GERECHTSHOF AMSTERDAM
afdeling civiel recht en belastingrecht
team I (handel)
zaaknummer : 200.357.996/01
zaak-/rolnummer rechtbank Amsterdam : C/13/767938/KG ZA 25-288
arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 19 mei 2026
in de zaak van
[appellant] ,
wonend in [plaats] ,
appellant,
advocaat: mr. U. Özcan te Den Haag,
tegen
ING BANK N.V.,
gevestigd te Amsterdam,
geïntimeerde,
advocaat: mr. D.A. Apperloo te Utrecht.
Partijen worden hierna [appellant] en ING genoemd.
1. De zaak in het kort
ING heeft haar bankrelatie met [appellant] opgezegd en de bijbehorende bankrekening beëindigd. [appellant] vordert in kort geding herstel daarvan. Het hof oordeelt deze vordering niet toewijsbaar omdat er voldoende aanwijzingen zijn dat de betrokken bankrekening met medeweten van [appellant] werd gebruikt voor het plegen van strafbare feiten.
2. Het geding in hoger beroep
[appellant] is bij dagvaarding van 30 juni 2025 in hoger beroep gekomen van een vonnis van 3 juni 2025 van de voorzieningenrechter in de rechtbank Amsterdam, onder bovenvermeld zaaknummer gewezen tussen [appellant] als eiser en ING als gedaagde (hierna: het bestreden vonnis).
Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:
- memorie van grieven;
- memorie van antwoord.
Op 3 april 2026 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden. De advocaten hebben de zaak toegelicht aan de hand van spreekaantekeningen die zij hebben overgelegd.
Ten slotte is arrest gevraagd.
3. Feiten
Het hof gaat uit van de volgende feiten.
[appellant] had een reguliere bankrekening bij ING. ING heeft deze bankrekening eind maart 2024 beëindigd nadat zij [appellant] had ingelicht dat zij vermoedde dat hij fraude had gepleegd met deze bankrekening. Samengevat zijn er volgens ING meerdere keren verdachte bedragen bijgeschreven op zijn rekening, die [appellant] vervolgens heeft doorgeboekt of na het verhogen van zijn paslimiet (direct) heeft opgenomen.
In maart 2024 heeft [appellant] bij ING een aanvraagformulier voor een basisbankrekening ingediend op grond van het Convenant inzake een pakket primaire betaaldiensten (hierna: de Convenantrekening). ING heeft hem deze Convenantrekening (met [nummer 1] ) verleend.
Op 7 juni 2024 is er een bedrag van € 1.850,00 bijgeschreven op de Convenantrekening van [appellant] . Vijf minuten daarna heeft [appellant] zijn paslimiet gewijzigd naar € 4.900,00 en direct daarna heeft [appellant] het bedrag van € 1.850,00 contant opgenomen. ING heeft telefonisch contact opgenomen met [appellant] en ING heeft daarvan de volgende notitie gemaakt:
“meneer geeft aan de opnames zelf te hebben gedaan geeft aan geld te verwachten omdat hij content maakt voor snapchat en dat hij daarvoor betaald krijgt geeft aan schulden te hebben zou gelden ontvangen voor verkoop van content.”
Op 11 juni 2024 heeft een persoon aangifte gedaan bij de politie van “Whatsappfraude”, ook wel “Hulpvraagfraude” (een vorm van WhatsAppfraude waarbij fraudeurs zich voordoen als een bekende/dierbare van hun slachtoffer en daardoor gelden proberen afhandig te maken). In de aangifte staat, voor zover relevant:
“Waarom vroeg de oplichter om uw hulp?: Hey mam, dit is mijn nieuwe nummer mijn mobiel werkt niet meer. Kan je een berichtje sturen via Whatsapp. wa.me/+ [nummer 2]
(…)
Weet u het bankrekeningnummer waarnaar u het bedrag heeft overgemaakt?: Ja
Bankrekeningnummer andere partij: [nummer 3]
Naam rekeninghouder andere partij: [appellant] ”
Welke omschrijving staat er bij deze betaling op uw rekeningafschrift?: NAAM [appellant] (…)”
Op 11 juni 2024 heeft nog een tweede persoon aangifte gedaan van hulpvraagfraude, deze persoon heeft geen geld overgemaakt. In de aangifte staat, voor zover relevant:
“(…) Het bankrekeningnummer dat genoemd werd door mijn zogenaamde zoon in het WhatsApp gesprek. Dat is: [nummer 3] op naam van [appellant] (…)”
Bij brief van 11 juni 2024 heeft ING [appellant] bericht dat zij de Convenantrekening per direct heeft geblokkeerd en zijn persoonsgegevens heeft opgenomen in het Intern Verwijzingsregister (IVR), Extern Verwijzingsregister (EVR) en het Incidentenregister (IR) voor een periode van 8 jaar. Zij heeft ook medegedeeld dat zij voornemens is om de Convenantrekening te beëindigen omdat [appellant] (samengevat) het vertrouwen van ING heeft geschaad, omdat ING meent dat hij ook met de Convenantrekening fraude heeft gepleegd:
“(…) Je Betaalrekening is naar voren gekomen in een onderzoek naar oplichting. Op 7 juni 2024 is er een bedrag op je rekening bijgeschreven van een andere rekening. De rekeninghouder van de tegenrekening heeft op basis van misleiding opdracht gegeven voor deze overboekingen en gaat hiervan aangifte doen bij de politie. Hierdoor is het vertrouwen in de klantrelatie ernstig geschaad. Daarom nemen wij afscheid van jou als klant. (…)”
[appellant] heeft bezwaar gemaakt tegen beëindiging van zijn Convenantrekening. In zijn eerste reactie van 26 juni 2024 schrijft hij (samengevat) dat hij de bankrekening nodig heeft voor ontvangst van zijn salaris en om financiële verplichtingen na te komen en dat hij nooit heeft geweten dat het geld afkomstig was van fraude. In een tweede bezwaarbrief schrijft hij onder meer:
“(…) De betaling was naar aanleiding van mijn online verkoopactiviteiten via Snapchat, waar ik foto’s verkocht. Omdat de betalingen via een anoniem platform als Snapchat kwamen, had ik geen mogelijkheid om te verifiëren waar het geld precies vandaan kwam. Zodra ik mij bewust werd van de mogelijke risico’s, heb ik mijn activiteiten onmiddellijk stopgezet. (…)”
Op 4 juli 2024 heeft [appellant] een derde reactie met zijn bezwaar naar ING gestuurd:
“(…) Op 07-06-2024 ontving ik een bedrag van 1850€ van een persoon genaamd [naam 1] . Ik had deze persoon leren kennen via Snapchat en had regelmatig contact met haar. Zij stelde voor om mij geld te sturen in ruil voor het sturen van pikante foto’s. Dit voorstel werd gedaan op een moment dat ik in financiële nood verkeerde en schulden had.
(…)
Daarnaast wil ik hierbij officieel aangifte doen van deze fraude bij de politie. Ik ben bereid om alle relevante bewijzen te overleggen, waaronder de communicatie met de betrokken persoon en bankafschriften van de ontvangen bedragen. (…)”
ING heeft vervolgens aan [appellant] gevraagd om de aangifte en de op Snapchat gevoerde gesprekken met haar te delen. [appellant] heeft daarop niet gereageerd.
Bij brief van 19 juli 2024 heeft ING het bezwaar van [appellant] afgewezen en gemeld dat de Convenantrekening binnen drie maanden na dagtekening van de brief zal worden beëindigd.
ING heeft de Convenantrekening op 18 oktober 2024 beëindigd.
In februari 2025 heeft [appellant] weer contact opgenomen met de ING en gevraagd of hij een betaalrekening bij ING kon openen. ING heeft dit verzoek afgewezen en hem (samengevat) verteld dat hij bij herhaling fraude heeft gepleegd, eerst met de reguliere bankrekening en daarna met de Convenantrekening.
Partijen (en hun advocaten) hebben nog enige tijd gecorrespondeerd over het verstrekken van een betaalrekening. ING heeft bij brief van 15 mei 2025 (uitgebreid) toegelicht wat er is gebeurd en gemeld dat ING daarom alleen bereid is een zogenaamde beheerrekening voor [appellant] te openen als er een onderbewindstelling wordt uitgesproken.
4. Procedure bij de rechtbank
Samengevat heeft [appellant] bij de rechtbank gevorderd om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
I. ING op straffe van een dwangsom te veroordelen om de opheffing van de reguliere betaalrekening dan wel de Convenantrekening van [appellant] ongedaan te maken, of de bankrekening(en) zo nodig te deblokkeren, zodat [appellant] weer gebruik kan maken van zijn bankrekening;
II. ING te veroordelen de persoonsgegevens van [appellant] te (doen) verwijderen uit het IR, het IVR en het EVR;
III. ING te veroordelen in de proces- en nakosten, te vermeerderen met wettelijke rente.
De voorzieningenrechter heeft de gevraagde voorzieningen geweigerd, met veroordeling van [appellant] in de kosten.
