beslissing
___________________________________________________________________ _ _
GERECHTSHOF AMSTERDAM
afdeling civiel recht en belastingrecht
zaaknummer : 200.355.582/01 GDW
nummer eerste aanleg : C/13/742848 DW RK 23/430
beslissing van de notaris- en gerechtsdeurwaarderskamer van 26 mei 2026
inzake
[appellant] ,
wonend te [plaats] ,
appellant,
tegen
[geïntimeerde] ,
gerechtsdeurwaarder te [plaats] ,
geïntimeerde.
Partijen worden hierna klager en de gerechtsdeurwaarder genoemd.
1. De zaak in het kort
Het paspoort van klager is in het ongerede geraakt tijdens de verhuizing van het kantoor van de gerechtsdeurwaarder. Klager heeft de gerechtsdeurwaarder per e-mail verzocht de nota voor het nieuwe paspoort te voldoen. Klager verwijt de gerechtsdeurwaarder dat hij niet tijdig heeft gereageerd op dit verzoek. De kamer heeft de klacht gegrond verklaard zonder oplegging van een maatregel. Het hof verklaart de klacht ook gegrond, maar legt aan de gerechtsdeurwaarder wel de maatregel van waarschuwing op.
2. Het geding in hoger beroep
Klager heeft op 11 juni 2025 een beroepschrift – met bijlage – bij het hof ingediend tegen de beslissing van de kamer voor gerechtsdeurwaarders te Amsterdam (hierna: de kamer) van 12 mei 2025 tussen partijen gegeven onder bovengenoemd nummer (ECLI:NL:TGDKG:2025:43).
De gerechtsdeurwaarder heeft op 2 september 2025 een verweerschrift bij het hof ingediend.
Het hof heeft van de kamer de stukken van de eerste aanleg ontvangen.
De zaak is behandeld ter openbare terechtzitting van het hof van 11 februari 2026, van welke zitting proces-verbaal is opgemaakt. Klager is verschenen en heeft het woord gevoerd. De gerechtsdeurwaarder is niet verschenen.
Na afloop van de mondelinge behandeling heeft het hof kennis genomen van een e-mailbericht van de gerechtsdeurwaarder van 23 oktober 2025 aan de griffie van het hof (met een kopie aan klager), waarin de gerechtsdeurwaarder te kennen heeft gegeven op 11 februari 2026 niet beschikbaar te zijn voor een zitting.
Op 18 februari 2026 heeft het hof aan partijen het proces-verbaal van de zitting van 11 februari 2026 toegestuurd en hen in de gelegenheid gesteld hetzij schriftelijk, hetzij ter zitting te reageren op hetgeen tijdens de mondelinge behandeling aan de orde is gekomen.
Op 16 maart 2026 heeft de gerechtsdeurwaarder een schriftelijke reactie bij het hof ingediend. Van klager is op 20 maart 2026 een schriftelijke reactie ontvangen, waarna de gerechtsdeurwaarder op 13 april 2026 zijn slotwoord heeft ingediend.
3. Feiten
Het hof gaat uit van de volgende feiten, die tussen partijen niet in geschil zijn.
Bij vonnis van 13 februari 2020 is bepaald dat klager zijn paspoort aan de gerechtsdeurwaarder moest afgeven.
Op 14 februari 2020 heeft klager zijn paspoort ingeleverd bij het kantoor van de gerechtsdeurwaarder.
Bij brief van 15 september 2021 heeft de gerechtsdeurwaarder klager geïnformeerd dat zijn paspoort in ongerede was geraakt tijdens de verhuizing van het kantoor van de gerechtsdeurwaarder. De gerechtsdeurwaarder heeft daarbij meegedeeld de kosten van het aanvragen van een nieuw paspoort te zullen vergoeden.
Klager heeft op 25 maart 2022 een klacht bij de kamer ingediend over het vermiste paspoort (zaaknummer: C/13/715556 / DW RK 22/123), waarover op 3 november 2023 uitspraak is gedaan (ECLI:NL:TGDKG:2023:82).
Op 21 december 2022 heeft klager een nieuw paspoort aangevraagd.
Bij e-mail van 17 januari 2023 heeft klager aan de gerechtsdeurwaarder verzocht om de nota voor het nieuwe paspoort te voldoen op het rekeningnummer van zijn partner.
Bij e-mail van 17 februari 2023 heeft klager de gerechtsdeurwaarder herinnerd aan zijn verzoek van 17 januari 2023.
Op 22 februari 2023 heeft de gerechtsdeurwaarder de nota voor het nieuwe paspoort van klager voldaan.
4. De klacht
Klager verwijt de gerechtsdeurwaarder dat hij niet tijdig heeft gereageerd op zijn e-mail van 17 januari 2023.
5. Beoordeling
De kamer heeft in de bestreden beslissing de klacht van klager tegen de gerechtsdeurwaarder gegrond verklaard zonder oplegging van een maatregel.
De kamer heeft de gegrondverklaring van deze klacht doen steunen op de overweging
dat de gerechtsdeurwaarder uiteindelijk heeft gereageerd buiten de – uit vaste jurisprudentie voortvloeiende – redelijke termijn van veertien dagen. De kamer is van oordeel dat kan worden afgezien van het opleggen van een maatregel omdat deze klacht samenhangt met een eerdere door klager ingediende klacht over het zoekraken van zijn paspoort waarvoor de kamer op 3 november 2023 aan de gerechtsdeurwaarder een berisping heeft opgelegd (ECLI:NL:TGDKG:2023:82).
In zijn beroepschrift voert klager aan dat het niet (tijdig) reageren op de correspondentie in de procedure die heeft geleid tot de onder 5.1. genoemde beslissing van 3 november 2023 nooit is beoordeeld. Dit kon ook niet want de eerdere klacht over het paspoort werd ingediend op 25 maart 2022 terwijl in deze klachtprocedure wordt geklaagd over het niet (tijdig) reageren op e-mails die dateren van januari en februari 2023.
Nu vast is komen te staan dat de gerechtsdeurwaarder niet binnen de redelijke termijn van veertien dagen heeft gereageerd op de door klager ingediende verzoeken en niet is gebleken van feiten of omstandigheden op grond waarvan een reactietermijn van vijf weken gerechtvaardigd is, acht het hof net als de kamer deze klacht gegrond.
Maatregel
De gerechtsdeurwaarder heeft onzorgvuldig gehandeld door buiten de redelijke termijn van veertien dagen te reageren. Het hof zal de gerechtsdeurwaarder daarvoor een maatregel opleggen. Anders dan de kamer ziet het hof in de omstandigheid dat deze klacht samenhangt met een eerdere klacht van klager tegen de gerechtsdeurwaarder, waarover al eerder uitspraak is gedaan, geen grond om van het opleggen van een maatregel af te zien. In aanmerking nemende de betrekkelijk geringe ernst van het tuchtrechtelijk laakbaar handelen acht het hof de maatregel van waarschuwing passend en geboden.
Kostenveroordeling in hoger beroep
Omdat het hof de klacht gedeeltelijk gegrond verklaart, dient de gerechtsdeurwaarder op grond van artikel 37 lid 7 in verbinding met artikel 47 Gerechtsdeurwaarderswet zowel het door klager betaalde griffierecht in hoger beroep als in eerste aanleg (in totaal € 100,-) aan hem te vergoeden.
Per 1 januari 2021 is de Richtlijn kostenveroordeling notaris- en gerechts-deurwaarderskamer Gerechtshof Amsterdam 2021 (Staatscourant 2020, nr. 67513) in werking getreden. Het hof hanteert bij de toepassing van de richtlijn de ‘Uitgangspunten proceskostenveroordeling in hoger beroep’ (te raadplegen op de website van dit hof). Nu het hoger beroep van klager leidt tot oplegging van een maatregel, ziet het hof – overeenkomstig de uitgangspunten – aanleiding om de gerechtsdeurwaarder te veroordelen in de volgende kosten in hoger beroep waarbij het hof aanleiding ziet om wegingsfactor 0,25 te hanteren op de hierna onder b genoemde post. Dit laatste houdt verband met het feit dat het hof tijdens de mondelinge behandeling van 11 februari 2026 vier door klager afzonderlijk ingediende klaagschriften tegen de gerechtsdeurwaarder op één dezelfde zitting heeft behandeld:
a. a) € 50,- kosten klager;
b) € 500,- kosten van behandeling van de klacht door het hof.
De gerechtsdeurwaarder dient de kosten van het griffierecht in beide instanties
(€ 100,-) en de kosten van klager in hoger beroep (€ 50,-) aan klager te voldoen. Klager dient hiervoor een rekeningnummer aan de gerechtsdeurwaarder op te geven. Na opgave van dit rekeningnummer dient de gerechtsdeurwaarder binnen vier weken het griffierecht en de kosten van klager te voldoen.
De gerechtsdeurwaarder dient de kosten van behandeling van de klacht door het gerechtshof in hoger beroep (€ 500,-) te voldoen aan het Landelijk Dienstencentrum voor de Rechtspraak (hierna: LDCR). Het LDCR zal de gerechtsdeurwaarder berichten binnen welke termijn en op welke wijze hij de kosten dient te voldoen.
6. Beslissing
Het hof:
- vernietigt de beslissing voor zover aan de gerechtsdeurwaarder geen maatregel is opgelegd;
- legt aan de gerechtsdeurwaarder de maatregel van waarschuwing op;
- veroordeelt de gerechtsdeurwaarder tot betaling aan klager van het door klager in hoger beroep betaalde griffierecht van € 50,-, en de aan de zijde van klager gevallen kosten in hoger beroep, bestaande uit € 50,- aan kosten klager, in totaal € 100,-, binnen vier weken na opgave van het rekeningnummer door klager;
- veroordeelt de gerechtsdeurwaarder tot betaling van € 500,- aan kosten van behandeling van de klacht in hoger beroep, te betalen aan het LDCR op de wijze en binnen de termijn als door het LDCR aan de gerechtsdeurwaarder zal worden meegedeeld;
- bevestigt de bestreden beslissing voor het overige.
Deze beslissing is gegeven door mrs. J.C.W. Rang, J.W.M. Tromp en A.W. Jongbloed en in het openbaar uitgesproken op 26 mei 2026 door de rolraadsheer.