Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van
10 juli 2024, 24 oktober 2024, 7 november 2024, 1 april 2025, 21 april 2026 en 12 mei 2026 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte en de raadsman en de gemachtigde van het slachtoffer naar voren hebben gebracht.
Vonnis waarvan beroep
Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep en zal dit daarom bevestigen, behalve ten aanzien van de opgelegde gevangenisstraf en de vrijheidsbeperkende maatregel -in zoverre zal het vonnis worden vernietigd- en met dien verstande dat het hof:
Bewijsoverweging
Standpunt van het openbaar ministerie
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat alle feiten wettig en overtuigend bewezen kunnen worden.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep op het standpunt gesteld dat de verdachte van de feiten 2, 3 en 4 moet worden vrijgesproken.
Ten aanzien van feit 2 heeft de raadsman aangevoerd dat de foto van het letsel niet overeenkomt met de aangifte, een letselverklaring ontbreekt in het dossier, en dat de buurman, die als getuige een verklaring heeft afgelegd, slechts beperkt zicht kan hebben gehad op het incident. Daarnaast heeft de raadsman gesteld dat de buurman en de aangeefster voorafgaand aan de komst van de politie contact met elkaar hebben gehad, waardoor de verklaring van de buurman mogelijk is beïnvloed.
Ten aanzien van feit 3 heeft de raadsman aangevoerd dat er sprake was van wederkerig contact tussen de verdachte en de aangeefster, waardoor het bestanddeel ‘wederrechtelijk’ niet bewezen kan worden.
Ten aanzien van feit 4 heeft de raadsman aangevoerd dat de uitlatingen van de verdachte niet de redelijke vrees hebben kunnen doen ontstaan dat het misdrijf waarmee gedreigd werd, zou worden gepleegd. De uitlatingen van de verdachte moeten, in de context waarin zij zijn gedaan, worden beschouwd als uitingen van woede naar aanleiding van het beëindigen van de relatie met de aangeefster.
Oordeel van het hof
Het hof verwerpt de tot vrijspraak strekkende verweren en overweegt daartoe als volgt.
Feit 2
Het hof twijfelt niet aan de juistheid en de betrouwbaarheid van de verklaringen van aangeefster [naam 1] en getuige [naam 2] . In het dossier zijn geen aanknopingspunten te vinden voor de stelling dat [naam 2] slechts beperkt zicht heeft gehad op het incident toen hij door het kiepraam keek. Ook biedt het dossier geen reden om te veronderstellen dat de aangeefster en [naam 2] hun verklaringen op elkaar hebben afgestemd of dat die door elkaar zijn beïnvloed. Het hof is dan ook van oordeel dat wettig en overtuigend is bewezen dat de verdachte tegen het lichaam van de aangeefster heeft geschopt. Dat een letselverklaring in het dossier ontbreekt, maakt dit oordeel niet anders. Het hof weegt de door de raadsman genoemde foto die als bijlage bij de aangifte is gevoegd niet mee in bezwarende of ontlastende zin. Dat op de foto letsel aan de linkerzijde van de aangeefster is te zien, terwijl zij heeft verklaard aan de rechterzijde te zijn geraakt, acht het hof niet van doorslaggevend belang.
Feit 3
De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep over de ten laste gelegde periode verklaard dat hij de aangeefster inderdaad een aantal keer bij haar woning heeft opgezocht, daar briefjes heeft achtergelaten en haar via verschillende social media accounts heeft geprobeerd te bereiken. Naar eigen zeggen ‘hield hij wel vol’ om de aangeefster te kunnen spreken om een ruzie uit te praten en om tot een gezamenlijke oplossing te komen. Ook na het opleggen van meerdere contactverboden is de verdachte contact blijven zoeken met de aangeefster.
Het hof stelt voorop dat, ook voor zover (gedurende enige periode) sprake is geweest van wederkerig contact, dit niet afdoet aan het oordeel dat voor de verdachte volstrekt duidelijk moet zijn geweest dat de aangeefster in de ten laste gelegde periode niet gediend was van zijn gedragingen. Gelet op de herhaalde contactpogingen, de indringende en meermalen dreigende wijze waarop deze hebben plaatsgevonden en de omstandigheid dat de verdachte de aangeefster meermalen bij haar woning heeft opgezocht, en dit alles tegen haar uitdrukkelijke wens in en ondanks opgelegde contactverboden, is het hof van oordeel dat de handelingen van de verdachte, in onderling verband en samenhang bezien, kunnen worden gekwalificeerd als een stelselmatige inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van de aangeefster om haar te dwingen iets te dulden en vrees aan te jagen (belaging).
Feit 4
De in de bewezenverklaring genoemde uitlatingen zijn naar het oordeel van het hof zonder meer bedreigend van aard en kunnen in het algemeen de redelijke vrees doen opwekken dat de bedreigde het leven zou kunnen verliezen. Daar komt bij dat de aangeefster heeft verklaard dat zij zich daadwerkelijk erg bedreigd voelde. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte verklaard dat hij zich kan voorstellen dat zijn uitlatingen bij de aangeefster gevoelens van angst hebben doen ontstaan.
Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat de uitlatingen van dien aard zijn dat bij de aangeefster in redelijkheid de vrees kon ontstaan dat zij het leven zou kunnen verliezen. Het hof acht dan ook wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan bedreigingen met een misdrijf tegen het leven gericht.
Oplegging van straf en maatregel
De rechtbank heeft de verdachte voor het in eerste aanleg onder 1, 2, 3 en 4 bewezen verklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 20 maanden, met aftrek van voorarrest. Daarnaast heeft de rechtbank een vrijheidsbeperkende maatregel in de vorm van een contactverbod en een locatieverbod als bedoeld in artikel 38v Sr (hierna: 38v-maatregel) opgelegd, en heeft daarvan de dadelijke uitvoerbaarheid bevolen.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het onder 1, 2, 3 en 4 ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 624 dagen, waarvan 180 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren en met aftrek van voorarrest. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat aan deze proeftijd bijzondere voorwaarden (meldplicht en ambulante behandeling) worden verbonden. Daarnaast heeft zij gevorderd dat de 38v-maatregel in de vorm van een contact- en locatieverbod voor de duur van 5 jaren wordt opgelegd en dat deze dadelijk uitvoerbaar dient te worden verklaard. Bij iedere overtreding van de maatregel dienen twee weken vervangende hechtenis te worden opgelegd.
De raadsman heeft het hof verzocht om bij de strafoplegging rekening te houden met de overschrijding van de redelijke termijn. Ten aanzien van de 38v-maatregel heeft de raadsman verzocht het gebiedsverbod niet van toepassing te verklaren op de plaats [plaats 1] . Voor het geval [plaats 1] wél in het gebiedsverbod wordt betrokken, heeft de raadsman verzocht dit te beperken tot de voetbalvereniging aldaar. Daarnaast heeft de raadsman verzocht het gebiedsverbod met betrekking tot de plaats [plaats 2] te beperken tot het woonadres van het slachtoffer.
Het hof overweegt als volgt.
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf en maatregel bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
Ernst van de feiten
De verdachte heeft zich gedurende een lange periode stelselmatig en indringend schuldig gemaakt aan het lastigvallen van de aangeefster. Uit het dossier blijkt dat de aangeefster sinds 2017 herhaaldelijk melding bij de politie heeft gedaan van het gedrag van de verdachte. De verdachte heeft haar in die periode een grote hoeveelheid berichten gestuurd via social media, alsmede handgeschreven brieven, waarin hij zich tegen haar in uiterst bedreigende en intimiderende bewoordingen uitlaat. In deze berichten en brieven dreigt de verdachte onder meer de aangeefster, haar partner en haar kinderen iets aan te doen, hen van het leven te beroven en haar woning in brand te steken.
De verdachte heeft zich daarbij niet beperkt tot rechtstreeks contact met de aangeefster. Hij heeft ook via een vriendin van de aangeefster geprobeerd haar te bereiken, door deze vriendin via social media dwingende en dreigende berichten te sturen.
Daar komt bij dat het gedrag van de verdachte zich niet heeft beperkt tot schriftelijke uitingen. De verdachte heeft zich meermalen bij de woning van de aangeefster opgehouden. Dit heeft ook eenmaal geleid tot een fysieke confrontatie, waarbij de aangeefster door de verdachte is mishandeld.
Door zo te handelen heeft de verdachte op ernstige en stelselmatige wijze inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van de aangeefster en haar gevoel van veiligheid. Uit de slachtofferverklaring volgt dat niet alleen de aangeefster, maar ook haar partner en kinderen gedurende langere tijd in angst hebben geleefd en dat de voortdurende belaging een diepgaande en blijvende impact heeft gehad op hun dagelijks functioneren en welzijn. Het hof rekent dit de verdachte zwaar aan.
Daarbij weegt het hof mee dat de verdachte, ondanks herhaaldelijke en uitdrukkelijke verzoeken van de aangeefster om ieder contact te staken, is doorgegaan met zijn gedragingen. Ook eerder aan hem opgelegde gedragsaanwijzingen en contactverboden hebben hem er niet van weerhouden de aangeefster te blijven benaderen. Dit duidt op een zorgwekkend gebrek aan respect voor de grenzen van anderen en voor rechterlijke beslissingen.
Ook heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan het aanwezig hebben van cocaïne. Harddrugs zoals cocaïne vormen een ernstig gevaar voor de volksgezondheid en het gebruik ervan is bezwarend voor de samenleving, niet in de laatste plaats vanwege de daarmee gepaard gaande criminaliteit.
Persoon van de verdachte
De verdachte is eerder onherroepelijk veroordeeld voor geweldsmisdrijven, bedreigingen en overtredingen van de Opiumwet. Dit blijkt uit een uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 8 april 2026 over de verdachte. Het hof weegt dit in het nadeel van de verdachte mee.
Het hof houdt verder rekening met de over de verdachte uitgebrachte rapporten, waaronder de Pro Justitia-rapportages van 13 augustus 2025 en 29 augustus 2025. Uit deze rapporten volgt dat de deskundigen geen psychische problematiek of een persoonlijkheidsstoornis bij de verdachte hebben vastgesteld. Wel kan gesproken worden van een persoonlijkheid met antisociale trekken. Ook de reclassering heeft gerapporteerd over de verdachte bij haar adviezen van 15 januari 2026 en 31 maart 2026. De reclassering adviseert om, bij een veroordeling, aan de verdachte een (deels) voorwaardelijke straf op te leggen, met daaraan gekoppeld de bijzondere voorwaarden van een meldplicht, ambulante behandeling en een contactverbod.
Uit de bovengenoemde rapporten komt naar voren dat de verdachte zich in positieve zin lijkt te ontwikkelen. De verdachte komt zijn wekelijkse afspraken met de reclassering na en zet zich actief in voor begeleiding, waaronder een behandeltraject als daarvoor indicaties worden gezien. Hij stelt zich open en coöperatief op en toont inzicht in zijn gedrag, in het bijzonder waar het gaat om zijn moeite met emotieregulatie. Daarnaast heeft de verdachte zijn leefsituatie verder weten te stabiliseren: hij beschikt inmiddels over een eigen woning en is werkzaam als postbezorger.
(Deels voorwaardelijke) gevangenisstraf en 38v-maatregel
Het hof acht het van belang dat deze positieve ontwikkelingen niet worden doorkruist door een straf die meebrengt dat de verdachte opnieuw gedetineerd raakt.
Het hof acht in beginsel, alles afwegende, een gevangenisstraf van 624 dagen, waarvan 180 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren en met aftrek van voorarrest (zoals gevorderd door de advocaat-generaal) passend en geboden. Mede gelet op het reclasseringsadvies van 31 maart 2026, acht het hof het stellen van bijzondere voorwaarden geïndiceerd en daarom zal het hof aan de voorwaardelijke gevangenisstraf bijzondere voorwaarden verbinden, te weten een meldplicht en de verplichting tot ambulante behandeling.
Daarnaast zal het hof een 38v-maatregel aan de verdachte opleggen voor een periode van vijf jaar. Het hof zal deze maatregel opleggen in de vorm van een contactverbod met het slachtoffer en haar vriendin, en een locatieverbod (met betrekking tot haar woonplaats en het adres van de voetbalvereniging waar het slachtoffer training geeft), met 2 weken vervangende hechtenis per overtreding tot het hierna te melden maximum. Door oplegging van deze maatregel wordt de verdachte in het onverhoopte geval van de tenuitvoerlegging van die hechtenis geconfronteerd met de gevolgen van hernieuwd belastend gedrag ten aanzien van het slachtoffer. Dit dient ertoe te leiden dat hij ervan wordt weerhouden opnieuw contact te zoeken met het slachtoffer en/of zich in de nabijheid van haar woning en de voetbalclub op te houden.
Dadelijk uitvoerbaar
Het hof zal de dadelijke uitvoerbaarheid van de bijzondere voorwaarden en van de vrijheidsbeperkende maatregel bevelen, omdat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan feiten die zijn gericht tegen of gevaar hebben veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. Gelet op de aard van de bewezen verklaarde gedragingen van de verdachte en gelet op zijn strafblad, is het hof van oordeel dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte opnieuw een strafbaar feit zal plegen dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van het slachtoffer dan wel dat de verdachte opnieuw een strafbaar feit zal plegen of zich belastend zal gedragen tegenover het slachtoffer en/of haar vriendin. Het hof heeft daarbij in het bijzonder in aanmerking genomen dat de verdachte eerdere gedragsaanwijzingen en contactverboden heeft overtreden.
Ten aanzien van de duur overweegt het hof dat de maatregel door de rechtbank op 13 juni 2023 dadelijk uitvoerbaar is verklaard, wat betekent dat op het moment van het wijzen van arrest al ruim drie jaren zijn verstreken, welke tijd in mindering zal worden gebracht. Het hof is van oordeel dat vanuit het oogpunt van de bescherming van het slachtoffer de vrijheidsbeperkende maatregel nog geruime tijd moet voortduren.
Redelijke termijn
Tot slot stelt het hof vast dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden in hoger beroep is overschreden. Namens de verdachte is op 22 juni 2023 appel ingesteld, terwijl het hof op 12 mei 2026 arrest wijst. Het hof gaat uit van een redelijke termijn van 16 maanden, gelet op de omstandigheid dat de verdachte tijdens de procedure in hoger beroep geruime tijd (444 dagen) in voorlopige hechtenis heeft gezeten. De overschrijding bedraagt dus ongeveer 20 maanden. Daarin ziet het hof aanleiding om in plaats van voornoemde gevangenisstraf, een gevangenisstraf voor de duur van 594 dagen, waarvan 150 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren en met aftrek van voorarrest, op te leggen.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet en de artikelen 14a, 14b, 14c, 38v, 38w, 57, 63, 285, 285b en 300 van het Wetboek van Strafrecht.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de opgelegde gevangenisstraf en de vrijheidsbeperkende maatregel en doet in zoverre opnieuw recht.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 594 (vijfhonderdvierennegentig) dagen.
Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 150 (honderdvijftig) dagen, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt dan wel de hierna te noemen bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd.
Stelt als bijzondere voorwaarden dat de verdachte:
Beveelt dat voormelde voorwaarden en het uit te oefenen reclasseringstoezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn.
Van rechtswege gelden hierbij als voorwaarden dat de verdachte:
Geeft opdracht dat de reclassering toezicht houdt op de naleving van de voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan begeleidt.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Legt op de maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid inhoudende dat de veroordeelde voor de duur van 5 (vijf) jaren op geen enkele wijze - direct of indirect - contact zal opnemen, zoeken of hebben met
zich voor de duur van 5 (vijf) jaren niet zal ophouden:
Beveelt dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor het geval niet aan de maatregel wordt voldaan. De duur van deze vervangende hechtenis bedraagt 2 (twee) weken voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan, met een gezamenlijk maximum van 6 (zes) maanden.
Toepassing van de vervangende hechtenis heft de verplichtingen ingevolge de opgelegde maatregel niet op.
Beveelt dat de opgelegde maatregel dadelijk uitvoerbaar is.
Beveelt dat de tijd die de verdachte al onderworpen is geweest aan de door de rechtbank opgelegde en dadelijk uitvoerbaar verklaarde vrijheidsbeperkende maatregel bij de uitvoering van de opgelegde vrijheidsbeperkende maatregel in mindering zal worden gebracht.
Beveelt daarnaast dat de vervangende hechtenis die eventueel al is tenuitvoergelegd, eveneens bij een eventuele tenuitvoerlegging van de vervangende hechtenis in mindering wordt gebracht.
Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige, met inachtneming van het hiervoor overwogene.
Heft op het -geschorste- bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. H.A. Stalenhoef, mr. M.L.M. van der Voet en mr. R.A.J. Hübel, in tegenwoordigheid van
mr. A.C. Vermeijden, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 12 mei 2026.