5. Vordering in hoger beroep
[appellant] vordert vernietiging van het bestreden vonnis en alsnog – uitvoerbaar bij voorraad – toewijzing zijn vorderingen, met veroordeling van ING in de kosten van het geding in beide instanties met nakosten en rente.
Volgens ING moet het hof de vorderingen van [appellant] afwijzen en het vonnis bekrachtigen, met – uitvoerbaar bij voorraad – veroordeling van [appellant] in de kosten van het geding in hoger beroep met nakosten.
6. Beoordeling
[appellant] heeft geen spoedeisend belang bij zijn vordering tot herstel van zijn reguliere bankrekening (hiervoor, 3.2), gegeven dat hij nadien een Convenantrekening heeft aangevraagd en verkregen (vlg. ook het vonnis van de voorzieningenrechter, 4.3). Daarom zal het hof alleen de vorderingen tot herstel van zijn Convenantrekening en tot ongedaanmaking van de EVR-, IR- en IVR-registraties beoordelen.
Het hof stelt voorop dat indien een bank, zoals in dit geval, gebruikmaakt van een overeengekomen bevoegdheid tot beëindiging van de relatie, de rechtsgeldigheid daarvan moet worden beoordeeld aan de hand van de overeenkomst en de maatstaf van artikel 6:248 lid 2 BW. Een opzegging is niet rechtsgeldig indien het gebruikmaken van die bevoegdheid, gelet op de omstandigheden van het geval, naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is.
De voorzieningenrechter heeft in het bestreden vonnis onder meer het volgende overwogen:
“4.5. Het vermoeden dat [appellant] fraude heeft gepleegd met/door middel van zijn Convenantrekening blijkt (in ieder geval) voldoende uit de omstandigheden rond het in juni 2024 overgeboekte bedrag van € 1.850,02 op de rekening van [appellant] (zie 2.3 en 2.4 => hiervoor, 3.4-3.5, hof). Het staat vast dat ten aanzien van deze overboeking aangifte is gedaan van Hulpvraagfraude en dat daarbij het rekeningnummer van [appellant] is genoemd (er is zelfs nog een tweede aangifte over Hulpvraagfraude waarbij het rekeningnummer van [appellant] is genoemd). Vijf minuten na de overboeking is € 1.800 contant opgenomen met de betaalpas van [appellant] , waarbij in één keer de juiste pincode is ingevoerd. [appellant] heeft ook niet betwist dat hij het geld heeft opgenomen.
Vervolgens heeft [appellant] een inconsistent verhaal verteld over de reden van de overboeking en de opname. Eerst gaf hij aan niet te weten dat het geld afkomstig is van fraude (zie 2.7 => hiervoor, 3.8, hof). Vervolgens heeft hij gezegd dat de betaling gedaan was naar aanleiding van zijn online verkoopactiviteiten via Snapchat, waar hij foto’s verkocht (zie 2.7 => hiervoor, 3.8, hof) en dat hij niet heeft kunnen vaststellen van wie het geld afkomstig was. Daarna gaf hij aan dat hij € 1.850 had ontvangen van een persoon genaamd [naam 1] , die hij via Snapchat had leren kennen en dat zij had voorgesteld om hem geld te sturen in ruil voor pikante foto’s (zie 2.8 => hiervoor, 3.9, hof). Tot slot heeft [appellant] in de dagvaarding vermeld dat hij is benaderd door een vriend, [naam 2] . [naam 2] zou niet hebben gewild dat de gelden die hij via Snapchat had gegenereerd op zijn eigen bankrekening werden bijgeschreven, waarna [appellant] zijn Convenantrekening ter beschikking zou hebben gesteld.
Ten eerste zijn de verhalen van [appellant] ongeloofwaardig, alleen al om dat deze telkens anders en/of onderling tegenstrijdig zijn. Bovendien heeft hij geen van de verhalen, bijvoorbeeld door onderbouwing met stukken, aannemelijk gemaakt.”
In het hoger beroep bestrijdt [appellant] deze overwegingen van de voorzieningenrechter met de stelling dat (i) ING de door haar gestelde fraude of althans de (opzettelijke) betrokkenheid van [appellant] daarbij onvoldoende heeft onderbouwd en (ii) de verklaringen van [appellant] niet inconsistent zijn. Het hof volgt [appellant] hierin niet. De betaling door de benadeelde op de Convenantrekening en de direct daaropvolgende contante opname van die rekening van nagenoeg hetzelfde bedrag door [appellant] , zijn niet in geschil. Dat de betaling het gevolg was van fraude heeft ING onderbouwd met de desbetreffende aangifte. De verklaringen van [appellant] over zijn ontvangst van het geld zijn inconsistent, zoals de voorzieningenrechter terecht heeft overwogen: eerst zei hij niet te weten van wie het geld afkomstig was, toen dat het van [naam 1] zou komen, voor hemzelf, en vervolgens dat het van [naam 2] zou zijn. Anders dan [appellant] stelt zijn dit geen preciseringen, maar onderling strijdige verklaringen. Het hof onderschrijft het hiervoor weergegeven oordeel van de voorzieningenrechter en maakt dit tot het zijne.
Volgens [appellant] heeft de voorzieningenrechter verder miskend dat de beëindigingsgrond van artikel 4:71i lid 1 sub f van de Wet op het financieel toezicht (Wft) ziet op het opzettelijk gebruik van de bankrekening voor het plegen van strafbare feiten, en dat hiervan in dit geval geen sprake is. Ook dit bezwaar verwerpt het hof. ING betwist dat de Convenantrekening in dit geval tevens een basisbetaalrekening was in de zin van § 4.3.1.8 Wft (en dat zij gebonden zou zijn aan de limitatieve beëindiginggronden van artikel 4:71i Wft), maar dit kan in het midden blijven. Uit het hiervoor in 6.4 overwogene is namelijk voldoende aannemelijk dat [appellant] de Convenantrekening opzettelijk heeft gebruikt voor het plegen van strafbare feiten, en dat aldus de opzeggingsgrond van artikel 4:71i lid 1 sub f Wft zich voordeed.
Op grond van het voorgaande is het hof daarom voorshands van oordeel dat ING de Convenantrekening rechtsgeldig heeft beëindigd.
[appellant] vraagt ook om ongedaanmaking van de EVR-, IR- en IVR-registraties, maar vergeefs. Voor de opzettelijke betrokkenheid van [appellant] bij de hiervoor besproken fraude bestaan naar het voorlopig oordeel van het hof ten minste ernstige verdenkingen, d.w.z. méér dan een redelijk vermoeden van schuld. ING heeft voldoende toegelicht, en [appellant] onvoldoende gemotiveerd bestreden, dat de registraties in overeenstemming zijn met het Protocol Incidentenwaarschuwingen Financiële Instellingen. Overigens heeft [appellant] onvoldoende concrete feiten naar voren gebracht waaruit volgt welk spoedeisend belang [appellant] heeft bij zijn vordering tot ongedaanmaking van de registraties van ING, mede gegeven de bestaande EVR-registraties van SNS (Volksbank/ASN) en Knab. [appellant] heeft niet gesteld dat verwijdering van die registraties ophanden is.
Slotsom, kosten en bewijsaanbod
Het hoger beroep heeft geen succes. Het bestreden vonnis wordt bekrachtigd. [appellant] is in het hoger beroep in het ongelijk gesteld en zal daarom worden veroordeeld in de proceskosten in hoger beroep. Het hof stelt de proceskosten in hoger beroep aan de zijde van ING als volgt vast:
- griffierecht € 827,-
- salaris advocaat € 2.580,- (tarief II, 2 punten)
Totaal € 3.407,-
7. Beslissing
Het hof:
bekrachtigt het bestreden vonnis;
veroordeelt [appellant] in de proceskosten in hoger beroep, tot nu vastgesteld op € 3.407,-, en tot betaling van € 189,- voor nasalaris, te vermeerderen met € 98,- voor nasalaris en de kosten van het betekeningsexploot als niet binnen veertien dagen na dit arrest aan de kostenveroordeling is voldaan en betekening van dit arrest plaatsvindt;
verklaart deze veroordeling uitvoerbaar bij voorraad;
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit arrest is gewezen door mrs. J.W. Frieling, S.C.H. Molin en D. Busch en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 19 mei 2026.