GERECHTSHOF AMSTERDAM
afdeling civiel recht en belastingrecht, team I
zaaknummer : 200.332.642/01
zaak- en rolnummer rechtbank Amsterdam : 10037497 CV EXPL 22-10361
arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 9 juni 2026
in de zaak van
IB KREDIET B.V., rechtsopvolgster van INTERBANK N.V.,
gevestigd te Amsterdam,
appellante, tevens geïntimeerde in incidenteel beroep,
advocaat: mr. G.J.L. Bergervoet te Amsterdam,
tegen
1. [geïntimeerde 1] ,
2. [geïntimeerde 2] ,
beiden wonend te [plaats] ,
geïntimeerden, tevens appellanten in incidenteel hoger beroep,
advocaat: mr. R.A.F. Harmsen te Zeist.
Partijen worden hierna IB Krediet en [geïntimeerden] genoemd.
1. Verloop van de procedure
In deze zaak is op 16 december 2025 eindarrest gewezen. Daarin heeft het hof het vonnis waarvan beroep vernietigd, en opnieuw rechtdoende:
Bij brief van 27 februari 2026 heeft mr. Bergervoet namens IB Krediet het hof verzocht om met toepassing van artikel 32 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) het arrest van 16 december 2025 aan te vullen door [geïntimeerden] alsnog te veroordelen tot terugbetaling van al hetgeen Interbank uit hoofde van de vonnissen aan hen betaald heeft, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van betaling tot aan de dag van algehele voldoening.
[geïntimeerden] hebben zich gerefereerd aan het oordeel van het hof over het verzoek.
Daarna is arrest bepaald op heden.
2. Beoordeling
Het hof constateert dat IB Krediet in hoger beroep heeft gevorderd dat [geïntimeerden] zullen worden veroordeeld tot terugbetaling van al hetgeen IB Krediet uit hoofde van de vonnissen aan hen heeft betaald, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag der betaling tot aan de dag der algehele voldoening, en dat het hof in zijn arrest van 16 december 2025 heeft verzuimd om op die vordering te beslissen.
Art. 32 Rv geeft een eenvoudige herstelmogelijkheid voor het geval de rechter over een deel van het gevorderde of verzochte geen beslissing heeft gegeven. De strekking ervan is met een eenvoudige rechtsgang een omissie in een vonnis, arrest of beschikking te herstellen om te voorkomen dat een rechtsmiddel moet worden ingesteld.
In het onderhavige geval heeft het hof in het lichaam van zijn arrest niets overwogen ten aanzien van de gevorderde terugbetaling van een na vernietiging mogelijk onverschuldigd betaald bedrag. Het hof heeft opnieuw recht gedaan op de vorderingen in eerste aanleg en heeft daarbij inderdaad over het hoofd gezien dat IB Krediet bij appeldagvaarding ook een vordering in het petitum heeft opgenomen tot terugbetaling van hetgeen IB Krediet uit hoofde van de vonnissen (het hof begrijpt: het vonnis van 21 maart 2023) aan [geïntimeerden] betaald heeft. Op die vordering is verder inhoudelijk door [geïntimeerden] geen verweer gevoerd.
Gelet op het hiervoor onder 2.2 genoemde uitgangspunt is het hof van oordeel dat het arrest van 16 december 2025 moet worden aangevuld in die zin dat [geïntimeerden] zullen worden veroordeeld tot terugbetaling van hetgeen IB Krediet uit hoofde van het vernietigde vonnis aan hen heeft voldaan. IB Krediet heeft hierover de wettelijke rente gevorderd vanaf het moment van betaling tot aan het moment van terugbetaling. Ook deze vordering zal worden toegewezen.
Het voorgaande leidt tot de hierna te melden beslissing.
3. Beslissing
Het hof, in aanvulling op zijn arrest van 16 december 2025:
veroordeelt [geïntimeerden] om aan IB Krediet terug te betalen al hetgeen IB Krediet op grond van het vernietigde vonnis aan [geïntimeerden] heeft betaald, vermeerderd met de wettelijke rente over het terug te betalen bedrag vanaf de dag van betaling aan [geïntimeerden] tot aan de dag van terugbetaling aan IB Krediet;
bepaalt dat deze aanvulling onder vermelding van de datum van 9 juni 2026 wordt vermeld op de minuut van het arrest van 16 december 2025.
Dit arrest is gewezen door mrs. J.W.M. Tromp, L. Alwin en M.M. Kruithof en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 9 juni 2026.