ECLI:NL:GHAMS:2026:1416

ECLI:NL:GHAMS:2026:1416

Instantie Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak 12-05-2026
Datum publicatie 28-05-2026
Zaaknummer 200.317.523
Rechtsgebied Civiel recht
Procedure Hoger beroep
Zittingsplaats Amsterdam

Samenvatting

Partijen hebben gesproken over de organisatie van een muziekevenement dat uiteindelijk niet is doorgegaan. Het hof oordeelt dat tussen partijen geen overeenkomst tot stand is gekomen, dat geen sprake is van onrechtmatig afgebroken onderhandelingen en dat geen grond bestaat voor vergoeding van gemaakte kosten.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I

zaaknummer : 200.317.523/01

zaaknummer rechtbank Amsterdam : C/13/707230 / HA ZA 21/818

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 12 mei 2026

in de zaak van

1. [appellant 1] ,

2. [appellant 2],

beide gevestigd in [plaats 1] ,

appellanten,

advocaat: eerst mr. S.J.W.M. Vonken, nu mr. M.M.J.F. Sijben te Heerlen,

tegen

[geïntimeerde] ,

gevestigd in [plaats 2] ,

geïntimeerde,

advocaat: eerst mr. D.H.J. Rijkers, nu mr. L. Bakers te Amsterdam.

Partijen worden hierna [appellant 1] , [appellant 2] (en gezamenlijk [appellanten] ) en [geïntimeerde] genoemd.

1. De zaak in het kort

In 2018 en 2019 hebben [appellanten] en [geïntimeerde] gesproken over het organiseren van een muziekevenement voor [geïntimeerde] om de naamsbekendheid van [geïntimeerde] te vergroten. Uiteindelijk is het evenement niet doorgegaan. [appellanten] stellen dat zij daardoor schade hebben geleden en zij vorderen in deze procedure dat [geïntimeerde] deze schade aan hen vergoedt. De rechtbank heeft de vorderingen van [appellanten] afgewezen. Het hof is van oordeel dat tussen partijen geen overeenkomst tot stand is gekomen en dat [geïntimeerde] de onderhandelingen niet heeft afgebroken. Daarnaast is er geen grond voor vergoeding door [geïntimeerde] van de kosten die [appellanten] stellen te hebben gemaakt. Het hof bekrachtigt het vonnis van de rechtbank en wijst de vorderingen van [appellanten] af.

2. Het geding in hoger beroep

[appellanten] zijn bij dagvaarding van 10 augustus 2022 in hoger beroep gekomen van een (in een proces-verbaal vastgelegd mondeling) vonnis van 20 mei 2022 van de rechtbank Amsterdam, onder bovenvermeld zaaknummer gewezen tussen [appellanten] als eiseressen en [geïntimeerde] als gedaagde (hierna: het bestreden vonnis).

Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:

- memorie van grieven tevens vermindering van eis, met producties 42 t/m 52;

- memorie van antwoord, met productie 7.

Partijen hebben de zaak tijdens de mondelinge behandeling van 21 maart 2024 laten toelichten; [appellanten] door hun advocaat en [geïntimeerde] door haar advocaat en mr. M.R.A. Schonewille, advocaat te Amsterdam. Partijen hebben daarbij gebruik gemaakt van spreekaantekeningen die zijn overgelegd. Daarnaast hebben [appellanten] nog producties 53 t/m 56 in het geding gebracht en [geïntimeerde] productie 8.

Ten slotte is arrest gevraagd.

3. De feiten

[appellanten] houden zich onder meer bezig met het geven van concerten. Daarnaast zijn zij professional op het gebied van het organiseren en plannen van grootschalige internationale evenementen. [naam 1] (hierna: [naam 1] ) is directeur/CEO van beide vennootschappen.

[geïntimeerde] is een onderneming die zich onder meer bezig houdt met de marketing van fornuizen en keukenapparatuur. [geïntimeerde] maakt onderdeel uit van de [bedrijf] , waar ook de onderneming Inter-M toe behoort.

Op 24 oktober 2018 heeft [naam 2] (hierna: [naam 2] ), manager events bij [geïntimeerde] , een e-mail gestuurd aan [appellant 1] met de volgende inhoud:

"Wij organiseren met [geïntimeerde] op 17 augustus Cucina e Concerto in Heusden-Zolder in

België (...)

Voor het muzikale gedeelte zijn wij op zoek naar een orkest met de combinatie

pop/klassiek waarbij Italiaanse muziek centraal staat, aangevuld met andere (dit is allemaal

bespreekbaar).

We willen dit orkest aanvullen met enkele bekende artiesten.

Ziet u hierin een mogelijkheid tot samenwerking?"

Op 26 oktober 2018 heeft [appellant 1] daarop als volgt geantwoord:

"Momenteel is hij [ [naam 1] , hof] in Shanghai voor de Chinese Televisie en concertzaken.

Wellicht goed om volgende week een telefonische afspraak met U te plannen en een en andere door te spreken. Voorafgaande dat gesprek zal ik U al een optieformulier sturen, waar wij al iets meer productioneel zicht krijgen op een en ander."

In november 2018 heeft een eerste kennismakingsgesprek tussen partijen plaatsgevonden. Vervolgens heeft nog een aantal besprekingen tussen partijen plaatsgevonden en is tussen partijen gecorrespondeerd over verschillende aspecten van de samenwerking rondom het evenement Cucina e Concerto (hierna: het evenement).

Op 17 januari 2019 heeft [appellant 1] naar [geïntimeerde] een e-mailbericht gestuurd met daarbij:

"de opzet voor het sponsorplan (Word) en pakketcalculaties (Excel)."

Op dezelfde datum heeft [naam 2] per e-mail het volgende aan [naam 1] geschreven:

"Zoals telefonisch net aangegeven hierbij feedback.

Volgende week zit ik samen met raad van bestuur van [bedrijf] . Dan krijg ik Go of 'Njet'.

Na meeting met [naam 7] [CEO van [geïntimeerde] , hof] zijn wij van mening dat:

 Moeten 2 dagen laten doorgaan ivm kosten

 Moet een topartiest categorie Marco Borsato, Clouseau, Niels Destadsbader bij

 Moeten mediapartners bij betrokken worden voor reclame

 Moeten partners bij betrokken worden met een min. Waarde van 50.000 EURO

Enige waar [naam 7] bang voor is:

- Slecht weer  niet in de hand

- Hoe tickets verkocht krijgen  topper vinden in marketing, topartiest voegen we eraan toe en met een scheutje mediapartners hoop ik dat dit gaat lukken"

Bij e-mail van 8 februari 2019 heeft [naam 2] het volgende geschreven aan [naam 3] , CEO van het reclamebureau Cocomo, met cc aan [naam 1] :

"Beste [naam 4]

Hierbij eerste opzet marketingconcept van het merk [geïntimeerde] .

Ondertussen heb ik intern een officiële Go gekregen voor het evenement te laten doorgaan. (...)"

Op 13 maart 2019 heeft [naam 2] per whatsapp het volgende aan [naam 1] gestuurd:

"Dag [naam 5] [ [naam 1] , hof], net even gebeld met [naam 6] . Contract is blijkbaar bijna volledig aangepast. [naam 7] moet dit nu nog nalezen maar hij is nog in China. Maandag hebben we hierover vergadering."

Op diezelfde dag heeft [naam 1] als volgt geantwoord:

"Hoi [naam 8] [ [naam 2] , hof], dank je wel voor je bericht. Maandag met [naam 7] vergadering erover? Ik weet dat het niet aan jou ligt, maar duurt eerlijk gezegd erg lang. Ik had bewust geen 40 Pagina's contract laten opzetten door onze juristen, maar een simpele producenten en artiesten

overeenkomst, omdat we er simpelweg geen tijd voor hebben. In dit traject. Ik ben bang dat als we volgende week geen deal hebben, dat we Podium, licht, geluid etc kwijt zijn. Ze hebben allemaal al tweede en derde opties voor leveringen lopen. Ik zit maandag bij de Nederlandse omroepbaas in Hilversum voor TV producties, maar zou in de namiddag kunnen afspreken om het door te nemen. Het is echt 5 minuten voor 12 denk ik ..... we spreken elkaar, groetjes [naam 5] "

Op 21 maart 2019 heeft [geïntimeerde] een e-mail gestuurd aan [naam 1] waarin onder andere het volgende staat:

"In bijlage vind je een eerste mark up van de overeenkomst met [appellant 2] "

Op 29 maart 2019 heeft [naam 9] (hierna: [naam 9] ), marketing director bij [geïntimeerde] , een e-mail gestuurd naar [naam 1] . Daarin staat onder andere:

"We willen onze excuses aanbieden dat we vandaag zo last minute de plannen hebben verandert.

Wil je graag benadrukken dat we een organisatie zijn die denken in kansen en oplossingen en hopen dat ook jij het inziet dat dit de weg is om ons gezamenlijke kans te pakken.

Er is geen misverstand over, we willen dat dit graag doorgaat, en zijn tot de conclusie gekomen dat we de organisatie graag in de handen willen geven van de expert, en dat ben jij (…).

De uitgangspunten die we hebben besproken zijn als volgt:

 [geïntimeerde] is en blijft concept eigenaar (naamrecht is van ons)

 [appellant 2] (jij) is hoofdaannemer van het event Meastro in Cucina.

 [appellant 2] heeft de beeldrechten

 Beelden worden verspreid over de hele wereld pas na goedkeuring van [geïntimeerde]

 Artiesten zullen vooraf overlegt worden met [geïntimeerde] voor goedkeuring

 Zodra [naam 8] beter is zal [geïntimeerde] [naam 8] ter beschikking willen stellen aan jou en je team

Hierbij een korte samenvatting van de punten die gezamenlijk zijn besproken en die jij zou aanvullen:

 De voorfinanciering concreet maken in Euro en Termijnen

 Benoem de bedragen voor het 1ste en het 2de jaar waar jij denkt zoals je zei "kleerscheuren zou kunnen krijgen"

 Definieer wat je nodig hebt vanuit [geïntimeerde] en of [bedrijf]

 Definieer de bedrijf sponsor pakketten en wat je verwachtingen zijn (…)

We kijken uit naar je mail, een super tof event, en een geweldige samenwerking. (…)"

Vervolgens hebben partijen verder gesproken over (aanpassing van) de organisatie van het evenement. Op 16 april 2019 heeft [naam 1] het volgende geschreven aan [geïntimeerde] :

"Goedemorgen [naam 7] , [naam 6] en [naam 10] ,

Lukt het om morgen omstreeks 18.30 uur af te spreken in Volendam, eten we een hapje.

Ik heb met [naam 6] het plan B besproken, waar wij het al in Januari over gehad hebben [naam 7] . (…)

Laten we allereerst kijken als [geïntimeerde] - Maestro naar de gemene internationale delers (overeenkomsten qua visie) waar we het qua samenwerking over eens zijn en van daaruit schakelen."

Uiteindelijk is het van een samenwerking niet gekomen. Het evenement is niet doorgegaan.

4. De procedure bij de rechtbank

[appellanten] hebben in eerste aanleg gevorderd om bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

"Primair

1. Verklaren voor recht dat [geïntimeerde] jegens [appellant 1] ex artikel 6:74 BW aansprakelijk is als gevolg van de door [geïntimeerde] veroorzaakte wanprestatie;

2. [geïntimeerde] te veroordelen tot betaling van € 1.607.745,50 dan wel € 790.810,50 uit hoofde van de door [geïntimeerde] veroorzaakte wanprestatie, althans een in goede justitie te betalen bedrag, zulks te vermeerderen met de wettelijke rente, vanaf de datum van het intreden van het verzuim, althans vanaf de dag der dagvaarding, tot aan de dag der algehele voldoening;

Subsidiair:

3. Verklaren voor recht dat [geïntimeerde] jegens [appellant 1] ex artikel 6:212 jo. 6:248 BW aansprakelijk is;

4. [geïntimeerde] te veroordelen tot betaling van € 1.607.754,50 dan wel € 790.810,50 als gevolg van het ongerechtvaardigd afbreken van de onderhandelingen, althans een in goede justitie te betalen bedrag, zulks te vermeerderen met de wettelijke rente, vanaf de datum van het intreden van het verzuim, althans vanaf de dag der dagvaarding, tot aan de dag der algehele voldoening

Meer subsidiair:

5. Verklaren voor recht dat [geïntimeerde] jegens [appellant 1] aansprakelijk is als gevolg van de door [geïntimeerde] toerekenbare tekortkoming / wanprestatoie dan wel als gevolg van het ongerechtvaardigd afbreken van de onderhandelingen en [geïntimeerde] derhalve aansprakelijk is voor de door [appellant 1] geleden schade, nader op te maken bij staat;

Zowel primair als (meer) subsidiair:

6. [geïntimeerde] te veroordelen tot betaling van de buitengerechtelijke incassokosten van € 925,00 te vermeerderen met de wettelijke rente tot aan de dag der dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening;

7. [geïntimeerde] te veroordelen in de proceskosten van deze procedure, waaronder het salaris van de advocaat en de nakosten, vermeerderd met de wettelijke rente ex artikel 6: 119 BW over deze kosten vanaf 14 dagen na het te dezen te wijzen vonnis, althans een in goede justitie redelijk geachte termijn, tot aan de dag der algehele voldoening."

De rechtbank heeft de vorderingen van [appellanten] afgewezen. De rechtbank heeft geoordeeld dat tussen [appellanten] en [geïntimeerde] geen overeenkomst tot stand is gekomen. Ten eerste omdat niet is gebleken dat partijen het eens waren over een van de kernelementen van een overeenkomst, namelijk het financiële plaatje. Ten tweede omdat voor [appellanten] duidelijk moet zijn geweest dat haar juridische wederpartij niet [geïntimeerde] , maar Inter-M zou worden. Daarnaast heeft de rechtbank geoordeeld dat de onderhandelingen niet in een zo vergaand stadium waren dat [appellanten] erop mochten vertrouwen dat een overeenkomst tot stand zou komen. Daarbij heeft de rechtbank buiten beschouwing gelaten met welke partij ( [geïntimeerde] of Inter-M) een overeenkomst tot stand zou zijn gekomen, omdat volgens de rechtbank ook verder niet kan worden gezegd dat de onderhandelingen onrechtmatig zijn afgebroken.

5. De vordering in hoger beroep

Tegen de beslissing van de rechtbank en de daaraan ten grondslag gelegde motivering hebben [appellanten] in hoger beroep zeven grieven aangevoerd. Daarnaast hebben zij hun eis verminderd. [appellanten] hebben in hoger beroep geconcludeerd tot het vernietigen van het bestreden vonnis en tot het – uitvoerbaar bij voorraad – toewijzen van:

"de vorderingen van Revi [Music c.s., hof] ad € 559.662,00 – zoals na eisvermindering ingesteld en nader gespecificeerd onder randnummers 5.1.1 tot en met 5.1.9".

Aan hun vordering hebben [appellanten] – kort gezegd – het volgende ten grondslag gelegd. Primair heeft [geïntimeerde] wanprestatie gepleegd in de uitvoering van de overeenkomst die op 26 oktober 2018 of 8 februari 2019 tussen partijen tot stand is gekomen. Subsidiair heeft [geïntimeerde] de onderhandelingen op 29 maart 2019 ongerechtvaardigd afgebroken. [geïntimeerde] is aansprakelijk voor de schade die [appellanten] hebben geleden als gevolg van het afbreken van de onderhandelingen door [geïntimeerde] .

[geïntimeerde] heeft geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis bekrachtigt, met – uitvoerbaar bij voorraad – hoofdelijke veroordeling van [appellanten] in de proceskosten, met wettelijke rente en nakosten.

6. De beoordeling

Het hof is van oordeel dat geen grond bestaat voor vergoeding van de schade die [appellanten] stellen te hebben geleden. Tussen partijen is niet op 26 oktober 2018 of 8 februari 2019 een overeenkomst tot stand gekomen en [geïntimeerde] heeft niet op 29 maart 2019 de onderhandelingen afgebroken. Daarnaast is [geïntimeerde] niet ongerechtvaardigd verrijkt door de inspanningen van [appellanten] Het hof licht dit oordeel als volgt toe.

Geen overeenkomst op 26 oktober 2018 of 8 februari 2019

Het antwoord op de vraag of een overeenkomst tot stand is gekomen is afhankelijk van wat beide partijen over en weer hebben verklaard en uit elkaars verklaringen en gedragingen hebben afgeleid, overeenkomstig de zin die zij daaraan in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs mochten toekennen. Aanbod en aanvaarding behoeven niet uitdrukkelijk

plaats te vinden. Zij kunnen in elke vorm plaatsvinden en kunnen besloten

liggen in een of meer gedragingen (o.a. HR 17 december 2021, ECLI:NL:HR:2021:1889). Daarbij kunnen ook omstandigheden relevant zijn die later hebben plaatsgevonden.

[appellanten] hebben gesteld dat op 26 oktober 2018 tussen partijen een overeenkomst tot stand is gekomen. Het hof volgt hen daarin niet. Op 24 oktober 2018 heeft [geïntimeerde] aan [appellant 1] bericht dat zij op zoek was naar een artiest voor het evenement en heeft zij gevraagd of [appellant 1] een mogelijkheid zag tot samenwerken. Dit bericht bevat hooguit een uitnodiging om in onderhandeling te treden. Als een aanbod kan het bericht in redelijkheid niet worden opgevat. Het is namelijk onduidelijk welke verbintenissen zullen voortvloeien uit de te sluiten overeenkomst. Zo is onduidelijk wat de specifieke invulling is van het evenement en wat de daaraan verbonden kosten zijn. Daaraan doet niet af dat [geïntimeerde] heeft geschreven dat alles "bespreekbaar" was en dat het niet het streven van [geïntimeerde] zou zijn om winst te maken met het evenement. Bovendien bevat het bericht van [appellant 1] van 26 oktober 2018 geen aanvaarding van een eventueel aanbod. [appellant 1] heeft op het bericht van [geïntimeerde] slechts gereageerd met de mededeling dat het goed zou zijn een afspraak te plannen en dat voorafgaand aan die afspraak nog een optieformulier zou worden toegestuurd. Als een aanvaarding kan dit bericht redelijkerwijs niet worden opgevat en [geïntimeerde] heeft het bericht ook niet als zodanig opgevat. Een overeenkomst is dan ook niet tot stand gekomen. Daarbij komt dat niet valt in te zien dat en waarom uit berichten tussen [geïntimeerde] en [appellant 1] kan worden afgeleid dat een overeenkomst tot stand is gekomen tussen [geïntimeerde] en [appellant 2] . [appellant 2] wordt in deze correspondentie namelijk geheel niet genoemd.

Verder hebben [appellanten] gesteld dat op 8 februari 2019 een overeenkomst tot stand is gekomen, omdat [geïntimeerde] op die datum akkoord heeft gegeven op de inhoud van een presentatie van 24 januari 2019 met de daarin vermelde kosten. Het hof verwerpt dat betoog. De presentatie waarop [appellanten] doelen, is een presentatie die [naam 2] heeft gemaakt om intern een "go" te krijgen om het evenement te laten doorgaan. Die presentatie betreft dus geen aanbod van [appellanten] en zo heeft [geïntimeerde] dat redelijkerwijs ook niet begrepen. Dat in die presentatie kosten staan die zijn gebaseerd op prijzen die [appellanten] enkele dagen daarvoor hadden doorgegeven aan [geïntimeerde] , maakt dit niet anders. Verder is van belang dat uit de presentatie niet volgt wat de concrete verplichtingen over en weer van [geïntimeerde] en [appellanten] zullen zijn. De presentatie bevat niet de essentiële punten van een beoogde overeenkomst en is dus onvoldoende bepaald om te worden aangemerkt als een aanbod. Daarnaast heeft [naam 2] per e-mail aan het reclamebureau Cocomo bericht dat hij intern een "go" had gekregen om het evenement te laten doorgaan. Zelfs als dit moet worden gekwalificeerd als een aanvaarding, is die aanvaarding dus niet gericht aan [appellanten] De omstandigheid dat [naam 1] (van [appellanten] ) in de cc van dat bericht staat, is daarvoor onvoldoende. Bovendien blijkt uit niets dat [appellanten] dit bericht van [naam 2] destijds hebben opgevat als een aanvaarding van een aanbod. Dit wordt onderstreept door het feit dat [appellanten] pas op 20 februari 2019 een (eerste) opzet voor een overeenkomst aan [geïntimeerde] hebben gestuurd en dat [geïntimeerde] dat concept volgens het bericht van 13 maart 2019 bijna volledig heeft aangepast. Van overeenstemming was dus geen sprake.

De conclusie van het voorgaande is dat geen overeenkomst tot stand is gekomen. Bij deze stand van zaken kan het hof in het midden laten welke entiteiten partij zouden zijn geweest bij een eventuele overeenkomst (in het zojuist bedoelde concept van 20 februari 2019 stonden als beoogde contractspartijen Inter-M en [appellant 2] B.V. vermeld).

Geen sprake van onaanvaardbaar afbreken van de onderhandelingen

[appellanten] hebben betoogd dat [geïntimeerde] de onderhandelingen heeft afgebroken op 29 maart 2019, terwijl [appellanten] op dat moment gerechtvaardigd vertrouwden op het totstandkomen van een overeenkomst tussen partijen. Dat was namelijk de datum waarop het contract zou worden getekend en [geïntimeerde] opeens niet meer wilde. Daarna hebben partijen nog wel verder gesproken, maar dat waren schikkingsonderhandelingen, aldus [appellanten] Dit betoog gaat niet op.

In beginsel is ieder van de onderhandelende partijen – die verplicht zijn hun gedrag mede door elkaars gerechtvaardigde belangen te laten bepalen – vrij de onderhandelingen af te breken, tenzij dit op grond van het gerechtvaardigd vertrouwen van de wederpartij in het totstandkomen van de overeenkomst of in verband met de andere omstandigheden van het geval onaanvaardbaar zou zijn (HR 12 augustus 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT7337).

Het hof is van oordeel dat de onderhandelingen niet op 29 maart 2019 zijn afgebroken. Uit de e-mail van [naam 9] van 29 maart 2019 (zie 3.12), die zij heeft gestuurd na afloop van de vergadering op diezelfde dag, blijkt juist dat [geïntimeerde] graag wil dat het project doorgaat en [appellant 2] verder gaat met de organisatie van het project. Uit deze e-mail kan in redelijkheid niet worden afgeleid dat [geïntimeerde] de onderhandelingen op die dag heeft afgebroken. Dat ook [appellanten] het bericht van [naam 9] niet zo hebben opgevat, blijkt uit hun stelling dat zij op 29 maart 2019 van [geïntimeerde] het bericht ontvingen dat er geen enkel misverstand bestaat over het project en dat het project zou doorgaan (memorie van grieven, nr. 4.5.12). Verder volgt uit het handelen van [appellanten] van na die tijd dat zij het bericht van [geïntimeerde] niet heeft opgevat als een afbreken van de onderhandelingen. Zo blijkt uit het bericht van [naam 1] van 16 april 2019 (zie 3.13) dat partijen nog steeds (constructief) in gesprek zijn over de organisatie van het evenement.

Aan het voorgaande doet niet af dat [geïntimeerde] volgens [appellanten] vanaf 29 maart 2019 van koers veranderde en het risico van het evenement wilde verschuiven naar [appellanten] Voor zover daarvan al sprake was (wat [geïntimeerde] gemotiveerd heeft betwist), waren partijen nog in de onderhandelingsfase en het stond [geïntimeerde] dus vrij een dergelijke wijziging voor te stellen. Niet gebleken is dat het voorstellen van een dergelijke wijziging in dit geval onaanvaardbaar was.

De conclusie luidt dan ook dat [geïntimeerde] de onderhandelingen niet heeft afgebroken op 29 maart 2019. Daaruit volgt dat [geïntimeerde] niet op die grond aansprakelijk kan zijn jegens [appellanten]

Geen aanleiding voor vergoeding van gemaakte kosten

[appellanten] hebben gesteld dat zij met lege handen zijn achtergebleven terwijl [geïntimeerde] haar bedrijf verder kan promoten aan de hand van de door [appellanten] volledig uitgewerkte blauwdruk van het evenement. Voor zover [appellanten] vergoeding hebben gevorderd van het negatief contractbelang, is die vordering bij gebreke van een deugdelijke grondslag niet toewijsbaar. Ook voor een vergoeding van de door [appellanten] gemaakte kosten is geen plaats. Het volgende heeft het hof tot deze conclusie gebracht.

Ook als het afbreken van onderhandelingen niet naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is, kunnen zich omstandigheden voordoen op grond waarvan de partij die de onderhandelingen afbreekt, verplicht is (een deel van) de kosten die de wederpartij heeft gemaakt te vergoeden. Dat kan het geval zijn als de partij die de onderhandelingen afbreekt ongerechtvaardigd is verrijkt door werkzaamheden die de wederpartij heeft verricht (artikel 6:212 BW) (HR 14 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:884).

Het hof is van oordeel dat niet is voldaan aan de hiervoor genoemde voorwaarden. Allereerst is niet komen vast te staan dat [geïntimeerde] de onderhandelingen heeft afgebroken. Zoals hiervoor is overwogen, heeft [geïntimeerde] dat in ieder geval niet op 29 maart 2019 gedaan. Mede in het licht van de door [geïntimeerde] genoemde correspondentie waaruit lijkt te volgen dat [appellanten] zelf "de stekker eruit hebben getrokken", hebben [appellanten] onvoldoende gemotiveerd gesteld dat [geïntimeerde] dat op een later moment wel zou hebben gedaan. Daarnaast is niet gebleken dat [geïntimeerde] is verrijkt door de werkzaamheden die [appellanten] hebben verricht. Het evenement is niet doorgegaan en [geïntimeerde] is naar eigen zeggen ook niet van plan dit of een vergelijkbaar evenement te organiseren. [geïntimeerde] heeft dus niets aan de blauwdruk van het evenement. [appellanten] hebben dit onvoldoende weersproken.

Hoewel [appellanten] onmiskenbaar veel tijd en energie hebben besteed aan planvorming voor het mogelijke evenement, is er dus geen grond [geïntimeerde] aansprakelijk te houden voor de kosten die [appellanten] in dat verband stellen te hebben gemaakt.

Slotsom, bewijsaanbod en proceskosten

Uit het voorgaande volgt dat tussen [appellanten] en [geïntimeerde] geen overeenkomst tot stand is gekomen, dat geen sprake is van het ongerechtvaardigd afbreken van de onderhandelingen door [geïntimeerde] en dat voor vergoeding van gestelde kosten geen grond bestaat. De grieven treffen geen doel. Het hof zal het bestreden vonnis bekrachtigen. Er is geen grondslag voor de in hoger beroep gewijzigde vordering van [appellanten] Het hof zal deze vordering dan ook afwijzen. Bij een (verdere) afzonderlijke bespreking van de grieven hebben [appellanten] geen belang omdat dit niet tot een andere beslissing kan leiden.

Het hof verwerpt het bewijsaanbod van [appellanten] , omdat zij geen concrete feiten of omstandigheden te bewijzen hebben aangeboden die tot een andere beslissing kunnen leiden.

Omdat [appellanten] ongelijk krijgen, zal het hof hen hoofdelijk veroordelen in de proceskosten van [geïntimeerde] in hoger beroep. Het hof stelt deze kosten als volgt vast:

- griffierecht

11.379

- salaris advocaat

11.238

(2 punten × € 5.619 (tarief VII))

Totaal

22.617

7. De beslissing

Het hof:

bekrachtigt het bestreden vonnis;

wijst de in hoger beroep gewijzigde vordering van [appellanten] af;

veroordeelt [appellanten] hoofdelijk in de kosten van de procedure in hoger beroep, tot op vandaag aan de kant van [geïntimeerde] vastgesteld op € 22.617 en op € 178 voor nasalaris, te vermeerderen met € 92 voor nasalaris en de kosten van het betekeningsexploot in het geval dat betekening van dit arrest plaatsvindt, te vermeerderen met de wettelijke rente als niet binnen veertien dagen na dit arrest of het verschuldigd worden van de nakosten aan de kostenveroordeling is voldaan;

verklaart de veroordeling onder 7.3 uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. Y. Steeg-Tijms, O.J. van Leeuwen en C.S. Schillemans en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 12 mei 2026.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand