ECLI:NL:GHAMS:2026:1430

ECLI:NL:GHAMS:2026:1430

Instantie Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak 04-05-2026
Datum publicatie 28-05-2026
Zaaknummer 200.367.486
Rechtsgebied Civiel recht
Procedure Hoger beroep
Zittingsplaats Amsterdam

Samenvatting

Ontruiming van een zogeheten ‘derdelander’ uit de opvang voor ontheemden uit Oekraïne. De Regeling opvang ontheemden Oekraïne schept geen bevoegdheid voor de Gemeente tot de feitelijke ontruiming. De Gemeente is daarvoor aangewezen op de civiele procedure. Dat betekent dat het hof bevoegd is. Dat er (bestuursrechtelijk) bezwaar is gemaakt bij de Gemeente maakt dat niet anders. Artikel 3 IVRK. De ontruiming zal niet tot gevolg hebben dat de belangen van de kinderen zodanig worden geraakt dat ontruiming achterwege moet blijven. De kinderen worden niet ontruimd, zij zullen met hun moeder in de opvang blijven wonen en hun vader kunnen blijven zien. Het hof volgt de rechtbank grotendeels, maar komt tot een andere formulering van het dictum.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team 1

zaaknummer : 200.367.486/01

Zaaknummer rechtbank Noord-Holland : C/15/375424 / KG ZA 26-108

proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de meervoudige burgerlijke kamer van 4 mei 2026,

inzake

[appellant] ,

wonend te [plaats] , gemeente Bloemendaal,

appellant,

advocaat: mr. J. Sprakel te Haarlem,

tegen

GEMEENTE BLOEMENDAAL,

gevestigd te Overveen, gemeente Bloemendaal,

geïntimeerde,

advocaat: mr. D.A. Fransen te 's-Gravenhage.

Partijen worden hierna [appellant] en de Gemeente genoemd.

Tegenwoordig zijn:

Mr. G.J.W. Pulles - voorzitter

Mr. J.C.W. Rang - raadsheer

Mr. A.L. Bervoets - raadsheer

Mr. S. Flipse - griffier

Verschenen zijn:

aan de zijde van appellant:

- Mr. Sprakel voornoemd;

aan de zijde van geïntimeerde:

1. Het geding in hoger beroep

Bij vonnis van 7 april 2026, onder bovenvermeld zaaknummer gewezen tussen de Gemeente als eiseres en [appellant] als gedaagde, heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Noord-Holland, zittingsplaats Haarlem, samengevat, de vorderingen van de Gemeente toegewezen en [appellant] veroordeeld om uiterlijk binnen vijf werkdagen na betekening van het vonnis het appartement met nummer [nummer 2] in de opvanglocatie aan het adres [straat] [nummer 1] te ( [postcode] ) [plaats] (hierna: de woonruimte) en onder achterlating van de kinderen leeg en ontruimd in een schone staat, te verlaten, met medeneming van de aan hem toebehorende en in de woonruimte aanwezige spullen, op straffe van een dwangsom. De voorzieningenrechter heeft [appellant] ook in de proceskosten van de Gemeente veroordeeld.

[appellant] is bij appeldagvaarding van 13 april 2026 in hoger beroep gekomen van het bestreden vonnis. In de dagvaarding zijn ook de grieven opgenomen. [appellant] heeft, na wijziging van eis, geconcludeerd dat het hof – voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

Primair: het bestreden vonnis zal vernietigen, en voor zover mogelijk zelf in deze zaak zal voorzien;

Subsidiair: zal bepalen dat de ontruiming niet eerder mag plaatsvinden dan nadat er deugdelijk onderzoek is gedaan naar de belangen van de kinderen en hoe de ouders deze in gezamenlijkheid vorm kunnen geven (in andere woorden het lopende proces bij het CJG af te wachten);

III. Meer subsidiair: zal bepalen dat de ontruiming niet eerder mag plaatsvinden dan nadat voor [appellant] alternatieve passende opvang beschikbaar is in de gemeentelijke opvang waarin hij zijn taken als ouder kan uitoefenen.

VI. Primair, subsidiair en meer subsidiair: de Gemeente zal veroordelen in de proceskosten en nakosten in beide instanties.

Het hof heeft – vanwege de korte termijn van het hoger beroep – aan de Gemeente te kennen gegeven dat zij verweer kon voeren tijdens de mondelinge behandeling.

Tijdens de mondelinge behandeling van 17 april 2026 hebben de advocaten van partijen het woord gevoerd, beiden aan de hand van overgelegde spreekaantekeningen. Partijen hebben hun standpunten toegelicht en vragen van het hof beantwoord. Tijdens de mondelinge behandeling zijn aantekeningen gemaakt van wat partijen hebben gezegd, die zo nodig in een apart proces-verbaal worden uitgewerkt. Na een schorsing en hervatting van de mondelinge behandeling heeft het hof aan partijen medegedeeld dat het zich nog onvoldoende voorgelicht achtte over de belangen van de kinderen, en bepaald dat de mondelinge behandeling op 4 mei om 14.00 uur zou worden voortgezet. Het verloop van de mondelinge behandeling van 17 april is in een ander proces-verbaal schriftelijk weergegeven.

Bij akte van 30 april 2026 heeft de Gemeente producties 2 tot en met 12 overgelegd. Bij akte van 1 mei 2026 heeft de Gemeente productie 13 overgelegd. Bij e-mail van 4 mei 2026 heeft [appellant] producties 8 en 9 overgelegd.

Tijdens de mondelinge behandeling van 4 mei 2026 hebben de advocaten van partijen hun standpunten toegelicht en vragen van het hof beantwoord. Na een schorsing en hervatting van de mondelinge behandeling heeft het hof mondeling uitspraak gedaan, die in dit proces-verbaal schriftelijk wordt weergeven.

2. Beoordeling

Het hof gaat uit van de feiten zoals die blijken uit het bestreden vonnis.

Grieven 1 en 2 richten zich tegen het oordeel van de voorzieningenrechter dat de Gemeente een spoedeisend belang heeft, dat de civiele rechter bevoegd is hoewel er ook een bestuursrechtelijke procedure loopt en dat de zaak geschikt is voor behandeling in kort geding. Deze grieven slagen niet. Dat licht het hof als volgt toe.

Bevoegdheid

Vaststaat dat [appellant] niet voor opvang in de zin van de Richtlijn Tijdelijke Bescherming (2001/55/EG) (hierna: RTB) in aanmerking komt. Hij heeft daarom geen recht op opvang op grond van de Regeling opvang ontheemden Oekraïne. Dat betekent dat hij zonder recht verblijft in de opvanglocatie.

De Regeling opvang ontheemden Oekraïne schept geen bevoegdheid voor de Gemeente tot de feitelijke verwijdering van [appellant] uit de opvanglocatie. De Gemeente is daarvoor aangewezen op de civiele procedure. Alleen daarmee kan zij in dit geval een executoriale titel verkrijgen waarmee feitelijk kan worden bewerkstelligd dat [appellant] de opvanglocatie verlaat.

Dat betekent dat het hof bevoegd is om te oordelen over de gevorderde ontruiming.

Verhouding tot het bestuursrechtelijke traject

Anders dan [appellant] heeft betoogd maakt het feit dat hij (bestuursrechtelijk) bezwaar heeft gemaakt bij de Gemeente niet dat de civiele rechter onbevoegd is. In de eerste plaats is er nog geen beroep ingesteld bij de bestuursrechter. Bovendien oordeelt het hof dat de omstandigheden van dit geval geen aanleiding geven de bestuursrechtelijke procedure af te wachten.

Daarbij is in de eerste plaats van belang dat, zoals het hof hieronder nader zal toelichten, de Gemeente een spoedeisend belang heeft bij een oordeel over het ontruimen van de opvanglocatie door [appellant] . Het afwachten van de uitkomst van de bestuursrechtelijke procedure zou een aanzienlijke vertraging tot gevolg hebben, terwijl voldoende aannemelijk is dat een spoedig oordeel noodzakelijk is. Daarnaast speelt mee dat niet in geschil is dat [appellant] op grond van de geldende regelgeving zonder recht verblijft in de opvanglocatie. Naar het oordeel van het hof ligt het daarom niet in de lijn der verwachting dat in de bestuursrechtelijke procedure zal worden geoordeeld dat [appellant] wel in de opvanglocatie zal mogen blijven wonen.

Spoedeisend belang

De voorzieningenrechter heeft geoordeeld dat de zaak spoedeisend is omdat Stepanenko niet naar de opvanglocatie kan terugkeren zo lang [appellant] daar verblijft en de huidige opvang van Stepanenko niet veel langer beschikbaar zal zijn. Het hof neemt dat oordeel over en voegt daar het volgende aan toe. Het gaat hier om woonruimte die ter beschikking wordt gesteld in het kader van de opvang van ontheemden uit Oekraïne. Het is voldoende vast komen te staan dat er voor deze opvang een (lange) wachtlijst is en dat de woonruimte, bij toewijzing van de vordering, na de ontruiming zal worden toegewezen aan hulpbehoevenden die hiervoor in aanmerking komen en er recht op hebben. Daarnaast heeft de Gemeente voldoende onderbouwd vanaf 7 mei 2026 een hotel voor Stepanenko te moeten bekostigen indien [appellant] de woonruimte dan niet heeft verlaten.

Het voorgaande betekent dat de Gemeente een spoedeisend belang heeft bij de ontruimingsvordering.

De zaak leent zich voor kort geding

[appellant] heeft aangevoerd dat deze zaak te complex is voor behandeling in kort geding, omdat daarin ook de belangen van de kinderen van [appellant] en Stepanenko een rol spelen. Dat betoog slaagt niet. Met de voorzieningenrechter is het hof van oordeel dat in deze zaak (alleen) de vraag moet worden beantwoord of [appellant] de opvanglocatie moet verlaten. Daarvoor is een kortgedingprocedure geschikt. Het hof voegt daaraan toe dat dat ook geldt voor het beoordelen van de bij de ontruiming betrokken belangen van de kinderen. Dat daarmee rekening is gehouden blijkt uit het bestreden vonnis en uit de hierna weer te geven overwegingen van het hof.

De inhoudelijke beoordeling

Met grieven 3 en 4 betoogt [appellant] , in de kern, dat de voorzieningenrechter onvoldoende rekening heeft gehouden met de belangen van de kinderen. [appellant] heeft in dat kader betoogd dat Stepanenko niet in staat is om goed voor de kinderen te zorgen. Wanneer [appellant] uit de opvanglocatie zou vertrekken zouden de belangen van de kinderen daarom worden geschaad.

Artikel 3 van het Internationaal Verdrag voor de Rechten van het Kind (IVRK) geeft de rechter de opdracht om in zaken waarbij kinderen zijn betrokken bijzonder gewicht toe te kennen aan de belangen van deze kinderen.

Voorop staat dat in dit geding geen ontruiming van de kinderen voorligt. Zij zullen ook bij ontruiming van [appellant] in de opvanglocatie blijven wonen, samen met Stepanenko, die de opvanglocatie dan weer zal betrekken. De vraag die het hof daarom moet beantwoorden is of de ontruiming van [appellant] tot gevolg zal hebben dat de belangen van de kinderen zodanig worden geraakt dat ontruiming achterwege zou moeten blijven, zoals [appellant] heeft betoogd. Het hof is voorshands van oordeel dat dat niet het geval is en in zoverre falen de grieven. Dat oordeel is gebaseerd op het volgende.

De voorzieningenrechter heeft overwogen dat Stepanenko bereid en in staat is om de zorg voor de kinderen vorm te geven. Het hof neemt dit oordeel over en voegt daar het volgende aan toe. De Gemeente heeft aanvullende verklaringen overgelegd van het Centrum Jeugd en Gezin (CJG), van Stepanenko en van de begeleiding binnen de opvanglocatie. Het hof acht het op grond van deze verklaringen en op grond wat de Gemeente verder in deze procedure naar voren heeft gebracht, voldoende aannemelijk dat het scenario waarin Stepanenko na de ontruiming van [appellant] in de opvanglocatie gaat wonen en voor de kinderen zal en kan zorgen, realistisch en verantwoord is. Het hof ziet in wat door [appellant] met betrekking tot de verklaringen is aangevoerd geen aanleiding om aan de inhoud van deze verklaringen te twijfelen.

Het hof wil wel aannemen dat het voor de kinderen belastend kan zijn wanneer [appellant] vertrekt, maar naar het oordeel van het hof worden hun belangen daardoor niet zodanig geraakt dat daardoor een noodsituatie ontstaat die van dien aard is dat ontruiming van [appellant] achterwege moet blijven. Ook anderszins is niet gebleken van bijzondere omstandigheden die maken dat de ontruiming, gelet op de belangen van de kinderen, achterwege moet blijven.

Daarbij speelt ook mee dat de kinderen [appellant] zullen kunnen blijven zien. Dat [appellant] mogelijk niet direct nieuwe woonruimte zal kunnen vinden en mogelijk niet voor langere tijd bij zijn broer zal kunnen verblijven, weegt niet op tegen het belang van de Gemeente bij ontruiming.

De grieven van [appellant] richten zich ook tegen de beslissing van de voorzieningenrechter dat [appellant] de opvanglocatie moet ontruimen met achterlating van de kinderen. Vast staat dat het achterlaten van de kinderen bij de ontruiming in eerste aanleg niet door de Gemeente was gevorderd. Ter zitting van het hof heeft de Gemeente bevestigd dit ook niet te (hebben) willen vorderen. Het voorgaande betekent dat de grief in zoverre slaagt.

Dwangsom

Grief 5 richt zich tegen de door de voorzieningenrechter opgelegde dwangsom en de ontruimingstermijn van vijf dagen. [appellant] betoogt dat deze excessief zijn.

Met betrekking tot de dwangsom heeft de Gemeente ter zitting toegelicht dat zij geen aanspraak wenst te maken op verbeurde dwangsommen tot de op donderdag 7 mei 2026 om 9.30 uur aangezegde ontruiming. Het hof zal daarom de hele veroordeling die hierop betrekking heeft vernietigen en deze opnieuw formuleren. De hoogte van de door de voorzieningenrechter opgelegde dwangsom acht het hof niet onredelijk.

Gelet op het feit dat [appellant] vanaf 7 april 2026, de datum van het bestreden vonnis, al rekening heeft moeten houden met ontruiming acht het hof een ontruimingstermijn van twee dagen redelijk.

Slotsom en kosten

[appellant] zal als de overwegend in het ongelijk gestelde partij in de kosten van het hoger beroep worden veroordeeld.

3. Beslissing

Het hof:

vernietigt het bestreden vonnis voor wat betreft de veroordeling onder 5.1;

en in zoverre opnieuw rechtdoende:

veroordeelt [appellant] om uiterlijk op donderdag 7 mei 2026 om 9.00 uur de woonruimte met nummer [nummer 2] in de opvanglocatie aan het adres [straat] [nummer 1] te ( [postcode] ) [plaats] , kadastraal bekend Bentveld sectie A 4204, leeg en ontruimd in een schone staat, te verlaten, met medeneming – enkel – van de aan hem toebehorende en in de woonruimte aanwezige spullen en achterlating van alle overige spullen,

dit op straffe van een dwangsom van € 250,00 per dag of gedeelte van een dag dat [appellant] hiermee na ommekomst van de genoemde termijn in gebreke blijft, met een maximum aan de te verbeuren dwangsommen van € 5.000,00;

veroordeelt [appellant] in de kosten van dit hoger beroep, aan de zijde van de gemeente begroot op € 827,00 aan verschotten en € 2.580,00 voor salaris en op € 189,00 voor nasalaris, te vermeerderen met € 98,00 voor nasalaris en de kosten van het betekeningsexploot ingeval betekening van deze beschikking plaatsvindt;

verklaart deze veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders gevorderde;

bekrachtigt het vonnis voor het overige.

Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal dat conform artikel 29a lid 3 Rv is ondertekend door de voorzitter.

------------------------------

voorzitter

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand