter voorkoming van miscommunicatie bij een mogelijke exit/terugbetaling/verkoop. (…)
Verwatering
Nimmer is gesproken om een weging aan de stortingen te geven.
Gaarne ontvangen wij de goedgekeurde jaarrekening 2014 van [bedrijf 5] Holding BV."
Bij e-mail van 14 januari 2016 heeft [geïntimeerde] het volgende geschreven aan de andere drie investeerders:
"Wij ontvangen dan ook graag per ommegaande de goedgekeurde jaarrekening [bedrijf 5] Holding 2014.
Daarnaast ontvangen wij graag de uitnodiging voor de bespreking van de jaarrekening [bedrijf 5] Holding 2015 die vermoedelijk in februari 2016 zal gaan plaats vinden."
Op 19 juni 2018 heeft [naam 3] het volgende aan [geïntimeerde] geschreven (met cc aan [naam 1] , [naam 5] en [naam 2] ):
"Daarnaast heeft [geïntimeerde] op dezelfde wijze een bedrag van € 562.500 geïnvesteerd in een vordering op en aandelen in [bedrijf 5] en wij in totaal € 587.500."
Op 22 december 2021 is [bedrijf 5] verkocht voor € 9 miljoen. [naam 5] , [naam 3]
en [naam 2] hebben, via hun vennootschappen, elk een gelijk deel van de netto-opbrengst van [bedrijf 2] in [bedrijf 5] ontvangen. [geïntimeerde] heeft niets ontvangen.
[geïntimeerde] heeft met [naam 5] en [naam 3] een regeling getroffen over
deze kwestie. Afgesproken is dat [bedrijf 2] in totaal € 150.000 aan [geïntimeerde] betaalt. Van dit bedrag hebben [naam 5] en [naam 3] via hun vennootschappen elk € 50.000 aan [geïntimeerde] betaald. Een bedrag van € 50.000 staat nog open.
4. De procedure bij de rechtbank
[geïntimeerde] heeft bij de rechtbank gevorderd – samengevat – om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, [appellant] te veroordelen tot betaling van € 324.611,15 met rente en kosten. Aan die vordering heeft zij ten grondslag gelegd dat zij als één van de investeerders in [bedrijf 2] recht heeft op een deel van de opbrengst van de verkoop van [bedrijf 5] . De overige drie investeerders hebben deze opbrengst over hen drieën verdeeld, in plaats van ook een deel aan [geïntimeerde] toe te kennen. Daarmee is sprake van ongerechtvaardigde verrijking of een onrechtmatige daad door [appellant] .
De rechtbank heeft de vordering van [geïntimeerde] grotendeels toegewezen en heeft [appellant] veroordeeld om aan [geïntimeerde] een bedrag van € 300.000 te betalen, met wettelijke rente en proceskosten. De rechtbank heeft overwogen dat [bedrijf 1] de investering heeft gedaan in [bedrijf 5] en dat zij de vordering door cessie heeft overgedragen aan [geïntimeerde] . [geïntimeerde] is te beschouwen als certificaathouder in [bedrijf 2] en heeft haar belang in [bedrijf 5] niet prijsgegeven tijdens de vergadering van 10 mei 2010. Het bedrag dat [appellant] als schadevergoeding moet betalen aan [geïntimeerde] , heeft de rechtbank vastgesteld op € 300.000.
5. De vordering in hoger beroep
[appellant] vordert – kort gezegd – vernietiging van de bestreden vonnissen en alsnog afwijzing van de vorderingen van [geïntimeerde] , met – uitvoerbaar bij voorraad – terugbetaling van wat [appellant] op grond van de bestreden vonnissen heeft betaald (met rente) en met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van het geding in beide instanties met nakosten.
Volgens [geïntimeerde] moet het hof de vorderingen van [appellant] afwijzen en de bestreden vonnissen bekrachtigen, met – uitvoerbaar bij voorraad – veroordeling van [appellant] in de kosten van het geding in hoger beroep.
Daarnaast heeft [geïntimeerde] voorwaardelijk gevorderd dat het hof rov. 2.13 van het eindvonnis vernietigt. [appellant] heeft geconcludeerd dat het hof het voorwaardelijk incidenteel beroep van [geïntimeerde] verwerpt, met – uitvoerbaar bij voorraad – veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van het beroep, met nakosten.
6. De beoordeling
De formele grieven van [appellant] gaan niet op
[appellant] heeft in haar grieven bezwaar gemaakt tegen – kort gezegd – de procesgang bij de rechtbank. Zo heeft de rechtbank volgens [appellant] ten onrechte de grondslag van de vordering aangevuld, de dagvaarding niet nietig verklaard, de vordering van [geïntimeerde] niet afgewezen wegens strijd met artikel 21 Rv, zich niet lijdelijk opgesteld en een declaratoir oordeel gegeven over de rechtsverhouding tussen [geïntimeerde] en [bedrijf 2] .
Deze grieven slagen niet. De rechtbank heeft geen declaratoir oordeel gegeven over de rechtsverhouding tussen [geïntimeerde] en [bedrijf 2] . Verder voldeed de dagvaarding van [geïntimeerde] aan de vereisten die artikel 122 Rv daaraan stelt en was van nietigheid dus geen sprake. Voor het overige heeft [appellant] geen belang bij deze grieven omdat het hof de zaak volledig opnieuw heeft beoordeeld, waarbij een volwaardig debat heeft plaatsgevonden over de grondslag van de vordering van [geïntimeerde] en de daaraan ten grondslag gelegde feiten. Daarbij is van een schending van artikel 21 Rv niet gebleken. Zelfs als al zou kunnen worden gezegd dat [appellant] zich in eerste aanleg niet behoorlijk heeft kunnen verweren tegen de vordering van [geïntimeerde] , is dat in hoger beroep dus hersteld.
[geïntimeerde] heeft de investering gedaan
Het hof ziet aanleiding eerst het voorwaardelijk incidenteel beroep van [geïntimeerde] te bespreken. Dit beroep is ingesteld onder de voorwaarde dat het hof één of meer grieven van [appellant] gegrond bevindt. Zoals hierna zal blijken, is dat het geval en is aan deze voorwaarde dus voldaan.
Volgens [geïntimeerde] heeft de rechtbank ten onrechte geoordeeld dat niet zij, maar [bedrijf 1] de investering in [bedrijf 2] heeft gedaan. Dit betoog slaagt.
Het antwoord op de vraag wie partij is bij een rechtsverhouding is afhankelijk van wat partijen tegenover elkaar hebben verklaard en over en weer uit elkaars verklaringen en gedragingen hebben afgeleid en mochten afleiden. Tot de omstandigheden die in dit verband in aanmerking moeten worden genomen, behoren ook de voor de wederpartij kenbare hoedanigheid en de context waarin partijen optraden. Ook gedragingen, verklaringen en andere omstandigheden, die hebben plaatsgevonden nadat de rechtsverhouding tot stand is gekomen, kunnen van belang zijn (vgl. HR 29 oktober 2021, ECLI:NL:HR:2021:1615).
Uit het dossier blijkt dat zowel [geïntimeerde] als [bedrijf 2] er altijd vanuit is gegaan dat [geïntimeerde] de investering in [bedrijf 2] heeft gedaan. Uit de correspondentie in 2012, 2014 en 2015 maakt [geïntimeerde] steeds namens zichzelf aanspraak op de rechten die zijn verbonden aan haar investering. Dit sluit aan bij de jaarstukken en een verklaring van haar controller die [geïntimeerde] in het geding heeft gebracht. Uit die stukken blijkt dat de investering steeds in de financiële administratie en jaarstukken van [geïntimeerde] opgenomen is geweest. Niet gebleken is dat [bedrijf 2] zich op enig moment op het standpunt heeft gesteld dat niet [geïntimeerde] , maar een andere partij de investering heeft gedaan. Integendeel, in 2018 schrijft [naam 3] , die ten tijde van de investering enig bestuurder was van [bedrijf 2] , dat [geïntimeerde] heeft geïnvesteerd in de aandelen in [bedrijf 5] . Het was voor zowel [geïntimeerde] als [bedrijf 2] dus duidelijk dat [geïntimeerde] partij was bij hun rechtsverhouding. Daaraan doet niet af dat de betaling door [bedrijf 1] is gedaan en dat een medewerker van [geïntimeerde] in 2010 aan de overige drie investeerders heeft bericht dat deze betaling op naam van [bedrijf 1] moest worden geadministreerd.
[geïntimeerde] moet dus worden aangemerkt als de partij die de investering in [bedrijf 2] heeft gedaan. Dit brengt mee dat [appellant] geen belang heeft bij bespreking van haar grieven tegen het oordeel van de rechtbank over de cessie van een eventuele vordering van [bedrijf 1] op [appellant] aan [geïntimeerde] . Deze cessie heeft namelijk geen effect gehad. [bedrijf 1] had geen vordering op [appellant] uit hoofde van haar investering in [bedrijf 2] en kon deze dus ook niet overdragen aan [geïntimeerde] .
[appellant] heeft haar grieven geformuleerd met als uitgangspunt dat deze zaak draait om een vordering van [bedrijf 1] op [appellant] . Zoals hiervoor gebleken, is dat uitgangspunt onjuist. Het hof zal de grieven van [appellant] daarom uitleggen in het licht van het oordeel van het hof dat het hier gaat om een vordering van [geïntimeerde] op [appellant] .
[geïntimeerde] heeft een belang in [bedrijf 2] en dus recht op een deel van de verkoopopbrengst
[appellant] heeft een grief gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat [geïntimeerde] beschouwd moet worden als certificaathouder. Verder meent [appellant] dat de rechtbank ten onrechte heeft gesproken over "de vraag of [geïntimeerde] of [bedrijf 1] certificaathouder is van aandelen in [bedrijf 5] ".
Deze grieven falen bij gebrek aan belang. Het kan in het midden blijven hoe de rechtsverhouding tussen [geïntimeerde] en [bedrijf 2] moet worden gekwalificeerd. Vaststaat dat [geïntimeerde] – net als de andere investeerders – via [bedrijf 2] heeft geïnvesteerd in [bedrijf 5] . Het was aanvankelijk de bedoeling dat [bedrijf 2] in ruil daarvoor certificaten zou uitgeven aan de investeerders, maar daarvan is het niet gekomen. Partijen zijn het er echter over eens dat die investering [geïntimeerde] – net als de andere investeerders – in beginsel een belang geeft in [bedrijf 2] , waaronder het recht op een deel van de opbrengst van [bedrijf 2] van de verkoop van [bedrijf 5] . [geïntimeerde] is dus in beginsel rechthebbende op een deel van deze opbrengst. Tegen deze achtergrond is niet van belang of [geïntimeerde] al dan niet kan worden beschouwd als certificaathouder.
[geïntimeerde] heeft geen afstand gedaan van haar belang in [bedrijf 2]
Volgens [appellant] heeft de rechtbank ten onrechte geoordeeld dat geen sprake is geweest van afstand van recht door [geïntimeerde] . [appellant] heeft het – net als alle andere betrokkenen – destijds zo begrepen dat [naam 1] namens [geïntimeerde] tijdens de vergadering van medio 2010 afstand heeft gedaan van zijn belang in [bedrijf 2] . Het was niet aan haar om daarvan nog een bevestiging te vragen, aldus [appellant] . Dit betoog faalt vanwege het volgende.
Voor afstand is een overeenkomst vereist (artikel 6:160 BW). Daarvoor is nodig dat wilsovereenstemming bestaat tussen de schuldeiser en de schuldenaar. In geval van afstand om niet – dus zonder dat daar een tegenprestatie tegenover staat – wordt deze wilsovereenstemming snel aangenomen, namelijk wanneer de schuldenaar van het aanbod van de schuldeiser kennis heeft genomen en het niet onverwijld heeft afgewezen (artikel 6:160 lid 2 BW). Of sprake is van een dergelijk aanbod moet worden bepaald aan de hand van de wilsvertrouwensleer. Daarbij komt het aan op de zin die de schuldenaar onder de gegeven omstandigheden redelijkerwijze mocht toekennen aan de verklaring van de schuldeiser. De bewoordingen van het aanbod zijn dus niet doorslaggevend. Daarbij mag niet te snel worden aangenomen dat de schuldeiser afstand van zijn recht wil doen, vooral niet als daar geen voordeel tegenover staat.
Het is onvoldoende gebleken dat [naam 1] namens [geïntimeerde] heeft bedoeld afstand te doen van het belang in [bedrijf 2] en evenmin dat [naam 3] – die destijds enig bestuurder was van [bedrijf 2] – dat namens [bedrijf 2] als zodanig heeft begrepen. Tussen partijen is niet in geschil dat [naam 1] tijdens de vergadering op 10 mei 2010 zijn ongenoegen heeft geuit over de gang van zaken rondom [bedrijf 5] , dat hij geen vertrouwen had in het toenmalige bestuur van [bedrijf 5] en het plan dat zij tijdens die vergadering presenteerde, en dat hij de vergadering daarop vroegtijdig heeft verlaten. Volgens [appellant] heeft [naam 1] daarbij gezegd dat "hij zijn belang hierbij opgaf". [geïntimeerde] heeft dat betwist; volgens haar heeft [naam 1] dat niet gezegd, maar vond [naam 1] dat het eerst aan de andere investeerders was om geld te storten. Wat [naam 1] destijds precies heeft gezegd, kan in het midden blijven. Een enkele uiting in een vlaag van boosheid is namelijk niet voldoende om aan te nemen dat [naam 1] namens [geïntimeerde] daadwerkelijk om niet afstand heeft willen doen van het belang in [bedrijf 2] en dat [naam 3] dat redelijkerwijze zo heeft mogen begrijpen. Dat [naam 1] niet een dergelijk aanbod heeft willen doen, wordt onderstreept door de e-mail van [geïntimeerde] van 1 juni 2010, dus een paar weken later. Daarin schrijft [geïntimeerde] dat zij geen additionele gelden ter beschikking stelt aan [bedrijf 2] , maar dat zij graag van de andere investeerders verneemt hoe de nieuwe aandeelhoudersverdeling eruit komt te zien nadat de andere investeerders hebben bijgestort. Hieruit blijkt dat [geïntimeerde] zichzelf nog steeds zag als investeerder ("aandeelhouder") in [bedrijf 2] . Daarnaast is van belang dat [naam 3] na de vergadering van 10 mei 2010 heeft geprobeerd [naam 1] over te halen alsnog te investeren in [bedrijf 2] , waarbij zelfs nog het concept is gewisseld van een akte waarin [bedrijf 2] certificaten van aandelen zou uitgeven aan (onder andere) [geïntimeerde] . Hieruit volgt dat ook [naam 3] [naam 1] nog steeds zag als investeerder in [bedrijf 2] , ondanks de uitlatingen van [naam 1] tijdens die vergadering. Die uitlatingen heeft hij dus niet opgevat als een aanbod tot het doen van afstand van het belang in [bedrijf 2] . Dit sluit aan bij de schriftelijke verklaring van [naam 3] , waarin – kort gezegd – staat dat [naam 1] tijdens de vergadering niet heeft gezegd dat hij zijn belang opgaf, maar dat hij iets heeft gezegd in de trant van "ik heb er geen vertrouwen meer in" en dat [naam 3] later duidelijk werd dat [naam 1] daarmee bedoelde dat eerst de andere investeerders moesten bijstorten. Het bericht dat [naam 3] in augustus 2010 heeft gestuurd ("Nu zeker is dat [naam 6] niet meedoet (…)"), moet ook in dat licht worden begrepen. In ieder geval volgt uit dit bericht niet zonder meer dat [naam 3] had begrepen dat [naam 1] afstand wilde doen van het belang in [bedrijf 2] . Dat [naam 3] in latere correspondentie een ander standpunt heeft ingenomen, maakt dit niet anders. Wat [appellant] al dan niet uit dit bericht heeft afgeleid over het belang van [geïntimeerde] , is niet relevant. Zij is namelijk geen partij bij de vermeende overeenkomst van afstand tussen [geïntimeerde] en [bedrijf 2] .
De conclusie luidt dan ook dat geen overeenkomst tot stand is gekomen waarbij ( [naam 1] namens) [geïntimeerde] afstand heeft gedaan van haar belang in [bedrijf 2] .
[appellant] is ongerechtvaardigd verrijkt ten koste van [geïntimeerde]
[appellant] heeft aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat [appellant] ongerechtvaardigd is verrijkt ten opzicht van [geïntimeerde] . Volgens haar is niet of nauwelijks sprake van verarming aan de zijde van [geïntimeerde] en is [appellant] niet verrijkt. Daarnaast is een eventuele verrijking gerechtvaardigd, omdat de vordering van [geïntimeerde] is verjaard, aldus [appellant] .
Het betoog van [appellant] gaat niet op. [appellant] is ongerechtvaardigd verrijkt ten koste van [geïntimeerde] . Het hof legt hierna uit waarom.
Op grond van artikel 6:212 BW is iemand die ongerechtvaardigd is verrijkt ten koste van een ander, verplicht, voor zover dit redelijk is, diens schade te vergoeden tot het bedrag van zijn verrijking. De verplichting tot schadevergoeding ontstaat zodra het vermogen van de één ten koste van dat van de ander is verrijkt. De omvang van de verbintenis zal als regel ook naar dit moment worden berekend.
[geïntimeerde] had een belang in [bedrijf 2] , wat meebracht dat zij recht had op een deel van de opbrengst van de verkoop van [bedrijf 5] . Zij heeft echter niets van die opbrengst ontvangen. Het deel van de opbrengst dat eigenlijk aan [geïntimeerde] ten goede zou komen, is (gedeeltelijk) aan [appellant] uitgekeerd. [appellant] is dus verrijkt ten koste van [geïntimeerde] . Het moment waarnaar de omvang van de verbintenis tot schadevergoeding moet worden berekend, is het moment waarop aan [appellant] het deel van de opbrengst van [bedrijf 2] van de verkoop van [bedrijf 5] is betaald. Op dat moment vond namelijk zowel de verrijking van [appellant] als de verarming van [geïntimeerde] plaats.
Het hof verwerpt de stelling van [appellant] dat geen sprake is van verrijking van [appellant] en verarming van [geïntimeerde] omdat [geïntimeerde] in 2010 afstand heeft gedaan van haar belang in [bedrijf 2] . Zoals hiervoor is overwogen, heeft [geïntimeerde] destijds geen afstand gedaan van dat belang. Daarnaast verwerpt het hof de stelling van [appellant] dat [geïntimeerde] vanwege haar schikking met [bedrijf 2] niet de investeerders achter [bedrijf 2] voor hetzelfde kan aanspreken. Een dergelijke schikking staat niet in de weg aan een vordering uit ongerechtvaardigde verrijking jegens een investeerder van [bedrijf 2] .
Verder heeft [appellant] aangevoerd dat een eventuele verrijking gerechtvaardigd is omdat de vordering van [geïntimeerde] op [bedrijf 2] is verjaard. [geïntimeerde] kon daarom ten tijde van de verkoop van [bedrijf 5] jegens [bedrijf 2] geen aanspraak maken op de opbrengst daarvan en is dus ook niet verarmd doordat [appellant] niet een deel van de opbrengst aan [geïntimeerde] heeft afgedragen, aldus [appellant] . Dit verweer gaat niet op. Uit niets blijkt dat [bedrijf 2] jegens [geïntimeerde] een beroep heeft gedaan op verjaring van de aanspraken van [geïntimeerde] op [bedrijf 2] . In de correspondentie tussen de investeerders en [geïntimeerde] – en waarin [geïntimeerde] aanspraak maakt op haar rechten als investeerder – wordt verjaring nergens genoemd. [appellant] heeft dan ook onvoldoende onderbouwd gesteld dat een aanspraak van [geïntimeerde] op [bedrijf 2] is verjaard.
Vervolgens is de vraag hoe groot de schade is die [geïntimeerde] heeft geleden als gevolg van de ongerechtvaardigde verrijking van [appellant] . [bedrijf 2] hield op het moment van de verkoop van [bedrijf 5] 38,75% van de aandelen in [bedrijf 5] . Van de verkoopopbrengst van € 9 miljoen kwam dus (€ 9 miljoen x 38,75% =) € 3.487.500 toe aan [bedrijf 2] . Dit was dan ook het bedrag dat moest worden verdeeld tussen de investeerders en waarvan een derde deel is betaald aan [appellant] . Tussen partijen is niet in geschil dat [geïntimeerde] na 2010 niet meer heeft geïnvesteerd in [bedrijf 2] , en de andere investeerders wel. Uit de gevoerde correspondentie volgt dat partijen het er ook over eens zijn dat het belang van [geïntimeerde] als gevolg daarvan is verwaterd. Partijen zijn het echter niet eens over de omvang van de verwatering en het percentage van de investering van [geïntimeerde] ten opzichte van de investeringen van de drie overige investeerders. In de correspondentie die in de loop van de jaren tussen de investeerders is gevoerd, worden in dat verband percentages genoemd die variëren tussen minimaal 13,175% nadat een bedrag van € 910.625 aan stortingen uit de verkoopopbrengst zou zijn terugbetaald en maximaal 27,63%. Uitgaande van deze percentages bedraagt de schade van [geïntimeerde] ten minste (((€ 3.487.500 – € 910.625) x 13,175%) / 3 =) € 113.167,76 en ten hoogste ((€ 3.487.500 x 27,63%) / 3 =) € 321.198,75. Hoe groot de schade exact is, kan echter in het midden blijven in verband met het volgende.
Uit artikel 6:212 BW volgt dat in het geval van ongerechtvaardigde verrijking uitsluitend een verplichting tot schadevergoeding bestaat, voor zover dat redelijk is.
[appellant] heeft zich op het standpunt gesteld dat het niet redelijk zou zijn als [geïntimeerde] een deel van de verkoopopbrengst ontvangt, omdat [geïntimeerde] een free rider is. Het hof volgt [appellant] hierin niet. [geïntimeerde] heeft, net als de overige drie investeerders, gelden geïnvesteerd in [bedrijf 2] . Dat [geïntimeerde] dat na 2010 niet meer heeft gedaan en de overige investeerders wel, doet daaraan niet af. Evenmin doet daaraan af dat de overige investeerders inspanningen hebben verricht voor [bedrijf 2] en [geïntimeerde] niet. Van een free ride is geen sprake: [geïntimeerde] heeft tot en met 2009 gelden geïnvesteerd en daarvoor jarenlang geen vergoeding ontvangen.
[appellant] heeft verder aangevoerd dat het niet redelijk zou zijn als zij aan [geïntimeerde] meer moet betalen dan de andere twee investeerders aan [geïntimeerde] hebben betaald. [geïntimeerde] heeft met hen geschikt voor een totaalbedrag van € 150.000 en een bedrag van € 50.000 per investeerder, en blijkbaar vond ook [geïntimeerde] dat een redelijk bedrag als vergoeding voor haar belang in [bedrijf 2] . Het hof volgt [appellant] in haar stelling. Gelet op het feit dat [geïntimeerde] met [bedrijf 2] een schikking heeft getroffen met de hiervoor genoemde bedragen, acht het hof het niet redelijk als [appellant] meer dan de andere investeerders – en dus meer dan € 50.000 – aan [geïntimeerde] zou moeten voldoen. De positie van [appellant] verschilt namelijk niet van die van de andere investeerders. Dit betekent dat op [appellant] een schadevergoedingsverplichting rust van € 50.000 als gevolg van ongerechtvaardigde verrijking. Dit brengt mee dat het bestreden eindvonnis niet in stand kan blijven.
Slotsom, bewijsaanbod en proceskosten
Het hoger beroep van [appellant] slaagt. Aan bewijslevering wordt niet toegekomen, zoals volgt uit de overwegingen in dit arrest. Bij een afzonderlijke (verdere) bespreking van de grieven bestaat geen belang.
[appellant] is in eerste aanleg en in hoger beroep overwegend in het ongelijk gesteld. Zij is in eerste aanleg dus terecht in de proceskosten van [geïntimeerde] veroordeeld. Het hof zal die veroordeling daarom in stand laten. De proceskosten in hoger beroep stelt het hof als volgt vast:
- griffierecht € 6.561
- salaris advocaat € 9.414tarief VI, 2 punten)
Totaal € 15.975
Het hof zal het bestreden eindvonnis vernietigen voor zover [appellant] daarin is veroordeeld tot betaling aan [geïntimeerde] van € 300.000. Het hof zal [appellant] veroordelen tot betaling van € 50.000 aan [geïntimeerde] . Ook zal het hof [geïntimeerde] veroordelen om aan [appellant] te betalen wat [appellant] op grond van de bestreden vonnissen onverschuldigd aan [geïntimeerde] heeft betaald, met de wettelijke rente daarover vanaf 4 oktober 2024 (de datum van betaling).
Het voorwaardelijk incidenteel beroep van [geïntimeerde] slaagt, maar leidt niet tot een ander dictum. Het hof zal de bestreden vonnissen daarom bekrachtigen. Voor een veroordeling in de kosten van het voorwaardelijk incidenteel beroep ziet het hof geen aanleiding vanwege de geringe werkzaamheden die daarmee waren gemoeid.
7. De beslissing
Het hof:
vernietigt het bestreden eindvonnis voor zover [appellant] daarin is veroordeeld om aan [geïntimeerde] een bedrag van € 300.000 te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 28 februari 2023 tot de dag van volledige betaling;
veroordeelt [appellant] om aan [geïntimeerde] een bedrag van € 50.000 te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 28 februari 2023 tot de dag van volledige betaling;
bekrachtigt de bestreden vonnissen voor het overige;
veroordeelt [geïntimeerde] tot terugbetaling van hetgeen [appellant] op grond van het bestreden eindvonnis onverschuldigd aan [geïntimeerde] heeft betaald, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf 4 oktober 2024 tot aan de dag van volledige betaling;
veroordeelt [appellant] in de proceskosten in hoger beroep, tot nu vastgesteld op € 15.975;
verklaart de veroordelingen onder 7.2, 7.4 en 7.5 uitvoerbaar bij voorraad;
wijst af wat meer of anders is gevorderd.
Dit arrest is gewezen door mrs. Y. Steeg-Tijms, R.E. Weening en T.M. Snoep en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 12 mei 2026.