GERECHTSHOF AMSTERDAM
afdeling civiel recht en belastingrecht
team I (handel)
zaaknummer : 200.355.332/01 KG
zaaknummer rechtbank Noord-Holland : 11587546 \ KG EXPL 25-29
arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 2 juni 2026
in de zaak van
[appellant] ,
thans verblijvende op [plaats 1] ,
appellant,
advocaat: mr. M. Heimensem te Den Oever,
tegen
[geïntimeerde] ,
gevestigd te [plaats 2] ,
geïntimeerde,
advocaat: mr. I.M. Sinnige te Hoorn.
Partijen worden hierna [appellant] en [geïntimeerde] genoemd.
1. De zaak in het kort
[geïntimeerde] vordert in kort geding ontruiming van een sociale huurwoning. Bij een doorzoeking door de politie in de woning is een handelshoeveelheid cocaïne aangetroffen. De kantonrechter heeft de gevorderde ontruiming toegewezen. Het hof is met de kantonrechter van oordeel dat huurder tekort is geschoten in de nakoming van zijn verplichtingen uit de huurovereenkomst. Het belang van de verhuurder bij ontruiming weegt zwaarder dan het belang van de huurder bij behoud van de woning. Het hof bekrachtigt het vonnis.
2. Het geding in hoger beroep
Namens [appellant] is door [bedrijf] bij dagvaarding tevens memorie van grieven – met producties – van 19 mei 2025 hoger beroep ingesteld van een vonnis van 22 april 2025 van de kantonrechter in de rechtbank Noord-Holland (hierna: de kantonrechter), onder bovenvermeld zaaknummer in kort geding gewezen tussen [geïntimeerde] als eiseres en [appellant] en [bedrijf] als gedaagden (hierna: het bestreden vonnis).
[appellant] heeft op 2 juni 2025 een herstelexploot uitgebracht, waarin [geïntimeerde] is aangezegd:
In de appeldagvaarding is opgenomen dat dit beroep wordt ingesteld op verzoek van de
bewindvoerder (…) van de heer [appellant] . Bij beschikking van de kantonrechter in de rechtbank Noord-Holland, locatie [plaats 3] van 24 april 2025 (…) is het bewind echter opgeheven.
(…)
Deze fout is hersteld door u aan te zeggen dat in de appeldagvaarding had moeten staan dat die is
betekend op verzoek van de heer [appellant] (…).
[geïntimeerde] heeft daarna een memorie van antwoord – met producties – ingediend.
Op 21 april 2026 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden. De advocaten hebben de zaak toegelicht; mr. Heimensem aan de hand van spreekaantekeningen die aan het hof zijn overgelegd.
Ten slotte is arrest gevraagd.
3. Feiten
De kantonrechter heeft in 2.1 tot en met 2.5 van het bestreden vonnis de feiten opgesomd die hij tot uitgangspunt heeft genomen. In hoger beroep is niet in geschil dat de feiten juist zijn weergegeven, zodat ook het hof van deze feiten uitgaat. Samengevat en waar nodig aangevuld met andere onomstreden feiten komen de feiten neer op het volgende.
[appellant] heeft per 13 april 2012 een woning aan [straat] [nummer] te [plaats 2] (hierna: de woning) gehuurd van [geïntimeerde] .
Op de huurovereenkomst zijn de “Algemene Voorwaarden Zelfstandige Woonruimte Stichting IntermarisHoeksteen” (versie 2007) van toepassing verklaard (hierna: de algemene voorwaarden). In de algemene voorwaarden staat onder andere:
In artikel 7.11: Het is niet toegestaan om in de woning (…) activiteiten te (laten) verrichten die op grond van het strafrecht en meer in het bijzonder de Opiumwet strafbaar zijn gesteld (…).
Na meerdere anonieme meldingen in 2023 en 2024 over cocaïnehandel vanuit de woning heeft de politie een onderzoek gestart. Naar aanleiding daarvan heeft de Politie Eenheid Noord Holland, Basisteam [plaats 2] op 25 februari 2025 een Bestuurlijke Rapportage opgemaakt (hierna: het politierapport). Daarin staat onder meer het volgende. De politie heeft op 21 januari 2025 geconstateerd dat meerdere personen in een tijdsbestek van één uur de woning binnen zijn gegaan en binnen enkele minuten de woning weer hebben verlaten. Op 11 februari 2025 heeft de politie twee mensen aangehouden die ook enkele minuten in de woning zijn geweest. Beide personen hadden cocaïne op zak. De politie is vervolgens de woning binnengegaan en heeft [appellant] aangehouden op verdenking van overtreding van de Opiumwet. Tijdens de aanhouding had [appellant] ruim 20 gram cocaïne op zak. Na onderzoek in de woning heeft de politie € 9.440,- contant geld in een kluis aangetroffen, verpakt in plastic.
Bij besluit van 2 april 2025 heeft de burgemeester de woning met ingang van 8 april 2025 voor de duur van zes maanden gesloten.
Tijdens de procedure in eerste aanleg stond [appellant] onder (beschermings)bewind bij [bedrijf] Op 24 april 2025, twee dagen na het bestreden vonnis, is de onderbewindstelling van [appellant] opgeheven.
Op 23 april 2025 is het bestreden vonnis aan (de bewindvoerder van) [appellant] betekend waarna de woning op 28 april 2025 is ontruimd.
Bij besluit van 12 juni 2025 is de sluiting van de woning door de burgemeester opgeheven.
In een strafrechtelijke procedure is bij dagvaarding van 7 april 2025 aan [appellant] ten laste gelegd dat hij in de periode van 12 juni 2023 tot en met 11 februari 2025 in [plaats 2] cocaïne heeft verkocht, dan wel in bezit heeft gehad. Bij uitspraak van 13 mei 2025 heeft de politierechter [appellant] veroordeeld tot een gevangenisstraf van 91 dagen voor verkoop en in het bezit hebben van cocaïne op 11 februari 2025.
4. Procedure bij de kantonrechter
Samengevat heeft [geïntimeerde] bij de kantonrechter gevorderd [appellant] – bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad – te veroordelen tot ontruiming van de woning binnen twee dagen na betekening van het vonnis.
De kantonrechter heeft de vordering van [geïntimeerde] toegewezen. De kantonrechter heeft hiertoe, samengevat, overwogen dat na aanhouding door de politie is gebleken dat [appellant] een handelshoeveelheid cocaïne bij zich had en dat de drugs aanwezig zijn geweest in de woning. [appellant] is daardoor tekort geschoten in de nakoming van zijn verplichtingen uit de huurovereenkomst. Deze tekortkoming van [appellant] is zo ernstig dat die ertoe leidt dat het in hoge mate waarschijnlijk is dat de huurovereenkomst in een bodemprocedure wordt ontbonden of dat een buitengerechtelijke ontbinding van [geïntimeerde] in stand blijft. Dat behoud van de woning noodzakelijk is voor de omgang van [appellant] met zijn minderjarige kinderen, is niet gebleken. Het belang van [geïntimeerde] bij ontruiming weegt zwaarder dan het belang van [appellant] bij behoud van de woning, aldus de kantonrechter.
5. Procedure in hoger beroep
[appellant] vordert vernietiging van het bestreden vonnis, afwijzing van de vorderingen van [geïntimeerde] en veroordeling van [geïntimeerde] tot terugbetaling van al hetgeen [appellant] ter uitvoering van het bestreden vonnis aan [geïntimeerde] heeft voldaan, met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van het geding in beide instanties met nakosten en rente.
[geïntimeerde] vordert bekrachtiging van het bestreden vonnis en veroordeling van [appellant] in de kosten van het geding in hoger beroep, met nakosten en rente.
6. Beoordeling
[appellant] heeft vier grieven tegen het bestreden vonnis gericht. Voorafgaand aan het bespreken daarvan zal het hof zal eerst ingaan op de ontvankelijkheid van [appellant] in hoger beroep.
Ontvankelijkheid
Het meest verstrekkende verweer van [geïntimeerde] betreft de ontvankelijkheid van [appellant] in zijn hoger beroep. De bewindvoerder heeft bij exploot van 19 mei 2025 hoger beroep ingesteld terwijl [appellant] daartoe zelf bevoegd was. De onderbewindstelling van [appellant] was immers al op 24 april 2025 (twee dagen na het bestreden vonnis) opgeheven. [appellant] heeft getracht dit te herstellen door op 2 juni 2025 een herstelexploot uit te brengen waarin staat dat het beroep abusievelijk is ingesteld door de bewindvoerder en dat het appel moet worden geacht te zijn ingesteld door [appellant] . Het betreft hier echter een verwijtbare fout, aldus [geïntimeerde] .
Volgens rechtspraak van de Hoge Raad is herstel van een onjuiste partijaanduiding in een dagvaarding waarbij een rechtsmiddel is ingesteld mogelijk, tenzij de wederpartij stelt en bij betwisting aannemelijk maakt dat zij daardoor onredelijk in haar belangen wordt geschaad. Van zodanige benadeling is in dit geval niet gebleken. [geïntimeerde] heeft ook erkend dat zij door het herstel van de partijaanduiding niet wezenlijk of anderszins onredelijk in haar belangen is geschaad. Verder is het hof van oordeel dat de door de bewindvoerder onbevoegd verrichte rechtshandeling van het instellen van hoger beroep achteraf rechtsgeldig door [appellant] is bekrachtigd. Om die reden kan [appellant] in zijn hoger beroep worden ontvangen.
Spoedeisend belang
Met grief 1 betoogt [appellant] dat de kantonrechter ten onrechte spoedeisend belang heeft aangenomen. Deze grief slaagt niet. Met de kantonrechter is het hof van oordeel dat [geïntimeerde] spoedeisend belang heeft bij haar vorderingen. In deze zaak gaat het om de aanwezigheid van een handelshoeveelheid drugs in een sociale huurwoning. [geïntimeerde] heeft er als toegelaten instelling van volkshuisvesting een spoedeisend belang bij te bewerkstelligen dat haar - schaarse - sociale huurwoningen op een rechtmatige manier worden bewoond. Het door [geïntimeerde] met betrekking tot drugs gevoerde zerotolerancebeleid wint aanmerkelijk aan slagkracht én, naar mag worden aangenomen, aan afschrikwekkende werking als daarbij gebruik kan worden gemaakt van het instrument van de vordering tot ontruiming in kort geding. Het argument van [appellant] dat de ontruiming geen doel dient zolang de woning door de Burgemeester gesloten is, gaat niet op. Gebleken is dat de woning betrekkelijk kort na de ontruiming is vrijgegeven (zie onder 3.7).
Tekortkoming in de nakoming
Grief 2 is gericht tegen het oordeel van de kantonrechter dat de tekortkoming van [appellant] in de nakoming van de huurovereenkomst zo ernstig is, dat die ertoe leidt dat het in hoge mate waarschijnlijk is dat de huurovereenkomst wordt ontbonden of dat een buitengerechtelijke ontbinding door [geïntimeerde] in stand blijft. Deze grief faalt. Daarvoor is het volgende van belang.
Volgens [appellant] is de kantonrechter er ten onrechte aan voorbij gegaan dat er ondanks doorzoeking door de politie geen drugs in de woning zijn aangetroffen. De politie heeft alleen drugs aangetroffen in de jaszak van [appellant] . Deze drugs waren bedoeld voor eigen gebruik en voor het gebruik met vrienden van [appellant] . Niet is gebleken dat er drugs in de woning verhandeld werden. Blijkens het vonnis van de politierechter van 13 mei 2025 (zie onder 3.8) is [appellant] vrijgesproken van de in de dagvaarding verweten gedragingen (handel en bezit in de periode van 12 juni 2023 tot en met 11 februari 2025 te [plaats 2] van hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne) en werd uitsluitend bewezenverklaard dat hij zich op 11 februari 2025 schuldig heeft gemaakt aan de verkoop van cocaïne. Het voorgaande levert geen (ernstige) tekortkoming in de nakoming van de huurovereenkomst op die ontbinding van de huurovereenkomst rechtvaardigt, aldus [appellant] .
Op grond van artikel 7:213 BW en artikel 7.11 van de algemene voorwaarden is het [appellant] niet toegestaan om in de woning activiteiten te verrichten die op grond van de Opiumwet strafbaar zijn gesteld. Vast staat dat [appellant] strafrechtelijk is veroordeeld voor het verkopen van cocaïne in de woning. Verder heeft hij niet ontkend een ruime hoeveelheid cocaïne bij zich en dus in de woning aanwezig gehad te hebben. Dit betekent dat hij zich ten aanzien van het gebruik van de woning niet als een goed huurder heeft gedragen. Dat in de strafrechtelijke procedure slechts één feit bewezen is verklaard, namelijk de verkoop op 11 februari 2025, maakt dat niet anders. Het hof is van oordeel dat alleen al deze feiten een dermate ernstige tekortkoming in de nakoming van de voor [appellant] uit de huurovereenkomst voortvloeiende verplichtingen vormen, dat vooruitlopend op ontbinding in een bodemprocedure ontruiming in dit kort geding in beginsel is gerechtvaardigd. Daarbij speelt ook mee dat het politierapport sterke aanwijzingen bevat dat in de woning vaker drugs aanwezig zijn geweest en zijn verhandeld.
Belangenafweging
Grief 3 richt zich tegen het oordeel van de kantonrechter dat het belang van [geïntimeerde] bij de gevorderde ontruiming zwaarder weegt dan het belang van [appellant] bij het behoud van de woning. Deze grief slaagt niet. Daarvoor is het volgende redengevend.
[appellant] heeft aangevoerd dat hij zich altijd als een goed huurder gedragen heeft en dat de ontruiming niet proportioneel is. Niet is gebleken dat omwonenden overlast dan wel hinder van [appellant] hebben gehad. Volgens [appellant] zijn alle meldingen afkomstig van de bovenbuurvrouw met wie [appellant] al langere tijd een conflict heeft. [appellant] heeft belang bij behoud van de woning vanwege de omgangsregeling met twee van zijn vier kinderen. De kinderen verbleven elk weekend bij [appellant] en deze omgangsregeling kan nu, zonder de woning, niet plaatsvinden, aldus [appellant] .
Tegenover de belangen van [appellant] staan de belangen van [geïntimeerde] – zoals hiervoor in 6.4 beschreven – en in het verlengde daarvan ook de belangen van omwonenden, die recht hebben op een leefbare en veilige woonomgeving. Drugsgerelateerde activiteiten doen daaraan ernstig afbreuk. [geïntimeerde] heeft een zwaarwegend belang om daartegen op te treden.
De ontruiming van een woning is een ingrijpende maatregel. [appellant] heeft echter onvoldoende geconcretiseerd en onderbouwd dat hij hierdoor in zodanige problemen zal raken dat ontruiming in dit geval disproportioneel is. [appellant] heeft in hoger beroep onvoldoende concrete feiten of omstandigheden aangedragen waaruit volgt dat behoud van de woning noodzakelijk is voor de omgangsregeling met zijn kinderen. De kinderen wonen kennelijk elders en niet gebleken is dat [appellant] (deels) de zorg voor de kinderen op zich neemt. In eerste aanleg is namens [appellant] naar voren gebracht dat de kinderen altijd mee-eten en dat het voorkomt dat zij overnachten. [appellant] heeft in hoger beroep weliswaar een verklaring overgelegd van – naar het hof begrijpt – de moeder van twee van zijn kinderen, waarin deze verklaart dat de kinderen in de weekends bij [appellant] zijn, maar daaruit blijkt niet dat het belang van de kinderen wordt geschaad wanneer [appellant] de woning zou moeten ontruimen. De verklaring legt daarom onvoldoende gewicht in de schaal. Ook overigens is het hof niet gebleken van omstandigheden die meebrengen dat het belang van [appellant] bij behoud van de woning zwaarder weegt dan de belangen van [geïntimeerde] . De belangenafweging valt dus in het nadeel van [appellant] uit.
Slotsom en kosten
Het hoger beroep heeft geen succes. Het bestreden vonnis wordt bekrachtigd, waaronder begrepen de veroordeling in de proceskosten. De vierde grief, die zich richt tegen de proceskostenveroordeling, wordt derhalve verworpen. [appellant] is in het hoger beroep in het ongelijk gesteld en zal daarom worden veroordeeld in de proceskosten in hoger beroep. Het hof stelt de proceskosten in hoger beroep als volgt vast:
- griffierecht € 827,00
- salaris advocaat € 2.580,00 (tarief II, 2 punten)
Totaal € 3.407,00
7. Beslissing
Het hof:
bekrachtigt het bestreden vonnis;
veroordeelt [appellant] in de proceskosten in hoger beroep, tot nu vastgesteld op € 3.407,00, te vermeerderen met de wettelijke rente, als niet binnen veertien dagen na dit arrest aan de kostenveroordeling is voldaan;
veroordeelt [appellant] tot betaling van € 189,00 voor nasalaris, te vermeerderen met € 98,00 voor nasalaris en de kosten van het betekeningsexploot als betekening van dit arrest plaatsvindt, te vermeerderen met de wettelijke rente, als niet binnen veertien dagen na het verschuldigd worden van de nakosten aan deze veroordeling is voldaan;
verklaart deze veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit arrest is gewezen door mrs. J.C.W. Rang, E.K. Veldhuijzen van Zanten en
G.J.W. Pulles en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 2 juni 2026.