beslissing
___________________________________________________________________ _ _
GERECHTSHOF AMSTERDAM
afdeling civiel recht en belastingrecht
zaaknummer : 200.355.587/01 GDW
nummer eerste aanleg : C/13/738917 DW RK 23/312
beslissing van de notaris- en gerechtsdeurwaarderskamer van 26 mei 2026
inzake
[appellant] ,
wonend te [plaats] ,
appellant,
tegen
[geïntimeerde] ,
gerechtsdeurwaarder te [plaats] ,
geïntimeerde.
Partijen worden hierna klager en de gerechtsdeurwaarder genoemd.
1. De zaak in het kort
De gerechtsdeurwaarder heeft op 5 september 2020 ten laste van klager civiele lijfsdwang van klager ten uitvoer gelegd. Klager verwijt de gerechtsdeurwaarder dat hij bij deze gelegenheid onrechtmatig beslag heeft gelegd op een horloge van klager en de telefoon van zijn partner. De gerechtsdeurwaarder betwist dat hij beslag heeft gelegd. De kamer heeft de klacht ongegrond verklaard. Het hof bevestigt deze beslissing.
2. Het geding in hoger beroep
Klager heeft op 11 juni 2025 een beroepschrift – met een bijlage – bij het hof ingediend tegen de beslissing van de kamer voor gerechtsdeurwaarders te Amsterdam (hierna: de kamer) van 12 mei 2025 tussen partijen gegeven onder bovengenoemd nummer (ECLI:NL:TGDKG:2025:41).
De gerechtsdeurwaarder heeft op 2 september 2025 een verweerschrift bij het hof ingediend.
Het hof heeft van de kamer de stukken van de eerste aanleg ontvangen.
De zaak is behandeld ter openbare terechtzitting van het hof van 11 februari 2026 ,van welke zitting proces-verbaal is opgemaakt. Klager is verschenen en heeft het woord gevoerd. De gerechtsdeurwaarder is niet verschenen.
Na afloop van de mondelinge behandeling heeft het hof kennis genomen van een e-mailbericht van de gerechtsdeurwaarder van 23 oktober 2025 aan de griffie van het hof (met een kopie aan klager), waarin de gerechtsdeurwaarder te kennen heeft gegeven op 11 februari 2026 niet beschikbaar te zijn voor een zitting.
Op 18 februari 2026 heeft het hof aan partijen het proces-verbaal van de zitting van 11 februari 2026 toegestuurd en hen in de gelegenheid gesteld hetzij schriftelijk, hetzij ter zitting te reageren op hetgeen tijdens de mondelinge behandeling aan de orde is gekomen.
Op 16 maart 2026 heeft de gerechtsdeurwaarder een schriftelijke reactie bij het hof ingediend. In deze reactie staat, voor zover van belang:
“In het verweerschrift van 13 november 2023 is opgenomen dat het horloge 22 september 2022 door mij aan de curator is afgegeven.
Het horloge was in de periode 5- 22 september 2022 op mijn kantoor (…).”
Van klager is op 20 maart 2026 een schriftelijke reactie ontvangen, waarna de gerechtsdeurwaarder op 13 april 2026 zijn slotwoord heeft ingediend.
3. Feiten
Het hof gaat uit van de volgende feiten, die tussen partijen niet in geschil zijn.
Bij vonnissen van 19 september 2019 en 17 januari 2020 is de tenuitvoerlegging bij lijfsdwang toegestaan in het geval door klager geen rekening en verantwoording werd afgelegd.
Bij beschikking van 14 mei 2020 is klager failliet verklaard. Het faillissement heeft in elk geval tot 23 augustus 2021 geduurd.
Op 5 september 2020 heeft de gerechtsdeurwaarder de lijfsdwang ten uitvoer gelegd. Klager is vanaf dat moment gedurende elf maanden gedetineerd geweest.
Bij e-mail van 22 september 2020 heeft de curator de gerechtsdeurwaarder verzocht de op 5 september 2020 ingenomen iPhone en horloge aan hem te verstrekken.
Bij e-mail van 24 september 2020 heeft de curator aan de partner van klager het volgende bericht gestuurd, voor zover van belang:
“Afgelopen dinsdag heb ik uw echtgenoot bezocht in het huis van bewaring te Zaandam. Hij deelde mij mede dat bij zijn aanhouding een Iphone en horloge in beslag zijn genomen. Gerechtsdeurwaarder Boeder heeft mij medegedeeld dat deze zaken nog heden bij mij op kantoor zullen worden bezorgd (…).”
4. De klacht
Klager beklaagt zich er over dat de gerechtsdeurwaarder op 5 september 2020 beslag gelegd heeft op een horloge van klager en de telefoon van zijn partner. Klager verkeerde op dat moment in staat van (persoonlijk) faillissement. Er bestond op dat moment geen titel om beslag op persoonlijke goederen van klager te leggen, zodat dit beslag onrechtmatig is.
5. Beoordeling
De kamer heeft in de bestreden beslissing de klacht van klager tegen de gerechtsdeurwaarder ongegrond verklaard.
Beperkt appel
Blijkens het beroepschrift en het verhandelde ter terechtzitting richt het hoger beroep van klager zich uitsluitend tegen het oordeel van de kamer over het (vermeende) beslag op zijn horloge. Gelet hierop zal het hof enkel dit klachtonderdeel bespreken. Het hof zal de klacht voor het overige (te weten wat betreft de (vermeende) beslaglegging op de telefoon van zijn partner) buiten verdere bespreking laten, omdat het hof geen reden ziet ten aanzien van dit onderdeel van de oorspronkelijke klacht anders te oordelen dan de kamer heeft gedaan.
Klager brengt naar voren dat het beslag op zijn horloge onrechtmatig was omdat als gevolg van de faillietverklaring van klager alle beslagen ten aanzien van zijn persoon kwamen te vervallen (art. 33 Faillissementswet). Bovendien geldt dat de beslagen zaken vallen onder de verzameling roerende zaken waarvoor een beslagverbod geldt als bedoeld in artikel 447a Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Bovendien zal de opbrengst van de beslagen zaak minder bedragen dan de kosten van het beslag. In hoger beroep voert klager aan dat de gerechtsdeurwaarder heeft nagelaten om zijn verweer met schriftelijke stukken te onderbouwen.
De gerechtsdeurwaarder stelt dat hij geen beslag op het horloge heeft gelegd. De gerechtsdeurwaarder heeft op 5 september 2020 klager in gijzeling genomen. Bij het cellencomplex heeft de politie het horloge van klager aan de gerechtsdeurwaarder afgegeven, waarna het horloge bij hem op kantoor heeft gelegen. Het horloge is vervolgens aan de curator verstrekt.
Evenals de kamer is het hof van oordeel dat klager zijn klacht onvoldoende heeft onderbouwd. Het enkele feit dat de gerechtsdeurwaarder geen nadere schriftelijke stukken heeft overgelegd waaruit blijkt dat de politie het horloge aan de gerechtsdeurwaarder heeft afgegeven, is onvoldoende om op basis daarvan te concluderen dat de gerechtsdeurwaarder beslag heeft gelegd op het horloge. Volgens de onder 2.7. genoemde verklaring van de gerechtsdeurwaarder bevond het horloge zich tussen 5 en 22 september 2022 op zijn kantoor. Het hof stelt vast dat deze verklaring een kennelijke verschrijving bevat; de gerechtsdeurwaarder zal bedoeld hebben te stellen tussen 5 en 22 september 2020. Dit geldt ook voor de datum waarop het horloge door de gerechtsdeurwaarder aan de curator is verstrekt. Uit het door klager overgelegde e-mailbericht van de curator van 24 september 2020 (vgl. 3.5) blijkt dat de gerechtsdeurwaarder heeft gezegd dat het horloge op dezelfde dag bij de curator zou worden afgeleverd. Nu klager dit niet heeft weersproken moet worden aangenomen dat het horloge op 24 september 2020 door de gerechtsdeurwaarder aan de curator is verstrekt. Het hof ziet geen aanleiding om te twijfelen aan de verklaring van de gerechtsdeurwaarder dat hij het horloge op 5 september 2020 van de politie heeft ontvangen. De klacht is ongegrond.
Conclusie
Uit wat hiervoor is overwogen volgt dat het hof, evenals de kamer, van oordeel is dat de klacht tegen de gerechtsdeurwaarder ongegrond is. Het hof zal de beslissing van de kamer daarom bevestigen.
6. Beslissing
Het hof:
- bevestigt de bestreden beslissing.
Deze beslissing is gegeven door mrs. J.C.W. Rang, J.W.M. Tromp en A.W. Jongbloed en in het openbaar uitgesproken op 26 mei 2026 door de rolraadsheer.