ECLI:NL:GHAMS:2026:1469

ECLI:NL:GHAMS:2026:1469

Instantie Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak 06-05-2026
Datum publicatie 28-05-2026
Zaaknummer 200.367.205/01
Rechtsgebied Civiel recht
Procedure Hoger beroep
Zittingsplaats Amsterdam

Samenvatting

Schuldenares komt in hoger beroep tegen de beslissing van de rechtbank tot tussentijdse beëindiging van de schuldsaneringsregeling. Het hof oordeelt dat zij haar schuldeisers heeft benadeeld door het grootste deel van de overwaarde van haar woning aan haar kinderen te voldoen en kort voordat zij werd toegelaten tot de schuldsanering zonder enig overleg een dure leaseovereenkomst voor een auto is aangegaan. Deze tekortkomingen rechtvaardigen in beginsel beëindiging van de regeling. Anders dan de rechtbank ziet het hof echter aanleiding de schuldsaneringsregeling niet te beëindigen, maar te verlengen met 18 maanden en te bepalen dat schuldenares € 14.930,00 aan de boedel moet afdragen.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I

zaaknummer : 200.367.205/01

insolventienummer rechtbank : C15/26/1008

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 6 mei 2026

in de zaak van

[appellante] ,

wonende te [plaats] ,

appellante,

advocaat: mr. E.H. van den Pol te Purmerend.

Appellante wordt hierna [appellante] genoemd.

1. Het geding in hoger beroep

[appellante] is bij op 7 april 2026 ter griffie van het hof ingekomen beroepschrift in hoger beroep gekomen van het vonnis van de rechtbank Noord-Holland, zittingsplaats Haarlem, van 31 maart 2026, waarbij de rechtbank de toepassing van de schuldsaneringsregeling ten aanzien van [appellante] tussentijds heeft beëindigd.

Het hoger beroep is behandeld ter zitting van 28 april 2026. Bij die behandeling is [appellante] verschenen, bijgestaan door mr. Van den Pol voornoemd, die het beroepschrift heeft toegelicht. Voorts is de bewindvoerder in de schuldsaneringsregeling, J.A. Awater verschenen.

Het hof heeft kennisgenomen van het beroepschrift, het dossier van de rechtbank, waaronder de processen-verbaal van de zittingen in eerste aanleg van 5 augustus en 18 december 2025, het aanvangsverslag van de bewindvoerder van 3 februari 2026 en de brief van de bewindvoerder van 20 april 2026. [appellante] en de bewindvoerder hebben verklaard eveneens te beschikken over deze stukken.

2. Beoordeling

[appellante] is bij vonnis van 15 januari 2026 toegelaten tot de wettelijke schuldsaneringsregeling, met als aanvangsmoment 1 november 2025. Zij verzoekt in hoger beroep om het bestreden vonnis te vernietigen en haar alsnog in staat te stellen de schuldsaneringsregeling te voltooien. Daartoe heeft [appellante] het volgende aangevoerd. Zij erkent dat zij zich op een aantal punten niet aan de voorwaarden van de schuldsaneringsregeling heeft gehouden, maar zij meent dat de gevolgen van een tussentijdse beëindiging onevenredig zwaar zijn. Volgens haar kan worden afgedongen op de ernst van de gestelde tekortkomingen. Bovendien heeft zij de mogelijkheid om de gevolgen van de tekortkoming binnen het kader van de regeling te compenseren. Ten aanzien van de verweten aanschaf van een leaseauto heeft [appellante] aangevoerd dat deze noodzakelijk was om extra werkzaamheden te kunnen verrichten, inkomen te genereren en aldus aflossingscapaciteit te creëren ten behoeve van de boedel. Voorts heeft zij met de overwaarde van haar woning een schuld aan haar kinderen afgelost. Haar kinderen hadden als compensatie vanwege het zogenoemde toeslagenschandaal € 12.000,00 ontvangen. Dat geld heeft zij van haar kinderen geleend en geïnvesteerd in haar eigen beauty-onderneming, waarvan de slechte resultaten uiteindelijk hebben bijgedragen aan haar financiële ondergang. Gelet op de aard van de schuld aan haar kinderen is het feit dat zij hen vanuit de overwaarde heeft afgelost, volgens [appellante] niet onbegrijpelijk. Daarnaast heeft [appellante] aangevoerd dat de gemeente [plaats] gedurende het minnelijk traject onvoldoende expliciet erover is geweest dat zij ook toen al de verplichtingen uit de schuldsaneringsregeling strikt moest naleven. Beëindiging van de regeling acht zij niet in het belang van de schuldeisers, temeer nu zij in mei een baan in loondienst heeft aangenomen in de zorg voor 32 uur per week en daarmee spaarcapaciteit heeft. Een eventuele benadeling van schuldeisers kan volgens [appellante] worden ondervangen door een verlenging en/of door het opleggen van een aanvullende aflossingsverplichting binnen de schuldsaneringsregeling.

De bewindvoerder heeft in hoger beroep het volgende naar voren gebracht. In de periode tussen de toelatingszitting van 18 december 2025 en de toelating tot de schuldsaneringsregeling op 15 januari 2026 heeft [appellante] een leaseauto aangeschaft met een lease van € 710,00 per maand. Indien een auto al noodzakelijk was voor haar werk, had zij volgens de bewindvoerder een aanzienlijk goedkopere, tweedehands auto kunnen aanschaffen. De leaseauto is inmiddels ingeleverd en de voortijdige teruglevering heeft geleid tot een nieuwe schuld van € 2.930,00. Volgens de bewindvoerder is het wellicht begrijpelijk dat [appellante] ervoor heeft gekozen om (het grootste deel van) de overwaarde van haar woning te gebruiken om het van haar kinderen geleende geld dat deze hadden gekregen op grond van de toeslagenaffaire aan haar kinderen terug te betalen, maar dit heeft er wel toe geleid dat haar overige schuldeisers voor € 12.000,00 zijn benadeeld. Het voorstel van [appellante] om de schuldsaneringsregeling te verlengen, zodat de € 12.000,00 alsnog in de boedel kan vloeien, acht de bewindvoerder onvoldoende concreet. De bewindvoerder meent dat een plan van aanpak moet worden opgesteld waaruit blijkt hoe en wanneer de € 12.000,00 alsnog in de boedel zal vloeien. Gezien de huidige situatie sluit de bewindvoerder zich aan bij het oordeel van de rechtbank en adviseert zij het hof het bestreden vonnis te bekrachtigen.

Het hof stelt bij zijn beoordeling voorop dat - zoals in het bijzonder blijkt uit artikel 350, derde lid, Faillissementswet (Fw) - uit de wettelijke schuldsaneringsregeling voor de schuldenaar verplichtingen voortvloeien, die hun grond vinden in de doelstelling van die wet. Deze doelstelling komt erop neer dat natuurlijke personen die in een uitzichtloze financiële positie zijn gekomen de kans moet worden geboden weer met een schone lei verder te gaan. Daar staat echter tegenover dat van de schuldenaar een actieve medewerking aan een doeltreffende uitvoering van de schuldsaneringsregeling wordt gevergd. Van het ontbreken van de vereiste medewerking kan, onder meer, sprake zijn indien de schuldenaar zijn informatie- en/of sollicitatieplicht niet nakomt dan wel een boedelachterstand en/of bovenmatige nieuwe schulden heeft laten ontstaan.

Op grond van het dossier en het verhandelde ter zitting in hoger beroep is het hof van oordeel dat [appellante] ernstig is tekortgeschoten in meerdere uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen. Het hof overweegt daartoe als volgt.

Allereerst heeft [appellante] haar schuldeisers benadeeld doordat zij, nadat zij in het minnelijk traject bij de gemeente haar eigen woning had verkocht, van de overwaarde van haar woning, een bedrag van € 15.028,02 dat zij op 2 oktober 2025 heeft ontvangen, slechts

€ 3.028,00 heeft overgemaakt aan de gemeente [plaats] . Het resterende bedrag heeft zij gebruikt voor de terugbetaling van de hiervoor bedoelde schuld aan haar kinderen. Daarmee heeft zij haar kinderen bevoordeeld boven de overige schuldeisers. Zij had moeten begrijpen dat dit bedrag ten goede diende te komen aan de gezamenlijke schuldeisers en aan de boedel had moeten worden afgedragen. Hiervan had uitdrukkelijk melding gemaakt moeten worden bij het verzoek om toelating tot de schuldsanering. Uit de stukken blijkt niet dat dit is gebeurd en het is [appellante] dan ook te verwijten dat dit is verzwegen. Op de voet van artikel 350 lid 3 aanhef en onder f Fw levert dit een grond op voor tussentijdse beëindiging van de schuldsanering. Tegelijkertijd past hierbij de kanttekening dat ook de gemeentelijke schuldhulpverlening dit aan de rechtbank eigener beweging had moeten melden bij het mede door haar ondertekende verzoek om toelating. Bovendien had de dienst meteen in oktober 2025 [appellante] erop moeten wijzen dat de volledige overwaarde diende te worden afgedragen.

In de tweede plaats is [appellante] te verwijten dat door haar toedoen een nieuwe vermijdbare schuld is ontstaan doordat zij kort voordat zij werd toegelaten tot de schuldsanering op 15 januari 2026 zonder enig overleg een dure leaseovereenkomst voor een auto is aangegaan. Nadat zij bij vonnis van 15 januari 2026 tot de wettelijke schuldsaneringsregeling was toegelaten, heeft de bewindvoerder haar uitdrukkelijk meegedeeld dat het aangaan van een dergelijke verplichting niet was toegestaan en dat de overeenkomst diende te worden beëindigd. Als gevolg van de voortijdige beëindiging is een schuld aan de leasemaatschappij ontstaan van € 2.930,00 exclusief btw. Op de voet van artikel 299 lid 1 aanhef en onder b Fw werkt de regeling ten aanzien van deze schuld. Van een nieuwe bovenmatige schuld in de zin van artikel 350 lid 3 aanhef en onder d Fw is aldus geen sprake. Dat laat onverlet dat [appellante] met deze handelwijze geen blijk heeft gegeven van een saneringsgezinde houding. Op de voet van artikel 350 lid 3 aanhef, onder c Fw kan de regeling om deze reden eveneens tussentijds worden beëindigd.

De gezamenlijke schuldeisers zijn door het handelen van [appellante] voor een bedrag van € 14.930,00 benadeeld.

Ter zitting heeft [appellante] verklaard dat zij het leasecontract voor de auto is aangegaan omdat zij, zoals zij in het verleden altijd heeft gedaan, naast haar baan ook in de nacht wilde gaan werken als verzorgende in de verslavingszorg. Daarvoor had zij een goede, betrouwbare auto nodig. Zij zou dat nog steeds graag willen gaan doen om zodoende extra te kunnen sparen voor de schuldeisers. Langs deze weg ziet zij een mogelijkheid om de boedel voor haar verwijtbaar handelen te compenseren. Verder heeft zij toegelicht dat zij met het draaien van extra nachtdiensten als zelfstandige in het verleden altijd goed verdiende. Zodoende kon zij indertijd ook een eigen woning kopen, temeer omdat zij zelf als slachtoffer van de toeslagenaffaire een schadeloosstelling van in totaal circa € 100.000,00 had ontvangen. Toen zij de woning kocht, wilde zij in de garage bij haar woning een beautysalon beginnen. Daarvoor is zij leningen aangegaan, onder andere bij ING voor de verbouwing van de garage (thans bijna € 94.770,42) en bij leveranciers van apparatuur (thans bedragen van € 32.977,39 en € 45.568,21). Dat is mislukt doordat zij een burn out kreeg nadat haar ex-partner (de vader van haar kinderen) ernstig ziek werd en kwam te overlijden en ook haar broer ernstig ziek werd, waardoor zij niet meer kon werken.

De bewindvoerder heeft ter zitting verklaard dat een baan van 32 uur in de zorg geldt als een volledige baan. Indien [appellante] daarnaast, op eigen initiatief, ook nog in de nacht zou willen gaan werken, zou er sprake zijn van een extra afdraagcapaciteit. Naar het hof begrijpt zou langs deze weg het door het handelen van [appellante] ontstane tekort in de boedel van € 14.930,00 kunnen worden gecompenseerd.

De hiervoor bedoelde tekortkomingen leiden in beginsel ertoe dat de schuldsaneringsregeling tussentijds moet worden beëindigd, zoals de rechtbank heeft geoordeeld. Niettemin ziet het hof op grond van het verhandelde ter zitting in hoger beroep aanleiding om de schuldsaneringsregeling niet te beëindigen, maar de looptijd van de schuldsaneringsregeling op de voet van artikel 349a lid 3 Fw te verlengen met 18 maanden. In haar persoonlijke omstandigheden, het gegeven dat zij ter zitting er blijk van heeft gegeven haar fouten in te zien en haar bereidheid zich in te zetten om de boedel te compenseren, ziet het hof aanleiding [appellante] een laatste kans te geven.

Gedurende de looptijd van in totaal 36 maanden zal [appellante] het door haar handelen ontstane tekort in de boedel van in totaal € 14.930,00 aan de boedel moeten vergoeden. Dit kan zij doen door naast haar op 15 mei 2026 startende fulltime baan in de zorg (32 uur per week) via extra (uitzend)werk in de nacht extra afdrachtcapaciteit te creëren. Zolang zij het hiervoor bedoelde tekort van € 14.930,00 niet volledig heeft gecompenseerd, zal haar afdrachtverplichting uitsluitend over haar vaste salaris worden berekend. Gedurende de looptijd van de regeling kan het meer verdiende worden ingezet om de boedel te compenseren. Een en ander zal in nauw overleg met de bewindvoerder moeten gebeuren. Voor zover het voor de uitoefening van haar werkzaamheden noodzakelijk is om over een auto te beschikken, zal daarover in overleg met de bewindvoerder en de rechter-commissaris, met inachtneming van de daarvoor geldende regels, een beslissing moeten worden genomen.

De looptijd van de schuldsaneringsregeling zal worden verlengd met 18 maanden vanaf het einde van de reguliere looptijd van de schuldsaneringsregeling (1 mei 2027), dus tot 1 november 2028. In die periode zal het door toedoen van [appellante] ontstane tekort in de boedel van in totaal € 14.930,00 moeten worden ingelopen. Na afloop van de verlengde termijn zal beoordeeld worden of [appellante] daadwerkelijk alle verplichtingen uit de schuldsaneringsregeling is nagekomen en of aan haar de schone lei kan worden verleend.

Indien het [appellante] onverhoopt niet mocht lukken het totale bedrag van € 14.930,00 binnen de verlengde looptijd van de regeling af te dragen, zal de rechter-commissaris of de rechtbank op basis van de dan bekende feiten kunnen beslissen of en hoe het restant aan de boedel moet worden vergoed, zo nodig met nogmaals een verlenging van de looptijd.

De slotsom is dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, dat het verzoek tot tussentijdse beëindiging van de schuldsaneringsregeling alsnog wordt afgewezen, en dat de looptijd van de schuldsaneringsregeling wordt verlengd met achttien maanden. Bovendien zal [appellante] een bedrag van in totaal € 14.930,00 aan de boedel moeten afdragen. Het hof wijst [appellante] er nogmaals op dat gedurende de termijn van de verlenging alle uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen voor haar onverkort van kracht blijven.

3. Beslissing

Het hof:

vernietigt het vonnis waarvan beroep en opnieuw rechtdoende:

- wijst het verzoek tot tussentijdse beëindiging van de toepassing van de schuldsaneringsregeling af;

- verlengt de termijn van de schuldsaneringsregeling met in totaal 18 maanden, zodat de termijn gedurende welke de schuldsaneringsregeling van kracht is eindigt op 1 november 2028,

- bepaalt dat [appellante] gedurende de verlengde looptijd naast haar reguliere afdrachtverplichting een bedrag van € 14.930,00 aan de boedel moet afdragen,

- verstaat dat de rechtbank te zijner tijd bij gelegenheid van de beëindiging van de schuldsaneringsregeling zal bepalen of aan [appellante] de schone lei wordt verleend.

Dit arrest is gewezen door mrs. M.A.M. Vaessen, A.M. van Amsterdam en M.A.J.G. Janssen en in het openbaar uitgesproken op 6 mei 2026 in tegenwoordigheid van de griffier. Dit

arrest is bij ontstentenis van de griffier ondertekend door K. Jansen (griffier).

Van dit arrest kan gedurende acht dagen na de dag van de uitspraak beroep in cassatie worden ingesteld door middel van een verzoekschrift in te dienen ter griffie van de Hoge Raad.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand