beslissing
___________________________________________________________________ _ _
GERECHTSHOF AMSTERDAM
afdeling civiel recht en belastingrecht
zaaknummer : 200.355.563/01 GDW
nummer eerste aanleg : C/13/742430 DW RK 23/412
beslissing van de notaris- en gerechtsdeurwaarderskamer van 26 mei 2026
inzake
[appellant] ,
wonend te [plaats] ,
appellant,
tegen
[geïntimeerde] ,
gerechtsdeurwaarder te [plaats] ,
geïntimeerde.
Partijen worden hierna klager en de gerechtsdeurwaarder genoemd.
1. De zaak in het kort
De gerechtsdeurwaarder heeft op verzoek van zijn opdrachtgever beslag gelegd ten laste van klager. Op 6 november 2023 heeft klager de gerechtsdeurwaarder verzocht tot opheffing van het beslag over te gaan. Klager verwijt de gerechtsdeurwaarder dat hij niet (tijdig genoeg) heeft gereageerd op dit verzoek. De kamer heeft de klacht gegrond verklaard zonder oplegging van maatregel. Het hof bevestigt deze beslissing.
2. Het geding in hoger beroep
Klager heeft op 11 juni 2025 een beroepschrift – met bijlage – bij het hof ingediend tegen de beslissing van de kamer voor gerechtsdeurwaarders te Amsterdam (hierna: de kamer) van 12 mei 2025 tussen partijen gegeven onder bovengenoemd nummer (ECLI:NL:TGDKG:2025:42).
De gerechtsdeurwaarder heeft op 2 september 2025 een verweerschrift bij het hof ingediend.
Het hof heeft van de kamer de stukken van de eerste aanleg ontvangen.
De zaak is behandeld ter openbare terechtzitting van het hof van 11 februari 2026, van welke zitting proces-verbaal is opgemaakt. Klager is verschenen en heeft het woord gevoerd. De gerechtsdeurwaarder is niet verschenen.
Na afloop van de mondelinge behandeling heeft het hof kennis genomen van een e-mailbericht van de gerechtsdeurwaarder van 23 oktober 2025 aan de griffie van het hof (met een kopie aan klager), waarin de gerechtsdeurwaarder te kennen heeft gegeven op 11 februari 2026 niet beschikbaar te zijn voor een zitting.
Op 18 februari 2026 heeft het hof aan partijen het proces-verbaal van de zitting van 11 februari 2026 toegestuurd en hen in de gelegenheid gesteld hetzij schriftelijk, hetzij ter zitting te reageren op hetgeen tijdens de mondelinge behandeling aan de orde is gekomen.
Op 16 maart 2026 heeft de gerechtsdeurwaarder een schriftelijke reactie bij het hof ingediend. Van klager is op 20 maart 2026 een schriftelijke reactie ontvangen, waarna de gerechtsdeurwaarder op 13 april 2026 zijn slotwoord heeft ingediend.
3. Feiten
Het hof gaat uit van de volgende feiten, die tussen partijen niet in geschil zijn.
Op 22 september 2023 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden van een klacht van de partner van klager tegen de gerechtsdeurwaarder (zaaknummer C/13/715342 DW RK 22/114). De gerechtsdeurwaarder heeft tijdens die zitting verklaard dat de op 3 november 2019 in beslag genomen Macbook Air (rosé gold, hierna ook: de laptop) zich op dat moment op zijn kantoor bevond.
Op 6 november 2023 heeft klager bij e-mail de gerechtsdeurwaarder verzocht en zo nodig gesommeerd de laptop binnen vijf dagen te retourneren, omdat voor het beslag geen grond bestond.
Bij e-mail van 20 november 2023 heeft klager dat verzoek herhaald.
Bij e-mail van 28 november 2023 heeft de gerechtsdeurwaarder klager bericht dat hij zijn verzoek heeft doorgestuurd naar zijn opdrachtgever.
Bij e-mail van 29 november 2023 heeft de gerechtsdeurwaarder klager medegedeeld dat de opdrachtgever niet akkoord ging met opheffing van het beslag.
4. De klacht
Klager beklaagt zich er over dat de gerechtsdeurwaarder niet heeft gereageerd op zijn e-mail van 6 november 2023 met het verzoek om de laptop aan hem af te geven.
5. Beoordeling
De kamer heeft in de bestreden beslissing de klacht van klager tegen de gerechtsdeurwaarder gegrond verklaard zonder het opleggen van een maatregel.
De kamer heeft als volgt overwogen. Vast is komen te staan dat de gerechtsdeurwaarder niet binnen de redelijke termijn van veertien dagen heeft gereageerd. De gerechtsdeurwaarder heeft evenwel kort na de herinnering van klager (die werd gestuurd op de veertiende dag na zijn eerste verzoek tot teruggave van de laptop, op 6 november 2023) alsnog op het verzoek van klager gereageerd. Gelet daarop en op de aard van het verzoek (teruggave van onder meer een laptop die jaren eerder in beslag is genomen), is de kamer van oordeel dat in dit specifieke geval de te late beantwoording van de e-mail door de gerechtsdeurwaarder geen maatregel rechtvaardigt.
Het hof verenigt zich met dit oordeel van de kamer. In hoger beroep zijn geen feiten of omstandigheden naar voren gebracht die een ander oordeel rechtvaardigen.
Nu de klacht gegrond is verklaard dient de gerechtsdeurwaarder op grond van artikel 37 lid 7 in verbinding met artikel 47 Gerechtsdeurwaarderswet zowel het door klager betaalde griffierecht in hoger beroep als in eerste aanleg (in totaal € 100,-) aan hem te vergoeden. De gerechtsdeurwaarder dient dit bedrag binnen vier weken na deze uitspraak aan klager te voldoen, hetgeen kan geschieden door betaling op een daartoe door klager aan de gerechtsdeurwaarder op te geven rekeningnummer.
6. Beslissing
Het hof:
- bevestigt de bestreden beslissing;
- veroordeelt de gerechtsdeurwaarder tot betaling aan klager van het door hem betaalde griffierecht in hoger beroep van € 50,- binnen vier weken na opgave van het rekeningnummer door klager.
Deze beslissing is gegeven door mrs. J.C.W. Rang, J.W.M. Tromp en A.W. Jongbloed en in het openbaar uitgesproken op 26 mei 2026 door de rolraadsheer.