ECLI:NL:GHAMS:2026:1533

ECLI:NL:GHAMS:2026:1533

Instantie Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak 12-05-2026
Datum publicatie 03-06-2026
Zaaknummer 200.354.760
Rechtsgebied Civiel recht
Procedure Hoger beroep
Zittingsplaats Amsterdam

Samenvatting

Incident ex artikel 351 tot schorsing tenuitvoerlegging en opheffing loonbeslag. Vordering afgewezen.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I

zaaknummer : 200.354.760/01

zaak-/rolnummers rechtbank Amsterdam : C/13/739105 / HA ZA 23-816 : C/13/739059 / HA ZA 23-803

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 12 mei 2026

inzake

1. [appellant 1] ,

wonend te [plaats 1] ,

2. [appellant 2],

gevestigd te [plaats 2] ,

appellanten in de hoofdzaak,

eisers in het incident tot schorsing,

advocaat: mr. S.M. Bartman te Baambrugge,

tegen

1. STICHTING HULPTROEPEN ALLIANTIE,

gevestigd te Amsterdam,

2. HULPTROEPEN ALLIANTIE B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

geïntimeerden in de hoofzaak,

verweersters in het incident tot schorsing,

advocaat mr. I. Spinath te Amsterdam.

Partijen worden aangeduid als [appellant 1] , [appellant 2] (tezamen: [appellanten] ), SHA en HA (tezamen: SHA c.s.).

1. De zaak in het kort

[appellanten] en een aantal andere personen en entiteiten zijn bij een uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis hoofdelijk veroordeeld tot betaling aan SHA van een voorschot van ruim € 20 miljoen. Bij datzelfde vonnis zijn [appellanten] en een aantal andere personen en entiteiten voorts, in het kader van proceskostenveroordelingen, veroordeeld tot betaling van verschillende bedragen aan SHA respectievelijk HA. De zaken worden ook wel aangeduid als de “mondkapjesdeal”. SHA c.s. hebben ten laste van de veroordeelden executoriaal beslag gelegd, dat voor een bedrag van in totaal ruim € 16,5 miljoen doel heeft getroffen.

Verschillende partijen hebben hoger beroep ingesteld tegen het vonnis.

[appellanten] vorderen in dit incident opheffing van het door SHA c.s. onder [appellant 2] ten laste van [appellant 1] gelegde loonbeslag en schorsing van de executie van het bestreden vonnis totdat in hoger beroep arrest is gewezen. Het hof wijst de incidentele vordering af.

2. Het geding in hoger beroep

[appellanten] zijn bij dagvaarding van 4 april 2025 in hoger beroep gekomen van een vonnis van 5 februari 2025 van de rechtbank Amsterdam, dat onder meer onder bovenvermelde zaak-/rolnummers is gewezen tussen SHA c.s. als eiseressen in conventie, tevens verweersters in reconventie, en onder meer [appellanten] als gedaagden in conventie, tevens eisers in reconventie. SHA c.s. hebben vervolgens een anticipatie-exploot uitgebracht.

Op 15 juli 2025 heeft het hof een regiezitting gehouden in deze zaak en de samenhangende zaken met zaaknummers 200.354.590/01 (de Staat) en 200.354.763/01 (Van Gestel c.s.). De eveneens samenhangende zaak met zaaknummer 200.357.409/01 (Van Lienden c.s.) is later bij het hof aangebracht.

Bij arrest van 7 oktober 2025 heeft het hof een aantal personen aangeduid als de Medewerkers toegestaan om zich in deze procedure en de procedures met zaaknummers 200.354.763/01 (Van Gestel c.s.) en 200.357.409/01 (Van Lienden c.s.) aan de zijde van SHA c.s. te voegen. In de procedure met zaaknummer 200.354.590/01 (de Staat) waren de Medewerkers al partij.

[appellanten] hebben op 6 januari 2026 een incidentele vordering tot opheffing loonbeslag en schorsing van de executie van het vonnis ingediend ex artikel 351 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv). [appellanten] hebben in het incident gevorderd om bij arrest, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

- het door SHA c.s. onder [appellant 2] gelegde loonbeslag ten laste van [appellant 1] onmiddellijk op te heffen;

- de verdere tenuitvoerlegging van het bestreden vonnis door SHA c.s. te schorsen, althans SHA c.s. te verbieden tot verdere tenuitvoerlegging over te gaan totdat het hof bij arrest een oordeel heeft gegeven over de vraag of [appellanten] uit hoofde van (hoofdelijke) aansprakelijkheid jegens SHA c.s. gehouden zijn tot betaling van enig bedrag aan schadevergoeding;

- en/of enige andere voorziening(en) te treffen die het hof passend en geraden acht;

- met hoofdelijke veroordeling van SHA c.s. in de kosten van het incident, met nakosten en rente.

SHA c.s. hebben op 3 februari 2026 in het incident tot schorsing geconcludeerd tot afwijzing van de vorderingen, met - uitvoerbaar bij voorraad - hoofdelijke veroordeling van [appellanten] in de kosten van het incident, met nakosten en rente.

Arrest in het incident is bepaald op vandaag.

3. Beoordeling

Zaaksverloop hoofdzaak en standpunten partijen in het incident

Voor zover voor de beoordeling van het incident van belang, gaat het in deze zaak om het volgende.

Bij het bestreden vonnis zijn [appellanten] hoofdelijk veroordeeld tot betaling aan SHA van een voorschot van € 20.733.550,-. Voor het vaststellen van de schade is de zaak verwezen naar de schadestaatprocedure. Verder zijn [appellanten] , in het kader van proceskostenveroordelingen, veroordeeld tot betaling van verschillende bedragen aan SHA respectievelijk HA. Het bestreden vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

SHA c.s. hebben verschillende executoriale beslagen gelegd ten laste van [appellanten] en andere personen en entiteiten die in het vonnis zijn veroordeeld tot betaling van het voorschot. Deze beslagen hebben in totaal voor een bedrag van ruim € 16,5 miljoen doel getroffen, waarvan in ieder geval ongeveer € 5,7 miljoen ten laste van [appellanten]

Op 7 november 2025 heeft het hof in kort geding arrest gewezen in een naar aanleiding van de tenuitvoerlegging van het bestreden vonnis door [appellanten] aanhangig gemaakt executiegeschil (zaaknummer 200.360.101/01, hierna: het executiegeschil). Het hof heeft SHA c.s. bij dat arrest geboden om het door haar gelegde executoriaal beslag op een Zwitserse bankrekening voor een bedrag van € 100.000,00 gedeeltelijk op te heffen ( [appellanten] vorderden opheffing van € 150.000,00), om [appellanten] in staat te stellen hun advocatenkosten in hoger beroep te betalen. SHA c.s. hebben hieraan voldaan.

Kort gezegd hebben [appellanten] ter onderbouwing van hun incidentele vordering aangevoerd dat met de (gedeeltelijk) gunstige afloop van het executiegeschil, de dagelijkse financiële nood voor [appellant 1] niet is verdwenen. Deze verergert volgens [appellanten] elke dag. Als gevolg van het door SHA c.s. onder [appellant 2] gelegde loonbeslag, ontvangt [appellant 1] maandelijks slechts een nettosalaris van € 696,00 van [appellant 2] . Het onroerend goed dat [appellant 1] bezat, is inmiddels verkocht. Om te kunnen voorzien in zijn kosten van levensonderhoud, is [appellant 1] al geruime tijd praktisch volledig aangewezen op leningen van familie en naaste omgeving. De door [appellant 1] in privé over de leningen te betalen rente is inmiddels opgelopen tot meer dan € 1.200,00 per maand. Gesteld kan worden dat [appellant 1] “technisch failliet” is. Het belang van [appellant 1] om deze onhoudbare toestand voor de duur van het hoger beroep te beëindigen, althans te verlichten, zou zwaarder moeten wegen dan het belang van SHA c.s. bij handhaving van het loonbeslag, mede in het licht van de omvang van het bedrag waarvoor SHA c.s. al executoriaal beslag hebben gelegd en het feit dat het bedrag waartoe [appellanten] zijn veroordeeld nog slechts een voorschot betreft.

SHA c.s. hebben verweer gevoerd op de gronden waarop, voor zover van belang, hierna zal worden ingegaan.

Afspraken regiezitting

Het betoog van SHA c.s. dat de incidentele vordering moet worden afgewezen, omdat partijen op de regiezitting hebben meegedeeld geen behoefte te hebben om nadere incidenten op te werpen gaat niet op. Een incidentele vordering tot schorsing van de executie moet immers steeds aan de rechter kunnen worden voorgelegd wanneer de omstandigheden een partij daartoe aanleiding geven.

Opheffing loonbeslag

Wat betreft de incidentele vordering tot opheffing van het loonbeslag, geldt het volgende. De rechter kan slechts tot (gedeeltelijke) opheffing van een executoriaal beslag beslissen als de executant zich door de executie schuldig maakt aan misbruik van bevoegdheid. Een bevoegdheid kan onder meer worden misbruikt in geval men, in aanmerking nemende de onevenredigheid tussen het belang bij de uitoefening en het belang dat daardoor wordt geschaad, naar redelijkheid niet tot die uitoefening had kunnen komen (artikel 3:13 lid 2 BW). Dit vergt een afweging van belangen.

Het hof overweegt daartoe als volgt. De belangenafweging aan de hand van de in rov. 3.8 bedoelde maatstaf ter beoordeling van de vraag of SHA c.s. misbruik van bevoegdheid maken, valt in het voordeel van SHA c.s. uit. Het volgende is daartoe redengevend.

Het belang van SHA c.s. is gelegen in het incasseren van de vorderingen die zij met het bestreden vonnis hebben verkregen op [appellanten] SHA c.s. moeten de uitvoerbaar bij voorraad verklaarde hoofdelijke veroordelingen van onder meer [appellanten] in beginsel zonder meer ten uitvoer kunnen leggen, ook terwijl het hoger beroep loopt. Nu het om betaling van geldbedragen gaat, is het belang bij snelle inning in beginsel gegeven.

Het door [appellanten] gestelde belang is erin gelegen de gestelde financiële noodtoestand (zie rov. 3.5) waarin [appellant 1] verkeert te beëindigen, althans te verlichten en om [appellant 1] in staat te stellen om (via [appellant 2] ) in de kosten van zijn levensonderhoud te voorzien.

Afweging van deze belangen leidt tot de conclusie dat zich hier niet een zodanige onevenredigheid tussen die belangen voordoet dat SHA c.s. in de gegeven omstandigheden misbruik maken van hun bevoegdheid als executoriaal beslaglegger door het loonbeslag onverkort te handhaven en niet mee te werken aan gedeeltelijke opheffing van het beslag. Dat wordt niet anders doordat SHA c.s. al voor een aanzienlijk bedrag executoriaal beslag hebben gelegd en dat het in het bestreden vonnis slechts gaat om een toegewezen voorschot. Het hof neemt voorts in aanmerking dat de deurwaarder slechts loonbeslag heeft gelegd op het inkomen boven de wettelijk geregelde en door de deurwaarder aan de hand van de wettelijke regels bepaalde beslagvrije voet. Dat die berekening onjuist is of dat [appellant 1] om herziening daarvan gevraagd heeft is niet gesteld en ook niet gebleken. [appellant 1] ziet blijkens de brief van 11 december 2025 het nut niet van het verwerven van meer inkomsten, wat tot een verhoging van de beslagvrije voet zou kunnen leiden; dat kan niet in het voordeel van [appellanten] meewegen.

Gelet op dit een en ander doet zich in de gegeven omstandigheden dan ook geen wanverhouding voor tussen het nadeel dat [appellanten] ondervinden als gevolg van de volledige handhaving van het beslag door SHA c.s. en de geringe beperking van het verhaal van SHA c.s. op [appellanten] die voortvloeit uit de gedeeltelijke opheffing daarvan. Het hof ziet in het kader van dit incident geen aanleiding om [appellanten] te bevelen om onderliggende (lenings)documenten in het geding te brengen, zoals SHA c.s. verder nog hebben verzocht, nu die documenten voor de afwijzing van de vordering in dit incident geen verschil kunnen maken.

Schorsing verdere tenuitvoerlegging

Wat betreft de vordering tot schorsing van de verdere tenuitvoerlegging, geldt het volgende. Bij de beoordeling van de incidentele vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden vonnis, waarin – zoals in dit geval – over de uitvoerbaarheid bij voorraad ongemotiveerd is beslist, stelt het hof het volgende voorop (HR 20 december 2019, ECLI:NL:HR:2019:2026). Uitgangspunt is dat een uitgesproken veroordeling, hangende een hogere voorziening, uitvoerbaar dient te zijn en ten uitvoer kan worden gelegd. Afwijking van dit uitgangspunt kan worden gerechtvaardigd door omstandigheden die meebrengen dat het belang van de veroordeelde bij behoud van de bestaande toestand zolang niet op het door hem ingestelde rechtsmiddel is beslist, ook gegeven dit uitgangspunt, zwaarder weegt dan het belang van degene die de veroordeling in de ten uitvoer te leggen uitspraak heeft verkregen, bij de uitvoerbaarheid bij voorraad daarvan. Bij de toepassing van deze maatstaf moet worden uitgegaan van de beslissingen in de ten uitvoer te leggen uitspraak en van de daaraan ten grondslag liggende vaststellingen en oordelen, en blijft de kans van slagen van het tegen die beslissing aangewende rechtsmiddel buiten beschouwing, met dien verstande dat de rechter in zijn oordeelsvorming kan betrekken of de ten uitvoer te leggen beslissing(en) berust(en) op een kennelijke misslag.

De uitvoerbaar bij voorraad verklaarde veroordeling betreft de betaling van een geldsom. Daarmee is het belang van SHA c.s. bij (voortzetting van) de tenuitvoerlegging in beginsel gegeven.

Het door [appellanten] gestelde belang (zie rov. 3.11) legt onvoldoende gewicht in de schaal tegenover dit zwaarwegende belang van SHA c.s. bij verdere tenuitvoerlegging van het bestreden vonnis.

Voor zover [appellanten] hun incidentele vordering baseren op inhoudelijke bezwaren tegen het bestreden vonnis gaat het hof daarop in het kader van dit incident niet in. Op het oordeel in de hoofdzaak mag immers niet worden vooruitgelopen. Omdat verder is gesteld noch gebleken dat het vonnis een kennelijke misslag bevat, moet de incidentele vordering van [appellanten] tot schorsing worden afgewezen.

Conclusie, kosten, voortgang hoofdzaak

Gelet op het voorgaande zal de incidentele vordering van [appellanten] tot opheffing van het loonbeslag en tot schorsing van de verdere tenuitvoerlegging worden afgewezen.

Een oordeel over de kosten van het incident zal worden aangehouden tot het eindarrest in de hoofdzaak.

In de hoofdzaak zal de procedure verder verlopen zoals op de regiezitting met partijen besproken.

Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

4. Beslissing

Het hof:

in het incident:

wijst de vordering tot opheffing van het loonbeslag en tot schorsing van de verdere tenuitvoerlegging af;

houdt de beslissing over de proceskosten aan tot het eindarrest in de hoofdzaak;

in de hoofdzaak:

in de hoofdzaak zal de procedure verder verlopen zoals met partijen besproken op de regiezitting;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. L. Alwin, P.F.G.T. Hofmeijer-Rutten en K.A.J. Bisschop en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 12 mei 2026.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand