GERECHTSHOF AMSTERDAM
afdeling civiel recht en belastingrecht
zaaknummer : 200.359.972/01
zaaknummer rechtbank : 11664362 \ AO VERZ 25-35
beschikking van de meervoudige burgerlijke kamer van 19 mei 2026
inzake
DC KLINIEKEN PIJNCENTRA B.V.,
gevestigd te Amsterdam,
appellante in principaal hoger beroep,
geïntimeerde in incidenteel hoger beroep,
advocaat: mr. A.E. Doornbos te Zwolle,
tegen
[geïntimeerde] ,
wonende te [plaats] (gemeente Bergen),
geïntimeerde in principaal hoger beroep,
appellante in incidenteel hoger beroep,
advocaat: mr. R. Samad te Amsterdam.
Partijen worden hierna DC Klinieken en [geïntimeerde] genoemd.
1. De zaak in het kort
In deze zaak ligt voor of het hof de arbeidsovereenkomst dient te beëindigen vanwege een duurzaam verstoorde arbeidsrelatie, disfunctioneren of een combinatie daarvan. Het hof is van oordeel dat geen sprake is van een redelijke opzeggrond en dat bovendien niet is voldaan aan het herplaatsingsvereiste. Het hof beëindigt de arbeidsovereenkomst niet en bekrachtigt de bestreden beschikking.
2. Het geding in hoger beroep
DC Klinieken is bij beroepschrift met producties, ontvangen ter griffie van het hof op 7 oktober 2025, in hoger beroep gekomen van de beschikking die de kantonrechter in de rechtbank Noord-Holland (zittingsplaats Alkmaar) (hierna: de kantonrechter) op 9 juli 2025 onder bovenvermeld zaaknummer heeft gegeven (hierna: de bestreden beschikking).
Op 18 februari 2026 is ter griffie van het hof een verweerschrift in hoger beroep, tevens beroepschrift in incidenteel hoger beroep met producties van [geïntimeerde] binnengekomen. Op 10 maart 2026 is ter griffie van het hof een verweerschrift in het incidenteel hoger beroep van DC Klinieken binnengekomen. Daarna heeft het hof op 20 maart 2026 nadere producties van DC Klinieken en op 26 maart 2026 nadere producties van [geïntimeerde] ontvangen.
Partijen hebben de zaak tijdens de mondelinge behandeling van 1 april 2026 laten toelichten, DC Klinieken door mr. A.E. Doornbos en [geïntimeerde] door mr. R. Samad, beiden aan de hand van overgelegde spreekaantekeningen.
Daarna heeft het hof een uitspraakdatum bepaald.
3. Feiten
De kantonrechter heeft in de onderdelen 2.1 tot en met 2.21 van de bestreden beschikking de feiten vastgesteld. In hoger beroep is niet in geschil dat de feiten juist zijn weergegeven, zodat ook het hof van deze feiten uitgaat. Waar nodig aangevuld met andere feiten, komen de feiten neer op het volgende.
[geïntimeerde] (geboren op [datum] ) is sinds 24 oktober 2011 in dienst bij DC Klinieken. [geïntimeerde] heeft de functie locatiemanager met een salaris van € 5.750,10 bruto per maand te vermeerderen met 8,33% vakantiegeld en 8,33% eindejaarsuitkering.
[geïntimeerde] is als locatiemanager onder meer verantwoordelijk voor de continuïteit van de locatie in Alkmaar. Ze geeft leiding aan het personeel, de zorgprofessionals en de medisch specialisten. [geïntimeerde] dient daarbij het landelijke beleid van DC Klinieken uit te dragen en na te leven. Daarnaast vallen ook de financiën onder de verantwoordelijkheid van [geïntimeerde] als locatiemanager, zoals het opstellen van jaarplannen en begrotingen.
De direct leidinggevende van [geïntimeerde] is [naam 1] (hierna: [naam 1] ).
Zij is als operationeel directeur van DC Klinieken verantwoordelijk voor alle locatiemanagers en HR.
Op 13 september 2020 is door DC Klinieken een verbetertraject met [geïntimeerde] gestart. [geïntimeerde] moest werken aan haar communicatie, haar manier van organiseren en het beter uitdragen van de gemeenschappelijke visie van DC Klinieken. Het verbetertraject is op 30 maart 2021 met een voldoende afgesloten.
Uit het verslag van het jaargesprek van 27 juni 2022 blijkt dat de werkgever “Overall” tevreden was over [geïntimeerde] .
Medio 2023 kreeg [geïntimeerde] psychische problemen. Er volgde onder meer een GGZ-traject. [geïntimeerde] heeft DC Klinieken op dat moment nog niet op de hoogte gebracht van haar medische problemen en heeft gewoon doorgewerkt.
Gedurende 2023 is [geïntimeerde] diverse malen aangesproken op haar functioneren en haar manier van communicatie. Zij kwam regelmatig afspraken niet na en cijfers voor begrotingen en het jaarplan waren niet (tijdig) op orde. Daarnaast was ze met regelmaat slordig met de zakelijke pinpas door onder andere bonnetjes niet te declareren en betalingen niet te verantwoorden. Ook werd ze aangesproken op het geven van (onterechte, buiten het landelijke beleid om) te dure cadeaus aan medewerkers.
Op 30 oktober 2023 werd het jaargesprek over 2023 gevoerd. Het gespreksverslag bevat positieve feedback van collega’s, maar de volgende feedback van [naam 1] :
‘Ik neig naar niet tevreden. Ik hoor weer veel gedoe en oh dat is [naam 2] [hof: [geïntimeerde] ]. Ik vind dit ingewikkeld [naam 2] . Geen zin in een nieuw verbetertraject. Het kan net omdat we je altijd stutten en de hand boven het hoofd houden, ook artsen op locatie doen dat. Het kan ook net omdat je [naam 3] van een kleine locatie bent. Maar eigenlijk kan het ook niet. Belangrijk dat je daar zelf ook over nadenkt. Het voelt gewoon nooit alsof het goed belegd is bij je en dat je de competenties hebt om zaken goed en gedegen aan te pakken.’
Op 9 november 2023 heeft [geïntimeerde] een schriftelijke officiële waarschuwing ontvangen van [naam 1] :
‘Ik heb vastgesteld dat jij afspraken met mij negeert. Maandag 30 oktober hebben we met elkaar besproken dat we de contracturen van één van de verpleegkundigen niet zouden verminderen naar van 2 dagen naar 1 dag. Dinsdag 31 oktober mail je HR dat je het betreffende contract wil aanpassen naar 1 dag. De HR adviseur vraagt je concreet of ze deze wijziging goed kan keuren, je bevestigt dit positief. Dit maakt dat je de afspraken die ik met jou gemaakt heb hierover totaal negeert. (…) Ik vind dit echt niet acceptabel en geef je daarom een officiële waarschuwing voor dit gedrag. Ik ga ervan uit dat het niet nog een keer gebeurt dat ik je een officiële waarschuwing moet geven. Gebeurt dit toch, dan kunnen wij verdergaande (arbeidsrechtelijke) maatregelen nemen.’
Op 15 november 2023 heeft [naam 1] een e-mail aan [geïntimeerde] gestuurd met een aantal actiepunten, waaronder afspraken over het jaarplan, afspraken over de bezetting van artsen en verpleegkundigen, afspraken over te gebruiken materialen en de kosten daarvan en ‘meest belangrijke, je monitort bovenstaande afspraken maandelijks, niet alleen als er zich ineens een probleem of afwijking voordoet.’
Vervolggesprekken over de officiële waarschuwing van 9 november 2023 en de actiepunten uit de e-mail van 15 november 2023 zijn niet gevoerd door DC Klinieken.
[geïntimeerde] heeft zich op 29 juli 2024 (gedeeltelijk) ziekgemeld. Nadat [geïntimeerde] zich per 13 september 2024 volledig hersteld had gemeld, heeft zij zich op 16 september 2024 opnieuw ziekgemeld.
Op 14 november 2024 heeft [naam 1] in een gesprek met [geïntimeerde] aangegeven dat [geïntimeerde] ongeschikt is voor de functie van locatiemanager. [geïntimeerde] heeft vervolgens een gemachtigde ingeschakeld. Per e-mail van 25 november 2024 heeft de gemachtigde van [geïntimeerde] aangegeven dat [geïntimeerde] alleen wilde praten over re-integratie en terugkeer in de eigen functie.
Op 10 december 2024 heeft de bedrijfsarts aangegeven dat herstel van [geïntimeerde] binnen drie à vier maanden was te verwachten en dat re-integratiewerkzaamheden konden worden gestart.
Op 6 januari 2025 is [geïntimeerde] gestart met re-integratie op de HR afdeling van het hoofdkantoor van DC Klinieken. Op 24 januari 2025 heeft DC Klinieken aan [geïntimeerde] hierover een bericht gestuurd:
‘Inmiddels ben je 3 weken aan het re-integreren bij de afdeling HR en sinds deze week werk je 2 uur en 3 kwartier. Het gaat goed met je en je bent nog steeds erg blij met het ritme. De tijd gaat snel en de taken die je doet gaan goed en als je een vraag hebt dan stel je deze aan Bianca.’
Op 31 januari 2025 oordeelde de bedrijfsarts dat [geïntimeerde] haar uren en werkzaamheden kon gaan uitbreiden. Uit het verslag volgt dat herstel in zicht kwam:
‘Wat is de prognose? Ik verwacht dat met een geleidelijke opbouw in uren de beperkingen geleidelijk zullen verdwijnen.’
De bedrijfsarts heeft in dit bericht verder gezegd:
‘lk begrijp verder dat er een verschil van inzicht speelt. Betrokkene wil graag terugkeren naar de eigen werkomgeving. De werkgever geeft aan dit niet verstandig te vinden. Het advies is dit onderling te bespreken en te streven naar een passende oplossing.’
De HR manager heeft aan [naam 1] (en niet aan [geïntimeerde] ) op 5 februari 2025 per e-mail het volgende bericht gestuurd:
‘Voorbeelden waaruit blijkt dat [naam 2] niet geschikt is klusjes bij HR en vooral niet nauwkeurig werkt’. (…) ‘Maandag heeft ze dan om 10:00uur een gesprek met jou en laat jij haar weten dat ze niet langer bij HR en Recruitment kan re-integreren.’
Daarop heeft DC Klinieken de re-integratie van [geïntimeerde] stopgezet per 10 februari 2025.
In het advies van de bedrijfsarts van 20 februari 2025 staat vermeld:
‘Betrokkene was bezig met re-integreren op de afdeling personeelszaken. Dit hielp haar goed haar arbeidsvermogen op te bouwen. lk begrijp dat de werkgever betrokkene heeft aangegeven dat dit traject niet wordt gecontinueerd. lk meen dat het een goed idee is betrokkene de gelegenheid te geven op de afdeling personeelszaken te re-integreren. Betrokkene geeft verder aan dat zij bereid is te trachten in onderling overleg het verschil van inzicht op te lossen. Zij geeft echter ook aan dat de werkgever zijn mening klaar heeft en dat er verder geen speelruimte is in deze mening. lk verwacht dan ook niet dat het partijen zal lukken te komen tot een oplossing. Wellicht is het dan een idee een mediator te betrekken bij de gesprekken. Betrokkene is in mijn ogen in staat onderlinge gesprekken te voeren. Dat maakt dat zij ook in mijn ogen gesprekken met een mediator kan voeren.’
Er volgde mediation. Op 21 maart 2025 eindigde de mediation zonder oplossing.
Op 24 maart 2025 berichtte [naam 1] aan [geïntimeerde] :
‘Helaas zijn wij niet nader tot elkaar gekomen tijdens mediation. De eerdere poging om jou binnen DC Klinieken te laten re-integreren, zijn niet gelukt. Ik heb moeten constateren dat er hierdoor binnen de organisatie veel onrust is ontstaan. Er is bovendien sprake van een ernstig en duurzaam verstoorde arbeidsrelatie. Om jou verder te helpen bij jouw herstel en re-integratie, geef ik HR opdracht ervoor te zorgen dat jij kan gaan re-integreren buiten DC Klinieken. Dit betekent re-integratie 2e spoor.’
[geïntimeerde] wilde niet meewerken aan dat verzoek, omdat zij op dat moment pas acht maanden arbeidsongeschikt was (en dus nog geen twaalf maanden). Ook was de arbeidsongeschiktheid volgens [geïntimeerde] niet werk-gerelateerd en meende zij, als de urenopbouw was doorgezet, rondom 29 mei 2025 hersteld te zijn geweest.
[geïntimeerde] heeft een deskundigenoordeel bij het UWV aangevraagd inzake de re-integratie inspanningen van DC Klinieken. In de aanvraag heeft [geïntimeerde] aangegeven dat zij terug wenst te keren in haar eigen functie. In reactie daarop heeft DC Klinieken een ontbindingsverzoek bij de kantonrechter ingediend op 24 april 2025. [geïntimeerde] verzocht in deze procedure wedertewerkstelling.
In het deskundigenoordeel re-integratie inspanningen van het UWV d.d. 6 juni 2025 staat onder meer:
‘Momenteel is er sprake van een patstelling tussen de werknemer en de werkgever. Er is mijns inziens sprake van een verstoorde arbeidsrelatie conform de STECR-richtlijnen. De werkgever en de werknemer lukt het niet om er zelf uit te komen. (…) In maart 2025 heeft op advies van de bedrijfsarts mediation plaatsgevonden. (…) Het arbeidsconflict is niet opgelost. Inmiddels hebben zowel de werknemer en de werkgever juridische bijstand ingeschakeld. De communicatie tussen beide partijen is ernstig verstoord en door de verstoorde communicatie is samenwerking tussen de werknemer en de werkgever op dit moment niet mogelijk. Dit vanwege het onopgeloste arbeidsconflict. (…)’
In de bestreden beschikking van 9 juli 2025 heeft de kantonrechter het verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst afgewezen omdat het opzegverbod daaraan in de weg stond. Ten overvloede heeft de kantonrechter overwogen dat de verstoring van de arbeidsverhouding niet los kan worden gezien van het functioneren en de arbeidsongeschiktheid en niet zodanig ernstig en duurzaam is dat van DC Klinieken niet kan worden gevergd dat de arbeidsverhouding voortduurt. De kantonrechter heeft DC Klinieken veroordeeld om [geïntimeerde] weer toe te laten tot (re-integratie)werkzaamheden indien en voor zover de bedrijfsarts haar daartoe in staat acht en de beschikking uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
Op 29 juli 2025 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen [geïntimeerde] en [naam 1] .
In het gespreksverslag dat [naam 1] daarvan heeft opgesteld staat onder meer:
‘Je geeft aan dat het belangrijkste voor jou op dit moment re-integreren is en uiteindelijk weer 100% hersteld te zijn. Je zegt dat je nu echt nog niet weet of dit uiteindelijk een terugkeer in je eigen functie is. Ik geef ook aan dat ik dit echt ingewikkeld vind om een terugkeer in eigen functie te zien.
Voor we verdere afspraken maken over je re-integratie wil ik bespreken dat ik nog steeds een verstoorde arbeidsrelatie heb met jou. Mijn voorstel is hier over een aantal weken (…) vervolggesprekken over te hebben met de mediator (…) Ik voel me niet op mijn gemak en niet veilig in mijn contact en gesprekken met jou. (…) Dat dingen die ik met jou bespreek terugkomen via collega’s of dat je verslagen die ik je mail door collega’s laat printen voelt voor mij echt onveilig (…).
(…)
Je geeft aan dat je het jammer vindt dat je niet op locatie mag re-integreren. (…) Een leidinggevende rol kun je niet half invullen, dat kan alleen als je echt 100% hersteld bent.’
In een e-mail van 4 augustus 2025 bericht [geïntimeerde] aan [naam 1] onder meer het volgende:
‘(…) Ik heb niet gezegd dat ik nu nog niet weet of dit een terugkeer in mijn eigen functie is. Het is - gelet op de ontbindingsprocedure en al mijn eerdere e-mails - vrij duidelijk dat ik terug wil keren in mijn eigen functie. (…) Inmiddels blijkt dat je mij opnieuw niet wil laten re-integreren op mijn eigen locatie, terwijl ik daar prima werkzaamheden kan verrichten zonder tijdsdruk en binnen de adviezen van de bedrijfsarts. De bedrijfsarts ziet ook geen medische belemmeringen om mij niet op de eigen locatie te laten re-integreren. Onder protest stem ik daarom tijdelijk in met werkzaamheden op het hoofdkantoor, maar ik kom hier nog op terug.
(…)
Uiteraard ben ik bereid de mediation (…) voort te zetten. (…)’
Op 4 augustus 2025 is de re-integratie op het hoofdkantoor in Amsterdam voortgezet.
Op 18 september 2025, 23 oktober 2025 en 20 november 2025 hebben mediation gesprekken plaatsgevonden. In de laatst twee gesprekken heeft DC Klinieken kenbaar gemaakt dat zij een beëindigingsregeling wil treffen en een beëindigingsvoorstel gedaan.
Op 11 december 2025 was [geïntimeerde] bijna volledig hersteld. Zij mocht niet op haar eigen locatie re-integreren en heeft zich er onder protest bij neergelegd om bij SIC (een callcenter in Almere) te re-integreren.
De bedrijfsarts constateerde op 18 december 2025 dat er geen medische beperkingen meer waren. [geïntimeerde] is op 19 december 2025 hersteld gemeld. [geïntimeerde] had vervolgens verlof tot 26 januari 2026.
DC Klinieken wilde dat [geïntimeerde] na haar verlof bij het SIC zou gaan werken. Nadat [geïntimeerde] via haar advocaat op 13 januari 2026 had laten weten recht te hebben op wedertewerkstelling in haar bedongen functie, heeft DC Klinieken [geïntimeerde] op non-actief gesteld in afwachting van de inmiddels ingestelde onderhavige hoger beroepsprocedure. [geïntimeerde] heeft zich daar opnieuw onder protest bij neergelegd.
Ten tijde van de zitting in hoger beroep op 1 april 2026 was [geïntimeerde] nog steeds op non-actief gesteld.
4. Eerste Aanleg
DC Klinieken heeft in eerste aanleg verzocht om bij beschikking, uitvoerbaar bij voorraad, de arbeidsovereenkomst te ontbinden wegens primair een verstoorde arbeidsverhouding (g-grond), subsidiair disfunctioneren (d-grond) en meer subsidiair vanwege de cumulatiegrond (i-grond), alsmede voor recht te verklaren dat [geïntimeerde] geen recht heeft op een billijke vergoeding, nu er geen sprake is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten door DC Klinieken.
De kantonrechter heeft dat verzoek afgewezen omdat het opzegverbod tijdens ziekte (artikel 7:671b lid 2 Burgerlijk Wetboek (BW)) aan ontbinding in de weg stond. DC Klinieken heeft niet (voldoende) onderbouwd dat het verzoek tot ontbinding geen enkel verband houdt met de ziekte. Ten overvloede heeft de kantonrechter overwogen dat ook geen sprake was van een redelijke ontslaggrond. De verstoring van de arbeidsrelatie kan niet los worden gezien van het functioneren en de arbeidsongeschiktheid (de psychische kwetsbaarheid van [geïntimeerde] ), en de ontslaggrond disfunctioneren is verre van voldragen. Het verbetertraject van 2020 is met een voldoende afgesloten, recent is geen concrete kans gegeven tot verbetering en een zieke, psychisch kwetsbare werknemer kan geen verbetertraject in, aldus samengevat nog steeds de kantonrechter.
De kantonrechter heeft op verzoek van [geïntimeerde] DC Klinieken veroordeeld [geïntimeerde] binnen veertien dagen na de beschikking weer toe te laten tot (re-integratie)werkzaamheden, indien en voor zover de bedrijfsarts haar daartoe in staat acht. De kantonrechter zag geen aanleiding om daaraan een dwangsom te verbinden zoals door [geïntimeerde] verzocht. Ook de door [geïntimeerde] gevorderde advocaatkosten die zijn gemaakt voorafgaand aan de procedure heeft de kantonrechter afgewezen omdat die door DC Klinieken zijn betwist en niet met nadere stukken zijn onderbouwd. De kantonrechter heeft DC Klinieken in de proceskosten veroordeeld. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
5. Beoordeling
5.1.1. DC Klinieken heeft in hoger beroep geconcludeerd tot het vernietigen van de bestreden beschikking en tot ontbinding (het hof begrijpt: beëindiging op grond van artikel 7:683 lid 5 BW) van de arbeidsovereenkomst op de g-, d- of i-grond op het tijdstip waarop de arbeidsovereenkomst bij regelmatige opzegging zou zijn geëindigd (in geval van de d- of i-grond met aftrek van de duur van de procedure).
Verder heeft DC Klinieken verzocht voor recht te verklaren dat [geïntimeerde] geen aanspraak maakt op een billijke vergoeding omdat er geen sprake is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten door DC Klinieken en om [geïntimeerde] in de proceskosten in beide instanties te veroordelen, een en ander bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren uitspraak.
DC Klinieken heeft daartoe vijf grieven aangevoerd. Met grief 1 komt DC Klinieken op tegen het oordeel van de kantonrechter dat er verband bestaat tussen het ontbindingsverzoek en de ziekte. Met grief 2 betoogt DC Klinieken dat sprake is van een duurzaam en ernstig verstoorde arbeidsverhouding, met grief 3 dat sprake is van disfunctioneren en met grief 4 dat sprake is van de cumulatiegrond. Grief 5 betreft de proceskostenveroordeling.
5.1.2. [geïntimeerde] heeft verzocht de door DC Klinieken gevraagde beëindiging van de arbeidsovereenkomst af te wijzen en DC Klinieken te veroordelen in de proceskosten. In incidenteel hoger beroep heeft [geïntimeerde] het hof verzocht om DC Klinieken bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren uitspraak te veroordelen binnen twee dagen na betekening van de beschikking [geïntimeerde] toe te laten als Manager Kliniek dan wel Locatiemanager van de locatie Alkmaar, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 2.500,- per dag voor iedere dag of gedeelte daarvan dat DC Klinieken daaraan geen gehoor geeft, en om DC Klinieken te veroordelen tot vergoeding van de vóór de procedure gemaakte advocaatkosten en in de proceskosten. Op de zitting in hoger beroep heeft [geïntimeerde] desgevraagd een maximum verbonden aan de gevraagde dwangsom van € 75.000,-.
5.1.3. DC Klinieken heeft in incidenteel hoger beroep verzocht het door [geïntimeerde] gevorderde af te wijzen en haar te veroordelen in de proceskosten in incidenteel hoger beroep.
5.1.4. Het hof zal hierna de grieven gezamenlijk behandelen.
Opzegverbod tijdens ziekte en beoordeling ex nunc
5.2.1. Het hof gaat voorbij aan het betoog van DC Klinieken dat de kantonrechter het opzegverbod te strak heeft uitgelegd en dat het ziek zijn van [geïntimeerde] los staat van de gevraagde ontbinding. Het opzegverbod tijdens ziekte beoogt de werknemer te beschermen tegen een ontslag wegens ziekte en tegen verkorting van de termijn voor het vinden van ander werk, en heeft mede ten doel de werknemer te vrijwaren van de psychische druk die een ontslagaanzegging tijdens zijn ziekte kan veroorzaken. Niet te makkelijk mag worden aangenomen dat er geen verband is. Alleen als de omstandigheden die aan het ontbindingsverzoek ten grondslag zijn gelegd zich laten abstraheren van de omstandigheden waarop het opzegverbod tijdens ziekte betrekking heeft en die omstandigheden op zichzelf voldoende zijn voor een voldragen ontslaggrond, is voldaan aan de wettelijke voorwaarde dat er ‘geen verband’ is. Bij een gesteld verband tussen het ontbindingsverzoek en de omstandigheden waarop het opzegverbod betrekking heeft, is het aan de werkgever om te bewijzen dat dit verband niet aanwezig is (HR 20 januari 2023, A-G R. de Bock, ECLI:NL:PHR:2023:92).
Het hof dient op basis van de ten tijde van deze beslissing bekende feiten en omstandigheden te beoordelen of het ontbindingsverzoek ten onrechte is afgewezen (‘ex nunc’). Niet in geschil is dat [geïntimeerde] sinds 19 december 2025 volledig is hersteld en dat het opzegverbod tijdens ziekte in hoger beroep dus niet langer aan beëindiging van de arbeidsovereenkomst in de weg staat.
Wel is voor beoordeling van de gestelde opzeggronden van belang of de daaraan door DC Klinieken ten grondslag gelegde feiten en omstandigheden het gevolg zijn van de ziekte.
De stelplicht en bewijslast dat sprake is van disfunctioneren of van een duurzaam verstoorde arbeidsverhouding die niet het gevolg is van ziekte, rusten op de werkgever.
Geen sprake van een d-grond
5.2.2. DC Klinieken heeft aangevoerd dat de kritiek op [geïntimeerde] al jaren speelt en dat de kantonrechter nauwelijks is ingegaan op de situatie voordat [geïntimeerde] was uitgevallen. Dat zich in die periode incidenten hebben voorgedaan, laat echter onverlet dat het verbetertraject positief was afgesloten en dat uit het verslag van het jaargesprek van 27 juni 2022 blijkt dat de werkgever “Overall” tevreden was over [geïntimeerde] . Eind 2023 was het jaarverslag weliswaar minder positief, maar niet dermate onvoldoende dat kan worden gesproken van disfunctioneren. [naam 1] schrijft daarin immers dat ze geen zin heeft in een nieuw verbetertraject en dat het net kan omdat het een kleine locatie betreft en [geïntimeerde] ondersteuning krijgt. Het jaarverslag van eind 2023 vormde voor DC Klinieken dan ook geen aanleiding om een nieuw verbetertraject te starten. Op dat moment kampte [geïntimeerde] bovendien al met psychische klachten. DC Klinieken heeft nog een beroep gedaan op de uitkomsten van een tevredenheidsonderzoek uit 2023. Voor zover daaruit al zou blijken dat [geïntimeerde] onvoldoende functioneerde, hetgeen zij gemotiveerd heeft betwist, zijn op grond daarvan geen concrete verbeterpunten gecommuniceerd zodat dit evenmin kan worden aangemerkt als de start van een nieuw verbetertraject.
[geïntimeerde] heeft eerder, in de periode dat ze niet ziek was, laten zien aan de slag te kunnen gaan met kritiek en feedback in het kader van het verbetertraject dat zij met succes heeft afgerond. Vervolgens begint de negatieve beoordeling door [naam 1] tijdens de ziekte.
Dat de door DC Klinieken gestelde punten van kritiek in de periode tijdens ziekte niet zijn veroorzaakt door de ziekte is onvoldoende onderbouwd.
5.2.3. Nadat [geïntimeerde] op 19 december 2025 volledig hersteld was gemeld, mocht zij niet terugkeren in haar eigen werk. Nadat [geïntimeerde] via haar advocaat op 13 januari 2026 had laten weten recht te hebben op wedertewerkstelling in haar bedongen functie, heeft DC Klinieken [geïntimeerde] opnieuw op non-actief gesteld, wat zij vervolgens tot op heden is gebleven. Hoe [geïntimeerde] functioneert sinds zij weer beter is, kan daarom niet worden vastgesteld.
5.2.4. Uit het voorgaande volgt dat geen sprake is van disfunctioneren. Tot aan de ziekte functioneerde [geïntimeerde] voldoende en nadat zij ziek was uitgevallen heeft zij niet meer de mogelijkheid gekregen om haar eigen functie uit te oefenen. Er zijn geen concrete verbeterpunten opgesteld en [geïntimeerde] heeft onvoldoende de kans gekregen tot verbetering.
Geen sprake van een g-grond of i-grond
5.2.5. Vóór de ziekte was ook volgens [naam 1] nog geen sprake van een verstoorde arbeidsverhouding. [naam 1] heeft verklaard dat het “omslagpunt” waarbij zij het vertrouwen in [geïntimeerde] begon te verliezen, was toen [geïntimeerde] begin november 2023 een met haar gemaakte afspraak negeerde. [geïntimeerde] heeft daarvoor een officiële waarschuwing gekregen en ook erkend dat ze daarmee fout zat. Op dat moment was [geïntimeerde] al ziek.
De overige ‘gezagsondermijnende incidenten’ die DC Klinieken heeft aangevoerd in hoger beroep zijn eveneens van tijdens de ziekte en duiden niet op bewuste handelingen, of op een intentie om te ondermijnen. [geïntimeerde] was in die periode psychisch kwetsbaar.
5.2.6. De irritatie van [naam 1] jegens [geïntimeerde] is tijdens het re-integratietraject verder opgelopen. Als rode draad in het dossier over deze periode loopt de discussie tussen [naam 1] en [geïntimeerde] over het mogen terugkeren naar eigen werk. In het gesprek van 14 november 2024 heeft [naam 1] aan [geïntimeerde] gemeld dat zij haar ongeschikt acht voor de functie van locatiemanager en haar daar niet ziet terugkeren (zie bij de feiten onder 3.12). Omdat [geïntimeerde] wel terug wilde naar haar eigen functie en (gelet op het feit dat zij nog in haar eerste ziektejaar zat) in haar eigen werk mocht re-integreren, heeft zij een advocaat ingeschakeld. [naam 1] heeft dat [geïntimeerde] kwalijk genomen. Dat [geïntimeerde] terug wil en [naam 1] dat niet verstandig vindt, vormt het ‘verschil van inzicht’ tussen partijen dat de bedrijfsarts heeft geconstateerd op 31 januari 2025 en waarover partijen in gesprek moesten volgens de bedrijfsarts (zie bij de feiten onder 3.15).
In de mediation kwamen partijen daar niet uit, waarna [geïntimeerde] het UWV heeft gemeld te willen terugkeren in haar eigen functie en heeft gevraagd de re-integratie inspanningen van DC Klinieken te beoordelen. DC Klinieken heeft vervolgens de ontbinding verzocht.
Het UWV heeft op 6 juni 2025 een patstelling geconstateerd in het arbeidsconflict. De werkgever en de werknemer lukt het niet om er zelf uit te komen en conform de STECR-richtlijnen is sprake van een verstoorde arbeidsrelatie, aldus het UWV. Op 9 juli 2025 heeft de kantonrechter deze patstelling doorbroken en geoordeeld dat geen sprake is van een duurzaam verstoorde arbeidsverhouding en ook niet van disfunctioneren en dat DC Klinieken [geïntimeerde] weer moet toelaten tot (re-integratie)werkzaamheden indien en voor zover de bedrijfsarts haar daartoe in staat acht. Ondanks deze veroordeling eindigde de discussie over de terugkeer in eigen werk niet. In een gespreksverslag van [naam 1] van 29 juli 2025 staat dat [geïntimeerde] zich realiseert dat terugkeer eigenlijk niet realistisch is, waarop [geïntimeerde] mailde dat dit niet juist is en dat dit voor [naam 1] - gezien de lopende gerechtelijke procedure waarin [geïntimeerde] vordert te mogen terugkeren naar haar oude werk - toch duidelijk moet zijn (zie bij de feiten onder 3.23 en 3.24). Toen [geïntimeerde] op 11 december 2025 bijna volledig hersteld was, heeft zij ertegen geprotesteerd dat zij niet op haar eigen locatie mocht re-integreren.
5.2.7. [naam 1] verwijt [geïntimeerde] niet te beschikken over enige zelfreflectie, [geïntimeerde] blijft volgens [naam 1] “star vasthouden” aan het idee dat ze terug wil keren als locatiemanager in Alkmaar en wil niet inzien dat dat niet kan. [naam 1] neemt dat [geïntimeerde] kwalijk en ergert zich daaraan. Dat [naam 1] het [geïntimeerde] kwalijk neemt dat zij in haar oude functie wil terugkeren, acht het hof gezien de hiervoor geschetste gang van zaken onbegrijpelijk. [geïntimeerde] had immers het recht om terug te keren als locatiemanager. DC Klinieken heeft [geïntimeerde] ten onrechte niet toegelaten tot (re-integratie in) haar eigen werk, waardoor een arbeidsconflict is ontstaan. Zelfs nadat de kantonrechter had bevestigd dat geen sprake was van disfunctioneren en DC Klinieken was veroordeeld [geïntimeerde] toe te laten tot haar eigen werk, heeft DC Klinieken dat geweigerd. DC Klinieken heeft [geïntimeerde] tijdens de re-integratie in strijd met het advies van de bedrijfsarts (zie bij de feiten onder 3.17.) en ook na de hersteldmelding in strijd met de (uitvoerbaar bij voorraad verklaarde) veroordeling om [geïntimeerde] weer toe te laten tot het werk, voor langere periode op non-actief gesteld. Dit acht het hof zeer laakbaar.
Verder heeft [naam 1] het [geïntimeerde] kwalijk genomen dat zij - ook bij mediation gesprekken - haar advocaat erbij wilde hebben. Echter, ook dat recht had [geïntimeerde] . Door [geïntimeerde] ten onrechte bepaalde zaken kwalijk te nemen heeft [naam 1] de daardoor bij haarzelf steeds verder oplopende irritatie zelf veroorzaakt.
[naam 1] voelde zich tijdens gesprekken met [geïntimeerde] naar eigen zeggen ‘niet veilig’. Desgevraagd op de zitting in hoger beroep heeft [naam 1] toegelicht dat zij onvoorspelbaar en onbetrouwbaar gedrag ervaart, doordat ze meent afspraken te hebben gemaakt met [geïntimeerde] , waarop [geïntimeerde] vervolgens terugkomt. Het voorbeeld dat in hoger beroep is aangehaald betreft echter weer de discussie over terugkeer in de eigen functie (zie bij de feiten onder 3.23 en 3.24). [geïntimeerde] heeft de inhoud van een vertrouwelijk gesprek met [naam 1] gedeeld met collega’s in haar team, een verslag van een gesprek laten uitprinten door een collega en gesprekken willen opnemen. [geïntimeerde] heeft toegelicht dat zij nadien geen collega’s meer heeft betrokken of geïnformeerd, hetgeen [naam 1] heeft beaamd. [geïntimeerde] heeft verder toegelicht dat zij de gesprekken wilde opnemen om te voorkomen dat discussie zou ontstaan over wat er was gezegd tijdens de gesprekken en dat zij uiteindelijk geen gesprekken heeft opgenomen.
5.2.8. In het licht van enerzijds de ziekte van [geïntimeerde] en anderzijds de door [naam 1] ten onrechte veroorzaakte en steeds terugkerende discussie over het al dan niet mogen terugkeren in eigen werk, acht het hof de door [naam 1] eenzijdig ervaren verstoorde arbeidsverhouding onvoldoende voor het oordeel dat van DC Klinieken in redelijkheid niet mag worden verwacht de arbeidsovereenkomst voort te zetten.
Anders dan DC Klinieken betoogt in het kader van de cumulatiegrond, staat niet vast dat het geen enkele zin heeft om partijen wederom te laten proberen het functioneren van [geïntimeerde] te verbeteren. Sinds [geïntimeerde] weer beter is, heeft ze niet gewerkt omdat ze ten onrechte op non-actief is gesteld. Dat over het functioneren en de samenwerking met [naam 1] sinds [geïntimeerde] weer beter is niets kan worden vastgesteld, heeft DC Klinieken in die zin zelf veroorzaakt. Van een cumulatiegrond is geen sprake.
5.2.9. DC Klinieken heeft nog een beroep gedaan op een aantal verklaringen van collega’s, maar onvoldoende betwist dat dit geen collega’s uit het team van [geïntimeerde] zijn. Los daarvan blijkt uit de verklaringen geen duurzaam verstoorde relatie.
Geen beëindiging van de arbeidsovereenkomst en herplaatsingsvereiste
5.3.1. Op de zitting in hoger beroep heeft DC Klinieken desgevraagd bevestigd niet met [geïntimeerde] te hebben gezeten om de (on)mogelijkheden van herplaatsing te bespreken. Volgens DC Klinieken lag herplaatsing niet in de rede als gevolg van de verstoorde arbeidsverhouding, maar daarvan is gezien het voorgaande geen sprake. Bovendien hebben partijen op de zitting in hoger beroep toegelicht dat voor de functie van teamleider geen directe samenwerking met [naam 1] nodig is. Deze functie is één schaal lager en voor [geïntimeerde] naar eigen zeggen passend. DC Klinieken heeft nog aangevoerd dat deze functie alleen in Rotterdam en Amsterdam is en dat de reistijd voor [geïntimeerde] te ver zou zijn, maar [geïntimeerde] heeft dat betwist. Zij heeft eerder in Amsterdam gewerkt en staat daarvoor open. Het hof constateert dat niet is voldaan aan het herplaatsingsvereiste uit artikel 7:669 lid 1 BW, zodat ook daarom het verzoek van DC Klinieken om de arbeidsovereenkomst met [geïntimeerde] te beëindigen, niet toewijsbaar is.
5.3.2. [geïntimeerde] heeft op de zitting in hoger beroep desgevraagd heel duidelijk aangegeven niets anders te willen dan terugkeren naar haar oude functie als locatiemanager in Alkmaar, ook na alles wat er tot op heden is gebeurd en er vertrouwen in te hebben dat zij haar functie naar behoren kan uitvoeren. Omdat geen sprake is van een redelijke opzeggrond, heeft [geïntimeerde] daar recht op. DC Klinieken dient [geïntimeerde] , nu zij weer beter is, toe te laten tot het eigen werk. Mocht dan blijken dat [geïntimeerde] onvoldoende functioneert, dan dient zij in voldoende mate de gelegenheid te krijgen om het functioneren te verbeteren. Wat in dat kader voldoende is, kan mede afhangen van het (functioneren in het) verleden.
Slotsom
5.4.1. De slotsom is dat het ontbindingsverzoek ex nunc terecht is afgewezen en dat de grieven in principaal hoger beroep niet slagen. DC Klinieken heeft geen bewijs aangeboden van bepaalde feiten die, als ze zouden komen vast te staan, tot een ander oordeel leiden. Het hof zal de bestreden beschikking bekrachtigen en het verzoek van DC Klinieken om te bepalen dat de arbeidsovereenkomst eindigt, afwijzen.
Omdat de arbeidsovereenkomst niet eindigt, komt het hof niet toe aan het verzoek van DC Klinieken om voor recht te verklaren dat [geïntimeerde] geen aanspraak maakt op een billijke vergoeding omdat er volgens DC Klinieken geen sprake is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten door DC Klinieken. DC Klinieken heeft daarbij in deze situatie geen belang, althans dat belang onvoldoende onderbouwd.
Ten tijde van de uitspraak van de kantonrechter bestond er geen aanleiding om aan de veroordeling om [geïntimeerde] weer toe te laten tot het werk een dwangsom te verbinden zodat het hof de bestreden uitspraak op dit onderdeel zal bekrachtigen. Omdat DC Klinieken vervolgens geen gevolg heeft gegeven aan deze veroordeling, bestaat daartoe in hoger beroep wel voldoende aanleiding. Daarom zal het hof DC Klinieken veroordelen [geïntimeerde] toe te laten als Manager Kliniek dan wel Locatiemanager van de locatie Alkmaar en aan die veroordeling een dwangsom verbinden. Het hof bepaalt de hoogte van die dwangsom op € 2.500,- per dag voor iedere dag of gedeelte daarvan dat DC Klinieken aan die veroordeling geen gehoor geeft met een maximum van € 75.000,- zoals [geïntimeerde] in incidenteel hoger beroep heeft verzocht. De termijn die het hof daaraan verbindt is twee weken na heden en niet de door [geïntimeerde] verzochte twee dagen na betekening. DC Klinieken heeft toegelicht dat op dit moment een interim manager de functie vervult en aangevoerd de situatie (het hof begrijpt: de wijze van terugkeer) eerst te willen bespreken met [geïntimeerde] . DC Klinieken krijgt daartoe twee weken die gelegenheid voordat de dwangsom wordt verschuldigd. De tweede grief in incidenteel hoger beroep slaagt in zoverre.
5.4.2. De door [geïntimeerde] in incidenteel hoger beroep verzochte veroordeling tot betaling van € 3.263,37 aan advocaatkosten wijst het hof af. Dit zijn volgens [geïntimeerde] kosten voor rechtsbijstand die zij heeft gemaakt voorafgaand aan de procedure vanaf 30 oktober 2024, het moment dat zij zich wendde tot haar gemachtigde omdat zij merkte dat zij niet mocht terugkeren naar haar bedongen functie in Alkmaar tot aan (naar het hof begrijpt) 23 april 2025, de ontvangst van het verzoekschrift. Niet (voldoende) is toegelicht wat de advocaat heeft gedaan en ook niet tegen welke kosten. Dit blijkt evenmin uit de overgelegde declaraties. Dat sprake is van buitengerechtelijke kosten die voor vergoeding in aanmerking komen op grond van artikel 6:96 BW, is daarmee onvoldoende onderbouwd en ook door DC Klinieken betwist. Indien [geïntimeerde] heeft bedoeld dat DC Klinieken misbruik van recht heeft gemaakt of onrechtmatig jegens haar heeft gehandeld en om die reden moet worden veroordeeld in de werkelijk gemaakte proceskosten, geldt dat zij haar vordering op dit punt eveneens onvoldoende heeft onderbouwd. De eerste grief in incidenteel hoger beroep slaagt dus niet.
5.4.3. Het hof zal DC Klinieken als de in het ongelijk gestelde partij veroordelen in de kosten van het geding in principaal hoger beroep. Deze kosten zijn aan de zijde van [geïntimeerde] tot op heden begroot op € 2.953,-, bestaande uit € 373,- griffierecht en € 2.580,- voor salaris advocaat (tweemaal tarief II). DC Klinieken zal als de overwegend in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van het incidenteel hoger beroep. Deze kosten zijn aan de zijde van [geïntimeerde] tot op heden begroot op € 1.290,- (tweemaal de helft van tarief II voor salaris advocaat).
6. Beslissing
Het hof:
in principaal en incidenteel hoger beroep:
bekrachtigt de bestreden beschikking;
veroordeelt DC Klinieken om binnen twee weken na heden [geïntimeerde] toe te laten als Manager Kliniek dan wel Locatiemanager van de locatie Alkmaar, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 2.500,- per dag voor iedere dag of gedeelte daarvan dat DC Klinieken daaraan geen gehoor geeft met een maximum van € 75.000,-;
veroordeelt DC Klinieken in de kosten van het geding in principaal hoger beroep, tot op heden aan de zijde van [geïntimeerde] vastgesteld op € 2.953,-;
veroordeelt DC Klinieken in de kosten van het geding in incidenteel hoger beroep, tot op heden aan de zijde van [geïntimeerde] vastgesteld op € 1.290,-;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. A.L. Bervoets, mr. R.L. de Graaff en mr. S. Tamboer en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 19 mei 2026.