ECLI:NL:GHAMS:2026:1468

ECLI:NL:GHAMS:2026:1468

Instantie Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak 19-05-2026
Datum publicatie 28-05-2026
Zaaknummer 200.366.587/01
Rechtsgebied Civiel recht
Procedure Hoger beroep
Zittingsplaats Amsterdam

Samenvatting

Het verzoek van schuldenaar om toegelaten te worden tot de schuldsaneringsregeling is ook in hoger beroep niet toewijsbaar. De omstandigheid dat schuldenaar binnen vijf jaar voorafgaand aan het verzoek onherroepelijk is veroordeeld ter zake van poging tot afpersing en diefstal met geweld, beide gepleegd in vereniging, tot onder meer betaling van een schadevergoeding aan de benadeelde partij, staat aan toelating in de weg. Het beroep van schuldenaar op de hardheidsclausule wordt verworpen omdat niet of onvoldoende is gebleken van een gedragsverandering of een zekere (persoonlijke) ontwikkeling die zich uitbetaalt in het feit dat schuldenaar de situatie die hem in financiële problemen heeft gebracht voldoende onder controle heeft. Ook overigens heeft schuldenaar blijk gegeven van een niet saneringsgezinde houding, hetgeen een afzonderlijk grond is voor afwijzing van zijn verzoek. Volgt bekrachtiging vonnis.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I

zaaknummer : 200.366.587/01

rekestnummer rechtbank : NL:TZ:2504133:R-RK

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 19 mei 2026

in de zaak van

[appellant] ,

wonende te [plaats] ,

appellant,

advocaat: mr. C.C.W. Plaat te Ede.

1. Het geding in hoger beroep

Appellant wordt hierna [appellant] genoemd.

[appellant] is bij op 20 maart 2026 ter griffie van het hof ingekomen beroepschrift in hoger beroep gekomen van het vonnis van de rechtbank Noord-Holland, zittingsplaats Alkmaar, van 12 maart 2026, waarbij het verzoek van [appellant] tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling is afgewezen.

Het hoger beroep is behandeld ter zitting van 12 mei 2026. Bij die behandeling is [appellant] verschenen, bijgestaan door mr. Plaat voornoemd, die het beroepschrift mondeling heeft toegelicht.

Het hof heeft kennisgenomen van het beroepschrift met bijlagen, het dossier van de rechtbank, waaronder het proces-verbaal van de zitting in eerste aanleg, het evaluatieverslag toezicht van Reclassering Nederland, GGW Team Alkmaar, van 16 april 2026 en het aanvullend beroepschrift van 11 mei 2026. [appellant] heeft verklaard eveneens te beschikken over de genoemde stukken.

2. Beoordeling

[appellant] heeft in het beroepschrift onder aanvoering van één grief verzocht het vonnis van de rechtbank te vernietigen en de wettelijke schuldsaneringsregeling alsnog op hem van toepassing te verklaren. Daartoe heeft [appellant] - samengevat en voor zover voor de beslissing van belang - het volgende aangevoerd. De rechtbank heeft ten onrechte overwogen dat onvoldoende aannemelijk is geworden dat hij zich zal houden aan de verplichtingen van de schuldsaneringsregeling en zich zal inspannen om inkomsten ten behoeve van de schuldeisers te verwerven. [appellant] stelt dat het enkele feit dat hij (nog) een taakstraf moet uitvoeren, niet betekent dat hij niet (volledig) kan voldoen aan de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende arbeidsverplichting. [appellant] heeft zich ten doel gesteld de resterende (duur van de) taakstraf op korte termijn uit te voeren en te voltooien. Daarnaast betwist [appellant] dat hem als (bijzondere) voorwaarde bij zijn voorwaardelijke vrijheidsstraf de verplichting is opgelegd zich onder behandeling van de GGZ te stellen. Blijkens het vonnis van de rechtbank Noord-Holland, Team Straf, zittingsplaats Haarlem, van 26 november 2024 is van een dergelijke verplichting geen sprake.

Verder heeft [appellant] in het aanvullend beroepschrift een beroep gedaan op de hardheidsclausule van artikel 288, derde lid, van de Faillissementswet (Fw).

[appellant] stelt dat sprake is van een bestendige gedragsverandering sinds het einde van zijn detentie, waardoor de omstandigheden waaronder de schulden zijn ontstaan onder controle zijn gebracht. Zijn onderneming is uitgeschreven uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel. Ook heeft [appellant] in het kader van zijn resocialisatie de training cognitieve vaardigheden gevolgd en met succes afgerond. Deze training is van grote betekenis geweest voor zijn huidige functioneren met onder meer een laag recidiverisico als resultaat. Volgens [appellant] is op vrijwel alle leefgebieden sprake van duurzame stabiliteit. Hij beschikt over eigen woonruimte en heeft een sociaal netwerk. Daarnaast is sprake van budgetbeheer, waardoor geen nieuwe schulden zijn ontstaan. Ook is zijn psychische gesteldheid duurzaam verbeterd. Er is geen sprake meer van stemmingswisselingen, noch van middelengebruik. Het langdurige toezicht van en de begeleiding door de reclassering kunnen worden afgebouwd. [appellant] is gemotiveerd zich in te spannen om weer arbeidsgeschikt te worden en de verdere behandeling die daarvoor nodig is, te ondergaan. Zodra zijn belastbaarheid dit toelaat, wil [appellant] graag weer aan het werk. Hij bereidt zich voor om in de toekomst weer aan het arbeidsproces deel te nemen, aldus [appellant] .

Het hof overweegt als volgt. Ingevolge artikel 288, tweede lid en onder c Fw dient een verzoek om toelating tot de schuldsaneringsregeling te worden afgewezen indien de schuldenaar schulden heeft die, zoals in onderhavige zaak het geval is, voortvloeien uit een onherroepelijke veroordeling als bedoeld in artikel 358, vierde lid, Fw ter zake van een of meer misdrijven, welke veroordeling onherroepelijk is geworden binnen vijf jaar vóór de dag waarop het verzoekschrift is ingediend. Onder de in artikel 358, vierde lid, Fw bedoelde veroordelingen zijn begrepen strafrechtelijke veroordelingen tot betaling van een schadevergoeding aan een benadeelde partij als bedoeld in artikel 51a van het Wetboek van Strafvordering. Blijkens het al eerder genoemde vonnis van 26 november 2024 is [appellant] ter zake van een poging tot afpersing in vereniging en diefstal met geweld, gepleegd in vereniging op 24 mei 2022, onder meer veroordeeld tot een gevangenisstraf van 24 maanden waarvan 18 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren met aftrek van voorarrest, en tot een taakstraf van 180 uur die bestaat uit het verrichten van onbetaalde arbeid subsidiair 90 dagen hechtenis. Tevens is [appellant] veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 7.970,52, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 24 mei 2022 tot aan de dag der algehele voldoening, aan de benadeelde partij ter zake van schadevergoeding. Gesteld noch gebleken is dat [appellant] tegen dit vonnis hoger beroep heeft ingesteld waardoor het vonnis onherroepelijk is geworden. Daarmee staat vast dat [appellant] een of meer schulden heeft die voortvloeien uit een onherroepelijke veroordeling als bedoeld in artikel 358, vierde lid, Fw ter zake van een of meer misdrijven, en dat deze veroordeling minder dan vijf jaar vóór de indiening van het verzoek onherroepelijk is geworden. Dit feit staat aan toelating van [appellant] tot de schuldsaneringsregeling in de weg. De omstandigheid dat, anders dan de rechtbank heeft overwogen, aan [appellant] als bijzondere voorwaarde bij zijn voorwaardelijke vrijheidsstraf niet de verplichting is opgelegd dat hij zich onder behandeling van de GGZ dient te stellen, doet aan het voorgaande niet af.

Met betrekking tot het in het aanvullend beroepschrift gedane beroep van [appellant] op de hardheidsclausule overweegt het hof als volgt. De hiervoor onder 2.2 gestelde omstandigheden alsmede dat [appellant] sinds 4 december 2024 onder budgetbeheer staat van [naam] en dat sindsdien niet is gebleken van nieuwe schulden, zijn weliswaar stappen in de goede richting maar op dit moment nog onvoldoende om te concluderen dat sprake is van een gedragsverandering of een zekere (persoonlijke) ontwikkeling die zich uitbetaalt in het feit dat [appellant] de situatie die hem in financiële problemen heeft gebracht voldoende onder controle heeft. Daartoe is het volgende redengevend. Allereerst is ter zitting in hoger beroep gebleken dat [appellant] de hem opgelegde taakstraf van 180 uur tot op heden nog niet volledig heeft verricht en dat dit te wijten is aan het feit dat hij meermalen niet is verschenen op afspraken. Dit laatste heeft er zelfs toe geleid dat de zaak opnieuw aan de strafrechter is voorgelegd die - anders dan het Openbaar Ministerie die vervangende hechtenis had gevorderd - heeft bepaald dat [appellant] (toch) nog een kans krijgt het nog openstaande deel van 79 uur uit te voeren. Voorts is ter zitting in hoger beroep gebleken dat [appellant] in 2025 is aangehouden ter zake van rijden onder invloed en dat hij in verband daarmee een herkeuring heeft ondergaan teneinde zijn rijbewijs te behouden. Uit onder meer deze gang van zaken alsmede de herhaaldelijke verklaring van [appellant] dat hij nog steeds kampt met depressieve klachten waardoor hij moeite heeft (gehad) om uit bed te komen, blijkt dat bij [appellant] thans sprake is van mentale problematiek en dat het van groot belang is dat [appellant] professionele hulp inschakelt om deze problematiek aan te pakken zoals hij zelf ook heeft erkend. Gelet hierop kan niet worden geoordeeld dat de situatie van [appellant] thans zodanig stabiel en bestendig is dat toepassing van de schuldsaneringsregeling op de voet van artikel 288, derde lid, Fw aan de orde is. De omstandigheid dat de reclassering in het kader van het toezicht - door de strafrechter als bijzondere voorwaarde bij het onder 2.3 genoemde strafvonnis opgelegd - een positief verloop ziet, is onvoldoende om tot een ander oordeel te komen aangezien dat toezicht veeleer is gericht op resocialisatie en het verkleinen van de kans op recidive en bovendien nog voortduurt tot 10 december 2026. In verband met het laatste wijst het hof erop dat, zoals blijkt uit het hiervoor bedoelde strafvonnis, [appellant] zich op dit moment nog in de door de strafrechter aan hem in november 2024 opgelegde proeftijd van 2 jaren bevindt.

Onverminderd het voorgaande heeft [appellant] bovendien niet aannemelijk gemaakt dat hij de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen naar behoren zal nakomen en zich zal inspannen zoveel mogelijk baten voor de boedel te verwerven (artikel 288, eerste lid, aanhef en onder c, Fw), hetgeen een zelfstandige grond vormt voor afwijzing van het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling. Immers, gebleken is dat [appellant] al langere tijd geen arbeid in loondienst verricht. [appellant] heeft weliswaar verklaard dat hij graag wil werken maar hij heeft geen sollicitatiebewijzen overgelegd waaruit volgt dat hij pogingen heeft gedaan om aan een betaalde baan te komen. Evenmin heeft [appellant] anderszins blijk gegeven actief op zoek te zijn geweest naar betaalde arbeid. Voor zover [appellant] stelt dat zijn depressieve klachten het voor hem moeilijk maken zich hiertoe te zetten, kan die stelling hem niet baten. Daartoe overweegt het hof als volgt. Uit het rapport van Kooreman & Compaan Psychologen van 7 maart 2025 blijkt onder meer dat [appellant] mentale klachten heeft en dat het advies is om te starten met therapeutische behandeling in combinatie met vrijwilligerswerk ter vermindering van zijn klachten. Ook in de beschikking van [naam] van 22 december 2025 waarin [appellant] wegens dringende redenen een tijdelijke ontheffing (tot en met 31 maart 2026) heeft gekregen, wordt gesproken van mentale beperkingen. Ondanks deze mentale problematiek heeft [appellant] niet aantoonbaar hulp gezocht mede met het oog op arbeidsinschakeling. En dat terwijl nota bene [appellant] het advies dan wel de opdracht kreeg een afspraak te maken met het oog op passende hulpverlening in verband waarmee ook de GGZ is genoemd. Vanaf maart 2025 tot op de zitting bij de rechtbank op 3 maart 2026 heeft [appellant] verklaard ‘binnenkort een afspraak te hebben of te zullen gaan maken met het oog hierop’. Echter, zoals onder meer blijkt uit de e-mail van [naam] van 13 januari 2026 is er in dit verband niets aantoonbaars gebeurd. Dit nalaten dat ter zitting in hoger beroep met [appellant] is besproken en door hem is erkend, kan [appellant] worden aangerekend omdat de hiervoor bedoelde inspanningsverplichting erin bestaat dat hij zich dient in te spannen om weer arbeidsgeschikt te worden althans beschikbaar te zijn voor de arbeidsmarkt (HR van 27 mei 2011, NJ 2011, 256). Met deze feiten en omstandigheden heeft [appellant] naar het oordeel van het hof blijk gegeven van een niet of althans onvoldoende saneringsgezinde houding.

Mede gelet op de zware verplichtingen die aan de schuldsaneringsregeling zijn verbonden, is het van belang dat [appellant] in de komende periode verder werkt aan de stabilisatie van zijn persoonlijke situatie. Indien hij op termijn met stukken voldoende aannemelijk kan maken dat zijn situatie een meer bestendige en stabiele wending heeft genomen, staat het hem vrij opnieuw een verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling aan de rechter voor te leggen.

De slotsom is dat de grief faalt en dat het verzoek van [appellant] tot toelating tot de schuldsaneringsregeling ook in hoger beroep niet toewijsbaar is. Het vonnis van de rechtbank zal worden bekrachtigd.

3. Beslissing

Het hof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep.

Dit arrest is gewezen door mrs. M.L.D. Akkaya, L.Th.L.G. Pellis en D.L.M.T. Dankers-Hagenaars en in het openbaar uitgesproken op 19 mei 2026 in tegenwoordigheid van de griffier.

Van dit arrest kan gedurende acht dagen na de dag van de uitspraak beroep in cassatie worden ingesteld door middel van een verzoekschrift in te dienen ter griffie van de Hoge Raad

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand