ECLI:NL:GHAMS:2026:1566

ECLI:NL:GHAMS:2026:1566

Instantie Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak 12-05-2026
Datum publicatie 05-06-2026
Zaaknummer 23-003040-23
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Hoger beroep
Zittingsplaats Amsterdam
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:RBNHO:2023:11159

Samenvatting

Veroordeling ontuchtig met minderjarige dochter en het vervaardigen en bezitten van kinderpornografische foto’s en video’s van zoon en dochter. Hof verwerpt verweren ten aanzien van onder meer gezinscultuur, het aan het beeldmateriaal ontbreken van een onmiskenbare seksuele strekking en het maken van foto’s van lichaamsdelen van de kinderen als hulpmiddel bij het verschonen. Vrijspraak van het bezitten van kinderpornografisch materiaal gerelateerd aan Telegram. Hof legt een gevangenisstraf op van dertig maanden, waarvan tien maanden voorwaardelijk: de door de rechtbank opgelegde gevangenisstraf doet naar het oordeel van het hof onvoldoende recht aan de aard en ernst van het bewezenverklaarde. Overweging ten overvloede over het per 1 juli 2024 gewijzigde artikel 14b lid 2 Sr betreffende de maximale duur van de proeftijd in relatie tot de misdrijven van art. 240b Sr (oud) en art. 252 Sr.

Uitspraak

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 14 april 2026 en 12 mei 2026 naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte en de raadsman en de advocaat van de benadeelde partij naar voren hebben gebracht.

Tenlastelegging

Gelet op de in eerste aanleg door de rechtbank toegelaten wijziging is aan de verdachte tenlastegelegd dat:

1.hij op een of meer tijdstippen in de periode van 1 januari 2020 tot en met 22 juli 2022 te Purmerend in elk geval in Nederland, meermalen, althans eenmaal telkens een hoeveelheid afbeeldingen, te weten fotobestanden en/of videobestanden en/of gegevensdragers, te weten een telefoon (merk XIAOMI Mi Note Pro) en/of een harde schijf (beslagnummer H.10) bevattende afbeeldingen, te weten fotobestanden en/of videobestanden, van seksuele gedragingen, waarbij iemand die kennelijk de leeftijd van achttien jaar nog niet had bereikt, is betrokken of schijnbaar is betrokken in bezit heeft gehad welke seksuele gedragingen - zakelijk weergegeven - bestonden uit:

het met de vinger(s) betasten en/of aanraken van de anus en/of de vagina en/of de billen en/of de schaamstreek en/of borsten van en/of door een persoon die kennelijk de leeftijd van 18 jaar nog niet had bereikt te weten [benadeelde partij 1] , en/of een onbekend gebleven minderjarige persoon

( [bestand 1] .mp4 en [bestand 2] .mp4, pag 158)

( [bestand 3] , pag 210)

( [bestand 4] . mp4, pag 224)

( [bestand 5] .MP4, pag 225)

en/of

het oraal en/of vaginaal penetreren (met de penis en/of vinger(s) en/of een dildo/voorwerp van het lichaam van een persoon die de leeftijd van 18 jaar nog niet had bereikt

( [bestand 6] , pag 208)

( [bestand 7] .mp4, pag 223)

( [bestand 8] .mp4, pag 224)

en/of

het geheel of gedeeltelijk naakt (laten) poseren van/door een persoon die kennelijk de leeftijd van 18 jaar nog niet had bereikt, te weten [benadeelde partij 1] en/of [benadeelde partij 2] en/of een onbekend gebleven minderjarige persoon, waarbij deze persoon gekleed is en/of opgemaakt is en/of poseert in een omgeving en/of in een erotisch getinte houding (op een wijze) die niet bij zijn/haar leeftijd past/passen en/of (waarna) door het camerastandpunt, de (onnatuurlijke) pose en/of de wijze van kleden van deze persoon en/of de uitsnede van de foto's/film(s) nadrukkelijk het (ontblote) geslachtsdeel, de borsten en/of billen in beeld gebracht worden (waarbij) de afbeelding (aldus) (telkens) een onmiskenbaar seksuele strekking heeft en/of strekt tot seksuele prikkeling

( [bestand 9] .mp4, pag 158)

( [bestand 10] .MP4, pag 224),

( [bestand 11] _ 121 jpg, pag 226)

( [bestand 12] .jpg, pag 196)

( [bestand 13] , pag 199)

( [bestand 14] pag 206)

( [bestand 15] ,. pag 208)

en hij aldus van het plegen van dit misdrijf een gewoonte heeft gemaakt;

2.hij op een of meer tijdstippen in de periode van 1 januari 2020 tot en met 22 juli 2022 te Purmerend in elk geval in Nederland, (telkens) ontucht heeft gepleegd met zijn minderjarig kind [benadeelde partij 1] (geboren op [geboortedag 2] 2019), door die [benadeelde partij 1] (telkens) bij de vagina en/of bij de anus en/of in de schaamstreek te betasten en/of strelen;

3.hij op een of meer tijdstippen in de periode van 1 januari 2020 tot en met 22 juli 2022 te Purmerend in elk geval in Nederland, meermalen, althans eenmaal telkens een hoeveelheid afbeeldingen, te weten fotobestanden en/of videobestanden en/of gegevensdragers, te weten een telefoon (merk XIAOMI Mi Note Pro) en/of een harde schijf (beslagnummer H.10) bevattende afbeeldingen, te weten fotobestanden en/of videobestanden, van seksuele gedragingen, waarbij iemand die kennelijk de leeftijd van achttien jaar nog niet had bereikt, is betrokken of schijnbaar is betrokken heeft vervaardigd en/of verspreid welke seksuele gedragingen - zakelijk weergegeven - bestonden uit:

het met de vinger(s) betasten en/of aanraken van de anus en/of de vagina en/of de billen en/of de schaamstreek en/of borsten van een persoon die kennelijk de leeftijd van 18 jaar nog niet had bereikt, te weten [benadeelde partij 1]

( [bestand 16] .mp4 en [bestand 17] .mp4, pag 158)

( [bestand 3] , pag 210)

en/of

het vaginaal penetreren (met de penis) van het lichaam van een persoon die de leeftijd van 18 jaar nog niet had bereikt (te weten [benadeelde partij 1] ) door een persoon die de leeftijd van 18 jaar nog niet heeft bereikt (te weten [benadeelde partij 2] )

( [bestand 18] , pag 208)

en/of

het geheel of gedeeltelijk naakt (laten) poseren van/door een persoon die kennelijk de leeftijd van 18 jaar nog niet had bereikt, te weten [benadeelde partij 1] en/of [benadeelde partij 2] , waarbij deze persoon gekleed is en/of opgemaakt is en/of poseert in een omgeving en/of in een erotisch getinte houding (op een wijze) die niet bij zijn/haar leeftijd past/passen en/of (waarna) door het camerastandpunt, de (onnatuurlijke) pose en/of de wijze van kleden van deze persoon en/of de uitsnede van de foto's/film(s) nadrukkelijk het (ontblote) geslachtsdeel, de borsten en/of billen in beeld gebracht worden (waarbij) de afbeelding (aldus) (telkens) een onmiskenbaar seksuele strekking heeft en/of strekt tot seksuele prikkeling

( [bestand 19] .mp4, pag 158)

( [bestand 20] .jpg, pag 196)

( [bestand 21] , pag 199)

( [bestand 14] pag 206)

( [bestand 22] , pag 208)

en hij aldus van het plegen van dit misdrijf een gewoonte heeft gemaakt.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere bewezenverklaring en een andere sanctiebeslissing komt dan de rechtbank. Het hof heeft diverse passages uit het vonnis waarvan beroep waarmee het zich kan vereenzelvigen, overgenomen.

Inleiding

Op 21 juli 2022 ontving het Team Bestrijding Kinderporno & Kindersekstoerisme van de Landelijke Eenheid van de Politie vier meldingsrapporten van het National Center for Missing and Exploited Children, hierna NCMEC. Het NCMEC is een Amerikaanse organisatie waar ook de Cybertipline is ondergebracht: een meldpunt waar meldingen ter zake van het aantreffen van kinderpornografie op het internet kunnen worden gedaan. Het bedrijf Google had voornoemd meldpunt geïnformeerd dat een persoon gebruikmakend van de naam ‘ [naam] ’ en gebruikmakend van de e-mailadressen [e-mailadres 1] en [e-mailadres 2] en het telefoonnummer: [telefoonnummer] vermoedelijk kinderporno op Google Photo's had geplaatst.

Op grond van de beschikbare data rapporteert het NCMEC voorts dat het vermoeden bestond dat voornoemde gebruiker zelf kinderpornografisch beeldmateriaal had vervaardigd. Uit die data heeft Google namelijk opgemaakt dat het beeldmateriaal een creation date van 15 juli 2022 had en ook dat het telefoontoestel waarmee de afbeeldingen zijn gemaakt van het merk Xiaomi was en als zogeheten geolocatie Purmerend werd aangemerkt. Aan voornoemd telefoontoestel was volgens Google een Google Pay-account gekoppeld dat op naam stond van de verdachte.

Uit onderzoek in de politiesystemen blijkt de verdachte vader te zijn van twee minderjarige kinderen, te weten: [benadeelde partij 2] , geboren [geboortedag 3] 2016 te [geboorteplaats 2] en [benadeelde partij 1] , geboren [geboortedag 4] 2019 te [geboorteplaats 3] .

Op 22 juli 2022 heeft bij de verdachte een huiszoeking plaatsgevonden en zijn daarbij telefoons en gegevensdragers in beslag genomen. Op een Xiaomi-telefoon en een harde schijf is beeldmateriaal aangetroffen dat volgens een gecertificeerde kinderpornorechercheur als kinderpornografisch moet worden geclassificeerd en op een deel van dat materiaal zijn [benadeelde partij 2] en [benadeelde partij 1] te zien. Deze rechercheur trof in totaal 1.876.485 afbeeldingen (1.827.663 foto's en 48.822 video's) aan op de gegevensdragers van de verdachte. Met behulp van forensische software is een selectie gemaakt van 400.000 afbeeldingen die vervolgens door deze rechercheur is beoordeeld. Door de kinderpornorechercheur zijn daarvan – in het proces-verbaal beschrijving kinderpornografisch materiaal – 94 afbeeldingen (82 foto's en 12 videobestanden) als kinderpornografisch gekwalificeerd. Op 81 van deze foto's zijn [benadeelde partij 2] en/of [benadeelde partij 1] te zien. Van 11 video’s en één foto is vastgesteld dat die via de app Telegram op de telefoon van de verdachte zijn ontvangen. Van één video aangetroffen op de telefoon van de verdachte is de herkomst onbekend gebleven.

Naast het in dit proces-verbaal genoemde beeldmateriaal, heeft het Team Bestrijding Kinderporno en Kindersekstoerisme vier meldingsrapporten van het NCMEC ontvangen, inclusief beeldmateriaal. Dat materiaal is door een inspecteur van het Team Bestrijding Kinderporno en Kindersekstoerisme beoordeeld. Onderdeel van dat materiaal zijn onder meer twee video’s waarop [benadeelde partij 1] te zien is. Deze video’s zijn door de inspecteur gekwalificeerd als kinderpornografisch.

Aan het hof liggen in de kern de vragen voor of de verdachte zich schuldig gemaakt heeft aan het

vervaardigen, verspreiden en het in bezit hebben van kinderpornografisch beeldmateriaal en

aan het ontucht plegen met zijn minderjarige dochter [benadeelde partij 1] .

Standpunten van de advocaat-generaal en de verdediging

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de tenlastegelegde feiten wettig en overtuigend bewezen kunnen worden, met dien verstande dat de verdachte partieel moet worden vrijgesproken van i) het onder feit 3 tenlastegelegde verspreiden van kinderpornografisch materiaal en ii) het onder feit 1 tenlastegelegde bezit van – kort gezegd – het kinderpornografisch materiaal afkomstig van Telegram. Met betrekking tot dit laatste punt heeft de advocaat-generaal daartoe aangevoerd dat onvoldoende is gebleken dat de verdachte daadwerkelijke beschikkingsmacht had over dit specifieke materiaal en (voorwaardelijk) opzet had op de aanwezigheid van dit materiaal.

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte integraal moet worden vrijgesproken.

Beoordeling van het bewijs

Het hof overweegt als volgt.

De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat hij de in de tenlastelegging opgenomen foto’s en video-opnames van zijn dochter [benadeelde partij 1] en zijn zoon [benadeelde partij 2] inderdaad heeft gemaakt. Hij heeft ook bevestigd dat hij de video-opname heeft gemaakt die op pagina 158 van het dossier wordt beschreven (een naakt meisje ligt met haar hoofd naar beneden op haar rug op de buik van een man; zie nader hierna onder feit 2), dat op die opname zijn dochter [benadeelde partij 1] te zien is en dat hij die man is. Uit de verklaringen van de verdachte volgt naar het oordeel van het hof voorts dat hij foto’s en video-opnames van [benadeelde partij 2] en [benadeelde partij 1] , waaronder voornoemde video-opname, met zijn mobiele telefoon heeft gemaakt. Zoals in de inleiding van dit arrest overwogen, zijn deze afbeeldingen blijkens het dossier (al dan niet als thumbnail-bestanden en al dan niet in het cachegeheugen) op de telefoon en/of op de harde schijf van de verdachte aangetroffen, of zijn zij via meldingsrapporten van het NCMEC door het Team Bestrijding Kinderporno en Kindersekstoerisme ontvangen.

Feiten 1 en 3

De inhoud van de telefoons en andere gegevensdragers die onder de verdachte in beslag zijn genomen, is onderzocht op de aanwezigheid van kinderpornografisch materiaal door een gecertificeerd kinderpornorechercheur van het Team Bestrijding Kinderpornografie en Kindersekstoerisme.

Een deel van het materiaal dat door de kinderpornorechercheur als kinderpornografisch is beoordeeld, is in de tenlastelegging opgenomen. Voor zover het daarbij gaat om – kort gezegd – materiaal dat afkomstig is van Telegram, zal het hof de verdachte daarvan op hier na te noemen gronden vrijspreken. Ten aanzien van de overige afbeeldingen en video’s overweegt het hof als volgt.

Het hof stelt voorop dat in artikel 240b (oud) van het Wetboek van Strafrecht (Sr) strafbaar is gesteld het verwerven, in bezit hebben en vervaardigen van afbeeldingen van een seksuele gedraging waarbij iemand (schijnbaar) is betrokken die nog geen achttien jaar oud is. Het begrip seksuele gedraging wordt ruim opgevat. Strafbaar is niet alleen een afbeelding van een gedraging van expliciet seksuele aard maar ook een minder expliciete afbeelding die strekt tot het opwekken van seksuele prikkeling, bijvoorbeeld vanwege de houding van de afgebeelde minderjarige, de omgeving waar de afbeelding is gemaakt of de manier waarop het beeldmateriaal is gemaakt of bewerkt. Of daarvan sprake is, kan worden vastgesteld aan de hand van de afbeeldingen zelf.

Het hof heeft geen reden om te twijfelen aan de beschrijvingen in het dossier van hetgeen op de foto’s en video-opnamen waarneembaar is. De tenlastegelegde foto’s en video-opnamen waarop de kinderen van de verdachte te zien zijn, zijn ter terechtzitting (met gesloten deuren) getoond. Het hof verenigt zich met de beschrijvingen daarvan door de verbalisanten. Waar in die beschrijvingen wordt gesproken van het ‘poseren van de kinderen’ en van ‘regie door een fotograaf’, begrijpt het hof daaronder met name gelet op de leeftijd van [benadeelde partij 2] en [benadeelde partij 1] destijds, mede het positioneren van de afgebeelde kinderen door de verdachte. Het hof betrekt daarbij de onnatuurlijke houdingen voor kinderen van deze leeftijd waarin zij zijn afgebeeld. Daarmee passeert het hof het verweer van de verdachte dat de kinderen uit henzelf dergelijke houdingen aannamen. Voor bepaalde foto’s van [benadeelde partij 2] en [benadeelde partij 1] samen geldt daarnaast dat zij niet eenmalig maar meerdere keren in soortgelijke houdingen zijn afgebeeld. Gelet op (de inhoud van) de beschrijvingen van de afbeeldingen door verbalisanten werkzaam bij het Team Bestrijding Kinderpornografie en Kindersekstoerisme – in onderling verband en samenhang bezien – is het hof van oordeel dat de tenlastegelegde afbeeldingen (op de afbeelding met de bestandsnaam ‘ [bestand 23] .jpg’ na) als kinderpornografisch moeten worden aangemerkt, dit nu zij (voor zover daarop niet reeds gedragingen van expliciet seksuele aard te zien zijn) strekken tot het opwekken van seksuele prikkeling en een onmiskenbaar seksuele strekking hebben.

De verdediging heeft gesteld dat de afbeeldingen geen kinderpornografisch karakter hebben, omdat de verdachte geen seksuele intentie had bij het vervaardigen van de afbeeldingen. De verdachte zou deze afbeeldingen hebben gemaakt i) als hulpmiddel bij (het controleren op overgebleven ontlasting bij) het verschonen van zijn kinderen, ii) om te gebruiken in de (deels op afbeeldingen gebaseerde) communicatie met zijn (ex-)vrouw en iii) om het opgroeien van de kinderen vast te leggen. Ook zou hij per ongeluk of reflexmatig foto’s hebben genomen.

Het hof acht (al) deze verklaringen volstrekt onaannemelijk en ongeloofwaardig. Aan de hand van wat (blijkens de beschrijvingen daarvan) op de afbeeldingen te zien is, de wijze waarop de afbeeldingen zijn gemaakt en het aantal malen dat de verdachte dergelijke beelden heeft gemaakt, stelt het hof vast dat het niet anders kan zijn dan dat de verdachte met vol opzet heeft gehandeld bij het vervaardigen van de afbeeldingen.

Dat de verdachte en/of zijn (ex-)vrouw óók foto’s zou(den) hebben gemaakt en/of gestuurd waarop [benadeelde partij 2] en/of [benadeelde partij 1] zonder kleding te zien zijn en/of waarop bij de kinderen ontlasting of uitslag bij de genitaliën te zien zou zijn, maakt dat niet anders. Het hof merkt in dat verband op dat de rechercheur er al rekening mee heeft gehouden dat er veel (naakt)foto's van de kinderen werden gemaakt. Afbeeldingen waarop [benadeelde partij 2] en/of [benadeelde partij 1] (half)naakt te zien zijn, zijn alleen als kinderpornografisch aangemerkt als de context of het prominent in beeld brengen van geslachtsdelen maakte dat de afbeelding strekte tot seksuele prikkeling. In twijfelgevallen werd de afbeelding niet als kinderpornografisch aangemerkt, waarbij uitdrukkelijk betrokken is dat het in het gezin van de verdachte de gewoonte was veel foto's, waaronder ook naaktfoto's van [benadeelde partij 2] en [benadeelde partij 1] te maken en het daarbij ook voorkwam dat de verdachte en zijn echtgenote deze foto’s met elkaar via Whatsapp uitwisselden (hierna: de WhatsApp-foto’s) en waarbij gelet op de communicatie rondom deze uitwisseling is aangenomen dat een seksuele intentie ontbrak. Een selectie van deze WhatsApp-foto’s is ook achter gesloten deuren ter terechtzitting in hoger beroep getoond.

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman aangekondigd om bij pleidooi een grote selectie van foto’s (het hof begrijpt: rond de 1.000 afbeeldingen) gemaakt door de (ex-)vrouw van de verdachte te tonen. Het hof begrijpt dat de raadsman deze foto’s heeft willen tonen om hiermee te onderbouwen dat het maken en het versturen van naaktfoto’s van de kinderen behoorden tot de gezinscultuur en dat de verdachte geen seksuele intenties heeft gehad bij de door hem gemaakte tenlastegelegde afbeeldingen. Ook heeft hij deze foto’s willen tonen om de kwalificatie van de tenlastegelegde afbeeldingen als zijnde kinderpornografisch te betwisten: de door (ex-)vrouw van de verdachte gemaakte afbeeldingen zouden volgens de raadsman vergelijkbaar zijn met de door de verdachte gemaakte afbeeldingen, maar zijn in het vooronderzoek niet als kinderpornografisch aangemerkt. Het is de raadsman ter terechtzitting in hoger beroep niet toegelaten deze foto’s te tonen, omdat niet is gebleken waarom het tonen van een grotere selectie relevant is met het oog op de beantwoording van de vragen geformuleerd in de artikelen 348 en 350 van het Wetboek van Strafvordering in deze zaak. Met de reeds toegewezen selectie WhatsApp-foto’s welke ter terechtzitting zijn getoond, heeft de raadsman het verweer op dit punt genoegzaam kunnen voeren. Zodoende is geen sprake van schending van het recht op een eerlijk proces in de zin van artikel 6 van het Europees Verdrag van de Rechten van de Mens (EVRM), nog daargelaten dat de raadsman ter terechtzitting in hoger beroep niet heeft gesteld tot welk rechtsgevolg een eventuele schending zou moeten leiden.

Naar aanleiding van het ter terechtzitting in hoger beroep verhandelde, hecht het hof eraan op te merken dat het dossier geen enkele aanwijzing bevat voor het bezitten of vervaardigen van kinderpornografische afbeeldingen van [benadeelde partij 2] en [benadeelde partij 1] door hun moeder.

Gelet op het voorgaande kan naar het oordeel van het hof wettig en overtuigend worden bewezen het onder 3 tenlastegelegde vervaardigen van kinderpornografische afbeeldingen.

De verdediging heeft verder aangevoerd dat niet kan worden vastgesteld dat de verdachte opzet had op de aanwezigheid van de afbeeldingen, nu de verdachte de meeste afbeeldingen steeds snel na het vervaardigen daarvan heeft verwijderd. Het hof is van oordeel dat (zoals bij het maken van afbeeldingen met de camera van een telefoontoestel) uit het opzet op het vervaardigen van het materiaal tevens het opzet op het bezit van dat materiaal volgt, wat er ook zij van een eventueel moment van latere verwijdering van dat materiaal. Naar het oordeel van het hof kan wettig en overtuigend worden bewezen het onder 1 tenlastegelegde bezit van kinderpornografische afbeeldingen van de kinderen van de verdachte.

Uit de bewijsmiddelen blijkt dat de verdachte op diverse momenten bij verschillende gelegenheden kinderpornografische afbeeldingen en video-opnames heeft gemaakt en heeft opgeslagen op hem ter beschikking staande gegevensdragers. Het gaat daarbij om tientallen afbeeldingen. Op grond hiervan is het hof van oordeel dat er sprake is geweest van het maken van een gewoonte van het plegen van deze feiten.

Partiële vrijspraak feit 1

Naar het oordeel van het hof kan niet met de voor een bewezenverklaring vereiste mate van zekerheid worden vastgesteld dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het onder 1 tenlastegelegde bezit van het kinderpornografisch materiaal gerelateerd aan de app Telegram. Het hof zal de verdachte hiervan vrijspreken, en komt daarmee niet toe aan de beoordeling van het ter terechtzitting in hoger beroep voorwaardelijk gedane verzoek tot het horen van rechercheur [verbalisant] .

Het hof hecht eraan op te merken dat de bevindingen van de politie op het punt van de tenlastegelegde afbeeldingen gerelateerd aan Telegram, in combinatie met verklaringen van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep over zijn zoekgedrag op Telegram en de zich in het dossier bevindende WhatsApp-gesprekken tussen de verdachte en zijn (ex-)vrouw uit 2020 waaruit zou volgen dat zij mogelijk kinderpornografisch materiaal voorbij heeft zien komen tussen hun gezamenlijke afbeeldingen, ernstige vragen oproepen.

Uit het door de politie in het vooronderzoek uitgevoerde digitaal forensisch onderzoek zijn echter onvoldoende (eenduidige) feiten en omstandigheden gebleken op grond waarvan met een voldoende mate van zekerheid kan worden vastgesteld dat de verdachte zich bewust moet zijn geweest van de ontvangst en/of de aanwezigheid van het tenlastegelegde materiaal op zijn gegevensdragers, en dat hij beschikkingsmacht had over dat materiaal. Ook nader digitaal forensisch onderzoek gedurende het hoger beroep heeft wat dat betreft geen eenduidig beeld opgeleverd. Het hof wijst met name op het ontbreken van nadere en/of eenduidige informatie over i) de instellingen van de Telegram-app op de telefoon van de verdachte voor wat betreft het automatisch downloaden van gedeelde bestanden, ii) de instellingen van de Telegram-groepen of -kanalen waar de verdachte aan deelnam voor wat betreft het bij toetreding daartoe verkrijgen van toegang tot vóór het moment van toetreding in die groep of dat kanaal gedeelde berichten en bestanden, iii) de overige inhoud van de Telegram-groepen of -kanalen waar de verdachte aan deelnam en iv) het overige (zoek)gedrag van de verdachte op Telegram.

Verder is het hof met de advocaat-generaal en de raadsman van de verdachte van oordeel dat niet wettig en overtuigend bewezen is dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het verspreiden van kinderpornografisch beeldmateriaal. Er zijn onvoldoende aanwijzingen dat hij kinderpornografische afbeeldingen heeft gedeeld met derden. Van het onder 3 tenlastegelegde verspreiden van kinderpornografische afbeeldingen wordt de verdachte daarom vrijgesproken.

Feit 2

Zoals hiervoor overwogen, heeft de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep verklaard de in de tenlastelegging genoemde foto’s en video-opnames van zijn dochter [benadeelde partij 1] en zijn zoon [benadeelde partij 2] te hebben gemaakt. Dat geldt ook voor de op pagina 158 van het dossier beschreven video met de bestandsnaam

[bestand 24] .mp4. Blijkens de beschrijving daarvan is op deze video te zien dat een man (het hof begrijpt: de verdachte) met zijn vingers en/of duim over de anus en over de schaamlippen van een naakt meisje wrijft. Ook wrijft de man meerdere malen met zijn hand over de buik, de borst en de venusheuvel van het meisje. Gedurende deze handelingen ligt het meisje op haar rug op de buik van de man, met haar hoofd naar beneden (het hof begrijpt: richting de voeten van de man). De benen van het meisje zijn daarbij gespreid, en de vagina (het hof begrijpt: de vulva) van het meisje is nadrukkelijk in beeld. De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat het meisje op de video zijn dochter [benadeelde partij 1] is en dat hij de man is.

Zoals overwogen bij de bespreking van feiten 1 en 3, verenigt het hof zich met de beschrijving van de video zoals opgenomen in het dossier. Naar het oordeel van het hof hebben de beschreven handelingen (in onderling verband en samenhang bezien) te gelden als handelingen van seksuele aard, en zijn deze handelingen in strijd met de sociaal-ethische norm. De handelingen zijn daarmee ontuchtig. Gelet op de uiterlijke verschijningsvorm van deze handelingen kan het naar het oordeel van het hof niet anders zijn dan dat de verdachte opzet heeft gehad op het ontuchtige karakter van deze handelingen.

Voor zover de verdediging heeft gesteld dat het ontuchtige karakter van de handelingen en/of het opzet daarop ontbreekt omdat de handelingen plaatsvonden in het kader van het verschonen en aankleden van [benadeelde partij 1] (en sprake zou zijn van ongelukkige aanrakingen daarbij), is het hof van oordeel dat de aan dat verweer ten grondslag gelegde feiten en omstandigheden onvoldoende steun vinden in het dossier. Uit de beschrijving van de video blijkt volstrekt niet dat sprake zou zijn van aankledende, verschonende of anderszins verzorgende handelingen van de verdachte. Ook wordt daarin geen melding gemaakt van de aanwezigheid van verschoningsmiddelen of kinderkleding. Voor zover de verdachte heeft verklaard dat hij de schaamstreek van zijn dochter aanraakte om te controleren op vochtigheid na het verschonen na het in de luier of broek plassen door [benadeelde partij 1] , acht het hof deze verklaring – gelet op de andere in de beschrijving van deze video genoemde handelingen, en de wijze van filmen en inzoomen op de vulva van het meisje – volstrekt ongeloofwaardig.

Naar het oordeel van het hof kan wettig en overtuigend worden bewezen het onder 2 tenlastegelegde plegen van ontuchtige handelingen door de verdachte met zijn minderjarige dochter [benadeelde partij 1] .

Verzoek tot het benoemen van een deskundige

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman het hof verzocht om dr. [deskundige 2] te benoemen als deskundige, en hem – zo begrijpt het hof – te laten beoordelen of de houdingen van [benadeelde partij 2] en [benadeelde partij 1] op de van hen gemaakte afbeeldingen natuurlijk of onnatuurlijk zijn voor kinderen van deze leeftijd. Hij heeft daartoe aangevoerd dat de verbalisant die de afbeeldingen heeft beschreven niet beschikt over de deskundigheid om te beoordelen of de houdingen waarin de kinderen zijn gefotografeerd onnatuurlijk zijn, en dat de verbalisant niet heeft gemotiveerd wat er onnatuurlijk of seksueel zou zijn aan deze houdingen.

Het hof acht zich voldoende ingelicht over (de leeftijdsconformiteit en het al dan niet onnatuurlijke of seksuele karakter van) de houdingen waarin de kinderen zijn gefotografeerd. Het hof betrekt daarbij het gegeven dat een selectie van het betreffende beeldmateriaal ter terechtzitting in hoger beroep (achter gesloten deuren) is getoond, en dat de raadsman in de gelegenheid is gesteld ten aanzien van de getoonde afbeeldingen opmerkingen te maken over hetgeen daarop (wel of niet) te zien zou zijn. De raadsman heeft daarmee ter terechtzitting in hoger beroep verweer kunnen voeren op de door hem genoemde punten met betrekking tot de houdingen waarin [benadeelde partij 2] en [benadeelde partij 1] zijn afgebeeld. Nu het hof de noodzaak van het verzochte onderzoek niet is gebleken, zal het hof het verzoek afwijzen.

Voorwaardelijk aanhoudingsverzoek

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman het voorwaardelijk verzoek gedaan om – indien het hof tot een bewezenverklaring komt van het vervaardigen of bezitten van de tenlastegelegde foto met de bestandsnaam ‘ [bestand 15] ’ (pagina 208) of van soortgelijke foto’s – de zaak aan te houden en de raadsman in de gelegenheid te stellen alle relevante Whatsapp-berichten uitgewisseld tussen de verdachte en zijn (ex-)vrouw te ‘verzamelen’ en daarvan kennis te nemen.

Het hof overweegt dat door de verdediging in eerste aanleg reeds kennis is genomen van alle Whatsapp-berichten uitgewisseld tussen de verdachte en zijn (ex-)vrouw. Voorts is de raadsman – voorafgaand aan de terechtzitting in hoger beroep – door het Openbaar Ministerie in de gelegenheid gesteld kennis te nemen van een selectie van de betreffende berichten, en is ter terechtzitting in hoger beroep (achter gesloten deuren) een selectie van het per Whatsapp uitgewisselde beeldmateriaal getoond. Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat de verdediging voldoende in de gelegenheid is gesteld om kennis te nemen van de Whatsapp-berichten, en om verweer te voeren aan de hand van die berichten. Daarbij betrekt het hof mede het gegeven dat de raadsman ter terechtzitting in hoger beroep onvoldoende heeft onderbouwd waarom nadere kennisneming van de Whatsapp-berichten door de verdediging noodzakelijk is voor de te voeren verweren. Nu het hof ook ambtshalve de noodzaak tot dergelijke kennisname niet ziet, zal het hof het verzoek afwijzen.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.hij in de periode van 1 januari 2020 tot en met 22 juli 2022 te Purmerend in elk geval in Nederland, meermalen, althans eenmaal telkens een hoeveelheid afbeeldingen, te weten fotobestanden en/of videobestanden en/of gegevensdragers, te weten een telefoon (merk XIAOMI Mi Note Pro) en/of een harde schijf (beslagnummer H.10) bevattende afbeeldingen, te weten fotobestanden en/of videobestanden, van seksuele gedragingen, waarbij iemand die kennelijk de leeftijd van achttien jaar nog niet had bereikt, is betrokken of schijnbaar is betrokken in bezit heeft gehad welke seksuele gedragingen - zakelijk weergegeven - bestonden uit:

het met de vinger(s) betasten en/of aanraken van de anus en/of de vagina en/of de billen en/of de schaamstreek van en/of door een persoon die kennelijk de leeftijd van 18 jaar nog niet had bereikt te weten [benadeelde partij 1] ,

( [bestand 25] .mp4 en [bestand 26] .mp4, pag 158)

( [bestand 3] , pag 210)

en/of

het geheel of gedeeltelijk naakt (laten) poseren van/door een persoon die kennelijk de leeftijd van 18 jaar nog niet had bereikt, te weten [benadeelde partij 1] en/of [benadeelde partij 2] , waarbij deze persoon in een erotisch getinte houding (op een wijze) die niet bij zijn/haar leeftijd past/passen en/of (waarna) door het camerastandpunt, de (onnatuurlijke) pose en/of de uitsnede van de foto's/film(s) nadrukkelijk het (ontblote) geslachtsdeel en/of billen in beeld gebracht worden (waarbij) de afbeelding (aldus) (telkens) een onmiskenbaar seksuele strekking heeft en/of strekt tot seksuele prikkeling

( [bestand 27] .mp4, pag 158)

( [bestand 13] , pag 199)

( [bestand 14] pag 206)

( [bestand 15] , pag 208)

en hij van het plegen van dit misdrijf een gewoonte heeft gemaakt;

2.hij in de periode van 1 januari 2020 tot en met 22 juli 2022 te Purmerend in elk geval in Nederland, (telkens) ontucht heeft gepleegd met zijn minderjarig kind [benadeelde partij 1] (geboren op [geboortedag 2] 2019), door die [benadeelde partij 1] (telkens) bij de vagina en/of bij de anus en/of in de schaamstreek te betasten en/of strelen;

3.hij in de periode van 1 januari 2020 tot en met 22 juli 2022 te Purmerend in elk geval in Nederland, meermalen, telkens een hoeveelheid afbeeldingen, te weten fotobestanden en/of videobestanden en/of gegevensdragers, te weten een telefoon (merk XIAOMI Mi Note Pro) en/of een harde schijf (beslagnummer H.10) bevattende afbeeldingen, te weten fotobestanden en videobestanden, van seksuele gedragingen, waarbij iemand die kennelijk de leeftijd van achttien jaar nog niet had bereikt, is betrokken of schijnbaar is betrokken heeft vervaardigd welke seksuele gedragingen - zakelijk weergegeven - bestonden uit:

het met de vinger(s) betasten en/of aanraken van de anus en/of de vagina en/of de billen en/of de schaamstreek van een persoon die kennelijk de leeftijd van 18 jaar nog niet had bereikt, te weten [benadeelde partij 1]

( [bestand 28] .mp4 en [bestand 29] .mp4, pag 158)

( [bestand 3] , pag 210)

en/of

het geheel of gedeeltelijk naakt (laten) poseren van/door een persoon die kennelijk de leeftijd van 18 jaar nog niet had bereikt, te weten [benadeelde partij 1] en/of [benadeelde partij 2] , waarbij deze poseert in een erotisch getinte houding (op een wijze) die niet bij zijn/haar leeftijd past/passen en/of (waarna) door het camerastandpunt, de (onnatuurlijke) pose en/of de uitsnede van de foto's/film(s) nadrukkelijk het (ontblote) geslachtsdeel, de borsten en/of billen in beeld gebracht worden (waarbij) de afbeelding (aldus) (telkens) een onmiskenbaar seksuele strekking heeft en/of strekt tot seksuele prikkeling

( [bestand 30] .mp4, pag 158)

( [bestand 21] , pag 199)

( [bestand 14] pag 206)

( [bestand 22] , pag 208)

en hij van het plegen van dit misdrijf een gewoonte heeft gemaakt.

Hetgeen onder 1, 2 en 3 meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 1, 2 en 3 bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het onder 1 en 3 bewezenverklaarde levert op:

de eendaadse samenloop van een gegevensdrager bevattende een afbeelding van een seksuele gedraging, waarbij iemand die kennelijk de leeftijd van achttien jaar nog niet heeft bereikt, is betrokken of schijnbaar is betrokken, in bezit hebben, terwijl van het plegen van dit misdrijf een gewoonte wordt gemaakt

en

een afbeelding van een seksuele gedraging, waarbij iemand die kennelijk de leeftijd van achttien jaar nog niet heeft bereikt, is betrokken of schijnbaar is betrokken, vervaardigen, terwijl van het plegen van dit misdrijf een gewoonte wordt gemaakt.

Het onder 2 bewezenverklaarde levert op:

ontucht plegen met zijn minderjarig kind.

Strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is strafbaar, omdat geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid ten aanzien van het onder 1, 2 en 3 bewezenverklaarde uitsluit.

Oplegging van straf

De rechtbank Noord-Holland heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezenverklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden, waarvan 8 maanden voorwaardelijk. Aan dat voorwaardelijk strafdeel heeft zij een proeftijd van vijf jaren en – als bijzondere voorwaarden – een gebieds- en contactverbod voor de duur van één jaar verbonden. Deze voorwaarden heeft zij dadelijk uitvoerbaar verklaard.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het bewezenverklaarde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden, waarvan 8 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van vijf jaren. Voorts heeft zij oplegging van de vrijheidsbeperkende maatregel (inhoudende een contactverbod en een gebiedsverbod) voor de duur van vijf jaren gevorderd.

De raadsman heeft het hof verzocht om – indien het hof tot strafoplegging komt – een gevangenisstraf op te leggen waarvan het onvoorwaardelijk deel overeenkomt met de duur van het voorarrest van de verdachte. Hij heeft het hof verzocht daarbij te betrekken de relatieve ernst van de ontuchtige handelingen, de gemoedstoestand en psychische conditie van de verdachte en de grote persoonlijke gevolgen die de zaak al voor de verdachte heeft gehad. Voorts heeft de raadsman verzocht de zijns inziens ondermaatse kwaliteit van het digitaal forensisch onderzoek van de politie met betrekking tot het aan Telegram gerelateerde beeldmateriaal mee te wegen bij het bepalen van de eventuele strafmaat. Hij heeft daartoe aangevoerd dat gebreken in (de kwaliteit van) dit onderzoek tot grote gevolgen voor de verdachte hebben geleid, in die zin dat deze gebreken in de weg hebben gestaan aan de waarheidsvinding en hebben bijgedragen aan de veroordeling in eerste aanleg voor het bezit van het aan Telegram gerelateerde beeldmateriaal. Tot slot heeft de raadsman erop gewezen dat de redelijke termijn in hoger beroep is overschreden.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf en maatregel bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

Ernst van de feiten

De verdachte heeft ontuchtige handelingen verricht met zijn minderjarige dochter [benadeelde partij 1] , en heeft deze handelingen gefilmd. Ook heeft de verdachte een gewoonte gemaakt van het vervaardigen en bezitten van kinderpornografisch beeldmateriaal van zijn eigen kinderen [benadeelde partij 2] en [benadeelde partij 1] . Het gaat daarbij om tientallen afbeeldingen. Daarmee heeft hij bij herhaling een ernstige inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van zijn nog zeer jonge kinderen. De verdachte heeft met dit handelen de bevrediging van zijn lustgevoelens gesteld boven het welzijn van [benadeelde partij 2] en [benadeelde partij 1] . Daarnaast heeft de verdachte het vertrouwen dat zijn kinderen in hem – als hun vader en verzorger, opvoeder en beschermer – zouden moeten hebben ernstig beschaamd. Dit alles rekent het hof de verdachte zwaar aan. Ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep heeft de moeder namens haar beide kinderen een slachtofferverklaring voorgelezen, waarin zij de verstrekkende gevolgen van het handelen van de verdachte voor het gezin naar voren heeft gebracht. Hoewel de kinderen ook nu nog jong zijn, is, zo mag worden aangenomen, onvermijdelijk dat zij op enig moment op de hoogte zullen raken van (de volle omvang van) hetgeen hun vader heeft gedaan. Er bestaat dan ook een zeer reëel risico dat zij daar op latere leeftijd gevolgen van ondervinden ten aanzien van hun psychische welzijn en seksuele ontwikkeling. In het bijzonder geldt daarbij voor [benadeelde partij 2] dat aannemelijk is dat hij, gelet op zijn leeftijd ten tijde van het plegen van de feiten, bewuste herinneringen zal hebben en mogelijk zal houden aan wat er (in deze zaak) is gebeurd.

Gelet op de aard en ernst van de feiten neemt het hof dan ook een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van aanmerkelijke duur als uitgangspunt.

Persoonlijke omstandigheden

Het hof heeft kennisgenomen van verschillende reclasseringsadviezen, een Pro Justitia-rapportage opgemaakt door een GZ-psycholoog, een door de raadsman van de verdachte ingebrachte brief van De Waag en een door de raadsman van de verdachte ingebracht ongedateerd psychologisch onderzoek van de [kliniek] opgemaakt door een klinisch psycholoog. Uit deze stukken blijkt onder meer dat bij de verdachte sprake is van een autismespectrumstoornis en van een vermijdende persoonlijkheidsstoornis, en dat hij emotioneel kwetsbaar kan zijn. Deze problematiek maakt echter niet dat de strafbare feiten die de verdachte heeft gepleegd in verminderde mate aan hem moeten worden toegerekend. Het hof acht de verdachte dan ook volledig toerekeningsvatbaar. Van aanwijzingen voor een parafiele stoornis is niet gebleken. Voorts blijkt – zoals ook door de verdediging ter terechtzitting in hoger beroep is aangevoerd – uit deze stukken dat deze strafzaak grote gevolgen heeft gehad voor het leven van de verdachte. De verdachte heeft zijn kinderen sinds zijn aanhouding niet meer gezien, en zijn vrouw is inmiddels van hem gescheiden. Ook heeft de verdachte zijn woning verloren.

Uit het meest recente reclasseringsadvies (gedateerd 22 september 2025) volgt dat het risico op recidive en het risico op het onttrekken aan voorwaarden als laag worden ingeschat. De reclassering adviseert de verdachte een (deels) voorwaardelijke straf op te leggen, en aan het voorwaardelijk strafdeel als bijzondere voorwaarde een meldplicht te verbinden.

Het hof ziet geen redenen om voornoemde persoonlijke omstandigheden in het voordeel van de verdachte mee te wegen bij de strafoplegging. Daarbij neemt het hof in aanmerking dat de bewezenverklaarde feiten volledig aan de verdachte kunnen en worden toegerekend, en dat de sociaal-maatschappelijke gevolgen voor de verdachte direct voortvloeien uit de ernstige strafbare feiten die hij zelf heeft gepleegd. Wel acht het hof het gelet op het hiervoor overwogene wenselijk dat een deel van de straf voorwaardelijk wordt opgelegd, met daaraan een meldplicht gekoppeld. Het hof komt hiertoe vanuit het oogpunt van recidivebeperking en – daarmee samenhangend – de wenselijkheid van begeleiding van de verdachte. Dat de reclassering het risico op recidive laag inschat en dat de verdachte inmiddels al behandeling heeft gevolgd, leidt niet tot een ander oordeel op dit punt. Daarbij neemt het hof in aanmerking dat de reclassering desondanks een voorwaardelijk deel adviseert en ook uit de brief van De Waag volgt dat de verdachte gebaat is bij maatschappelijke begeleiding, dat de verdachte een gewoonte heeft gemaakt van het plegen van de feiten bewezenverklaard onder 1 en 3 en dat de verdachte gelet op de hierboven beschreven psychische en sociale problematiek kwetsbaar is.

Ook het betoog van de raadsman dat het door de politie uitgevoerde digitaal forensisch onderzoek ten aanzien van het aan Telegram gerelateerde beeldmateriaal zich kenmerkt door gebrek aan kwaliteit, geeft het hof geen aanleiding tot matiging van de op te leggen straf. Ter terechtzitting in hoger beroep is genoegzaam gebleken dat de resultaten van het betreffende onderzoek en de beantwoording van aan de verbalisanten gestelde vragen inhoudelijk in ieder geval niet steeds eenduidig zijn geweest. Hoewel het hof de zorgen van de verdediging met betrekking tot dit onderdeel van het onderzoek tot op zekere hoogte begrijpelijk acht, is het hof van oordeel dat deze omstandigheid – mede gelet op de ‘herstelfunctie’ van het hoger beroep en de partiële vrijspraak van het betreffende onderdeel van feit 1 – in deze strafzaak niet noopt tot strafmatiging.

Gevangenisstraf

Het hof is gelet op het voorgaande van oordeel dat alleen kan worden volstaan met oplegging van een forse, overwegend onvoorwaardelijke gevangenisstraf. De door de rechtbank opgelegde gevangenisstraf doet naar het oordeel van het hof onvoldoende recht aan de aard en ernst van het in hoger beroep bewezenverklaarde, ondanks dat de rechtbank meer bewezen heeft geacht dan het hof. Het hof wijst in dat kader mede op de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Straf (LOVS) en op straffen die zijn opgelegd in min of meer vergelijkbare ontucht- en kinderpornozaken.

Het hof acht, alles afwegende, een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden waarvan 8 maanden voorwaardelijk (zoals door de advocaat-generaal gevorderd) in beginsel passend en geboden. Het hof stelt echter vast dat het in artikel 6, eerste lid, EVRM opgenomen recht om binnen een redelijke termijn te worden berecht is geschonden. De verdachte heeft op 17 november 2023 hoger beroep ingesteld en op 12 mei 2025 wordt door het hof eindarrest gewezen. Dit betekent dat de redelijke termijn van 24 maanden is overschreden met bijna 6 maanden. Het hof is van oordeel dat dit matiging van de straf tot gevolg moet hebben, in die zin dat het hof in plaats van voornoemde gevangenisstraf van 30 maanden waarvan 8 maanden voorwaardelijk een gevangenisstraf van 30 maanden waarvan 10 maanden voorwaardelijk oplegt.

Zoals hiervoor overwogen, ziet het hof in het meest recente reclasseringsrapport aanleiding om – als bijzondere voorwaarde – een meldplicht aan het voorwaardelijk strafdeel te verbinden. Voorts is ter terechtzitting in hoger beroep genoegzaam gebleken dat de verdachte geen gezag meer heeft over zijn kinderen, dat zijn ex-vrouw (die het gezag heeft over de kinderen) niet openstaat voor contact tussen de verdachte en de kinderen, en dat de verdachte moeite heeft met deze situatie en veel verdriet ervaart doordat hij zijn kinderen niet meer ziet. Gelet hierop acht het hof ook een contactverbod en een gebiedsverbod als bijzondere voorwaarden wenselijk, dit om te voorkomen dat de verdachte ongewenst contact opneemt met (personen rond) zijn kinderen.

In beginsel acht het hof een proeftijd van drie jaren passend. In afwijking van de vordering van de advocaat-generaal overweegt het hof dat een langere proeftijd in deze zaak niet is toegelaten, nu uit het dossier en uit het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep onvoldoende is gebleken dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte opnieuw een misdrijf zal begaan dat is gericht tegen de onaantastbaarheid van het menselijk lichaam. Het hof ziet in de omstandigheid dat de in eerste aanleg gestelde bijzondere voorwaarden dadelijk uitvoerbaar zijn verklaard (en de verdachte zich dus reeds enige tijd heeft moeten houden aan een contact- en gebiedsverbod) aanleiding om een proeftijd van kortere duur op te leggen. Het hof zal daarom een proeftijd van twee jaren opleggen.

Ten overvloede merkt het hof op dat op 1 juli 2024 – met de inwerkingtreding van de Wet seksuele misdrijven – aan artikel 14b lid 2 Sr de volgende volzin is toegevoegd: “Onder gericht zijn tegen of gevaar veroorzaken voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen wordt voor de toepassing van dit artikel mede begrepen het misdrijf, bedoeld in artikel 252.” Voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Wet seksuele misdrijven bestond bij een veroordeling voor het misdrijf van artikel 240b Sr (oud) niet zonder meer de mogelijkheid een proeftijd van tien jaren op te leggen (zie onder meer HR 28 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:524). Met de toevoeging van deze volzin is beoogd de rechtsopvolger van artikel 240b Sr (oud) in brede zin onder het feitsbegrip van artikel 14b lid 2 Sr te brengen (zie Kamerstukken II 2022/23, 36222, nr. 3 (MvT), p. 62). In de toelichting bij artikel XX van de Wet seksuele misdrijven is opgenomen dat de bepalingen uit deze wet van toepassing zijn op strafbare feiten die ná de inwerkingtreding van deze wet zijn begaan (Kamerstukken II 2022/23, 36222, nr. 3 (MvT), p. 124). De hiervoor weergegeven, aan artikel 14b lid 2 Sr toegevoegde volzin leent zich daarom niet voor toepassing in gevallen waarin sprake is van veroordeling voor (‘enkel’) het misdrijf van artikel 240b Sr (oud).

Tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de veroordeelde in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.

Vrijheidsbeperkende maatregel

Anders dan de advocaat-generaal, acht het hof onvoldoende termen aanwezig voor oplegging van de vrijheidsbeperkende maatregel. Zoals hiervoor overwogen, zal het hof de door de advocaat-generaal gevorderde voorwaarden als bijzondere voorwaarden aan het voorwaardelijk strafdeel verbinden.

Beslag

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte afstand gedaan van de door de rechtbank aan het verkeer onttrokken voorwerpen.

De advocaat-generaal heeft het hof verzocht de voorwerpen waarvan de verdachte afstand heeft gedaan om praktische redenen aan het verkeer te onttrekken. Zij heeft daartoe aangevoerd dat de afwikkeling van het beslag wordt bespoedigd door opname van een grond voor afwikkeling in het arrest.

Het hof zal de teruggave aan de verdachte gelasten van de volgende voorwerpen:

Het hof zal geen beslissing nemen ten aanzien van de overige inbeslaggenomen en nog niet teruggeven voorwerpen, nu de verdachte daar afstand van heeft gedaan. Gelet op het verzoek van de advocaat-generaal, zal het hof dit in het dictum van zijn arrest opnemen.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 5.000,00. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering.

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering integraal moet worden toegewezen.

De verdediging heeft de vordering van de benadeelde partij niet betwist.

Het hof overweegt dat uit de uitspraak van de Hoge Raad van 15 maart 2019 (ECLI:NL:HR:2019:376

en herhaald in ECLI:NL:HR:2019:793 en ECLI:NL:HR:2020:1956) volgt dat van aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ in ieder geval sprake is indien de benadeelde partij geestelijk letsel heeft opgelopen. Degene die zich hierop beroept, zal voldoende concrete gegevens moeten aanvoeren waaruit kan volgen dat in verband met de omstandigheden van het geval psychische schade is ontstaan. Daartoe is vereist dat naar objectieve maatstaven het bestaan van geestelijk letsel kan worden vastgesteld. Ook als het bestaan van geestelijk letsel in voornoemde zin niet kan worden aangenomen, is niet uitgesloten dat de aard en de ernst van de normschending en van de gevolgen daarvan voor de benadeelde, meebrengen dat van de in artikel 6:106, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek (BW) bedoelde aantasting in zijn persoon ‘op andere wijze’ sprake is. In zo een geval zal degene die zich hierop beroept de aantasting in zijn persoon met concrete gegevens moeten onderbouwen. Dat is slechts anders indien de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen. Van een aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ als bedoeld in artikel 6:106, aanhef en onder b, BW is niet reeds sprake bij de enkele schending van een fundamenteel recht.

Naar het oordeel van het hof brengen de aard en de ernst van de normschending in deze zaak (het plegen van ontuchtige handelingen met zijn zeer jonge dochter, en het vervaardigen van kinderpornografische afbeeldingen van deze dochter, al dan niet samen met haar broer) mee dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor deze benadeelde partij zo voor de hand liggen dat sprake is van een aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ als bedoeld in artikel 6:106 aanhef en onder b BW. Het hof stelt op grond daarvan de omvang van de immateriële schade met toepassing van het bepaalde in artikel 6:106 BW naar billijkheid vast op € 5.000,00. Daarbij heeft het hof in het bijzonder gelet op:

De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering zal worden toegewezen.

Het hof zal de schadevergoedingsmaatregel opleggen op de hierna te noemen wijze om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 2]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 1.500,00. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering.

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering integraal moet worden toegewezen.

De verdediging heeft de vordering van de benadeelde partij niet betwist.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 1 en 3 bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade heeft geleden en dat de vordering niet is betwist. Naar het oordeel van het hof brengen de aard en de ernst van de normschending in deze zaak (het meermalen vervaardigen van kinderpornografische afbeeldingen van zijn jonge zoon, al dan niet samen met zijn zusje) mee dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor deze benadeelde partij zo voor de hand liggen dat sprake is van een aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ als bedoeld in artikel 6:106 aanhef en onder b BW. Het hof stelt op grond daarvan de omvang van de immateriële schade met toepassing van het bepaalde in artikel 6:106 BW naar billijkheid vast op € 1.500,00. Daarbij heeft het hof in het bijzonder gelet op:

De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering zal worden toegewezen.

Het hof zal de schadevergoedingsmaatregel opleggen op de hierna te noemen wijze om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 55, 57, 63, 240b (oud) en 249 (oud) van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1, 2 en 3 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 (dertig) maanden.

Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 10 (tien) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt dan wel de hierna te noemen bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd.

Stelt als bijzondere voorwaarde dat de verdachte zich gedurende de proeftijd meldt op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat noodzakelijk vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken plaatsvinden.

Stelt als bijzondere voorwaarde dat de verdachte gedurende de proeftijd op geen enkele wijze – direct of indirect – contact zal opnemen, zoeken of hebben met zijn kinderen: a. [benadeelde partij 2] , geboren te [geboorteplaats 2] op [geboortedag 3] 2016 en b. [benadeelde partij 1] , geboren te [geboorteplaats 3] op [geboortedag 2] 2019.

Stelt als bijzondere voorwaarde dat de verdachte zich gedurende de proeftijd niet zal ophouden op de openbare weg, grenzend aan het adres, alsmede op en aan het erf van de [adres 2] .

Van rechtswege gelden hierbij als voorwaarden dat de verdachte:

- meewerkt aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een geldig identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt.

- meewerkt aan het hierna te noemen reclasseringstoezicht als bedoeld in artikel 14c van het Wetboek van Strafrecht, waaronder het meewerken aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dat noodzakelijk vindt;

Geeft opdracht dat de reclassering toezicht houdt op de naleving van de voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan begeleidt.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Gelast de teruggave aan de verdachte van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

1. STK GSM (Omschrijving: G: 731192, Samsung)

1. STK GSM (Omschrijving: G: 731193, Cubot)

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij 1] ter zake van het onder 1, 2 en 3 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 5.000,00 (vijfduizend euro) ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij 1] , ter zake van het onder 1, 2 en 3 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 5.000,00 (vijfduizend euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 50 (vijftig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 11 april 2021.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 2]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij 2] ter zake van het onder 1 en 3 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 1.500,00 (duizend vijfhonderd euro) ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij 2] , ter zake van het onder 1 en 3 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 1.500,00 (duizend vijfhonderd euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 15 (vijftien) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 11 april 2021.

Neemt geen beslissing ten aanzien van de volgende inbeslaggenomen voorwerpen, nu de verdachte daarvan ter terechtzitting in hoger beroep afstand heeft gedaan:

1. STK GSM (Omschrijving: G: 731185, Chinees merk)

1. STK GSM (Omschrijving: G: 731190, iPhone)

1. STK GSM (Omschrijving: G: 73119, Elephone)

1. STK Dataschijf (Omschrijving: G: 731194, WD).

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. M.T.C. de Vries, mr. T. de Bont en mr. E.J. Hofstee, in tegenwoordigheid van mr. M.C. de Rade, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 12 mei 2026.

mr. M.T.C. de Vries is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. M.C. de Rade

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand