Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 21 mei 2026 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
Het openbaar ministerie heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte en de raadsman naar voren hebben gebracht.
Vonnis waarvan beroep
Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep en zal dit derhalve bevestigen behalve ten aanzien van de beslissing op de vordering tenuitvoerlegging en de strafoplegging, te weten de hoogte van de op te leggen gevangenisstraf en de bijzondere voorwaarden bij het voorwaardelijk gedeelte van die straf– in zoverre zal het vonnis worden vernietigd – en met dien verstande dat het hof hetgeen de rechtbank onder 4.4.2. heeft overwogen vervangt door de navolgende vrijspraakoverweging.
Vrijspraak ten aanzien van feit 2 in zaak A
De rechtbank heeft de verdachte vrijgesproken van de in zaak A onder 2 tenlastegelegde voorbereidingshandelingen.
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat dit feit is bewezen. Ze heeft daartoe aangevoerd dat de rechtbank niet kan worden gevolgd in de overweging dat niet kan worden afgeleid dat de ten laste gelegde voorwerpen bestemd waren tot het begaan van het tenlastegelegde misdrijf van (medeplegen van) diefstal met geweld. In aanvulling op het standpunt van het openbaar ministerie in eerste aanleg, zoals weergegeven in het vonnis onder 4.2.1., heeft de advocaat-generaal aangevoerd dat de verdachte door de rechtbank in deze zaak daadwerkelijk is veroordeeld voor het medeplegen van diefstal met geweld. Daaruit volgt het concrete misdrijf.
De raadsman heeft overeenkomstig zijn verweer in eerste aanleg vrijspraak bepleit.
Het hof overweegt als volgt.
Toetsingskader
Voor een bewezenverklaring van de tenlastegelegde voorbereidingshandelingen als bedoeld in artikel 46, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht (Sr), is volgens vaste jurisprudentie vereist dat vast is komen te staan dat de in de tenlastelegging omschreven voorwerpen, stoffen, informatiedragers, ruimtes en/of vervoermiddelen – te weten het baken, de simkaart en de telefoons van de verdachte en de medeverdachte – bestemd waren tot het begaan van het misdrijf, zoals in de tenlastelegging omschreven. Daartoe dient te worden beoordeeld of de middelen, afzonderlijk dan wel gezamenlijk, naar hun uiterlijke verschijningsvorm ten tijde van het handelen van de verdachte dienstig konden zijn voor het misdadige doel dat de verdachte met het gebruik daarvan voor ogen had. Voldoende is dat uit de bewijsvoering kan
worden afgeleid dat de bewezenverklaarde gedragingen van de verdachte strekten ter voorbereiding van dat misdrijf en dat zijn opzet op het begaan daarvan was gericht (HR 20 februari 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ0213). Verder is van belang dat met de in artikel 46, eerste lid, Sr opgenomen zinsnede “bestemd tot het begaan van dat misdrijf” alleen wordt gedoeld op het misdrijf dat is voorbereid en dus niet op de voorbereiding zelf. Dit betekent dat het object waarop een in artikel 46, eerste lid, Sr genoemde gedraging betrekking heeft, moet zijn bestemd tot het begaan van het misdrijf dat is voorbereid (HR 12 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ1956 en HR 7 juli 2020, ECLI:NL:HR:2020:1198).
Niet is vereist dat het misdrijf ter voorbereiding waarvan de tenlastegelegde handelingen plaatsvonden, kon worden voltooid. Voldoende is dat uit de bewijsvoering kan worden afgeleid dat de bewezenverklaarde gedragingen strekten ter voorbereiding van het feit en dat het opzet van de verdachte op het begaan daarvan was gericht (HR 27 mei 2014, ECLI:NL:HR:2014:1233). Dit betekent dat het feit dat het ten laste gelegde baken uiteindelijk niet is gebruikt voor de voorbereiding van de overval,
op zichzelf niet in de weg staat aan een bewezenverklaring van dit onderdeel van het onder 2 ten laste gelegde.
Beoordeling
Uit de bewijsmiddelen ten aanzien van feit 1 in zaak A kan naar het oordeel van het hof weliswaar worden afgeleid dat enkele van de in de tenlastelegging genoemde voorwerpen, te weten het baken, de simkaart en de telefoon van de verdachte bedoeld waren om te worden gebruikt bij de voorbereiding van de overval op de aangever, maar niet dat deze voorwerpen bestemd waren tot het begaan van het in de bewezenverklaring bedoelde misdrijf van het (medeplegen van) diefstal met geweld. Zoals hiervoor is toegelicht, volgt uit de tekst van artikel 46, eerste lid, Sr dat met “dat misdrijf” in de zinsnede “bestemd tot het begaan van dat misdrijf” wordt gedoeld op het misdrijf dat is voorbereid, en dus niet op enkel de voorbereiding zelf. Het voorhanden hebben van voorwerpen die bij het uiteindelijke misdrijf geen rol zullen spelen kan op zichzelf niet worden gekwalificeerd als een strafbare voorbereidende handeling. Meer dan dat het baken, de simkaart en de telefoon in de fase voorafgaand aan de te plegen overval dienden als middel waarmee de omgeving dan wel de locatie van het beoogde slachtoffer kon worden verkend, is niet gebleken. Het hof zal daarom de vrijspraak door de rechtbank van dit feit bevestigen.
Oplegging van straf
De rechtbank heeft de verdachte voor het in eerste aanleg in zaak A onder 1, in zaak B en in zaak C onder 1 en 2 bewezenverklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf van dertien maanden waarvan drie maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren met daaraan gekoppeld bijzondere voorwaarden, te weten een meldplicht bij de reclassering, opname in een zorginstelling, ambulante behandeling, begeleid wonen of maatschappelijke opvang, het volgen van een opleiding of het vinden en behouden van een dagbesteding en het meewerken aan middelencontrole.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het in zaak A onder 1 en 2, in zaak B en in zaak C onder 1 en 2 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren met daaraan gekoppeld dezelfde bijzondere voorwaarden als door de rechtbank zijn opgelegd.
De raadsman heeft in geval van een bewezenverklaring verzocht alle feiten in verminderde mate aan de verdachte toe te rekenen, nu de in het pro Justitia rapport beschreven problematiek al langer speelde. Primair heeft de raadsman verzocht de strafeis van de advocaat-generaal aanzienlijk te matigen. Tevens heeft de raadsman verzocht rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals deze onder meer naar voren zijn gekomen in het recente reclasseringsrapport. De verdachte is momenteel in beeld bij de reclassering en een nieuwe periode in detentie zou deze positieve ontwikkeling doorkruisen. Daarnaast heeft in hoger beroep een overschrijding van de redelijke termijn plaatsgevonden. Concluderend heeft de raadsman verzocht een straf op te leggen gelijk aan de hoogte van het reeds ondergane voorarrest. De raadsman heeft ten aanzien van zaak B verzocht artikel 9a Sr toe te passen.
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
De ernst van de feiten
De verdachte heeft zich als medepleger schuldig gemaakt aan een gewelddadige overval. Het slachtoffer werd in het donker toen hij zijn auto nabij zijn woning parkeerde onverhoeds door twee mannen, waaronder de verdachte, aangevallen met een knuppel, meermalen geslagen en een duur horloge van zijn pols getrokken. Het slachtoffer heeft hierbij letsel opgelopen.Deze onverhoedse, gewelddadige overval moet enorm beangstigend voor het slachtoffer zijn geweest, temeer daar hij bij zijn woning, waar hij zich veilig zou moeten kunnen voelen, door de verdachte en zijn mededader werd opgewacht. Dit alles rekent het hof de verdachte dan ook zwaar aan. Daarnaast heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan twee ernstige vernielingen bij zijn ouders waarbij hij hun woningen geheel overhoop heeft gehaald. Ook heeft hij bij zijn moeder ingebroken en persoonlijke goederen gestolen.
Het hof volgt de raadsman niet in zijn verzoek geen straf op te leggen ten aanzien van de vernieling in zaak B. Het feit is daarvoor te ernstig.
De persoonlijke omstandigheden van de verdachte
Blijkens het uittreksel Justitiële Documentatie (het strafblad) van de verdachte van 20 mei 2026 is de verdachte eerder veroordeeld voor soortgelijke delicten (gekwalificeerde diefstallen en vernieling ), maar niet eerder voor een overval. Het hof heeft kennisgenomen van het reclasseringsrapport van 7 september 2023, opgesteld door [persoon 1] , reclasseringswerker. Uit dit rapport blijkt, kort gezegd, dat er ten tijde van het opmaken van dit rapport sprake was van schuldenproblematiek, middelengebruik in de vorm van cannabis en de afwezigheid van steunende factoren. Alles in ogenschouw genomen achtte de reclassering een begeleiding en behandeling in ambulant kader niet haalbaar en uitvoerbaar. Zij zag enkel mogelijkheden om te werken aan risicovermindering als de verdachte klinisch zou worden behandeld, om vervolgens te kunnen werken aan de stabilisatie op de overige leefgebieden. De reclassering heeft dan ook geadviseerd om een deels voorwaardelijke straf met bijzondere voorwaarden op te leggen.
Tevens heeft het hof kennisgenomen van het Pro Justitia rapport van 5 juni 2023, opgesteld door [persoon 2] , G-Z psycholoog. Ook hierin komt naar voren dat de verdachte kwetsbaar is en kampt met problematiek op meerdere vlakken. Bij de verdachte is sprake van een psychische stoornis in de vorm van een ongespecificeerde persoonlijkheidsstoornis (met paranoïde, schizotypische en antisociale trekken). Er wordt gedacht aan een ontwikkeling binnen het schizofreniespectrum. Daarnaast kan gesproken worden van een stoornis in cannabisgebruik (mate van ernst onduidelijk) en van ouder-kind relatieproblemen. Tevens komt hierin naar voren dat de verdachte geen probleembesef heeft en agressie en antisociaal gedrag ontkent.
Ten slotte zijn ter terechtzitting in hoger beroep aan de orde geweest (1) het in een andere strafzaak tegen de verdachte uitgebrachte reclasseringsadvies van 20 maart 2026, opgesteld door [persoon 3] , reclasseringswerker, welk advies door de advocaat-generaal bij mail van 15 mei 2026 aan het hof is gezonden, en (2) de mail van 20 mei 2026 van [persoon 4] , reclasseringswerker, die op diezelfde dag door de raadsman aan het hof is doorgestuurd. Daaruit volgt dat de reclassering thans een ambulante behandeling van de verdachte adviseert, dat die behandeling door het Forensisch Jeugdteam zeer recent van start is gegaan en dat er een intake bij HVO Querido staat gepland.
Geen toepassing adolescentenstrafrecht
Het hof ziet evenals de rechtbank geen aanknopingspunten tot toepassing van het adolescentenstrafrecht.
Verminderde toerekeningsvatbaarheid
In overeenstemming met het Pro Justitia rapport, waaruit blijkt dat het handelen van de verdachte in zaken B en C lijkt samen te hangen met zijn psychische problematiek met onderliggend veel boosheid richting zijn ouders, beschouwt het hof de verdachte als verminderd toerekeningsvatbaar ten aanzien van deze bewezenverklaarde feiten en zal het hiermee rekening houden bij de strafoplegging.
Strafblad
Uit het uittreksel uit de justitiële documentatie van de verdachte blijkt dat hij eerder voor diefstal en vernieling onherroepelijk is veroordeeld. Het hof weegt dit in het nadeel van de verdachte.
Uitgangspunt
Bij de bepaling van de duur van de straf heeft het hof acht geslagen op de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS), waarin als uitgangspunt voor straatroof een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden wordt genoemd. In dit geval tilt het hof echter zwaar aan de omstandigheden zoals hiervoor overwogen bij de ernst van het delict. . Tevens houdt het hof in strafverzwarende zin rekening met de overige bewezenverklaarde feiten.
Conclusie
Het hiervoor overwogene leidt tot de slotsom dat niet kan worden volstaan met een andere dan een vrijheidsbenemende straf van aanzienlijke duur. Het hof zal evenwel een lichtere straf opleggen dan door de advocaat-generaal is gevorderd, nu hetj tot een andere bewezenverklaring komt dan de advocaat-generaal. Het hof is van oordeel dat in de straf die het zal opleggen, de ernst van het bewezenverklaarde voldoende tot uitdrukking wordt gebracht. Daarbij neemt het hof het reclasseringsadvies van 7 september 2023 ten aanzien van de oplegging van de bijzondere voorwaarden over, echter met uitzondering van de voorwaarde van opname in een zorginstelling, nu die gelet op de meest recente informatie van de reclassering niet meer aan de orde lijkt
Alles afwegende, acht het hof in beginsel een gevangenisstraf voor de duur van dertien maanden waarvan drie voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren en bijzondere voorwaarden passend en geboden.
Overschrijding redelijke termijn
Het openbaar ministerie heeft op 27 oktober 2023 hoger beroep ingesteld. Het hof wijst arrest op 4 juni 2026. Dit betekent dat in hoger beroep sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, EVRM met ruim zeven maanden. Het hof zal rekening houden met deze overschrijding door één maand in mindering te brengen op het onvoorwaardelijke deel van de passend en geboden geachte gevangenisstraf.
Het hof komt, alles afwegende, tot oplegging van een gevangenisstraf van na te melden duur. Met een andere of lichtere straf dan een straf die deze vrijheidsbeneming met zich brengt kan niet worden volstaan. Inmiddels heeft de verdachte die straf in voorarrest ondergaan.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 47, 57, 63, 311, 312 en 350 van het Wetboek van Strafrecht.
Vordering tenuitvoerlegging
Het openbaar ministerie heeft gevorderd de tenuitvoerlegging van de bij arrest van het gerechtshof Amsterdam van 25 mei 2022 met parketnummer 23-003435-21 opgelegde voorwaardelijke jeugddetentie voor de duur van 63 dagen met een proeftijd van twee jaren. Deze vordering is in hoger beroep opnieuw aan de orde.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de vordering wordt toegewezen. De raadsman heeft primair verzocht dat de vordering wordt afgewezen en subsidiair verzocht dat de vordering wordt toegewezen, maar dat in plaats van de tenuitvoerlegging van de jeugddetentie, een taakstraf wordt opgelegd, gelet op de persoonlijke omstandigheden van de verdachte.
Het hof overweegt als volgt.
Bij het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt. Het is voor de effectiviteit en de geloofwaardigheid van de regeling omtrent voorwaardelijke straffen en de daarbij behorende algemene (en bijzondere) voorwaarden, van essentieel belang dat overtreding van deze voorwaarden niet vrijblijvend is en dat daaraan gevolgen worden verbonden. Dat dient ook in deze zaak te geschieden. In de actuele persoonlijke situatie van de verdachte, zoals deze op de terechtzitting in hoger beroep naar voren is gekomen, wordt echter reden gezien om, in plaats van de tenuitvoerlegging van voornoemde jeugddetentie, een taakstraf van 140 (honderdveertig) uren te gelasten, in geval van het niet naar behoren verrichten te vervangen door een hechtenis voor de duur van 63 (drieënzestig) dagen.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de beslissing op de vordering tenuitvoerlegging en de strafoplegging (gevangenisstraf) en doet in zoverre opnieuw recht.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 (twaalf) maanden.
Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 3 (drie) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt dan wel de hierna te noemen bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd.
Meldplicht bij de reclassering
De veroordeelde meldt zich op afspraak bij Reclassering Nederland op het adres [adres 2] . De veroordeelde blijft zich melden op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt.
Indien de veroordeelde in een klinische setting verblijft, zal de veroordeelde door de toezichthouder worden bezocht.
Ambulante behandeling (met mogelijkheid tot kortdurende klinische opname)
De veroordeelde laat zich behandelen door een nog nader te bepalen instelling, te bepalen door de reclassering. De behandeling start na de klinische behandeling. De behandeling duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. De veroordeelde houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling. Gelet op de problematiek van de veroordeelde kan hieronder ook het innemen van medicijnen vallen, als de zorgverlener dat nodig vindt.
Bij een terugval in middelengebruik of verslechtering van het psychiatrische ziektebeeld kan de reclassering een indicatiestelling aanvragen voor een kortdurende opname voor bijvoorbeeld crisisbehandeling, detoxificatie, stabilisatie, observatie of diagnostiek. Als de voor indicatie verantwoordelijke instantie een kortdurende opname indiceert, zal de veroordeelde zich, na goedkeuring door de rechter, laten opnemen in een zorginstelling, voor zeven weken of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. De justitiële instantie die verantwoordelijk is voor plaatsing in forensische zorg, bepaalt in welke zorginstelling de opname plaatsvindt.
De veroordeelde houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorginstelling geeft voor de behandeling. Gelet op de problematiek kan hieronder ook het innemen van medicijnen vallen, als de zorginstelling dat nodig vindt.
Begeleid wonen of maatschappelijke opvang
De veroordeelde verblijft in een nog nader te bepalen instelling na zijn klinische behandeling voor beschermd wonen of maatschappelijke opvang, te bepalen door de reclassering. Het verblijf start na de klinische behandeling. Het verblijf duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt.
De veroordeelde houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg
met de reclassering voor hem heeft opgesteld.
Volgen van een opleiding en/of dagbesteding
De veroordeelde volgt een opleiding en/of werkt mee aan het vinden en behouden van een dagbesteding met een vaste structuur.
Meewerken aan middelencontrole
De veroordeelde werkt mee aan controle van het gebruik van alcohol en/of drugs om het middelengebruik te beheersen. De reclassering kan urineonderzoek en ademonderzoek (blaastest) gebruiken voor de controle. De reclassering bepaalt hoe vaak de veroordeelde wordt gecontroleerd.
Van rechtswege gelden hierbij als voorwaarden dat de verdachte:
- meewerkt aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een geldig identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
- meewerkt aan het hierna te noemen reclasseringstoezicht als bedoeld in artikel 14c van het Wetboek van Strafrecht, waaronder het meewerken aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dat noodzakelijk vindt.
Geeft opdracht dat de reclassering toezicht houdt op de naleving van de voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan begeleidt.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Gelast in plaats van het bevelen van de tenuitvoerlegging van de bij arrest van het gerechtshof Amsterdam van 25 mei 2022 met parketnummer 23-003435-21, voorwaardelijk opgelegde jeugddetentie voor de duur van 63 dagen met een proeftijd van twee jaren, een taakstraf voor de duur van 140 (honderdveertig) uren, bij gebreke van het naar behoren verrichten te vervangen door 63 (drieënzestig) dagen hechtenis.
Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige, waaronder de beslissing over de vordering tot fictieve verbeurdverklaring, met inachtneming van het hiervoor overwogene.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden, mr. A. Eichperger, mr. M.L.M. van der Voet en mr. A.E.M. Röttgering, in tegenwoordigheid van mr. L.P. van Kessel, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 4 juni 2026.
=========================================================================
[…]
.