GERECHTSHOF AMSTERDAM
afdeling civiel recht en belastingrecht,
team I (handel)
zaaknummer : 200.350.141/01
zaak- en rolnummer rechtbank Amsterdam : 10863379 CV EXPL 24-151
arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 26 mei 2026
in de zaak van
[appellant] ,
gevestigd te [plaats 1] ,
appellante,
advocaat: mr. W. Boeters te Rotterdam,
tegen
[geïntimeerde] ,
wonend in [plaats 2] ,
geïntimeerde,
niet verschenen.
Partijen worden hierna [appellant] en [geïntimeerde] genoemd.
1. De zaak in het kort
[appellant] vordert betaling van facturen. Het hof vernietigt de overeenkomsten waarop [appellant] deze vordering baseert, omdat niet is voldaan aan de vereisten van artikel 6:230v lid 3 van het Burgerlijk Wetboek (BW) (de bestelknop). Het hof wijst de vordering wel gedeeltelijk toe op grond van onverschuldigde betaling in verband met het gebruik van de auto’s.
2. Het geding in hoger beroep
[appellant] is bij dagvaarding van 5 augustus 2024 in hoger beroep gekomen van een vonnis van 26 juni 2024 van de kantonrechter in de rechtbank Amsterdam (hierna: de kantonrechter), onder bovenvermeld zaak- en rolnummer gewezen tussen [appellant] als eiseres en [geïntimeerde] als gedaagde (hierna: het bestreden vonnis).
[geïntimeerde] is in hoger beroep niet verschenen. Tegen haar is verstek verleend.
[appellant] heeft een memorie van grieven, met producties, ingediend.
Ten slotte is arrest gevraagd.
3. Feiten
De kantonrechter heeft geen feiten vastgesteld. Het hof gaat in hoger beroep uit van de volgende feiten, die als enerzijds gesteld en anderzijds niet of onvoldoende bestreden zijn komen vast te staan.
[appellant] heeft op 16 november 2022 een overeenkomst (hierna: de abonnementsovereenkomst) gesloten met [geïntimeerde] . Daarop zijn algemene voorwaarden van toepassing verklaard.
Artikel 37 van de algemene voorwaarden luidt, voor zover van belang:
“Als je met [appellant] in zee gaat, sluit je eerst een overeenkomst met ons. Die overeenkomst bepaalt of jij (…) tegen betaling gebruik kan maken van onze diensten. Reserveer jij (…) vervolgens een [appellant] -auto en wordt die reservering geaccepteerd? Dan sluit je een reserveringsovereenkomst met ons. Deze algemene voorwaarden gelden zowel voor de overeenkomst als voor de reserveringsovereenkomst.”
Artikel 45 van de algemene voorwaarden luidt, voor zover van belang:
“Als je klant wilt worden van [appellant] , meld je je bij ons aan. Zodra wij jouw aanmelding hebben geaccepteerd, hebben we een overeenkomst. We accepteren jouw aanmelding alleen als:
we de gevraagde gegevens van jou hebben ontvangen;
je akkoord bent gegaan met onze algemene voorwaarden;
jij een (elektronische) machtiging voor automatische betaling hebt gegeven (als dat van toepassing is); EN
wij de gevraagde borgsom van jou hebben ontvangen (als dat van toepassing is) (…)”
Artikel 49 van de algemene voorwaarden luidt, voor zover van belang:
“Elke keer als jij (…) een auto bij ons reserveert, sluit je een reserveringsovereenkomst met ons. Je stemt ermee in om bij iedere reserveringsovereenkomst het tarief te betalen dat op dat moment volgens de app of website van toepassing is. (…)”
Artikel 62 sub j, k en n van de algemene voorwaarden luiden, voor zover van belang:
“j. Reservering: ieder verzoek om een [appellant] -auto te gebruiken (…)
k. Reserveringsovereenkomst: overeenkomst tussen jou en ons voor de reservering en het gebruik van een [appellant] -auto. Het gebruik van de [appellant] -auto tegen betaling van het toepasselijke tarief onder de reserveringsauto kwalificeert als huur. De reserveringsovereenkomst komt tot stand als wij een reservering van een auto accepteren, onder de voorwaarde dat de auto feitelijk beschikbaar is. Bij iedere geaccepteerde reservering komt een aparte reserveringsovereenkomst tot stand. De reserveringsovereenkomst eindigt van rechtswege bij het eindigen van de reserverings-
periode.
(…)
n. Prijs/prijzen: de tijdsprijzen en kilometerprijzen die wij in rekening brengen voor de reserveringsperiode maar ook kosten die wij in rekening brengen voor onze dienstverlening waaronder (…) borg, boetes, administratiekosten en eigen risico en alle andere kosten in verband met het gebruik van onze auto’s. Deze prijzen (…) kunnen van tijd tot tijd wijzigen. De actuele prijzen worden steeds op onze website en/of app gepubliceerd. (…)”
[appellant] heeft [geïntimeerde] vier facturen gestuurd. Met die facturen zijn ritkosten, doorbelaste bekeuringen en administratiekosten voor bekeuringen in rekening gebracht. Het totaalbedrag van de facturen bedraagt € 6.287,09.
[geïntimeerde] heeft de facturen grotendeels onbetaald gelaten.
4. Procedure bij de kantonrechter
Samengevat heeft [appellant] bij de kantonrechter gevorderd om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, [geïntimeerde] te veroordelen tot betaling van € 7.406,88, met rente. Dit bedrag bestaat uit een hoofdsom van € 6.287,09, vermeerderd met rente, een bedrag van € 689,35 aan incassokosten en € 144,76 voor BTW over de incassokosten. Daarnaast vorderde [appellant] veroordeling van [geïntimeerde] in de proceskosten.
De kantonrechter heeft deze vorderingen afgewezen en [appellant] in de proceskosten veroordeeld. Zij heeft aan dit oordeel, samengevat, het volgende ten grondslag gelegd. Bij het aangaan van zowel de abonnementsovereenkomst als de overeenkomsten om gebruik te maken van een auto (de afzonderlijke huurovereenkomsten), moet onder andere zijn voldaan aan de informatieplichten van artikel 6:230v BW. Dit artikel gaat over de bestelknop. Niet kan worden vastgesteld dat op de bestelknop die [appellant] gebruikte bij het bestelproces toen [geïntimeerde] de overeenkomsten sloot ondubbelzinnig was vermeld dat zij een betalingsverplichting aanging. De kantonrechter heeft de overeenkomsten waarop [appellant] haar vorderingen baseert daarom ingevolge artikel 6:230v lid 3 BW vernietigd en de vorderingen afgewezen.
5. Vordering in hoger beroep
[appellant] vordert vernietiging van het bestreden vonnis en alsnog – uitvoerbaar bij voorraad – toewijzing van haar vorderingen, met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van het geding in beide instanties met nakosten. Aan haar vordering legt [appellant] in hoger beroep nakoming van de tussen partijen gesloten overeenkomsten dan wel onverschuldigde betaling of ongerechtvaardigde verrijking ten grondslag.
6. Beoordeling
[appellant] heeft vier grieven aangevoerd. De eerste en de derde grief hangen met elkaar samen en daarom behandelt het hof die gezamenlijk. Deze grieven komen erop neer dat de kantonrechter ten onrechte de overeenkomsten heeft vernietigd op grond van strijd met artikel 6:230v lid 3 BW. Volgens [appellant] zijn de vereisten van dat artikel niet van toepassing op het sluiten van de abonnementsovereenkomst, omdat op dat moment geen betalingsverplichting wordt aangegaan. De bestelknop geldt wel voor de afzonderlijke huurovereenkomsten en bij het aangaan daarvan voldoet [appellant] aan de vereisten.
Vast staat dat zowel de abonnementsovereenkomst als de huurovereenkomsten op afstand zijn aangegaan. Het hof is met de kantonrechter van oordeel dat bij beide overeenkomsten moet zijn voldaan aan de informatieplichten van artikel 6:230m en 6:230v lid 3 BW. De vereisten met betrekking tot artikel 6:230v lid 3 BW gelden ook voor de abonnementsovereenkomst, omdat ook daarmee een betalingsverplichting wordt aangegaan. Blijkens de artikelen 6, 9, 49 en 50 van de algemene voorwaarden kan [appellant] onder bepaalde omstandigheden bedragen in rekening brengen die zien op (enkel) de abonnementsovereenkomst. Ook wanneer de consument pas hoeft te betalen nadat een nadere voorwaarde is vervuld, geldt op grond van jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJEU) dat voldaan moet zijn aan de verplichting van artikel 6:230v lid 3 BW om het bestelproces zo in te richten dat de consument een aanbod niet kan aanvaarden dan nadat hem op niet voor misverstand vatbare wijze duidelijk is gemaakt dat de bestelling een betalingsverplichting inhoudt (ECLI:EU:C:2024:436, Conny).
Uit artikel 6:230v lid 3 BW vloeit verder voort dat als de aanvaarding geschiedt door gebruik van een bestelknop of soortgelijke functie, aan die informatieverplichting is voldaan als daaruit blijkt dat de aanvaarding een betalingsverplichting richting de handelaar inhoudt. Daarbij mag uitsluitend worden uitgegaan van de woorden op die knop of soortgelijke functie (HvJEU 7 april 2022, EU:C:2022:269, Fuhrmann). [appellant] heeft niet (voldoende) aangetoond dat zij heeft voldaan aan die informatieplicht met betrekking tot de bestelknoppen die zij in het bestelproces hanteerde toen [geïntimeerde] de overeenkomsten sloot. Het hof licht dat als volgt toe.
Ook in hoger beroep heeft [appellant] niet voldoende gemotiveerd toegelicht dat zij haar elektronische bestelproces op zodanige wijze heeft ingericht dat de consument een aanbod niet kan aanvaarden dan nadat hem op niet voor misverstand vatbare wijze duidelijk is gemaakt dat de bestelling een betalingsverplichting inhoudt, zoals bepaald in artikel 6:230v lid 3 BW. Het hof gaat ervan uit, gezien artikel 45 van de algemene voorwaarden, dat de abonnementsovereenkomst tot stand komt na de aanvaarding door [appellant] van de aanmelding door de consument, waarbij een aanmelding die aan de voorwaarden van dat artikel voldoet in beginsel wordt aanvaard door [appellant] . Dit brengt mee dat een dergelijke aanmelding gelijk te stellen is met een bestelling. Bij de aanmelding dient blijkens voormeld artikel een elektronische machtiging voor automatische betaling te zijn gevoegd. Hierop zien kennelijk de onderdelen van productie 4 bij memorie van grieven (welke productie bestaat uit schermafdrukken van het bestelproces bij de abonnementsovereenkomst, ook overgelegd als productie 2D in eerste aanleg) “Pay with Credit-card” en “Pay with eMandate”. In deze onderdelen is echter niet voorzien in een bestelknop of soortgelijke functie die in niet voor misverstand vatbare termen en op goed leesbare wijze vermeldt dat de aanvaarding een (voorwaardelijke) betalingsverplichting van de abonnements- en andere eventuele kosten jegens [appellant] inhoudt.
Voor het bestelproces met betrekking tot de afzonderlijke huurovereenkomsten verwijst [appellant] ook naar productie 4 (en productie 2D in eerste aanleg). Blijkens artikel 37 van de algemene voorwaarden gelden die ook voor de huurovereenkomst. Het hof gaat ervan uit dat een verzoek tot reservering in beginsel wordt aanvaard, zodat een dergelijk verzoek als bestelling kan worden gekwalificeerd. [appellant] stelt in haar memorie van grieven onder 10 “dat bij het aangaan van elke afzonderlijke huurovereenkomst (via de app of website) opnieuw sprake is van een duidelijk bestelproces waarbij de kosten van de desbetreffende huurtransactie ondubbelzinnig worden vermeld voordat de consument kan reserveren (Zie bijvoorbeeld Productie 4).” In nummer 7 van de memorie van grieven staat nog dat daarbij “ondubbelzinnig wordt gewezen op de kosten die aan die specifieke huur verbonden zijn”. Uit productie 4 (en productie 2D in eerste aanleg) kan echter niet worden afgeleid dat dit bestelproces (ook) ziet op het aangaan van een huurovereenkomst met ondubbelzinnige vermelding van de kosten die aan een specifieke huur zijn verbonden. Daarin ontbreekt immers een verwijzing naar de (voorbeeld)huur van een auto op een specifieke datum en met een bepaalde tijdsduur met bijbehorende vermelding van die kosten. Voor zover [appellant] voor de betalingsverplichting van een huurovereenkomst (weer) verwijst naar de onderdelen van genoemde productie 4 “Pay with Credit-card” en “Pay with eMandate” voldoet dat niet. Zoals reeds overwogen, is in deze onderdelen niet voorzien in een bestelknop of soortgelijke functie die in niet voor misverstand vatbare termen en op goed leesbare wijze vermeldt dat de aanvaarding een (voorwaardelijke) betalingsverplichting van de huursom en andere eventuele kosten jegens [appellant] inhoudt. Als [appellant] bedoelt te betogen dat met de verwijzing naar de app of website van [appellant] daarop de prijs als bedoeld in artikel 62 sub n van de algemene voorwaarden opgezocht kan worden, dan is dat daarvoor onvoldoende. Bijkomende feiten en omstandigheden die tot een ander oordeel kunnen leiden, zijn niet gesteld of gebleken.
Het voorgaande leidt ertoe dat de overeenkomsten vernietigbaar zijn op grond van artikel 6:230v lid 3 BW. In zaken waarin de consument in rechte is verschenen, vernietigt de rechter de overeenkomst volledig indien de consument, daartoe in de gelegenheid gesteld, zich daartegen niet verzet (Hoge Raad 4 oktober 2024, ECLI:NL:HR:2024:1355; Bol.com). [geïntimeerde] is in hoger beroep niet verschenen, maar wel in eerste aanleg. Nu de kantonrechter de desbetreffende huurovereenkomsten volledig heeft vernietigd, gaat het hof er vanuit dat [geïntimeerde] zich in eerste aanleg niet heeft verzet tegen dat gevolg. Gegeven de vernietiging zijn partijen met terugwerkende kracht niet aan de overeenkomsten gebonden (artikel 3:53 lid 1 BW). De vordering van [appellant] kan daarom niet op grond van nakoming worden toegewezen.
Met grief 3 komt [appellant] verder op tegen de overweging van de kantonrechter dat [appellant] geen andere gronden aan haar vordering ten grondslag heeft gelegd. [appellant] voert aan dat zij prestaties heeft verricht waarvoor [geïntimeerde] aan haar een vergoeding verschuldigd is op grond van onverschuldigde betaling dan wel ongerechtvaardigde verrijking. Dit onderdeel van de grief slaagt gedeeltelijk. Het hof licht dit als volgt toe.
Uit de prejudiciële beslissing van de Hoge Raad van 4 oktober 2024 (ECLI:NL:HR:2024:1366; Capabel) volgt dat een handelaar recht kan hebben op een vergoeding op grond van onverschuldigde betaling of ongerechtvaardigde verrijking nadat een overeenkomst op grond van art. 6:230v lid 3 BW geheel is vernietigd. De vergoedingsplicht geldt slechts voor zover dit redelijk is, zodat wordt vermeden dat de overtreding van de informatieplicht door de handelaar in feite zonder enige doeltreffende en afschrikkende sanctie blijft.
Niet in geschil is dat [appellant] auto’s beschikbaar heeft gesteld aan [geïntimeerde] en dat [geïntimeerde] daar gebruik van heeft gemaakt. [appellant] heeft daarmee ten opzichte van [geïntimeerde] zonder rechtsgrond gepresteerd en heeft daarom recht op ongedaanmaking (artikel 6:203 lid 3 in verbinding met artikel 6:210 lid 2 BW). [geïntimeerde] is door het gebruik van de auto’s verrijkt. Dit brengt mee dat [appellant] aanspraak kan maken op een vergoeding van de waarde van de prestatie op het moment van ontvangst daarvan, voor zover dit redelijk is (artikel 6:210 lid 2 BW).
De Hoge Raad heeft in voornoemd Capabel-arrest in rov. 4.7.9 overwogen: “Heeft de handelaar op grond van de overeenkomst niet een goed gegeven maar een andere prestatie verricht, die naar zijn aard niet ongedaan kan worden gemaakt (…) dan zal de handelaar slechts aanspraak kunnen maken op een vergoeding van de waarde van de prestatie op het ogenblik van ontvangst door de consument binnen de door art. 6:210 lid 2 BW omschreven grenzen; tot die grenzen behoort dat aanspraak op vergoeding alleen bestaat ‘voor zover dit redelijk is’. Omdat de handelaar niet heeft voldaan aan art. 6:230v lid 3 BW, is het gezien de vereiste doeltreffendheid en afschrikkendheid van de sanctie niet redelijk dat de handelaar voor die waarde zonder enige korting vergoeding zou ontvangen. (…)” Het hof acht het redelijk, een sanctie voor het niet voldoen aan artikel 6:230v lid 3 BW in aanmerking genomen, dat [appellant] recht heeft op vergoeding van 50% van het factuurbedrag, met uitzondering van de in rekening gebrachte bedragen voor doorbelaste bekeuringen en administratiekosten bekeuringen. Het is redelijk dat [geïntimeerde] deze laatstgenoemde bedragen als onverschuldigd betaald terugbetaalt aan [appellant] , nu de bekeuringen enkel zijn te wijten aan het rij- en parkeergedrag van [geïntimeerde] en dus geen verband houden met het niet nakomen van artikel 6:230v lid 3 BW door [appellant] .
Vervolgens stelt het hof als volgt vast tot welk bedrag de vordering van [appellant] toewijsbaar is. De totale gebruikskosten van de auto’s die [appellant] aan [geïntimeerde] in rekening heeft gebracht, bedragen € 5.742,89. Nu de betalingsverplichting van [geïntimeerde] wordt verminderd met 50%, is zij van dit bedrag 50%, dus € 2.871,45, aan [appellant] verschuldigd. Verder moet [geïntimeerde] € 370,20 aan bekeuringen en € 175,00 aan administratiekosten bekeuringen, totaal € 545,20, aan [appellant] betalen.
In haar mondelinge antwoord in eerste aanleg heeft [geïntimeerde] aangevoerd dat zij met [appellant] een afbetalingsregeling heeft getroffen van € 500,- per maand en dat zij zo’n
€ 1.000,- heeft terugbetaald. [appellant] heeft dit niet betwist, zodat het hof ervan zal uitgaan dat [geïntimeerde] reeds € 1.000,- (twee termijnen van € 500,-) aan [appellant] heeft voldaan. Dit voert tot de slotsom dat de hoofdsom toewijsbaar is tot een bedrag van € 2.416,65 (€ 2.871,45 + € 545,20 = € 3.416,65 - € 1.000,-). De gevorderde rente zal worden toegewezen vanaf de datum van de dagvaarding in eerste aanleg, zoals gevorderd.
De gevorderde vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten zal worden toegewezen op grond van artikel 6:96 lid 2 aanhef en onder c BW tot € 466,67, te vermeerderen met de wettelijke rente van de datum van de dagvaarding in eerste aanleg. Dit bedrag is berekend over het verschuldigde bedrag van € 3.416,65 (zonder aftrek van het reeds door [geïntimeerde] betaalde bedrag). Het hof neemt aan dat de over de buitengerechtelijke incassokosten gevorderde btw voor [appellant] een verrekenpost vormt, nu daarover niets anders is gesteld of gebleken. De gevorderde btw zal derhalve worden afgewezen
Met grief 2 betoogt [appellant] dat de kantonrechter ten onrechte heeft geoordeeld dat het aanbod om nog een akte te nemen om toelichting te geven op het bestelproces tardief is. Die grief wordt verworpen bij gebrek aan belang. [appellant] heeft in hoger beroep alsnog gelegenheid gehad om deze toelichting te geven en stukken ter staving van haar standpunt in het geding te brengen.
Grief 4 richt zich tegen het oordeel van de kantonrechter dat [appellant] als de in het ongelijk gestelde partij moet worden veroordeeld in de proceskosten. Nu slechts een deel van de vordering is toegewezen, ziet het hof aanleiding de kosten van de procedure in eerste aanleg te compenseren in die zin dat ieder van partijen de eigen kosten draagt.
Slotsom, kosten en bewijsaanbod
Het hoger beroep slaagt gedeeltelijk. Het bestreden vonnis wordt vernietigd. Het hof ziet geen aanleiding om [appellant] toe te laten tot bewijslevering, omdat zij geen bewijs heeft aangeboden van voldoende concrete stellingen die, indien bewezen, tot een andere uitkomst kunnen leiden.
De vorderingen van [appellant] zijn in hoger beroep slechts gedeeltelijk toewijsbaar. Het hof zal daarom de proceskosten in hoger beroep compenseren, in de zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
7. Beslissing
Het hof:
vernietigt het bestreden vonnis en doet opnieuw recht:
veroordeelt [geïntimeerde] om aan [appellant] te betalen een bedrag van € 2.883,32, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 5 december 2023 tot de dag van algehele betaling;
bepaalt dat partijen hun eigen proceskosten dragen zowel in eerste aanleg als in hoger beroep;
verklaart de veroordeling onder 7.2 uitvoerbaar bij voorraad;
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit arrest is gewezen door mrs. M.M. Kruithof, J.W.M. Tromp en R.L. de Graaff en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 26 mei 2026.