ECLI:NL:GHAMS:2026:1411

ECLI:NL:GHAMS:2026:1411

Instantie Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak 26-05-2026
Datum publicatie 26-05-2026
Zaaknummer 200.303.569/01
Rechtsgebied Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure Hoger beroep
Zittingsplaats Amsterdam

Samenvatting

gezag, zorgregeling, vakantie- en feestdagenregeling en dwangsom. Artikel: 1:253c lid 1 BW, 1:253a BW

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht

Team III (familie- en jeugdrecht)

Zaaknummer: 200.303.569/01

Zaaknummer rechtbank: C/13/701220 / FA RK 21-2734 (PBM/MH)

Beschikking van de meervoudige kamer van 26 mei 2026 in de zaak van

[de vader] ,

wonende te [plaats A] , gemeente [gemeente] ,

verzoeker in principaal hoger beroep,

verweerder in incidenteel hoger beroep,

hierna te noemen: de vader,

advocaat: mr. H.L.D. van Holland te Bilthoven,

en

[de moeder] ,

wonende te [plaats B] ,

verweerster in principaal hoger beroep,

verzoekster in incidenteel hoger beroep,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat: mr. A. Bouwmeester te Amsterdam.

Als belanghebbende is verder aangemerkt:

- de minderjarige [minderjarige] , geboren [in] 2017, hierna te noemen: [minderjarige] .

In zijn adviserende taak is in de procedure gekend:

de Raad voor de Kinderbescherming,

gevestigd te Den Haag, locatie [plaats B] ,

hierna te noemen: de raad.

1. Het verdere verloop van de procedure in hoger beroep

Het hof heeft in deze zaak op 14 juni 2022 en 19 maart 2024 beschikkingen gegeven. Voor het procesverloop tot 19 maart 2024 wordt naar die beschikkingen verwezen.

In de beschikking van 19 maart 2024 heeft het hof in principaal en incidenteel hoger beroep de ouders verzocht het hof uiterlijk 2 april 2024 te berichten of zij het hof toestemming verlenen de zaak door te verwijzen naar het Uniform Hulpaanbod. In het bevestigende geval zijn de ouders (aanvullend) verzocht:

- te berichten of zij toestemming verlenen voor kennisgeving van de verwijzing aan het lokale team van de gemeente [plaats B] (waar [minderjarige] ingeschreven staat) en aan de hulpverlenende instantie die het hulptraject daadwerkelijk gaat uitvoeren;

- te berichten of zij akkoord gaan met terugkoppeling van het resultaat van het hulpverleningstraject aan de raad en het hof;

- hun telefoonnummer en e-mailadres toe te zenden.

De behandeling van de zaak met betrekking tot het gezag, de zorg-/omgangsregeling en de verdeling van de feest- en vakantiedagen is pro forma aangehouden tot zondag 7 april 2024.

De ouders hebben bij berichten van respectievelijk 29 maart 2024 (de vader) en 5 april 2024 (de moeder) ingestemd met en toestemming gegeven voor deelname aan het traject Ouderschap Blijft bij Altra, of op indicatie van Altra, andere passende hulpverlening. Het hof heeft hen daarnaar verwezen en iedere verdere beslissing aangehouden.

Bij het hof zijn daarna, voor zover relevant, de volgende stukken binnengekomen:

- een bericht van de zijde van de vader van 6 november 2024 met bijlagen,

- een bericht van Timon van 10 november 2025 met bijlage, inhoudende het tussentijds verslag Ouderschap na Scheiding van 10 november 2025,

- een bericht van de zijde van de vader van 5 maart 2026 met bijlagen, en

- een bericht van de zijde van de moeder van 30 maart 2026 met bijlage.

De voortzetting van de mondelinge behandeling heeft op 9 april 2026 plaatsgevonden. Daarbij waren aanwezig:

- de vader, bijgestaan door zijn advocaat;

- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;

- de raad, vertegenwoordigd door A. Touber.

Ter zitting in hoger beroep heeft de advocaat van de moeder de eindrapportage van Timon van 9 april 2026 en een pleitnotitie overgelegd.

2. De verdere beoordeling van het hoger beroep

Het hof dient nog te beslissen op de verzoeken van de vader omtrent het gezag, de omgangs-/zorgregeling, de feestdagen- en vakantieregeling en de dwangsom.

Bij akte van 5 maart 2026 heeft de vader zijn verzoeken in die zin gewijzigd dat hij verzoekt om:

- hem (mede) te belasten met het ouderlijk gezag over [minderjarige] ;

- een omgangsregeling of een zorg- en contactregeling vast te stellen, waarbij [minderjarige] een weekend om de week bij hem zal zijn, in de even weken van vrijdagmiddag uit school tot maandag naar school, waarbij de vader [minderjarige] ophaalt uit school en hij haar op maandagochtend naar school brengt, en in de oneven weken op woensdag uit school tot donderdagochtend naar school en in het geval dat door vakantie of ziekte [minderjarige] bij de moeder is, de moeder [minderjarige] naar de vader brengt;

- een vakantie- en feestdagenregeling vast te stellen waarbij:

[minderjarige] in de herfstvakantie in de oneven jaren bij de vader verblijft, vanaf de laatste schooldag uit school tot en met de laatste vakantiedag, waarbij de vader [minderjarige] om 13.00 uur bij de moeder thuis zal brengen;

[minderjarige] in de even jaren, startend in 2026, de eerste week van de kerstvakantie bij de vader doorbrengt zodat zij samen de kerstdagen kunnen vieren, startend vanaf de laatste schooldag uit school en [minderjarige] zeven nachten bij de vader zal zijn;

[minderjarige] in de oneven jaren, startend in 2027, de tweede week van de kerstvakantie bij de vader doorbrengt, zodat zij samen de jaarwisseling kunnen vieren, waarbij hij [minderjarige] op de laatste vakantiedag om 13.00 uur bij de moeder thuis brengt;

[minderjarige] de voorjaarsvakantie (krokus) (1 week) in de even jaren startend in 2028, bij de vader doorbrengt vanaf de laatste schooldag uit school tot en met de laatste vakantiedag, waarbij de vader [minderjarige] om 13.00 uur bij de moeder thuis zal brengen;

[minderjarige] de meivakantie (1 week) in de oneven jaren, startend in 2027, bij de vader doorbrengt vanaf de laatste schooldag uit school tot en met de laatste vakantiedag, waarbij de vader [minderjarige] om 13.00 uur bij de moeder thuis zal brengen;

de zomervakantie bij helfte wordt verdeeld, en [minderjarige] in de even jaren startend in 2026 de eerste drie weken bij de vader verblijft;

- ten aanzien van alle regelingen te bepalen dat de moeder een dwangsom van € 100,- verbeurt per keer dat zij de regeling overtreedt, met een maximum van € 15.000,-;

- of een regeling in goede justitie te bepalen.

De moeder heeft in haar ter zitting op 9 april 2026 overgelegde pleitnota verzocht alle (aanvullende) verzoeken van de vader af te wijzen. In incidenteel hoger beroep verzocht de moeder te bepalen dat de huidige omgangsregeling tijdelijk wordt ontzegd totdat er uitsluitsel is gegeven door GGZ Bright ten aanzien van de oorzaak van het zorgelijke gedrag van [minderjarige] , dan wel een omgangsregeling vast te stellen waarbij [minderjarige] uitsluitend op de woensdagen van 13.30 uur tot 18.00 uur bij de vader verblijft, waarbij de moeder [minderjarige] naar de vader brengt en de vader [minderjarige] weer terugbrengt naar de moeder, althans een zodanige regeling vast te stellen als door het hof in goede justitie te bepalen. Uit de door de moeder tijdens de zitting in hoger beroep ingenomen standpunten blijkt dat de moeder haar verzoek in incidenteel hoger beroep niet langer handhaaft.

Het hof zal allereerst ingaan op het advies van de raad ter zitting in hoger beroep om de zaak voor een periode aan te houden. De raad heeft geadviseerd in een tussenbeslissing een opbouwregeling vast te stellen, waarbij gestart wordt met een overnachting. Op een later moment kan dan tijdens een nieuwe zitting geëvalueerd worden hoe de uitbreiding verlopen is, aldus de raad. Het hof volgt dit advies niet en zal de zaak niet aanhouden, omdat de ouders en [minderjarige] (mede gelet op het feit dat deze procedure al een aantal jaar loopt) belang hebben bij duidelijkheid.

Gezag

Het wettelijk kader

Uit artikel 1:253c, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) volgt dat de tot het gezag bevoegde ouder van het kind, die nimmer het gezag gezamenlijk met de moeder uit wie het kind is geboren heeft uitgeoefend, de rechtbank kan verzoeken de ouders met het gezamenlijk gezag over het kind te belasten.

Het tweede lid van dit artikel bepaalt dat indien het verzoek ertoe strekt de ouders met het gezamenlijk gezag te belasten en de andere ouder met gezamenlijk gezag niet instemt, het verzoek slechts wordt afgewezen indien:

a. er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen of

b. afwijzing anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.

De nadere standpunten van partijen

De vader stelt dat er weinig grond is in het dossier om zijn verzoek om hem mede met het gezag te belasten, af te wijzen. De raad heeft tijdens de eerste zitting bij dit hof geadviseerd om de ouders gezamenlijk met het ouderlijk gezag over [minderjarige] te belasten. Bovendien zijn er volgens de raad geen contra-indicaties voor gezamenlijk gezag. Hoewel de communicatie tussen de ouders niet perfect is, is er wel overleg tussen hen mogelijk en hebben zij via WhatsApp contact met elkaar.

De moeder stelt dat de minimale basis voor gezamenlijk gezag nog steeds ontbreekt. Gebleken is dat de ouders niet constructief met elkaar communiceren, wat wel noodzakelijk is voor gezamenlijk gezag. Het lukt hen niet om met elkaar te overleggen over de opvoeding van [minderjarige] . De angst van de moeder voor de vader, zijn onvoorspelbare gedrag, mogelijke verslavingsproblematiek en behoefte om zich negatief uit te laten over haar bemoeilijkt de communicatie en samenwerking. Dat de vader weigert om de mondeling gemaakte afspraken vast te leggen in een ouderschapsplan ziet de moeder als tegenwerking. Bovendien is de vader in zijn communicatie met haar onveranderd dwingend en controlerend. Waar de vader nu steeds dreigt met nieuwe juridische procedures, zal hij het gezag in de toekomst misbruiken om de moeder onder druk te zetten. Daarom is het van belang dat de moeder het eenhoofdig gezag behoudt, aldus de moeder.

Het advies van de raad

De raad heeft ter zitting in hoger beroep verklaard dat uit het raadsrapport is gebleken dat er geen contra-indicaties zijn voor het uitoefenen van gezamenlijk gezag. Het zou fijn zijn voor de ouders als er verder gewerkt wordt aan de communicatie tussen hen. Uiteindelijk is ook [minderjarige] daarbij gebaat.

De verdere beoordeling

Het hof overweegt als volgt. Het uitgangspunt van de wetgever is dat ouders het gezag gezamenlijk uitoefenen. Volgens vaste jurisprudentie brengt het ontbreken van een goede communicatie tussen de ouders niet zonder meer mee dat in het belang van het kind het gezag aan één van de ouders moet worden toegekend. Wel is voor gezamenlijk gezag vereist dat de ouders daadwerkelijk in staat zijn tot een behoorlijke gezamenlijke gezagsuitoefening en dat zij beslissingen van enig belang over hun kinderen in gezamenlijk overleg kunnen nemen, althans ten minste in staat zijn afspraken te maken over situaties die zich rond hun kinderen kunnen voordoen zodat de kinderen niet klem of verloren raken tussen de ouders.

In 2022 heeft het hof de raad verzocht onderzoek te doen naar onder andere de vragen of wijziging van het gezag, aldus dat de vader mede wordt belast met het gezag, in strijd is met het belang van [minderjarige] en of er contra-indicaties zijn voor het uitoefenen van gezamenlijk gezag. Uit het raadsrapport van 19 september 2023 blijkt dat de raad destijds geen reden zag om het verzoek van de vader om hem mede met het gezag te belasten, af te wijzen. Daartoe overwoog de raad dat het weliswaar zo was dat de ouders beter moeten leren communiceren om de omgang tussen [minderjarige] en de vader beter te laten verlopen en om beiden het contact van [minderjarige] met de andere ouder te kunnen dragen, maar dat dat op dat moment geen reden was om aan te nemen dat de vader belangrijke beslissingen tegenwerkt waardoor [minderjarige] klem en verloren zou raken. Bovendien was overleg tussen de ouders mogelijk. Ook waren er destijds naar mening van de raad (overigens) geen contra-indicaties voor gezamenlijk gezag.

Ter zitting in hoger beroep heeft de raad te kennen gegeven nog steeds achter het advies in het raadsrapport van 19 september 2023 te staan. Het hof is met de raad van oordeel dat er geen contra-indicaties zijn voor gezamenlijk gezag. Niet is gebleken dat de vader het gezag niet zou kunnen dragen of ongeschikt is om het gezag uit te oefenen. Naar het oordeel van het is hof niet vast komen te staan dat de houding van de vader in de weg zou staan aan gezamenlijk gezag. Uit het eindverslag van 9 april 2026 van Timon is gebleken dat de ouders zich in het traject Ouderschap Na Scheiding (hierna: ONS) beiden coöperatief hebben opgesteld en bereid waren tot samenwerking. De moeder heeft toegelicht dat haar gebrek aan vertrouwen in de vader als mede-gezagsdrager onder andere te maken heeft met het niet-ondertekenen van het concept-ouderschapsplan door de vader. Die teleurstelling is begrijpelijk. Aan de andere kant maakt het hof uit de door de vader gegeven toelichting en het eindverslag van Timon op dat teleurstelling en frustratie over het telkens uitstellen van het moment dat daadwerkelijk begonnen zou worden met een overnachting van [minderjarige] bij de vader daarbij een grote rol hebben gespeeld. Partijen hebben ter zitting een concrete afspraak gemaakt over een eerste overnachting, en de evaluatie daarvan. Daarmee hebben zij een belangrijke horde genomen. De moeder heeft verder erop gewezen dat haar angst voor vader, zijn onvoorspelbare gedrag en mogelijke verslavingsproblematiek, de communicatie en samenwerking bemoeilijkt. Concrete en objectieve aanwijzingen daarvoor zijn echter in de procedure in hoger beroep, die inmiddels bijna viereneenhalf jaar heeft geduurd, niet gebleken. Datzelfde geldt voor de door de moeder geuite vrees dat de vader zijn gezag zal misbruiken om de moeder onder druk te zetten. Het hof wijst anderzijds de vader erop dat zijn verantwoordelijkheid als mede-gezagdragende ouder zal meebrengen dat hij zijn aandeel neemt in de begeleiding van [minderjarige] bij, onder andere, sport, hulpverlening en medische afspraken.

De conclusie is dat niet aannemelijk is geworden dat bij het gezamenlijk uitoefenen van het gezag over [minderjarige] een onaanvaardbaar risico zou bestaan dat zij klem of verloren zou raken tussen de ouders of dat afwijzing van het verzoek van de vader anderszins in haar belang noodzakelijk zou zijn. Het hof zal het verzoek van de vader om gezamenlijk met de moeder te worden belast met het gezag over [minderjarige] dan ook toewijzen.

Dit neemt niet weg dat de ouders, overeenkomstig het advies van de raad, in het belang van [minderjarige] dienen te werken aan de verbetering van hun onderlinge communicatie en verstandhouding. Waar de communicatie stroef verloopt, mag van de ouders worden verwacht dat zij zich beiden zullen blijven inzetten om dit contact te verbeteren.

Reguliere zorgregeling

Het wettelijk kader

De ouders hebben samen het gezag. Uit artikel 1:253a van het Burgerlijk Wetboek (BW) volgt dat de rechter op verzoek van de ouders of een van hen een regeling kan vaststellen inzake de uitoefening van het ouderlijk gezag. Deze regeling kan omvatten – voor zover in deze zaak van belang – een toedeling aan ieder der ouders van de zorg- en opvoedingstaken.

De nadere standpunten van partijen

De vader stelt dat de moeder al bijna vijf jaar de omgang tussen [minderjarige] en hem traineert, terwijl [minderjarige] en hij het fijn hebben met elkaar als zij samen zijn en een band opbouwen. De helft van de tijd kwam de moeder niet opdagen met [minderjarige] of belde zij af. De moeder is de regeling nog geen drie onafgebroken maanden nagekomen. Ondanks de inzet van hulpverlening, waaraan de vader altijd meewerkte, heeft dit niet tot een verbetering in de nakoming door moeder geleid. De vader wil een grotere rol spelen in het leven van [minderjarige] . De ouders zijn er onderling ook niet in geslaagd om de omgang stapsgewijs uit te breiden. Uit het gedrag van de moeder blijkt dat zij dat ook niet wil. Er is sprake van ouderverstoting. De raad heeft het standpunt ingenomen dat er geen contra-indicaties zijn voor omgang tussen [minderjarige] en de vader. Er is geen reden om aan te nemen dat de (vastgestelde) omgangsregeling niet in het belang van [minderjarige] is, aldus de vader. De vader wil een opbouwregeling met [minderjarige] , zodat zij samen aan hun band kunnen werken.

De moeder voert aan dat het onderlinge vertrouwen tussen de ouders is beschadigd. Ondanks de ingezette hulpverlening voor [minderjarige] is nog steeds niet duidelijk wat haar rijgedrag veroorzaakt. De juf van [minderjarige] maakt zich daar ook zorgen over en heeft daarnaast aangegeven dat [minderjarige] zich regelmatig niet lekker voelt of verdrietig is op de dagen nadat zij bij de vader is geweest. De moeder maakt zich nog steeds zorgen over [minderjarige] en een mogelijke uitbreiding van de omgangsregeling met een overnachting. De ouders hadden de eerste stappen gezet naar een mogelijke uitbreiding, met waarborgen omkleed. Het kwam bij de moeder hard aan dat de vader daarna heeft geweigerd om het ouderschapsplan te ondertekenen. Gelet op de verstoorde verhouding tussen de ouders en de concrete zorgen over [minderjarige] moet geconcludeerd worden dat een gedwongen uitbreiding van de omgangsregeling met overnachtingen bij de vader voor te veel spanning bij [minderjarige] zal zorgen en om die reden niet in haar belang moet worden geacht.

Het advies van de raad

De raad heeft ter zitting in hoger beroep geadviseerd de zaak voor een periode aan te houden en in een tussenbeslissing een opbouwregeling vast te stellen waarbij gestart wordt met een overnachting. Op een later moment kan dan tijdens een zitting geëvalueerd worden hoe de uitbreiding verlopen is. Zoals ook eerder in het raadsrapport is aangegeven, vindt de raad het belangrijk dat er gewerkt wordt aan een uitbreiding van de omgang tussen [minderjarige] en de vader. Daarnaast is het van belang dat gekeken wordt naar hoe een overnachting voor [minderjarige] is. De ouders moeten [minderjarige] het vertrouwen geven dat het goed is dat zij naar de andere ouder gaat. De raad denkt dat veel zorgen over [minderjarige] voortkomen uit het feit dat er tussen de ouders geen basis van vertrouwen is. Daarom is het belangrijk dat de ouders daaraan gaan werken. De ouders kunnen eventueel met Timon bespreken of een vervolgtraject mogelijk is. Er zijn ook andere vormen van hulp, zoals de SCHIP-methode, en andere aanbieders die de ouders kunnen helpen om het onderlinge vertrouwen op te bouwen.

De verdere beoordeling

Het hof overweegt als volgt. Na de tussenbeschikking van dit hof van 19 maart 2024 zijn de ouders doorverwezen naar het traject Ouderschap Blijft bij Altra of andere passende hulpverlening. Gebleken is dat de ouders in april 2025 zijn gestart bij Timon met het ONS-traject. Uit het ter zitting in hoger beroep door de advocaat van de moeder overgelegde eindverslag van 9 april 2026 van Timon, blijkt dat de moeder in december 2025 heeft aangegeven geen belemmeringen meer te zien voor een overnachting van [minderjarige] bij de vader. Een aantal geplande momenten om te starten met de overnachting zijn daarna ofwel uitgesteld ofwel niet doorgegaan. De ouders zouden in het weekend van 13 en 14 februari 2026 starten met een opbouwregeling, waarbij [minderjarige] gedurende een periode van drie maanden ieder weekend van zaterdag 12.00 uur tot zondag 12.00 uur bij de vader zou verblijven. Na afloop van deze periode zouden de ouders evalueren hoe de regeling verlopen is en wanneer de regeling goed zou verlopen, zou deze uitgebreid worden naar eenmaal per twee weken, van vrijdag na schooltijd tot zondag 17.00 uur. De woensdagen zouden daarmee vervallen. Ter zitting in hoger beroep is gebleken dat tot aan de zitting nog geen overnachting bij de vader had plaatsgevonden. Wel is ter zitting afgesproken met de ouders dat [minderjarige] van 18 april 2026 12.00 uur tot 19 april 2026 12.00 uur bij de vader zal verblijven en dat de ouders contact zullen opnemen met Timon om te vragen of zij de ouders ondersteuning kunnen bieden bij het evalueren van de eerste overnachting van [minderjarige] bij de vader.

Het hof is, mede gelet op het voorgaande, met de raad van oordeel dat het in het belang van [minderjarige] is om een zorgregeling met opbouw vast te stellen en in dat kader te starten met een overnachting bij de vader. Het hof wil aannemen dat het voor [minderjarige] in het begin spannend zal zijn, maar het is aan de ouders om haar daarin gerust te stellen en haar over en weer te laten merken dat het in orde is. Hopelijk zal dat ook bij [minderjarige] tot meer ontspanning leiden. Het hof zal een gefaseerd op te bouwen zorgregeling vaststellen en daarbij aansluiten bij de opbouw die ter zitting in hoger beroep is besproken. Deze zorgregeling zal inhouden dat [minderjarige] met ingang van het eerste weekend na deze beschikking gedurende drie maanden om het weekend bij de vader zal verblijven van zaterdag 12.00 uur tot zondag 12.00 uur. Het hof zal verder bepalen dat [minderjarige] na drie maanden gedurende de daaropvolgende drie maanden om het weekend bij de vader zal verblijven van vrijdag na school tot zondag 12.00 uur en dat [minderjarige] daaropvolgend in de even weken van vrijdag na school tot maandag naar school bij de vader zal verblijven. Met de hiervoor genoemde gefaseerde opbouwregeling zal dus uiteindelijk toegewerkt worden naar een zorgregeling waarbij [minderjarige] om de week een weekend van vrijdag uit school tot maandag naar school bij de vader verblijft.

Het hof zal het verzoek van de vader om te bepalen dat [minderjarige] in de oneven weken op woensdag uit school tot donderdagochtend naar school bij de vader verblijft, afwijzen aangezien een overnachting bij de vader op een schooldag naar het oordeel van het hof te onrustig is voor [minderjarige] . Voor wat betreft de woensdagmiddagen acht het hof een regeling waarbij [minderjarige] bij de vader verblijft op de woensdagmiddag volgend op het weekend dat zij bij de moeder verblijft, redelijk en in het belang van [minderjarige] .

Vakantie- en feestdagenregeling

Het wettelijk kader

Het hof verwijst naar het beoordelingskader bij rechtsoverweging 2.12.

De nadere standpunten van partijen

De vader wil een eerlijke verdeling van de vakanties en feestdagen. In de zomervakantie 2025 heeft de vader [minderjarige] maar enkele dagen gezien en in de voorjaarsvakantie 2026 heeft hij haar slechts vier uur gezien. De moeder werkt niet mee en is niet coulant richting de vader, aldus de vader.

De moeder vindt het verzoek van de vader extreem, omdat het voor [minderjarige] al veel is om een weekend bij de vader te verblijven. In het voorstel van de vader zou [minderjarige] dan soms een week of drie weken bij de vader zijn. Voordat de moeder een vakantieregeling kan overwegen, wil zij eerst zien hoe de uitbreiding met een overnachting verloopt.

Het advies van de raad

De raad heeft zich ter zitting in hoger beroep onthouden van advies over de vakantie- en feestdagenregeling. De raad heeft verklaard dat de ouders in een ander traject moeten werken aan hun communicatie en hun vertrouwen in elkaar, zodat [minderjarige] vrijelijk van de ene naar de andere ouder kan gaan en de vakanties uiteindelijk ook verdeeld kunnen worden.

De beoordeling

Het hof acht het ook in het belang van [minderjarige] dat de vakanties en feestdagen verdeeld zullen worden. Daarvoor bestaan (thans) geen contra-indicaties. Met inachtneming van (de duur van) de opbouwregeling zal het hof de volgende verdeling van de vakanties vaststellen:

- kerstvakantie: [minderjarige] verblijft vanaf 2026 in de even jaren de eerste week bij de vader, waarbij de vader [minderjarige] op de laatste schooldag uit school haalt, en de tweede week bij de moeder. [minderjarige] verblijft in de oneven jaren de eerste week bij de moeder en de tweede week bij de vader, waarbij de vader [minderjarige] op de laatste vakantiedag om 13.00 uur bij de moeder thuis brengt;

- voorjaarsvakantie (1 week): [minderjarige] verblijft vanaf 2028 in de even jaren bij de vader, waarbij de vader [minderjarige] op de laatste schooldag uit school haalt en hij haar op de laatste vakantiedag om 13.00 uur bij de moeder thuis brengt;

- meivakantie (1 week): [minderjarige] verblijft vanaf 2027 in de oneven jaren bij de vader, waarbij de vader [minderjarige] de laatste schooldag uit school haalt en hij haar op de laatste vakantiedag om 13.00 uur bij de moeder thuis brengt;

- zomervakantie: [minderjarige] verblijft vanaf 2027 de eerste twee weken bij de vader en de laatste vier weken bij de moeder;

- herfstvakantie: [minderjarige] verblijft vanaf 2027 in de oneven jaren bij de vader, waarbij de vader [minderjarige] de laatste schooldag uit school haalt en hij haar op de laatste vakantiedag om 13.00 uur bij de moeder thuis brengt.

Het hof acht deze regeling in het belang van [minderjarige] .

Dwangsom

De vader heeft verder nog verzocht om de moeder een dwangsom op te leggen per keer dat zij de zorg-, vakantie- en feestdagenregeling niet nakomt. Hij voert daartoe aan dat gelet op de voorgeschiedenis vaststaat dat uitsluitend een dwangmiddel de moeder ertoe zal bewegen om de vastgestelde zorgregeling na te komen. Het hof zal het verzoek van de vader afwijzen en overweegt daartoe als volgt. Aangezien het hof voor het eerst in deze beschikking de door de rechtbank vastgestelde regeling zal uitbreiden ziet het hof geen aanleiding om een dwangsom te verbinden aan de nakoming van de zorg-, vakantie- en feestdagenregeling. Dat neemt niet weg dat de moeder gehouden is de regeling na te komen en het hof erop vertrouwt dat de moeder dat ook zal doen.

3. Beslissing

Het hof:

in principaal en incidenteel hoger beroep:

vernietigt de beschikking waarvan beroep voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en, in zoverre opnieuw rechtdoende;

belast de ouders gezamenlijk met het gezag over [minderjarige] ;

verzoekt de griffier krachtens het bepaalde in het Besluit gezagsregisters een afschrift van deze uitspraak toe te zenden aan de griffier van de rechtbank Amsterdam, afdeling privaatrecht ter attentie van het openbaar register;

stelt een zorgregeling vast met de volgende opbouw:

- [minderjarige] verblijft met ingang van het eerste weekend na deze beschikking gedurende drie maanden om het weekend bij de vader van zaterdag 12.00 uur tot zondag 12.00 uur;

- na drie maanden verblijft [minderjarige] gedurende de daaropvolgende drie maanden om het weekend bij de vader van vrijdag na school tot zondag 12.00 uur;

- [minderjarige] verblijft daaropvolgend in de even weken van vrijdag na school tot maandag naar school bij de vader;

Daarnaast geldt dat [minderjarige] in de week volgend op het weekend waarin zij bij de moeder verblijft de woensdagmiddag bij de vader verblijft; de vader haalt haar op uit school (en op de vrije woensdagen: bij de moeder), waarna de moeder haar om 18.00 uur ophaalt bij de vader;

stelt de volgende verdeling van de feestdagen en vakanties vast:

- kerstvakantie: [minderjarige] verblijft vanaf 2026 in de even jaren de eerste week bij de vader, waarbij de vader [minderjarige] op de laatste schooldag uit school haalt, en de tweede week bij de moeder. [minderjarige] verblijft in de oneven jaren de eerste week bij de moeder en de tweede week bij de vader, waarbij de vader [minderjarige] op de laatste vakantiedag om 13.00 uur bij de moeder thuis brengt;

- voorjaarsvakantie (1 week): [minderjarige] verblijft vanaf 2028 in de even jaren bij de vader, waarbij de vader [minderjarige] op de laatste schooldag uit school haalt en hij haar op de laatste vakantiedag om 13.00 uur bij de moeder thuis brengt;

- meivakantie (1 week): [minderjarige] verblijft vanaf 2027 in de oneven jaren bij de vader, waarbij de vader [minderjarige] de laatste schooldag uit school haalt en hij haar op de laatste vakantiedag om 13.00 uur bij de moeder thuis brengt;

- zomervakantie: [minderjarige] verblijft vanaf 2027 de eerste twee weken bij de vader en de laatste vier weken bij de moeder;

- herfstvakantie: [minderjarige] verblijft vanaf 2027 in de oneven jaren bij de vader, waarbij de vader [minderjarige] de laatste schooldag uit school haalt en hij haar op de laatste vakantiedag om 13.00 uur bij de moeder thuis brengt;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het in hoger beroep meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. A.N. van de Beek, mr. J.M. van Baardewijk en mr. J. Schoemaker, in tegenwoordigheid van mr. I.L.I. Bossert als griffier en is op 26 mei 2026 in het openbaar uitgesproken door de oudste raadsheer.

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. I.L.I. Bossert

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand