ECLI:NL:GHAMS:2026:1418

ECLI:NL:GHAMS:2026:1418

Instantie Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak 19-05-2026
Datum publicatie 28-05-2026
Zaaknummer 200.340.631/01
Rechtsgebied Civiel recht
Procedure Hoger beroep
Zittingsplaats Amsterdam

Samenvatting

Appellante is er niet in geslaagd om het bewijs te leveren van de door haar gestelde overtredingen van het concurrentiebeding. Het hof wijst de vorderingen van appellante om geïntimeerden te veroordelen tot betaling van boetes in verband met de door haar gestelde overtredingen van het concurrentiebeding daarom af.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I

zaaknummer : 200.340.631/01

zaaknummer hof Den Haag : 200.303.965/01

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 19 mei 2026

in de zaak van

CENTRA-KLIMA B.V.,

gevestigd te Spijkenisse, gemeente Nissewaard,

appellante,

advocaat: mr. Ph. Ekering te Rotterdam,

tegen

1. [geïntimeerde 1] ,

wonende te [plaats 1] , gemeente Nissewaard,

2. [geïntimeerde 2] ,

wonende te [plaats 1] , gemeente Nissewaard,

geïntimeerden,

advocaat: mr. L. van Luipen te Rotterdam.

Partijen worden hierna wederom Centra-Klima en [geïntimeerden] genoemd.

1. De zaak in het kort

Het hof is van oordeel dat Centra-Klima er niet in is geslaagd om het bewijs te leveren van de door haar gestelde overtredingen van het concurrentiebeding. Het hof wijst de vorderingen van Centra-Klima om [geïntimeerden] te veroordelen tot betaling van boetes in verband met de door haar gestelde overtredingen van het concurrentiebeding daarom af.

2. Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

In deze zaak heeft het hof op 1 april 2025 een tussenarrest (hierna: het tussenarrest) gewezen. Voor het verloop van het geding tot die datum wordt naar het tussenarrest verwezen.

Centra-Klima heeft ter uitvoering van de bij het tussenarrest aan haar gegeven bewijsopdracht op 11 juli 2025 en op 4 november 2025 getuigen doen horen. Vervolgens heeft Centra-Klima op 6 januari 2026 een memorie na enquête (met producties) genomen. [geïntimeerden] hebben op 3 februari 2026 een antwoordmemorie na enquête genomen.

Ten slotte is wederom een datum voor het wijzen van arrest bepaald.

3. De verdere beoordeling

Het hof verwijst naar het tussenarrest en blijft bij de inhoud daarvan.

Bij het tussenarrest heeft het hof Centra-Klima toegelaten tot het leveren van bewijs van haar stelling dat [geïntimeerden] het concurrentiebeding hebben overtreden door gedurende de geldingsduur van het concurrentiebeding concurrerende werkzaamheden te verrichten aan de adressen [straat 1] [nummer 1] te [plaats 1] en [plaats 2] [straat 2] [nummer 2] te [plaats 1] .

Ter uitvoering van deze bewijsopdracht heeft Centra-Klima [naam 1] (directeur-eigenaar van Centra-Klima), [naam 2] en [naam 3] opgeroepen om te getuigen op 11 juli 2025. [naam 2] en [naam 3] zijn toen (zonder bericht van verhindering) niet verschenen. Nadat het hof een bevel medebrenging heeft afgegeven, zijn [naam 2] en [naam 3] alsnog als getuigen gehoord op 4 november 2025. Centra-Klima heeft in haar memorie na enquête geconcludeerd dat zij geslaagd is in het leveren van het haar opgedragen bewijs en dat uit de getuigenverhoren blijkt dat [geïntimeerden] het concurrentiebeding hebben overtreden. [geïntimeerden] hebben deze conclusie in hun antwoordmemorie na enquête bestreden.

Het hof is van oordeel dat Centra-Klima de door haar gestelde overtredingen van het concurrentiebeding niet bewezen heeft. Daarbij stelt het hof voorop dat artikel 164 lid 2 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv), zoals dat luidde tot 1 januari 2025, op grond van het overgangsrecht op deze zaak van toepassing is. Dat brengt met zich dat de verklaring van [naam 5] – die als directeur-eigenaar van Centra-Klima als partijgetuige moet worden aangemerkt – beperkte bewijskracht heeft. De verklaring van een partijgetuige kan omtrent door haar te bewijzen feiten immers geen bewijs in haar voordeel opleveren tenzij deze strekt ter aanvulling van onvolledig bewijs. Hiervan is alleen sprake als er aanvullende bewijzen voorhanden zijn die zodanig sterk zijn en zodanig essentiële punten betreffen dat zij de partijgetuigenverklaring voldoende geloofwaardig maken (HR 31 maart 1995, ECLI:NL:HR:1995:ZC1688). Die aanvullende bewijzen zijn er naar het oordeel van het hof niet, zoals uit het navolgende zal blijken.

[straat 1] [nummer 1] te [plaats 1]

Ten aanzien van de gestelde overtreding aan het adres [straat 1] [nummer 1] te [plaats 1] heeft [naam 5] onder meer het volgende verklaard:

“U houdt mij mijn verklaring zoals neergelegd in productie 11 bij de akte van 7 november 2022 voor. Ik blijf bij deze verklaring. Ik was op 6 mei 2022 bij mevrouw [naam 2] thuis. Ik zag de sticker van DNR op de CV-ketel. Mevrouw [naam 2] wees naar de sticker van DNR en gaf aan dat de CV-ketel bij hen in onderhoud was. Ik heb [naam 2] gevraagd hoe lang dat al zo was. Toen heeft zij verklaard DNR altijd te bellen als er iets is. Uit het feit dat zij verklaarde hen altijd te bellen als er iets is, blijkt dat het niet gaat om één incidentele klus, maar dat het al langer gaande was. Het expansievat was een van de elementen van meerdere werkzaamheden die zijn verricht, en die [naam 2] als voorbeeld noemde. Zij bevestigde dat er meerdere werkzaamheden zijn verricht, namelijk onderhouds- en reparatiewerkzaamheden. Zij heeft daarmee bevestigd dat de werkzaamheden binnen de verboden periode zijn verricht na het dienstverband of zelfs tijdens het dienstverband. Onderhoud aan de CV-ketel vindt immers één keer per jaar plaats. Als er op 6 mei 2022 wordt verklaard dat de CV-ketel al enige jaren in onderhoud is, betekent dat dat die werkzaamheden dus in de verboden periode hebben plaatsgevonden. U houdt mij voor dat u niet in de transcriptie kan terugvinden dat sprake was van verschillende werkzaamheden naast het expansievat en de CV-ketel. Dat klopt. [naam 2] heeft genoemd dat het expansievat is vervangen. Het onderhoud heeft ze daarvoor genoemd, maar dat staat niet in de transcriptie, want ik ben pas nadat zij dit heeft gezegd het gesprek gaan opnemen. Ik weet niet hoeveel werkzaamheden dat zijn geweest, maar dat was voordat het expansievat zou zijn vervangen. De thermostaat is door [naam 2] zelf vervangen. Die is twee of drie jaar oud. Dit wijst erop dat de relatie al langer duurt. (…) Bij het doorlezen van de verklaring voeg ik toe dat [naam 2] heeft gezegd dat het expansievat door DNR is vervangen.”

Ten aanzien van de gestelde overtreding aan het adres [straat 1] [nummer 1] te [plaats 1] heeft [naam 2] onder meer het volgende verklaard:

“Centra-Klima is bij mij thuis geweest om een offerte op te maken in verband met het plaatsen van een nieuwe cv-ketel in het huis waar ik woon. Ik weet niet meer op welke datum dat was. Op uw vraag of dat 6 mei 2022 kan zijn geweest, antwoord ik u dat ik dat niet kan zeggen. (…) Op uw vraag hoe ik de [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] ken, antwoord ik u dat ik [geïntimeerde 2] al lang ken omdat onze zoons samen voetbalden en de [geïntimeerde 1] kende ik niet. [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] hadden ten tijde van het bezoek van de [naam 1] geen werkzaamheden voor mij verricht, pas toen de verbouwing van mijn bovenverdieping klaar was hebben zij werk voor mij gedaan. Ik weet niet precies wanneer dat was. Ik schat in medio 2023. U houdt mij voor dat in de opname van het gesprek van 6 mei 2022 door mij is gezegd dat het expansievat eind 2020 begin 2021 zou zijn geplaatst, en dat volgens [geïntimeerde 2] het expansievat in februari 2021 is geplaatst, daarop antwoord ik dat ik dat niet meer weet. Ik weet niet meer wanneer en door wie het expansievat geplaatst is. Op uw vraag wie mijn cv-ketel heeft onderhouden antwoord ik u dat DNR sinds ongeveer 2 jaar het onderhoud van mijn cv-ketel verzorgt. Ik weet niet meer precies wanneer zij daarmee zijn begonnen (…). Op uw vraag of het klopt dat ik tijdens het gesprek van 6 mei 2022 tegen de [naam 1] zou hebben gezegd dat de heren van DNR de cv-ketel al enige jaren onderhouden, antwoord ik u “hell no”. (…) Desgevraagd bevestig ik dat dit mijn cv-ketel is. Het klopt dat daarop een sticker van DNR is geplakt. Op de vraag van [naam 4] hoe het kan dat er op een foto van 6 mei 2022 een sticker van DNR zichtbaar is op de cv-ketel terwijl ik heb verklaard dat DNR pas ongeveer 2 jaar geleden het onderhoud van mijn cv-ketel is gaan verzorgen, antwoord ik dat ik dat niet weet en geen idee heb hoe de sticker op de ketel terecht is gekomen. Misschien heb ik de sticker een keer van [geïntimeerde 2] gekregen. Op de vraag van [naam 4] hoe zich dat verhoudt tot mijn opmerking in het opgenomen gesprek van 6 mei 2022 dat de heren van DNR al enige jaren het onderhoud verzorgen, antwoord ik u dat ik dat niet weet. Het kan best zijn dat ik dat zo gezegd heb maar ik kan de opmerking niet meer plaatsen. (…) Op de vraag van [naam 4] of ik nog iets kan zeggen over de periode dat het expansievat is geplaatst en door wie dat is gedaan, antwoord ik nogmaals dat ik dat niet met zekerheid kan zeggen. Op de vraag van [naam 4] of ik met zekerheid kan zeggen dat het expansievat niet door [geïntimeerde 2] is geplaatst, antwoord ik dat ik dat ook niet meer kan zeggen. Op de vraag van [naam 4] of het klopt dat ik tijdens het gesprek van 6 mei 2022 heb gezegd dat ik altijd [geïntimeerde 2] belde als er wat was, antwoord ik dat ik er geen actieve herinnering aan heb.”

Bij de gestelde overtreding aan het adres van de familie Venema- [naam 2] draait het om twee concurrerende handelingen: het plaatsen van het expansievat en het onderhoud aan de cv-ketel. Voor beide handelingen geldt dat op basis van de verklaringen van de getuigen niet kan worden bewezen dat deze hebben plaatsgevonden gedurende de geldingsduur van het concurrentiebeding, te weten in de periode van 20 december 2019 tot 22 januari 2021 ( [geïntimeerde 1] ) dan wel van 30 november 2019 tot 17 januari 2021 (voor [geïntimeerde 2] ).

Ten aanzien van het onderhoud van de cv-ketel heeft [naam 2] onder ede aanvankelijk stellig ontkend dat zij tijdens het gesprek met [naam 5] heeft opgemerkt dat de cv-ketel al enige jaren in onderhoud is bij DNR, en vervolgens verklaard dat het best zo kan zijn dat zij de opmerking heeft gemaakt maar deze niet meer kan plaatsen. [naam 2] heeft verklaard dat DNR (pas) sinds ongeveer twee jaar het onderhoud van haar cv-ketel verzorgt. Haar verklaring bevat dan ook geen bewijs voor een overtreding van het concurrentiebeding door het verrichten van onderhoud aan haar cv-ketel in de verboden periode. [naam 5] heeft verklaard dat [naam 2] tijdens het gesprek van 6 mei 2022 heeft gezegd dat de cv-ketel al enige jaren in onderhoud is bij DNR, maar hij heeft dit deel van het gesprek niet opgenomen en aan zijn verklaring komt, als partijgetuige, zoals hiervoor al overwogen, beperkte bewijskracht toe. De omstandigheid dat [naam 2] niet heeft kunnen uitleggen waarom er op 6 mei 2022 een sticker van DNR op haar cv-ketel zichtbaar was terwijl DNR volgens haar pas later het onderhoud van die cv-ketel is gaan verzorgen, is onvoldoende om daaruit het bewijs af te leiden dat DNR in de verboden periode werkzaamheden aan de cv-ketel heeft uitgevoerd. Daartoe is het volgende redengevend. [naam 2] heeft verklaard dat zij niet weet hoe die sticker op de cv-ketel terecht is gekomen en dat het mogelijk is dat die sticker op enig moment door [geïntimeerde 2] is geplaatst. [geïntimeerde 2] heeft in zijn memorie van antwoord na verwijzing onder randnummer 10 aangevoerd dat hij in oktober 2021, derhalve na de verboden periode, bij [naam 2] is langs geweest en dat hij toen een sticker van DNR op de cv-ketel heeft geplaatst. De door Centra-Klima als productie 9 bij memorie na enquête overgelegde e-mail van 2 december 2025 van [naam 6] (de voormalige partner van [naam 2] ) werpt ook geen ander licht op de zaak, nu hij daarin aangeeft niet meer te weten op welke datum [geïntimeerde 2] naar hun ketel heeft gekeken en daarvan ook geen facturen meer heeft. De enige factuur van DNR die Venema heeft meegezonden dateert van 26 augustus 2022, ruim na de verboden periode.

Ten aanzien van het expansievat geldt eveneens dat niet is bewezen dat deze door [geïntimeerden] is geplaatst in de verboden periode. [naam 2] heeft herhaaldelijk verklaard dat zij niet meer weet wanneer en door wie het expansievat is geplaatst. Het hof gaat er daarom van uit dat het expansievat eind 2020, begin 2021 is geplaatst, zoals uit de transcriptie van het gesprek van 6 mei 2022 en uit de als productie 4 bij de memorie na enquête overgelegde e-mail van 26 april 2022 blijkt. Op basis van de getuigenverklaringen en de overgelegde stukken is het goed mogelijk dat [geïntimeerden] (zoals zij hebben aangevoerd) het expansievat hebben geplaatst in februari 2021, dat ook kan worden aangemerkt als ‘begin 2021’ maar wel buiten de periode ligt waarin het concurrentbeding gold.

[plaats 2] [straat 2] [nummer 2] te [plaats 1]

Ten aanzien van de gestelde overtreding aan het adres [plaats 2] [straat 2] [nummer 2] te [plaats 1] heeft [naam 5] onder meer het volgende verklaard:

“Ik weet niet precies wanneer ik bij [naam 3] was. Nu ik er nog eens over nadenk wens ik toe te voegen dat ik vasthoud aan de eerder door mij in mijn verklaring genoemde datum. Ik fietste voorbij en zag de sticker van DNR op de airco aan de voorgevel. Ik heb toen aangebeld en naar de airco gevraagd. Ik heb gezegd dat mijn dochter een huis ging kopen en vroeg of je de airco voor aan de gevel mocht plaatsen op grond van de APV [plaats 1] . [naam 3] antwoordde dat hij dat niet wist en wijzend naar de sticker gaf hij aan dat zij alles hadden geregeld. Op uw vraag antwoord ik dat het inderdaad een sticker van DNR was. [naam 3] zei dat de airco al enige tijd hing. Wij hebben samen naar de sticker gekeken en daarop was zichtbaar dat dit type airco uit productiejaar 2019 kwam. Dat was voor [naam 3] aanleiding om te verklaren dat de airco in het najaar is geïnstalleerd. [naam 3] zei dat het dan misschien een nieuwe regeling was die niet van toepassing was op zijn airco omdat die er al een tijdje hing. Desgevraagd verklaar ik dat de door [naam 3] genoemde periode alles behalve een wilde gok was. Ik had de indruk dat hij goed wist wanneer de airco was geïnstalleerd. Ik vroeg of ik een foto mocht maken van de airco en dat stond hij toe. (…) Op vragen van mijn advocaat antwoordde ik dat [naam 3] geen keiharde datum had genoemd, maar wel een gebied. De aanleiding was dat we naar het type plaatje hebben gekeken. Toen heeft hij gezegd september 2019/najaar 2019.”

Ten aanzien van de gestelde overtreding aan het adres [plaats 2] [straat 2] [nummer 2] te [plaats 1] heeft [naam 3] onder meer het volgende verklaard:

“Op uw vraag of ik mij heb voorbereid op dit verhoor, antwoord ik dat ik mij niet echt heb kunnen voorbereiden, maar dat ik nog wel heb kunnen kijken naar de verklaring die ik eerder ten behoeve van deze procedure heb afgelegd. Op uw vraag wanneer ik voor het eerst in contact ben gekomen met Centra-Klima, antwoord ik u dat ik zoals ik in mijn verklaring heb aangegeven in oktober 2012 een contract ben aangegaan met Centra-Gas dat daarna Centra-Klima is gaan heten. In die periode verzorgde Centra-Klima het onderhoud van mijn cv-ketel aan het adres [plaats 2] [straat 2] [nummer 2] . Ik heb het contract met Centra-Klima opgezegd op 8 oktober 2020, toen wijzigden de naam en servicevoorwaarden. DNR is een jaar later in 2021 het onderhoud van mijn cv-ketel gaan verzorgen. Voor zover ik weet is daartussen een gat van een jaar geweest in het onderhoud in de zin dat ik toen geen onderhoudscontract had. Zeker weet ik het niet want mijn vrouw regelde dit, wel weet ik nog dat we in die periode overwogen te verhuizen en dat we daarom ook hebben gewacht met het onmiddellijk aansluitend afsluiten van een nieuw onderhoudscontract voor de cv-ketel. Op 7 oktober 2021 heeft DNR mij een werkbon, koelrapport en onderhoudscontract toegestuurd. Dat is de eerste datum waarop ik afspraken heb gemaakt met DNR.

* getuige toont een mail van 7 oktober 2021 die getuige van [geïntimeerde 2] heeft ontvangen*

Ik ken [geïntimeerde 2] al langer van de voetbal, de [geïntimeerde 1] kende ik aanvankelijk niet maar heb ik leren kennen door zijn werkzaamheden voor Centra-Klima. Ik weet niet meer precies wanneer mijn airco is geïnstalleerd. Volgens mij hebben wij de airco zelf gekocht en laten installeren door iemand die mijn vrouw via werkspot vond. Ik weet niet meer wie dat heeft gedaan, wel weet ik zeker dat het [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] niet waren. Ik weet niet waarom de [naam 1] denkt dat ik hem heb verteld dat de airco eind 2019 begin 2020 is geleverd en geïnstalleerd door DNR, dat is namelijk niet het geval en dat heb ik ook niet zo gezegd. Ik heb geen verdere offertes of facturen van DNR ontvangen voor hun werkzaamheden anders dan die ik u al heb getoond. DNR bood gewoon een totaalpakket aan waarin zowel het onderhoud van de cv-ketel als de airco en de servicebeurt inbegrepen waren.

* [naam 4] houdt getuige productie 7 voor*

[naam 4] vraagt of de verklaring van 23 november 2022 door de getuige is opgesteld.

Daarop antwoord ik dat de verklaring van door mij en mijn vrouw samen is opgesteld en door haar is ondertekend en opgestuurd. Op de vraag of ik nog beschik over de facturen voor de airco, antwoord ik dat ik dat niet zeker weet omdat het langer geleden is en we op enig moment zijn verhuisd, wel ben ik bereid om na dit verhoor na te gaan of mijn vrouw en ik die factuur nog zouden kunnen vinden. Het gaat dan om de facturen zowel voor de koop, als voor de plaatsing van de airco. Op de vraag hoe de facturen daarvoor zijn betaald, antwoord ik dat ik dat niet zeker weet maar dat ik denk dat dat cash is gegaan. Op de vraag wanneer die airco precies is geïnstalleerd, antwoord ik dat ik dat niet meer weet. Ik denk 2021 maar ik kan het niet met zekerheid zeggen. Gelet op het feit dat wij met DNR een totaalpakket hebben afgesproken waaronder ook de airco viel, moet de airco in elk geval voor 7 oktober 2021 geïnstalleerd zijn geweest. Op de vraag wanneer wij het plan hadden om te verhuizen, antwoord ik dat dat plan bestond in 2020 en 2021 maar dat dat toen niet is gelukt. Wij zijn uiteindelijk 1,5 jaar geleden alsnog verhuisd naar het huidige adres. Op de vraag of het niet vreemd is dat ik in 2021 terwijl ik plannen had om te verhuizen, toch een airco heb laten installeren, antwoord ik dat ik dat niet vreemd vond. Sterker nog in die periode heb ik nog de keuken en de badkamer verbouwd. Op de vraag of ik aanwezig was bij de installatie van de airco, antwoord ik dat dat niet het geval was maar dat ik zou hebben geweten als dat was gedaan door de heren van DNR omdat ik daarmee een persoonlijke relatie had via de voetbalclub en ik dat wel zou hebben gehoord. We zagen elkaar in die periode namelijk regelmatig. Wij hebben ook gevraagd of zij de airco voor ons konden installeren maar toen zeiden zij dat dat niet mogelijk was omdat zij nog in dienst waren van Centra-Klima. Op de vraag hoe dat kan aangezien het dienstverband bij Centra-Klima eindigde eind 2019 terwijl ik zojuist heb aangegeven dat de airco in 2021 is geplaatst, antwoord ik dat ik er bij blijf dat de airco in 2021 is geplaatst. (…) Op uw vraag of de factuur van DNR van 7 oktober 2021 ook echt de eerste factuur was die ik van DNR heb gekregen, antwoord ik dat dat klopt. Ik en mijn vrouw hebben voor die datum ook geen andere betalingen zonder factuur aan DNR gedaan.”

Ten aanzien van de airco overweegt het hof dat [naam 3] heeft verklaard niet meer precies te weten wanneer en door wie de airco is geïnstalleerd, maar dat hij zeker weet dat dit niet door [geïntimeerden] is gedaan. [naam 3] heeft een factuur van DNR van 7 oktober 2021 overgelegd en verklaard dat die factuur de eerste is die hij van DNR heeft ontvangen en vervolgens is betaald. [naam 3] heeft onder ede stellig weersproken dat hij tegen [naam 5] zou hebben gezegd dat de airco eind 2019, begin 2020 is geleverd en geïnstalleerd door DNR. Dit maakt dat kan niet worden vastgesteld dat [geïntimeerden] de airco in de verboden periode hebben geplaatst. Dit wordt niet anders doordat [naam 3] ook heeft verklaard dat hij [geïntimeerden] niet heeft gevraagd de airco te plaatsen omdat zij toen nog bij Centra-Klima in dienst waren, welke verklaring niet te rijmen is met zijn verklaring dat de airco in 2021 is geplaatst (toen [geïntimeerden] al langere tijd uit dienst waren). Allereerst is niet ondenkbaar dat getuigen na een tijdsverloop van meerdere jaren niet meer weten wanneer een bepaalde gebeurtenis precies heeft plaatsgevonden. Anders dan Centra-Klima heeft betoogd, maakt deze ongerijmdheid de verklaring van [naam 3] daarom nog niet onbetrouwbaar en maakt evenmin dat daaruit (aanvullend) bewijs volgt dat [geïntimeerden] concurrerende werkzaamheden hebben verricht op het adres van [naam 3] in de verboden periode.

Met betrekking tot het onderhoud van de cv-ketel, ten slotte, geldt dat [naam 3] onder ede heeft herhaald dat het onderhoudscontract met DNR in oktober 2021 is gesloten en in dit verband heeft verwezen naar het desbetreffende contract. De omstandigheid dat uitgaande van deze verklaring tussen de opzegging van het onderhoudscontract met Centra-Klima op 8 oktober 2020 en het aangaan van het contract met DNR een periode ligt van ongeveer een jaar, alsmede het gegeven dat [naam 3] en zijn vrouw plannen hadden om hun woning te verkopen toen zij het onderhoudscontract met DNR afsloten, maakt de verklaring van [naam 3] niet zonder meer ongeloofwaardig. [naam 3] heeft immers ook verklaard dat hij omstreeks die tijd ook de badkamer en de keuken heeft laten verbouwen.

Slotsom

Centra-Klima heeft in haar memorie na enquête betoogd dat de getuigen [naam 2] en [naam 3] [geïntimeerde 2] ook in privé kennen, dat zij als vijandige getuigen moeten worden aangemerkt en dat hun verklaringen op meerdere punten niet geloofwaardig zijn. Hoewel het hof begrijpt dat Centra-Klima bedenkingen heeft bij het waarheidsgehalte van de afgelegde verklaringen en bij de betrouwbaarheid van de getuigen, leidt dit er niet toe dat het bewijs van de door Centra-Klima gestelde overtredingen als geleverd moet worden beschouwd. Centra-Klima heeft immers de bewijslast van de door haar gestelde overtredingen en - naar hiervoor is overwogen - kan het verlangde bewijs niet worden verkregen uit de verklaringen van [naam 2] en [naam 3] en de door Centra-Klima overgelegde nadere producties. Daarmee ontbreekt het benodigde aanvullende bewijs als bedoeld onder 3.4. om de getuigenverklaring van [naam 5] als partij te kunnen gebruiken ten voordele van Centra-Klima.

Het hof is dan ook van oordeel dat Centra-Klima niet is geslaagd in het leveren van bewijs van de door haar gestelde overtredingen aan het adres [straat 1] [nummer 1] te [plaats 1] en het adres [plaats 2] [straat 2] [nummer 2] te [plaats 1] . De vordering van Centra-Klima om [geïntimeerden] ieder voor zich te veroordelen tot betaling van € 20.000,- wegens overtreding van het concurrentiebeding, zal daarom worden afgewezen. Ten aanzien van haar vordering tot veroordeling van [geïntimeerden] in de reële proceskosten heeft het hof onder 5.3. van het tussenarrest al geoordeeld dat deze vordering geen onderdeel uitmaakt van het geschil na verwijzing dat ter beoordeling voorligt. Voor zover Centra-Klima het hof in haar memorie na enquête verzoekt van deze beslissing terug te komen, geldt dat zij niet (voldoende) heeft onderbouwd waarom het hof daartoe zou moeten overgaan, zodat het hof het (herhaalde) verzoek om [geïntimeerden] in de reële proceskosten te veroordelen, afwijst.

Gegeven de omstandigheid dat de Hoge Raad het arrest van 31 januari 2023 van het hof Den Haag heeft vernietigd, zullen de bij dat arrest toegewezen vorderingen van Centra-Klima in onderstaand dictum worden opgenomen omdat [geïntimeerden] tegen de toewijzing van die vorderingen niet zijn opgekomen in cassatie dan wel een daartegen gericht cassatieberoep is verworpen, een en ander overeenkomstig hetgeen het hof reeds onder 5.1. van het tussenarrest heeft overwogen.

De slotsom is dat het vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Rotterdam van 24 september 2021 zal worden vernietigd en de vordering van Centra-Klima zal worden toegewezen, een en ander als hierna te melden. De proceskosten in beide instanties, waaronder begrepen de taxe van de getuigen die door Centra-Klima in de procedure na verwijzing zijn voorgebracht, zullen tussen partijen worden gecompenseerd in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt. Partijen zijn immers in de procedure - zowel vóór als ná cassatie - over en weer op verschillende punten in het ongelijk gesteld. Het meer of anders gevorderde zal worden afgewezen.

4. Beslissing

Het hof:

vernietigt het vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Rotterdam van 24 september 2021 en opnieuw rechtdoende:

veroordeelt Ossel tot betaling aan Centra-Klima van een bedrag van € 20.000,- , te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 25 februari 2021 tot aan de dag der algehele voldoening;

veroordeelt [geïntimeerde 2] tot betaling aan Centra-Klima van een bedrag van € 30.000,- , te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 25 februari 2021 tot aan de dag der algehele voldoening;

veroordeelt [geïntimeerden] tot terugbetaling aan Centra-Klima van al hetgeen zij uit hoofde van het vonnis in eerste aanleg aan [geïntimeerden] heeft betaald;

verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad;

compenseert de proceskosten in beide instanties in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit arrest is gewezen door mrs. R.L. de Graaff, M.L.D. Akkaya en F.J. Bloem en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 19 mei 2026.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand