GERECHTSHOF AMSTERDAM
afdeling civiel recht en belastingrecht
zaaknummer : 200.301.531/01
zaak-/rolnummer rechtbank : C/13/676708/HA ZA 19-1328
arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 12 mei 2026
inzake
[appellant] ,
In zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van [appellant],
gevestigd te [plaats 1] ,
appellant,
advocaat: mr. J.P.M.Borsboom te Rotterdam,
tegen
1. [geïntimeerde 1] ,
wonende te [plaats 2] ,
advocaat: mr. M.S.J. Supičić te Amsterdam,
2. [geïntimeerde 2].,
gevestigd te [plaats 3] ,
advocaat: mr. P.H. Kramer te Amsterdam,
3. [geïntimeerde 3],
wonende te [plaats 3] ,
advocaat: mr. P.H. Kramer te Amsterdam,
geïntimeerden.
Partijen worden hierna de curator respectievelijk [geïntimeerde 1] , [geïntimeerde 2] en [geïntimeerde 3] genoemd. De gefailleerde vennootschap wordt [naam] genoemd.
1. De zaak in het kort
[geïntimeerde 1] is in de periode 2006-2010 bestuurder geweest van [naam] , een vennootschap die is opgericht vanwege het gunstige Nederlandse fiscaal regime. [naam] ontplooide geen ondernemingsactiviteiten en genereerde geen eigen inkomsten. [naam] behoorde tot de Russische Areti-groep. Tijdens het bestuurderschap van [geïntimeerde 1] zijn, met gebruikmaking van door [geïntimeerde 1] verstrekte volmachten, leningen ten bedrage van USD 186 miljoen verstrekt aan drie vennootschappen in Belize en is een bedrag van USD 14 miljoen aan advieskosten betaald aan een vennootschap op Bermuda. Het totaalbedrag betrof (in ieder geval: vrijwel) het gehele vermogen van [naam] . [geïntimeerde 3] heeft in de desbetreffende periode als advocaat een aantal werkzaamheden verricht. De leningen zijn nooit terugbetaald en er is nooit rente betaald. De Belastingdienst heeft [naam] in verband met de leningen aanslagen Vpb opgelegd die onbetaald zijn gebleven. De curator acht [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 3] aansprakelijk voor het verdwijnen van het vermogen van [naam] en heeft op basis daarvan een aantal vorderingen tegen hen ingesteld. Aan [geïntimeerde 2] verwijt de curator het faciliteren van de onttrekking en [geïntimeerde 2] is in zijn visie bovendien aansprakelijk als werkgever van [geïntimeerde 3] . De rechtbank heeft de vorderingen van de curator afgewezen. Het hof heeft reeds eerder geoordeeld dat de vorderingen tegen [geïntimeerde 3] en [geïntimeerde 2] niet toewijsbaar zijn. Met betrekking tot de meer subsidiaire vordering tegen [geïntimeerde 1] (het bedrag van de vpb 2009) heeft het hof nadere memoriewisseling nodig geacht. Bij dit arrest worden de formele verweren tegen de vordering verworpen (verjaring, decharge) en wordt de vordering, na matiging, toegewezen tot een bedrag van € 100.000,-.
2. Het geding in hoger beroep
Voor het geding in hoger beroep tot 1 april 2025 verwijst het hof naar zijn op die datum uitgesproken tussenarrest en de daarin vermelde stukken.
Na dat arrest hebben de curator en [geïntimeerde 1] gelijktijdig een nadere memorie genomen. De curator heeft daarbij producties overgelegd. Zij hebben vervolgens bij antwoordmemorie (die van de curator: met producties) op elkaars memories gereageerd.
Daarna is weer arrest gevraagd.
3. Verdere beoordeling
Inleiding
Bij het tussenarrest van 1 april 2025 heeft het hof reeds geoordeeld dat de op de vorderingen tegen [geïntimeerde 3] en [geïntimeerde 2] betrekking hebbende grieven geen doel treffen en deze vorderingen niet voor toewijzing vatbaar zijn maar dat de beslissing in een dictum zal volgen als ook op de vordering tegen [geïntimeerde 1] kan worden beslist. Dat is nu het geval zodat het vonnis van de rechtbank, waarbij de vorderingen tegen [geïntimeerde 3] en [geïntimeerde 2] zijn afgewezen, in zoverre zal worden bekrachtigd.
Met betrekking tot de vordering tegen [geïntimeerde 1] heeft het hof de vordering op de grondslag van artikel 6:162 BW niet toewijsbaar geacht en de grieven II tot en met IX van de curator gegrond geacht voor zover daarmee wordt geklaagd over de verwerping van de vordering op de grondslag van artikel 2:9 BW, maar overwogen dat over de door [geïntimeerde 1] aangevoerde formele verweren en over de schadeomvang nog nadere uitwisseling van standpunten nodig is. Deze uitwisseling van standpunten heeft plaatsgevonden in de nadere memories van de curator en [geïntimeerde 1] en de antwoordmemories in reactie daarop.
De vordering uit hoofde van artikel 2:9 BW tegen [geïntimeerde 1]
De formele verweren
Het beroep op verjaring
Het hof heeft nader debat nodig geacht over de vraag of de schadevordering van de curator die ziet op specifiek het bedrag van de onverhaalbaar gebleven belastingschuld van [naam] die is komen te ontstaan in de periode dat [geïntimeerde 1] bestuurder van [naam] is geweest, is verjaard en over de betekenis van de aan [geïntimeerde 1] door de vergadering van aandeelhouders verleende decharge.
Artikel 3:310 lid 1 BW bepaalt dat een rechtsvordering tot vergoeding van schade verjaart door verloop van vijf jaren na de aanvang van de dag, volgende op die waarop de benadeelde zowel met de schade als met de daarvoor aansprakelijke persoon bekend is geworden. Dit impliceert in de eerste plaats dat de schade moet zijn ontstaan. Naar vaste rechtspraak vangt de termijn voorts pas aan als de benadeelde daadwerkelijk in staat is een rechtsvordering tot vergoeding van schade in te stellen.
In het onderhavige geval spitst de discussie over de schade zich thans toe op het bedrag van de belastingschuld die voor [naam] tijdens het bestuurderschap van [geïntimeerde 1] is ontstaan. Het hof merkt daarbij nog op dat het niet gaat om de belastingschuld zelf (daarvoor is [geïntimeerde 1] niet rechtstreeks jegens [naam] aansprakelijk). Het gaat erom dat de belastingvordering niet kon worden betaald en de vennootschap met een schuld is blijven zitten die zij niet had behoren te hebben. Immers het hele vermogen is uit de vennootschap verdwenen maar het bedrag van de voorzienbare fiscale schuld had daar moeten blijven of voldoening van de schuld had op een andere manier zeker gesteld moeten worden. In de verhouding tussen [naam] en [geïntimeerde 1] is het moment van het ontstaan van de schade te stellen op het moment waarop de belastingdienst daadwerkelijk aanspraak maakte op betaling van de Vpb 2009.
De materiele belastingschuld is geformaliseerd in de aanslag Vpb 2009 van 13 oktober 2012. De belastingdienst werd daarmee inningsbevoegd. De belastingdienst is echter niet direct tot inning overgegaan en heeft naar aanleiding van het door [naam] ingediende bezwaar tegen de aanslag het verzoek van [naam] om uitstel van betaling gehonoreerd voor de duur van de bezwaarprocedure. Met de curator is het hof van oordeel dat de schade voor [naam] geacht moet worden te zijn ontstaan toen de belastingdienst na de verwerping van het bezwaar op 27 juli 2017 bij brief van 23 augustus 2017 aan [naam] heeft laten weten dat het verleende uitstel van betaling in verband met de beslissing op het bezwaarschrift was komen te vervallen. Op dat moment stond de aanslag wat de belastingdienst betrof vast en de brief bevat de aanzegging binnen tien dagen te betalen. De belastingdienst heeft bij brief van 23 oktober 2017 ook medegedeeld dat actief verder zal worden gegaan met invordering van de belastingschuld. Verdere verzoeken om uitstel van betaling en verzoeken om kwijtschelding van de aanslag zijn afgewezen.
Op 23 augustus 2017 was derhalve sprake van een belastingvordering waarvoor voor [naam] geen uitstel meer gold en die zij niet kon betalen. De curator heeft aangevoerd dat [naam] na het aftreden van [geïntimeerde 1] tot aan het faillissement steeds bestuurd is geweest door partijen die zijn aangesteld, gecontroleerd en geïnstrueerd door de aandeelhouder, de Areti-groep, die zelf betrokken was bij de constructie. Hij heeft betoogd dat hij de eerste objectieve betrokkene was die kennis kreeg van wat was gebeurd, de eerste die bekend werd met de schade en de aansprakelijke persoon en de eerste die namens [naam] in staat was tegen haar voormalig bestuurder [geïntimeerde 1] een rechtsvordering tot schadevergoeding in te stellen. In het midden kan blijven of dit betoog ertoe leidt dat moet worden uitgegaan van een latere aanvangsdatum voor de verjaring dan 23 augustus 2017 omdat ook wanneer van laatstgenoemde datum wordt uitgegaan, de vordering niet is verjaard. De curator heeft [geïntimeerde 1] immers op 20 november 2019 gedagvaard. Het beroep van [geïntimeerde 1] op verjaring wordt dus verworpen.
Het beroep op decharge
[geïntimeerde 1] heeft zich tevens beroepen op de decharge die hem is verleend in een buitengewone aandeelhoudersvergadering. In eerste aanleg heeft hij de notulen van die die vergadering, van 22 februari 2010, overgelegd. De curator heeft aangevoerd dat de decharge niet voldoet aan de statutaire eisen en gewezen op artikel 17.3 van de statuten van [naam] waarin staat dat vaststelling van de jaarrekening door de algemene vergadering van aandeelhouders strekt tot decharge van haar bestuur (tenzij de algemene vergadering daarvoor een voorbehoud maakt). Hij wijst erop dat de jaarstukken 2008 en 2009 pas na de decharge zijn opgesteld, respectievelijk op 19 augustus 2011 en 21 november 2011.
Artikel 2:210 lid 3 BW bepaalt (en bepaalde ook al ten tijde van de vaststelling van de jaarrekeningen 2008 en 2009) dwingendrechtelijk dat vaststelling van de jaarrekening niet tot kwijting aan een bestuurder strekt. Decharge moet afzonderlijk worden geagendeerd. Anders dan de curator aanvoert hoeft een dechargebesluit dat bij het defungeren van een bestuurder voorziet in een finale decharge niet te wachten op de vaststelling van de eerstvolgende jaarrekening.
De volgende vraag is of [geïntimeerde 1] zich met succes kan beroepen op de hem verleende decharge. Het hof beantwoordt deze vraag ontkennend. [geïntimeerde 1] wordt in het onderhavige geval aangesproken in verband met handelingen van de aandeelhouder waarmee deze op grond van door [geïntimeerde 1] verstrekte volmachten over het gehele vermogen van [naam] heeft beschikt en waarop [geïntimeerde 1] geen zicht heeft gehad maar wel had moeten houden. Dit heeft tot gevolg gehad dat een onverhaalbare fiscale schuld is ontstaan. De benadeling van de fiscus weegt te meer zwaar nu [naam] een fiscaal vehikel betreft en verder geen banden heeft met Nederland. Onder deze omstandigheden is naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar dat [geïntimeerde 1] zich beroept op een hem door diezelfde aandeelhouder verleende decharge. Dit beroep wordt dus verworpen.
De schade
Nu de formele verweren van [geïntimeerde 1] tegen de vordering op grond van artikel 2:9 BW worden verworpen, dient te worden bepaald welke schade kan worden toegerekend aan het handelen van [geïntimeerde 1] in strijd met genoemd artikel en of er gronden zijn voor matiging daarvan.
In het tussenarrest van 1 april 2025 heeft het hof met betrekking tot het ernstige verwijt dat [geïntimeerde 1] kan worden gemaakt overwogen dat dat is gelegen in het volledig loslaten van zijn bestuurlijke taken en verantwoordelijkheden. Meer in het bijzonder heeft hof geoordeeld dat [geïntimeerde 1] zich rekenschap had moeten geven van de fiscale verplichtingen die voor [naam] konden ontstaan op grond van feiten die zich tijdens zijn bestuurderschap voordeden. Meer concreet gaat het dan om de aanslag Vpb 2009 die verband houdt met de rente die moest worden betaald over de aan de vennootschappen te Belize verstrekte geldleningen.
[geïntimeerde 1] heeft in zijn memorie na tussenarrest betoogd dat hij niet aansprakelijk kan worden gehouden voor het bedrag van deze aanslag. Voor zover hij daarmee de grond voor aansprakelijkheid zelf betwist, is dit te laat omdat het hof hierover al bindend heeft beslist. Gebondenheid aan de beslissing zou uitzondering kunnen leiden als sprake is van een evidente feitelijke of juridische misslag, als de beslissing berust op een, niet aan [geïntimeerde 1] toe te rekenen, onjuiste feitelijke grondslag of als gebondenheid aan de beslissing anderszins onaanvaardbaar zou zijn.
[geïntimeerde 1] heeft, verspreid over de memorie, kort gezegd het volgende aangevoerd. Itera financierde de activiteiten van de Iteragroep met betrekking tot de Siberische olie- en gasbelangen in concernverband. Wat in de dagvaarding is gesteld is incompleet, misleidend en onvolledig. Uit niets is gebleken dat de verhanging na 28 maart 2008 gepaard is gegaan met feitelijke betaling, er was sprake van verhanging binnen de groep met schuldvernieuwing, Dit geldt ook voor de Belize-betalingen. Aannemelijk is dat de betaling van de leningen door de Itera-groep is gedaan. Na de eventuele betalingen aan Belize was er nog een aanzienlijk saldo op de rekening van [naam] , Niet uit te sluiten is dat er ook nog van andere vorderingen van [naam] op Itera sprake was. Ook de saldi op de Cypriotische [naam] rekeningen waren van Itera afkomstig. De curator heeft een en ander niet onderzocht en [geïntimeerde 1] beschikt niet over een dossier. Aannemelijk is dat de betalingen aan de Belize-vennootschappen niet alleen door de moeder zijn geïnstrueerd maar ook van haar afkomstig waren/door haar waren gefinancierd. Dat betekent dat het vermogen van [naam] niet verwijtbaar is aangetast of weggemaakt en niet was te verwachten dat niet aan de fiscale verplichtingen kon worden voldaan. [geïntimeerde 1] heeft telkens de aanwezigheid van investeringen respectievelijk gunstige/onbelaste constructies meegewogen. Er was destijds geen uitzicht op een harde fiscale vordering. [geïntimeerde 1] mocht op een correcte bedrijfsvoering door Itera in het belang van haar dochtervennootschappen afgaan. Hem ontbrak het totaaloverzicht zoals later zichtbaar is geworden. Als het verkapt dividend was moet het ervoor worden gehouden dat er dividendvrijstelling was, [geïntimeerde 1] gaf voor de leningen ook slechts een voorwaardelijke volmacht voor een jaar. Bovendien waren [naam] en de Iteragroep financieel en juridisch één. [geïntimeerde 1] had slechts beperkte taken/bevoegdheden. Alles past binnen de werkwijze van een trustverband en [geïntimeerde 1] ging uit van een grote en gegoede partij. De voordelige taxroute wordt vele duizenden keren per jaar toegepast en heeft zijn eigen bestuurlijke verantwoordelijkheid en aansprakelijkheid. De gekozen constructie was onmogelijk voorzienbaar voor [geïntimeerde 1] . Na de verhanging eiste [geïntimeerde 1] meer betrokkenheid en inzicht. Dat de aandeelhouders daar niet op in wensten te gaan is niet aan hem verwijtbaar, Itera stond [geïntimeerde 1] geen zeggenschap toe. Zijn enige dwangmiddel was opschorting van zijn werkzaamheden en aankondiging van zijn ontslag. Dit ontslag is pas veel later geeffectueerd, maar per eind mei 2008 verrichtte hij geen bestuursdaden meer. Het is in ieder geval niet redelijk hem aansprakelijk te houden voor de interregnum periode. Het ging bij Itera om een serieuze, internationaal opererende onderneming met een eigen juridische afdeling en een grote groep deskundige adviseurs. Er was dus sprake van serieuze bedrijfsvoering en [naam] had bovendien een vordering op Itera die in ieder geval voor een deel uit de doorlening ontstond. De instemmingen en volmachten zijn niet als onrechtmatig of onzorgvuldig te beschouwen en ook de voorwaardelijke toestemming om geldleningen tot USD 200 miljoen binnen de groep van aandeelhouders te verstrekken was niet ongebruikelijk of onrechtmatig gezien het concernverband en het feit dat alle geldmiddelen door Itera waren gefourneerd en alles in rekening-courant werd geregistreerd. [geïntimeerde 1] had geen vrijheid van handelen.
Dit betoog, dat deels eerder is gevoerd en deels eerder had kunnen worden gevoerd, geeft het hof geen aanleiding terug te komen van zijn beslissing over de aansprakelijkheid. Het hof merkt hierover nog het volgende op. Het verwijt aan [geïntimeerde 1] is niet dat hij zich inhoudelijk had moeten bemoeien met de bedrijfsvoering of zelfstandig maatregelen had moeten treffen. Naar zijn stelling fungeerde [geïntimeerde 1] als een trustbestuurder en werden alle belangrijke beslissingen aangaande [naam] door de aandeelhouder genomen. Dit ontslaat hem echter niet van zijn verantwoordelijkheden en verplichtingen als bestuurder van [naam] . [geïntimeerde 1] wordt in deze zaak met name verweten dat hij alle controle over en elk zicht op (het vermogen van) [naam] heeft losgelaten. Daarbij heeft hij zich bij de stukken die hij als bestuurder tekende geen rekenschap gegeven van de belangen van de vennootschap, en in dit geval van de verplichtingen die voor de vennootschap jegens de fiscus konden ontstaan. Bij het tekenen van de volmacht waarmee het hele vermogen van [naam] zou kunnen worden uitgeleend, had hij bij de aandeelhouder daarvoor aandacht moeten vragen en als dat niet tot resultaat leidde daaraan consequenties moeten verbinden. Als, zoals hij stelt, deze aandeelhouder hem nooit in staat zou hebben gesteld die verantwoordelijkheid als bestuurder te dragen (waarbij overigens niet blijkt dat hij daarom heeft gevraagd), had hem dat eens te meer te denken moeten geven. [geïntimeerde 1] heeft aangevoerd dat hij uitging van intercompany leningen, maar, wat hier verder van zij, onduidelijk is waar hij dit op baseert. De volmacht is daartoe niet beperkt (deze ziet op leningen `to any legal entity`) en de stukken die zich in het dossier bevinden (de leningovereenkomsten en het debiteurenonderzoek, producties 9 tot en met 11 respectievelijk 34b bij de inleidende dagvaarding) ondersteunen dat niet. De leningen zijn verstrekt aan vennootschappen in Belize. In de fiscale procedure heeft [naam] betoogd dat het niet om intercompany leningen ging. [geïntimeerde 1] heeft ook geen zicht gehouden op wat er met de door hem verstrekte volmachten gebeurde, noch voor wat betreft de leningen noch voor wat betreft het bedrag van € 14 miljoen advisory fee.
Een deel van het betoog van [geïntimeerde 1] is echter ook van belang voor de vraag naar de omvang van de aan zijn handelen toe te rekenen schade.
De argumenten die [geïntimeerde 1] aanvoert laten zich als volgt samenvatten:
[geïntimeerde 1] is niet betrokken geweest bij de fiscale procedure en hoeft de uitspraak met betrekking tot de Vpb 2009 niet tegen zich te laten gelden. De handhaving van de aanslag is alleen het gevolg van het feit dat [naam] destijds niet aan haar bewijslast kon voldoen, De vpb is materieel niet verschuldigd. Vast staat immers dat de leningen nooit zijn terugbetaald en dat nooit rente is betaald. Er was dus geen te belasten winst. Er is geen sprake van benadeling van de Nederlandse fiscus bij niet betaling van de aanslag, maar een onterecht voordeel bij wel betaling. Er is een bate belast die niet bestaat. Art. 32 Invorderingswet 1990 bepaalt voorts dat de belastingrente vervalt als de aanslag niet verschuldigd is. Voor die rente is [geïntimeerde 1] sowieso niet aansprakelijk.
De beslissing in de fiscale procedure was uitsluitend gebaseerd op het niet kunnen leveren van bewijs van de waardevermindering. Andere relevante aspecten, zoals op welke wijze de inbreng van de Siberische deelnames bij de [bank] hadden plaatsgevonden of waren gewaardeerd, zijn ten onrechte niet in de fiscale procedures niet aan de orde geweest. De uitkomst is van grote invloed op de werkelijke omvang van de schuldverhoudingen. Een lagere schuldverhouding dient te leiden tot lagere fictieve rente-inkomsten. De jaarcijfers 2009 zijn opgesteld door de opvolgende bestuurder en geven geen getrouw beeld.
Ten tijde van de opschorting door [geïntimeerde 1] van zijn functioneren eind mei 2008 evenals ten tijde van zijn uitschrijving uit de Kamer van Koophandel in februari 2010 beschikte [naam] over voldoende middelen om een aanslag over 2009 te voldoen, waarbij geldt dat [naam] een aanzienlijke vordering op haar aandeelhouders had op grond van de onder haar verantwoordelijkheid genomen beslissingen over de doorlening aan de Belize-vennootschappen.
De leningen mochten op grond van de door [geïntimeerde 1] verstrekte voorwaardelijke volmacht slechts voor maximaal een jaar worden verstrekt. Deze door [geïntimeerde 1] opgelegde beperking was destijds de enige mogelijkheid – naast het opschorten van zijn werkzaamheden in de zomer van 2008 – om enige invloed uit te oefenen, gegeven het geldende strakke concernregime en zijn beperkte bestuursmogelijkheden.
Ad a. Niet ter discussie staat dat [geïntimeerde 1] niet betrokken is geweest bij de fiscale procedure. Dit brengt mee dat de hoogte van de schade niet zonder meer kan worden bepaald door de aanslag en dat het hof de juistheid van deze aanslag zelfstandig moet toetsen (vgl. HR 8 juli 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP8686 en HR 9 september 2022, ECLI:NL:HR:2022:1188). Het gaat daarbij niet om een marginale toetsing – wat de curator betoogt – maar om een volledige toets.
Anders dan [geïntimeerde 1] aanvoert kan de constatering dat inmiddels is gebleken dat de leningen nooit zijn terugbetaald en dat nooit rente is betaald, er niet toe leiden dat de belastingschuld over 2009 wordt verlaagd. Voor het vaststellen van de winst van 2009 gaat het om de werkelijke waarde van de hoofdsom en rentevorderingen op de balansdatum 2009. Gelet op zijn stelling is het aan [geïntimeerde 1] om aannemelijk te maken dat die toen minder bedroegen dan nominaal.
In de fiscale procedure heeft [naam] zich op het standpunt gesteld dat dat het geval was. Deze stelling is in die procedure onderzocht en de slotsom was dat er toen nog geen grond was voor afwaardering. [geïntimeerde 1] heeft geen aanwijzingen vertrekt dat dit onjuist was. Integendeel, [geïntimeerde 1] heeft in het kader van deze procedure aangevoerd dat het ging om intercompany leningen (zie hiervoor onder 3.15) en juist opgeworpen dat hij er om die reden destijds vanuit mocht gaan dat aan de verplichtingen zou worden voldaan. Nu ervan moet worden uitgegaan dat er op de balansdatum 2009 nog onvoldoende grond was voor afwaardering van de leningen, valt niet in te zien dat de overeengekomen rente niet als belastbare bate kon worden aangemerkt.
Ad b. Dit betoog van [geïntimeerde 1] is te weinig nader uitgewerkt om verder onderzoek te rechtvaardigen. De curator heeft in eerste aanleg een groot aantal stukken overgelegd, waaronder stukken met betrekking tot de gang van zaken bij [naam] vlak voor en tijdens de periode van het bestuurderschap van [geïntimeerde 1] . Daarbij bevinden zich ook stukken met betrekking tot de verpanding van de aandelen INGA en Trans-Oil aan [bank] en de beëindiging daarvan op 2 januari 2007. [geïntimeerde 1] heeft bij conclusie van antwoord deze stukken ook genoemd en heeft ook de in het kader daarvan begrote waarde van de aandelen vermeld. [geïntimeerde 1] heeft niet uitgelegd op welke wijze dit invloed zou hebben op de hoogte van de aanslag vpb 2009. Vastgesteld is (door zowel rechtbank als hof en onderschreven door [geïntimeerde 1] , memorie van antwoord 2.8, 2.9, 2.11 en 2.12) dat [naam] op 28 maart 2008 de aandelen Inga en Trans-Oil voor USD 200.407.033,- heeft verkocht en geleverd en dat met de door [geïntimeerde 1] op 14 mei 2008 verstrekte volmacht kort daarna door [naam] tot een bedrag van USD 186 miljoen rentedragende leningen zijn verstrekt (en de daarmee gemoeide bedragen zijn overgemaakt) aan drie vennootschappen in Belize. Dit laatste ligt aan de basis van de aanslag vpb 2009. [geïntimeerde 1] heeft aangevoerd dat hij niet over alle stukken beschikt en dat de curator ‘alle relevante stukken’ moet overleggen. Van [geïntimeerde 1] had in dit stadium van de procedure minstgenomen kunnen worden verwacht dat hij had gespecificeerd om welke stukken het in dit verband gaat en wat concreet de relevantie is voor de beoordeling van de aanslag vpb 2009. [geïntimeerde 1] heeft tal van feiten en omstandigheden genoemd waarvan in zijn visie mogelijk sprake zou kunnen zijn geweest, maar dat is te vaag om thans een verplichting tot overlegging van meer stukken op te baseren dan al in de procedure zijn overgelegd.
Ad c. De curator heeft stukken overgelegd (producties I en II bij zijn memorie na tussenarrest, waaruit volgt dat het saldo van de bankrekeningen van [naam] ten tijde van het aftreden van [geïntimeerde 1] (omgerekend) € 41.945,- bedroeg. Als al juist is dat [geïntimeerde 1] al voor de datum van zijn formele defungeren zijn werkzaamheden had opgeschort, betekent dat niet dat dan van de datum van die opschorting in plaats van de datum van aftreden in februari 2010 moet worden uitgegaan. Immers, daarmee is hij niet van zijn bestuurdersverantwoordelijkheden ontslagen. Dat de door de curator met betrekking tot februari 2010 verstrekte gegevens niet kloppen, is niet nader geconcretiseerd. Van voldoende saldo voor het voldoen van de fiscale schuld was dus geen sprake. Waarom [naam] in februari 2010 een vordering zou hebben op haar aandeelhouders die zou kunnen dienen als voldoende zekerheid voor die schuld, valt zonder nadere toelichting niet in te zien.
Ad d. Dit betoog gaat niet op, reeds vanwege het feit dat [geïntimeerde 1] de mogelijkheid had de volmacht, waarmee over het hele vermogen kon worden beschikt, pas te verstrekken wanneer voldoende zeker zou zijn gesteld dat te vennootschap aan de op grond daarvan te verwachten fiscale verplichtingen zou kunnen voldoen.
Slotsom van het vorenstaande is dat [geïntimeerde 1] naar het oordeel van het hof in beginsel aansprakelijk kan worden gehouden voor het bedrag van de aanslag vpb 2009. De heffingsrente is het gevolg van het niet kunnen voldoen van de aanslag en daarmee ook in beginsel als schade toerekenbaar. Het gaat dus om het totaalbedrag van € 621.495,- zoals de curator meer subsidiair vordert. De curator heeft in het petitum van zijn memorie van grieven tevens houdende wijziging van eis geen rente over dit bedrag gevorderd. Dat hij dit in zijn laatste memorie alsnog heeft gedaan, is te laat.
Hoewel het hof van oordeel is dat [geïntimeerde 1] een ernstig verwijt kan worden gemaakt bij zijn bestuurlijk handelen en hij op de voet van artikel 2:9 BW aansprakelijk is jegens [naam] , neemt dit niet weg dat er gronden kunnen zijn de schade op de voet van artikel 6:109 lid 1 BW te matigen (vgl. recent HR 5 oktober 2024, ECLI:NL:HR:2024:1384).
In het onderhavige geval zijn er gronden voor matiging. Daarbij staat als belangrijk uitgangspunt voorop dat er geen enkele aanwijzing is van opzettelijk handelen van [geïntimeerde 1] of van handelen waarbij hij zelf gebaat is geweest. Verder spelen de volgende factoren een rol.
[geïntimeerde 1] ontving voor zijn werkzaamheden slechts een beperkte beloning van € 4.000,- per jaar. In de managementovereenkomst is een bepaling opgenomen met betrekking tot een vergoeding voor extra werkzaamheden van € 250,- per uur exclusief btw en 7,5% kantoorkosten, maar nergens blijkt uit dat hiervan (meer dan mogelijk incidenteel) sprake is geweest. Deze bedragen staan in schril contrast met de enorme bedragen waarmee [geïntimeerde 1] in het kader van zijn overeenkomst te maken heeft gehad en die nu aan de basis staan van het schadebedrag. Naar valt aan te nemen moet de schade uit het privé-vermogen van [geïntimeerde 1] worden voldaan. [geïntimeerde 1] heeft gemotiveerd aangevoerd dat er geen verzekeringsdekking is en hiervoor bestaat ook geen aanwijzing.
[geïntimeerde 1] is inmiddels 75 jaar. De relevante gebeurtenissen hebben plaatsgevonden in 2008 en [geïntimeerde 1] is al sinds 2010 geen bestuurder meer van [naam] , De procedure is pas in november 2019 aangevangen en heeft ongetwijfeld een grote belasting gevormd voor [geïntimeerde 1] . In het voorgaande is geoordeeld dat het beroep van [geïntimeerde 1] op verjaring en decharge geen doel treft, maar dit neemt niet weg dat [geïntimeerde 1] voor zijn gevoel onverhoeds zal zijn geconfronteerd met een vordering uit het verleden en dat hij daarover, tot ver na de pensioengerechtigde leeftijd, in onzekerheid heeft moeten verkeren.
In het licht van het vorenstaande acht het hof toewijzing van het volledige schadebedrag tot kennelijk onaanvaardbare gevolgen leiden, ook wanneer daarbij de – op zichzelf zwaarwegende – belangen van de boedel en mogelijk nog van de fiscus als enige crediteur van [naam] in aanmerking worden genomen. Het hof acht in het onderhavige geval een aanzienlijke matiging op zijn plaats, te weten tot een bedrag van € 100.000,- met wettelijke rente vanaf heden. Het hof ziet voorts aanleiding de veroordeling niet uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
Slotsom
Zoals hiervoor al is overwogen zal het vonnis waarvan beroep in de zaak tegen [geïntimeerde 3] en [geïntimeerde 2] worden bekrachtigd. De curator zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van het hoger beroep.
Deze kosten worden als volgt vastgesteld:
- griffierecht € 5.610,-
- salaris advocaat € 9.262,- (tarief VIII, 2 punten)
totaal € 14.872,-
Ook de gevorderde nakosten en wettelijke rente zullen worden toegewezen.
In de zaak tegen [geïntimeerde 1] heeft het slagen van de grieven II tot en met IX voor zover betrekking hebbend op de vordering ex artikel 2:9 BW tot gevolg dat het bestreden zal vonnis worden vernietigd en de vordering van de curator zal worden toegewezen tot een bedrag van € 100.000,-, met wettelijke rente vanaf heden. Nu partijen in deze zaak over en weer op enkele punten in het ongelijk zijn gesteld, zal het hof de proceskosten in beide instanties compenseren.
4. Beslissing
Het hof:
In de zaak tegen [geïntimeerde 3] en [geïntimeerde 2]
bekrachtigt het vonnis waarvan beroep voor zover gewezen tussen de curator enerzijds en [geïntimeerde 3] en [geïntimeerde 2] anderzijds;
veroordeelt de curator in de kosten van het geding in hoger beroep, tot op heden aan de zijde van [geïntimeerde 3] en [geïntimeerde 2] vastgesteld op € 14.872,- en op € 189,- voor nasalaris, te vermeerderen met € 98,- voor nasalaris en de kosten van het betekeningsexploot ingeval betekening van dit arrest plaatsvindt, te vermeerderen met de wettelijke rente, indien niet binnen veertien dagen na dit arrest dan wel het verschuldigd worden van de nakosten aan de kostenveroordeling is voldaan;
In de zaak tegen [geïntimeerde 1]
vernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover gewezen tussen de curator enerzijds en [geïntimeerde 1] anderzijds en, opnieuw rechtdoende,
veroordeelt [geïntimeerde 1] om aan de curator te betalen het bedrag van € 100.000,-, te vermeerderen met wettelijke rente over dit bedrag vanaf heden tot de dag van betaling;
compenseert de proceskosten in beide instanties aldus dat beide partijen de eigen kosten dragen;
wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit arrest is gewezen door mrs. M.M.M. Tillema, J.M. van den Berg en J.G. Sijmons, en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 12 mei 2026.