Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 21 mei 2026 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
Het openbaar ministerie heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de raadsman naar voren heeft gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het onder 1 subsidiair en 2 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot gevangenisstraf voor de duur van 20 maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren en daaraan gekoppeld bijzondere voorwaarden, te weten een meldplicht bij de reclassering, het ondergaan van ambulante behandeling en meewerken aan diagnostiek en het vinden en behouden van stabiele dagbesteding, zoals geadviseerd door de reclassering.
Vonnis waarvan beroep
Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep, inhoudende vrijspraak van de tenlastegelegde feiten, en zal dit derhalve bevestigen met dien verstande dat het hof hetgeen de rechtbank onder 3.4.2. heeft overwogen vervangt door de navolgende vrijspraakoverweging.
Vrijspraak ten aanzien van feit 2
De rechtbank heeft de verdachte vrijgesproken van de onder 2 tenlastegelegde voorbereidingshandelingen.
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat dit feit is bewezen. Ze heeft daartoe aangevoerd dat de rechtbank niet kan worden gevolgd in de overweging dat niet kan worden afgeleid dat de ten laste gelegde voorwerpen bestemd waren tot het begaan van het tenlastegelegde misdrijf van (medeplegen van) diefstal met geweld. In aanvulling op het standpunt van het openbaar ministerie in eerste aanleg, zoals weergegeven in het vonnis onder 3.2., heeft de advocaat-generaal aangevoerd dat de verdachte eerder voor een dergelijk feit is veroordeeld en medeverdachte [medeverdachte] in deze zaak daadwerkelijk is veroordeeld voor het medeplegen van diefstal met geweld. Daaruit volgt het concrete misdrijf.
De raadsman heeft overeenkomstig zijn verweer in eerste aanleg vrijspraak bepleit.
Het hof overweegt als volgt.
Toetsingskader
Voor een bewezenverklaring van de tenlastegelegde voorbereidingshandelingen als bedoeld in artikel 46, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht (Sr), is volgens vaste jurisprudentie vereist dat vast is komen te staan dat de in de tenlastelegging omschreven voorwerpen, stoffen, informatiedragers, ruimtes en/of vervoermiddelen – in het onderhavige geval het baken, de simkaart en de telefoons van de verdachte en de medeverdachte – bestemd waren tot het begaan van het misdrijf, zoals in de tenlastelegging omschreven. Daartoe dient te worden beoordeeld of de middelen, afzonderlijk dan wel gezamenlijk, naar hun uiterlijke verschijningsvorm ten tijde van het handelen van de verdachte dienstig konden zijn voor het misdadige doel dat de verdachte met het gebruik daarvan voor ogen had. Voldoende is dat uit de bewijsvoering kan worden afgeleid dat de bewezenverklaarde gedragingen van de verdachte strekten ter voorbereiding van dat misdrijf en dat zijn opzet op het begaan daarvan was gericht (HR 20 februari 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ0213). Verder is van belang dat met de in artikel 46, eerste lid, Sr opgenomen zinsnede “bestemd tot het begaan van dat misdrijf” alleen wordt gedoeld op het misdrijf dat is voorbereid en dus niet op de voorbereiding zelf. Dit betekent dat het object waarop een in artikel 46, eerste lid, Sr genoemde gedraging betrekking heeft, moet zijn bestemd tot het begaan van het misdrijf dat is voorbereid (HR 12 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ1956 en HR 7 juli 2020, ECLI:NL:HR:2020:1198).
Niet is vereist dat het misdrijf ter voorbereiding waarvan de tenlastegelegde handelingen plaatsvonden, kon worden voltooid. Voldoende is dat uit de bewijsvoering kan worden afgeleid dat de bewezenverklaarde gedragingen strekten ter voorbereiding van het feit en dat het opzet van de verdachte op het begaan daarvan was gericht (HR 27 mei 2014, ECLI:NL:HR:2014:1233). Dit betekent dat het feit dat het ten laste gelegde baken uiteindelijk niet is gebruikt voor de voorbereiding van de overval,
op zichzelf niet in de weg staat aan een bewezenverklaring van dit onderdeel van het onder 2 ten laste gelegde.
Beoordeling
Uit het dossier kan naar het oordeel van het hof weliswaar worden afgeleid dat enkele van de in de tenlastelegging genoemde voorwerpen, te weten het baken, de simkaart en de telefoon van de medeverdachte bedoeld waren om te worden gebruikt bij de voorbereiding van de overval op de aangever, maar niet dat deze voorwerpen bestemd waren tot het begaan van het ten laste gelegde misdrijf van het (medeplegen van) diefstal met geweld. Zoals hiervoor is toegelicht, volgt uit de tekst van artikel 46, eerste lid, Sr dat met “dat misdrijf” in de zinsnede “bestemd tot het begaan van dat misdrijf” wordt gedoeld op het misdrijf dat is voorbereid, en dus niet op enkel de voorbereiding zelf. Het voorhanden hebben van voorwerpen die bij het uiteindelijke misdrijf geen rol zullen spelen kan op zichzelf niet worden gekwalificeerd als een strafbare voorbereidende handeling. Meer dan dat het baken, de simkaart en de telefoon van de medeverdachte in de fase voorafgaand aan de te plegen overval dienden als middel waarmee de omgeving dan wel de locatie van het beoogde slachtoffer kon worden verkend, blijkt uit het dossier niet. De inhoud van de telefoongesprekken tussen de verdachte en de medeverdachte in de periode rond de overval is verder onbekend gebleven, zodat ook de misdadige intentie van de verdachte bij het in vereniging voorhanden hebben van die voorwerpen en zijn eigen telefoon niet kan worden vastgesteld. Verder acht het hof de door de advocaat-generaal aangevoerde omstandigheden dat algemeen bekend is dat bakens gebruikt worden voor criminele doeleinden, dat bekende Nederlanders worden gevolgd en met geweld worden beroofd van hun Rolex, dat de verdachte eerder voor een dergelijk feit is veroordeeld en dat de medeverdachte is veroordeeld voor het medeplegen van diefstal met geweld, onvoldoende redengevend om bewezen te achten dat de verdachte het plegen van de overval als misdadig doel voor ogen had. Op grond van het voorgaande acht het hof – evenals de rechtbank – niet bewezen hetgeen onder 2 ten laste is gelegd en zal het hof het vonnis van de rechtbank ook in zoverre bevestigen.
BESLISSING
Het hof:
Bevestigt het vonnis waarvan beroep met inachtneming van het hiervoor overwogene.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. A. Eichperger, mr. M.L.M. van der Voet en mr. A.E.M. Röttgering, in tegenwoordigheid van mr. L.P. van Kessel, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 4 juni 2026.
[…]