ECLI:NL:GHAMS:2026:1420

ECLI:NL:GHAMS:2026:1420

Instantie Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak 19-05-2026
Datum publicatie 28-05-2026
Zaaknummer 200.354.724/01
Rechtsgebied Civiel recht
Procedure Hoger beroep
Zittingsplaats Amsterdam

Samenvatting

Incident tot schorsing van de tenuitvoerlegging (van de opgelegde dwangsommen) ex artikel 351 Rv; afwijzing; de dwangsomrechter is op grond van artikel 611d Rv niet het hof maar de rechtbank; er is geen rechtens te respecteren belang meer bij schorsing, omdat aan de veroordelingen waaraan de dwangsommen zijn verbonden is voldaan; voorwaardelijke vermeerdering van eis tot schorsing van de executie van de verbeurde dwangsommen is (ook) in strijd met de goede procesorde; incidentele vordering tot inzage wordt eveneens afgewezen.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I

zaaknummer : 200.354.724/01

zaaknummer rechtbank Amsterdam : C/13/746762 / HA ZA 24-164

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 19 mei 2026

inzake

1. [bedrijf] ,

gevestigd te [plaats] ,

2. [appellant 1],

wonend te [plaats] ,

appellanten in de hoofdzaak,

eisers in het incident,

advocaat: mr. C.A.B. Zeevenhooven te Amsterdam,

tegen

1. VICTUS-SPORTS B.V.,

gevestigd te Naarden,

2. VICTUS-GROUP B.V.,

gevestigd te Naarden,

3. COMPLICE B.V.,

gevestigd te Bussum,

4. AQUITAINE B.V.,

gevestigd te Bussum,

geïntimeerden in de hoofdzaak,

verweersters in het incident,

advocaat: mr. W.J. Moll te Utrecht.

Partijen worden hierna [appellanten] – afzonderlijk: MNBV en [appellant 1] – en Victus c.s.

– afzonderlijk: Victus-Sports, Victus, Complice en Aquitaine – genoemd.

1. Het geding in hoger beroep

[appellanten] zijn bij dagvaarding van 14 april 2025 in hoger beroep gekomen van een vonnis van de rechtbank Amsterdam van 15 januari 2025, onder bovenvermeld zaaknummer gewezen tussen Victus c.s. als eiseressen in conventie, verweersters in reconventie, en [appellanten] als gedaagden in conventie, eisers in reconventie.

Bij tussenarrest van 3 juni 2025 heeft het hof een mondelinge behandeling na aanbrengen bepaald. Deze mondelinge behandeling heeft niet plaatsgevonden.

Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:

- memorie van grieven tevens houdende een incidentele vordering ex artikel 351 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv), met producties, van [appellanten] ;

- conclusie van antwoord in het incident van Victus c.s.;

- akte in het incident tevens akte houdende voorwaardelijke vermeerdering van eis in het incident, met een productie, van [appellanten]

hebben – na voorwaardelijke vermeerdering van eis – incidenteel gevorderd dat het hof de uitvoerbaarheid bij voorraad van het bestreden vonnis, voor zover daarbij aan hen dwangsommen zijn opgelegd, zal schorsen totdat in hoger beroep is beslist. Daarnaast hebben zij verzocht dat het hof zal bepalen dat Victus-Sports binnen veertien dagen na dit arrest volledige inzage dient te geven in haar cijfers en volledige administratie, waaronder tevens begrepen alle in- en verkooporders en zakelijke en financiële afspraken met Victus en haar bestuurders, op straffe van verbeurte van een dwangsom.

Voor het geval dat het hof zal oordelen dat er dwangsommen zijn verbeurd en dat de schorsing om die reden niet kan worden toegewezen, hebben [appellanten] hun eis in het incident voorwaardelijk vermeerderd met een vordering strekkend tot schorsing van de executie van de verbeurde dwangsommen. [appellanten] vorderen verder veroordeling van Victus c.s. in de kosten van het incident, uitvoerbaar bij voorraad.

Victus c.s. hebben geconcludeerd tot niet-ontvankelijkheid van [appellanten] in hun incidentele vorderingen, althans tot afwijzing van die vorderingen, met – uitvoerbaar bij voorraad – veroordeling van [appellanten] in de kosten van het incident, met nakosten en rente.

Ten slotte is arrest gevraagd in het incident.

2. Beoordeling

in het incident

Voor zover voor de beoordeling van de incidentele vorderingen van belang, gaat het in deze zaak om het volgende. Complice, Aquitaine en MNBV (de persoonlijke vennootschap van [appellant 1] ) waren de aandeelhouders van Victus-Sports. Zij hebben in 2020 een aandeelhoudersovereenkomst (hierna: de AHO) met Victus-Sports gesloten. Complice en Aquitaine hebben hun aandelen in Victus-Sports in 2022 ingebracht in Victus tegen uitgifte van aandelen in het kapitaal van Victus.

Bij het bestreden vonnis heeft de rechtbank MNBV veroordeeld tot levering aan Victus-Sports van alle door haar gehouden aandelen in Victus-Sports, tegen gelijktijdige betaling door Victus-Sports van de nominale waarde per aandeel (€ 15,-), en [appellant 1] tot overdracht aan Victus-Sports van de woord- en beeldmerkregistraties zoals deze blijken uit productie 15 bij de inleidende dagvaarding, telkens binnen vijftien dagen na dagtekening van het vonnis. De rechtbank heeft aan beide veroordelingen een dwangsom verbonden van € 5.000,-, te vermeerderen met € 500,- per dag of gedeelte daarvan dat niet aan de veroordeling wordt voldaan tot een maximum van € 50.000,-. De veroordelingen zijn uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

vordering tot schorsing van de uitvoerbaarheid bij voorraad

Kort gezegd stellen [appellanten] ter onderbouwing van hun incidentele vordering tot schorsing van de uitvoerbaarheid bij voorraad dat zij belang daarbij hebben, omdat de rechtbank zich bij haar oordeel geen rekenschap heeft gegeven van de verplichtingen van Victus c.s. uit hoofde van artikelen 13 en 14 van de AHO. Ingevolge die artikelen mogen Victus c.s. zonder de schriftelijke toestemming van [appellant 1] – die hij niet voornemens is zomaar te geven – tot tien jaar na het einde van de AHO niet hun bedrijf maken van het in de markt zetten van supplementen voorzien van het merk Victus en, zo geldt in ieder geval voor Complice en Aquitaine, gedurende een jaar geen concurrerende activiteiten verrichten. Deze patstelling dient eerst door middel van het hoger beroep te worden opgelost. Gelet hierop is het niet (langer) opportuun en/of proportioneel om [appellanten] door het opleggen van dwangsommen te bewegen tot overdracht van de aandelen en merken. Daarbij komt dat Victus c.s. de beweerdelijk verbeurde dwangsommen executeren door onder meer beslagen te leggen, hoewel zij daarbij gelet op de omstandigheden geen belang hebben. Verder is er na het – op dit punt onvoldoende duidelijke – bestreden vonnis tussen partijen een conflict ontstaan over de kosten van de aandelen- en merkenoverdracht, wat tot vertraging heeft geleid. Ook moet worden meegewogen dat het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden in een faillissementsprocedure heeft geoordeeld dat Victus c.s. zich schuldig hebben gemaakt aan misbruik van bevoegdheid. Bovendien bestaat er volgens [appellanten] een restitutierisico, aangezien Victus c.s. steeds betogen in geldnood te verkeren.

Victus c.s. hebben verweer gevoerd op gronden waarop hierna, voor zover van belang, zal worden ingegaan. Zij hebben onder meer aangevoerd dat de aandelen en beeld- en woordmerkregistraties inmiddels aan Victus-Sports zijn geleverd en dat de dwangsommen reeds zijn verbeurd.

Met hun oorspronkelijke incidentele vordering tot schorsing van de uitvoerbaarheid bij voorraad van het bestreden vonnis, voor zover daarbij aan hen dwangsommen zijn opgelegd, lijken [appellanten] het hof te benaderen als dwangsomrechter. De dwangsomrechter is op grond van artikel 611d Rv echter niet het hof maar de rechter die de dwangsommen heeft opgelegd, dat wil zeggen de rechtbank. Voor zover deze incidentele vordering tot schorsing moet worden opgevat als ook gericht tegen de veroordelingen waaraan de dwangsommen zijn verbonden, overweegt het hof het volgende.

De vraag die door het hof moet worden beantwoord bij de beoordeling van deze incidentele vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden vonnis, is of er grond bestaat voor schorsing van de uitvoerbaar bij voorraad verklaarde veroordelingen, waaraan de dwangsommen zijn verbonden. In dit geval, waarin over de uitvoerbaarheid bij voorraad ongemotiveerd is beslist, geldt daarvoor de volgende maatstaf (HR 20 december 2019, ECLI:NL:HR:2019:2026). Uitgangspunt is dat een uitgesproken veroordeling, hangende een hogere voorziening, uitvoerbaar dient te zijn en ten uitvoer kan worden gelegd. Afwijking van dit uitgangspunt kan worden gerechtvaardigd door omstandigheden die meebrengen dat het belang van de veroordeelde bij behoud van de bestaande toestand zolang niet op het door hem ingestelde rechtsmiddel is beslist, ook gegeven dit uitgangspunt, zwaarder weegt dan het belang van degene die de veroordeling in de ten uitvoer te leggen uitspraak heeft verkregen, bij de uitvoerbaarheid bij voorraad daarvan. Bij de toepassing van deze maatstaf moet worden uitgegaan van de beslissingen in de ten uitvoer te leggen uitspraak en van de daaraan ten grondslag liggende vaststellingen en oordelen, en blijft de kans van slagen van het tegen die beslissing aangewende rechtsmiddel buiten beschouwing, met dien verstande dat de rechter in zijn oordeelsvorming kan betrekken of de ten uitvoer te leggen beslissing(en) berust(en) op een kennelijke misslag.

[appellanten] hebben in hun akte erkend dat de aandelen en beeld- en woordmerkregistraties inmiddels aan Victus Sports zijn geleverd. Daarmee is voldaan aan de veroordelingen in het bestreden vonnis waaraan dwangsommen zijn verbonden. Dit brengt mee dat [appellanten] niet langer een rechtens te respecteren belang hebben bij hun oorspronkelijke vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden vonnis, zodat die vordering niet toewijsbaar is.

Voor zover [appellanten] in het kader van het incident nog hebben betoogd dat, in het geval dat de hoofdveroordeling geheel of gedeeltelijk in stand zou blijven, het hof de daaraan verbonden dwangsom kan verminderen of wijzigen, geldt dat dit betoog in de hoofdzaak aan de orde zal komen, waarin zij dat (via grief 16, onder 2.87) ook naar voren hebben gebracht.

Voor het geval dat het hof zal oordelen dat er dwangsommen zijn verbeurd en dat de schorsing om die reden niet kan worden toegewezen, hebben [appellanten] hun eis in het incident voorwaardelijk vermeerderd met een vordering strekkend tot schorsing van de executie van de verbeurde dwangsommen. [appellanten] hebben deze voorwaardelijke vermeerdering van hun eis in het incident kennelijk gebaseerd op artikel 611d Rv en niet langer op artikel 351 Rv. Ook voor deze vordering geldt dat de beoordeling daarvan is aan de rechter is die de dwangsommen heeft opgelegd, in dit geval de rechtbank, en dus niet aan het hof. Verder is het zo dat de vermeerdering noopt tot een geheel nieuw partijdebat en daarom in strijd is met de goede procesorde. Nu de vordering tot schorsing van de executie van de verbeurde dwangsommen reeds daarom niet toewijsbaar is, hoeven Victus c.s., die daartoe nog niet in de gelegenheid waren gesteld, zich hierover niet meer uit te laten.

Op grond van het voorgaande zal de incidentele vordering tot schorsing dan ook worden afgewezen. Wat partijen in dat verband verder hebben aangevoerd, behoeft geen bespreking.

verzoek tot inzage

[appellanten] gronden hun inzageverzoek onder meer op ‘de wet’, waarmee zij naar het hof aanneemt doelen op de – sinds 1 januari 2025 geldende – regeling van artikel 194 e.v. Rv in verband met artikel 6.3 AHO, dat bepaalt “Het Bestuur is gehouden een Aandeelhouder op diens verzoek informatie omtrent de Vennootschap te verstrekken en inzage te geven in de administratie.” Zij gronden hun verzoek voorts op ‘de statuten’, echter zonder concreet aan te duiden welke statutaire bepaling zij op het oog hebben.

[appellanten] verzoeken inzage in de volledige administratie van Victus-Sports. Het hof is van oordeel dat Victus c.s. terecht hebben aangevoerd dat [appellanten] hiermee onvoldoende concreet kenbaar hebben gemaakt om welke gegevens het hen te doen is. Hetgeen [appellanten] ter onderbouwing van hun vordering tot inzage hebben aangevoerd, maakt dit niet anders. [appellanten] zijn niet langer aandeelhouder en kunnen dus aan artikel 6.3 AHO geen rechten meer ontlenen. De stelling van [appellanten] dat zij vorderingen op Victus c.s. hebben en dat sprake is van een positieve rekening-courantverhouding van MNBV – het hof begrijpt: op Victus-Sports – die moeilijk kan worden aangetoond doordat de cijfers niet op orde zijn, brengt nog niet mee dat zij belang hebben bij onbeperkte inzage in de volledige administratie van Victus-Sports.

Ook het incidentele verzoek tot inzage zal dus worden afgewezen.

kosten

Iedere beslissing over de proceskosten zal worden aangehouden.

in de hoofdzaak

De hoofdzaak zal naar de rol worden verwezen voor memorie van antwoord door Victus c.s.

3. Beslissing

Het hof:

in het incident:

wijst de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging af;

wijst het verzoek tot inzage af;

houdt de beslissing over de proceskosten aan tot het eindarrest in de hoofdzaak;

in de hoofdzaak:

verwijst de zaak naar de rol van 30 juni 2026 voor memorie van antwoord door Victus c.s.;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. L. Alwin, P.F.G.T. Hofmeijer-Rutten en K.A.J. Bisschop en is door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 19 mei 2026.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand