GERECHTSHOF AMSTERDAM
afdeling civiel recht en belastingrecht, team I
zaaknummer : 200.340.595/01
zaaknummer rechtbank Amsterdam : C/13/733992/ HA ZA 23-484
arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 9 juni 2026
in de zaak van
[appellant] ,
gevestigd te [plaats 1] ,
appellante,
advocaat: mr. A.L. Al te Haarlem,
tegen
[geïntimeerde] ,
gevestigd te [plaats 2] ,
geïntimeerde,
advocaat: mr. C.A. Segaar te Loosdrecht.
Partijen worden hierna [appellant] en [geïntimeerde] genoemd.
1. De zaak in het kort
Partijen hebben op 12 september 2016 een overeenkomst van opdracht gesloten op grond waarvan [appellant] jeugd- en toptalenten heeft gescout voor [geïntimeerde] . De scoutingsovereenkomst is na 1 september 2020 niet verlengd. In 2022 zijn twee door [appellant] bij [geïntimeerde] aangebrachte spelers getransfereerd naar Manchester United. Op grond daarvan heeft [appellant] op grond van artikel 5.3 van de scoutingsovereenkomst aanspraak gemaakt op een aanvullende vergoeding. [geïntimeerde] heeft dat geweigerd. Volgens [geïntimeerde] kan [appellant] geen rechten meer ontlenen aan de scoutingsovereenkomst, omdat [appellant] zich akkoord heeft verklaard met een brief van [geïntimeerde] van 11 juni 2020 die heeft te gelden als een beëindigingsovereenkomst met een finale kwijtingsbepaling. Volgens [appellant] heeft deze brief niet deze verstrekkende betekenis. Daarmee is slechts kwijting verleend voor de betalingen die [geïntimeerde] was verschuldigd tot aan het moment van ondertekening van deze brief. De rechtbank heeft de vorderingen van [appellant] afgewezen. Het hof komt tot een ander oordeel en wijst de vorderingen toe.
2. Het geding in hoger beroep
[appellant] is bij dagvaarding van 8 april 2024 in hoger beroep gekomen van een vonnis van 31 januari 2024 van de rechtbank Amsterdam, onder bovenvermeld zaaknummer gewezen tussen [appellant] als eiseres en [geïntimeerde] als gedaagde (hierna: het bestreden vonnis).
Bij tussenarrest van 2 juli 2024 is een mondelinge behandeling na aanbrengen gelast, die op 31 maart 2026 heeft plaatsgevonden. Ter gelegenheid van deze zitting heeft [appellant] producties in het geding gebracht. Van deze zitting is een proces-verbaal opgemaakt.
Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:
- memorie van grieven, met een productie;
- memorie van antwoord, met producties.
Op 31 maart 2026 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden. Namens [appellant] is de zaak toegelicht door haar hiervoor genoemde advocaat en door mr. S.C. Grippo, advocaat te Haarlem. Namens [geïntimeerde] is de zaak toegelicht door haar hiervoor genoemde advocaat. De advocaten hebben de zaak gebruik gemaakt van spreekaantekeningen die zij hebben overgelegd.
De zaak is na de mondelinge behandeling voor de duur van een week aangehouden voor overleg tussen partijen over een minnelijke regeling. Een minnelijke regeling is niet tot stand gekomen en er is arrest gevraagd.
3. Feiten
Het hof gaat uit van de volgende feiten.
[appellant] is de vennootschap van waaruit [naam 1] (hierna: [naam 1] ) werkzaamheden verricht als voetbalscout. Hij is voornamelijk als voetbalscout actief in Zuid-Amerika en Oost-Europa. [naam 1] werkt samen met [naam 2] (hierna: [naam 2] ).
[geïntimeerde] is een profvoetbalclub uit Amsterdam.
Partijen hebben op 12 september 2016 een overeenkomst van opdracht gesloten op grond waarvan [appellant] jeugd- en toptalenten zou scouten die geschikt zouden zijn voor het eerste elftal van [geïntimeerde] . De scoutingsovereenkomst had een looptijd tot 1 september 2019 en is verlengd tot 1 september 2020. [geïntimeerde] betaalde [appellant] op grond van de scoutingsovereenkomst € 95.000 exclusief btw per jaar voor de eerste periode en € 105.000 exclusief btw voor de tweede periode. In de overeenkomst is bepaald dat [appellant] recht heeft op betaling van € 50.000 bij een transfer van een gescoute speler naar [geïntimeerde] .
In de scoutingsovereenkomst is in artikel 5.3 bepaald dat [appellant] onder bepaalde voorwaarden recht heeft op een aanvullende vergoeding op het moment dat een door haar voor [geïntimeerde] gescoute voetballer wordt getransfereerd naar een andere voetbalclub:
“Indien een door [naam 1] en [naam 2] gescoute speler (als bovenbedoeld) naar [geïntimeerde] wordt getransfereerd en deze wordt binnen een periode van vier jaar na zijn indiensttreding door [geïntimeerde] wordt getransfereerd naar een andere club (“de Toekomstige Transfer”), dan zullen partijen per keer een afspraak maken over een door [geïntimeerde] te betalen aanvullende vergoeding mits [geïntimeerde] een netto bedrag aan de Toekomstige Transfer heeft overgehouden. Daarvan is alleen sprake als de Toekomstige Transfersom die [geïntimeerde] heeft ontvangen hoger is dan alle kosten en betalingen in verband met de speler die ten laste van [geïntimeerde] zijn gekomen (vast bruto jaarsalaris en wedstrijdpremies van de speler daaronder niet begrepen).
[Opm. een percentage van het netto door [geïntimeerde] overgehouden bedrag kan niet worden afgesproken, want dat zou een door de FIFA en KNVB reglementen verboden afspraak zijn. Wel kan per keer, nadat de Toekomstige Transfer heeft plaatsgevonden, een vast bedrag worden afgesproken dat niet gelijk staat aan een percentage van de transfersom. Een rekenvoorbeeld is bijgevoegd].”
De scoutingsovereenkomst is na 1 september 2020 niet verlengd. In 2022 zijn twee spelers die door [appellant] voor [geïntimeerde] waren gescout en met [geïntimeerde] een arbeidsovereenkomst hadden door [geïntimeerde] getransfereerd naar Manchester United. Het gaat om [naam 3] (hierna: [naam 3] ) en [naam 4] (hierna: [naam 4] ).
[appellant] heeft naar aanleiding van de transfers van [naam 3] en [naam 4] bij [geïntimeerde] aanspraak gemaakt op een vergoeding op grond van artikel 5.3 van de scoutingsovereenkomst. [geïntimeerde] heeft dat geweigerd. Zij beroept zich op een brief van 11 juni 2020 van [geïntimeerde] aan [appellant] die door [naam 1] en [naam 2] voor akkoord is ondertekend. Volgens [geïntimeerde] is met deze brief tot uitdrukking gebracht dat [geïntimeerde] geen enkele huidige of toekomstige betalingsverplichting meer jegens [appellant] heeft. Deze brief luidt als volgt:
“Beste [naam 5] , Beste [naam 2] ,
Hierbij de bevestiging dat de lopende Opdrachtovereenkomst per 1 september 2020 tot een einde komt en na die datum niet zal worden verlengd.
Tevens de bevestiging dat [geïntimeerde] alle betalingen onder de Opdrachtovereenkomst heeft voldaan en dat jullie [geïntimeerde] volledige en finale kwijting verlenen.
Graag ontvangen we ter bevestiging een ondertekend exemplaar van deze brief retour.”
Op 29 september 2020 heeft [naam 1] aan [naam 9] de volgende e-mail gestuurd:
“Op 11 juni 2020 hebben wij, [naam 2] en ik de bevestiging getekend dat [geïntimeerde] alle betalingen onder de opdrachtovereenkomst heeft voldaan en wij [geïntimeerde] volledige kwijting verlenen.
Uiteraard is dat correct met uitzondering van artikel 5.3 in de beëindigde overeenkomst, namelijk dat spelers die door ons zijn aangebracht er nog een uitloop termijn is van 4 jaar, dit gaat volgens ons op dit moment nog op voor: (…)”
In deze e-mail zijn vervolgens de namen vermeld van vier spelers die door [appellant] bij [geïntimeerde] zijn aangebracht - onder wie [naam 3] en [naam 4] - en waarvoor de termijn van vier jaar van artikel 5.3 van de scoutingsovereenkomst op dat moment nog niet was verstreken.
4. Procedure bij de rechtbank
[appellant] heeft bij de rechtbank gevorderd dat [geïntimeerde] - uitvoerbaar bij voorraad - op grond van artikel 5.3 van de scoutingsovereenkomst wordt veroordeeld tot betaling in hoofdsom van een bedrag van € 2.076.500 exclusief btw, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente vanaf 28 juli 2022 over een bedrag van € 950.000 en vanaf 31 augustus 2022 over een bedrag € 1.126.500.
De rechtbank heeft de vorderingen van [appellant] afgewezen en haar veroordeeld in de proceskosten van het geding. De rechtbank heeft daartoe, samengevat weergegeven, het volgende overwogen. De tekst van de verklaring in de brief van 11 juni 2020 is volgens de rechtbank volstrekt duidelijk en niet voor tweeërlei uitleg vatbaar. [appellant] verleent [geïntimeerde] volledige en finale kwijting voor de gehele opdrachtovereenkomst, waarmee de scoutingsovereenkomst wordt bedoeld. Dat daarmee slechts de betalingen tot dat moment werden bedoeld, zoals door [appellant] is bepleit, valt daaruit niet af te leiden. Tussen partijen is niet in geschil dat [geïntimeerde] tot dat moment aan de betalingsverplichtingen had voldaan. Ook is niet in geschil dat de scoutingsovereenkomst zou eindigen per 1 september 2020, omdat die voor bepaalde tijd was overeengekomen en niet werd verlengd. Gelet hierop ligt het zelfs voor de hand dat de kwijting juist is bedoeld om ook de verplichtingen onder artikel 5.3 van de scoutingsovereenkomst te beëindigen, omdat dat nog de enige verplichtingen waren. Dat [appellant] dit naderhand ook zo heeft begrepen, blijkt volgens de rechtbank uit een e-mail van [naam 1] van 29 september 2020 aan [geïntimeerde] heeft gestuurd. Als [appellant] zich ten tijde van de ondertekening niet heeft gerealiseerd dat de kwijting zich uitstrekte tot de gehele scoutingsovereenkomst inclusief artikel 5.3 daarvan, dient dat voor risico van [appellant] te blijven, aldus de rechtbank. Bij de beoordeling heeft rechtbank in aanmerking genomen dat een eventuele vordering op grond van artikel 5.3 van de scoutingsovereenkomst op het moment van ondertekenen van de kwijtingsverklaring hoogst onzeker was. Ook heeft de rechtbank niet ondenkbaar geacht dat de kwijting niet geheel ‘om niet’ is geweest, zoals [geïntimeerde] op de zitting heeft gesuggereerd, maar ter verkrijging van een vorm van (veronderstelde) goodwill.
5. Vordering in hoger beroep
[appellant] vordert vernietiging van het bestreden vonnis en alsnog toewijzing van het door haar in hoofdsom gevorderde bedrag, vermeerderd met wettelijke handelsrente, proceskosten, nakosten en wettelijke rente over de (na)kosten. Verder vordert zij dat [geïntimeerde] wordt veroordeeld tot terugbetaling van hetgeen zij ter uitvoering van het bestreden vonnis aan [geïntimeerde] heeft betaald, vermeerderd met wettelijke rente.
[geïntimeerde] heeft geconcludeerd tot bekrachtiging van het bestreden vonnis, met veroordeling - uitvoerbaar bij voorraad - van [appellant] in de proceskosten.
6. Beoordeling
Inleiding
De scoutingsovereenkomst is door partijen aangegaan voor een bepaalde tijd en is vanaf 1 september 2020 niet verlengd. Partijen zijn het erover eens dat het enkel aflopen van de overeengekomen termijn geen gevolgen heeft voor de rechten van [appellant] op grond van artikel 5.3 van de scoutingsovereenkomst. Het uitgangspunt is dus dat [appellant] ook na afloop van de scoutingsovereenkomst in beginsel recht heeft op een aanvullende vergoeding bij een transfer van een aangebrachte speler als aan alle voorwaarden van artikel 5.3 van de scoutingsovereenkomst is voldaan. Niet in geschil is dat de transfers van [naam 3] en [naam 4] naar Manchester United voldoen aan de voorwaarden van artikel 5.3 om aanspraak te kunnen maken op aanvullende vergoedingen. Wel is in geschil wat de hoogte is van de vergoedingen waarop [appellant] aanspraak kan maken.
Het standpunt dat [geïntimeerde] inneemt, is dat de rechten van [appellant] op grond van artikel 5.3 van de scoutingsovereenkomst zijn geëindigd of vervallen doordat [appellant] zich akkoord heeft verklaard met de brief van 11 juni 2020 van [geïntimeerde] . Met het ondertekenen van deze brief heeft [appellant] volgens [geïntimeerde] ook alle toekomstige vorderingen kwijtgescholden (spreekaantekeningen hoger beroep, onder 8), zodat [appellant] in verband met de transfers van de spelers in 2022 geen vorderingsrecht meer toekomt. [geïntimeerde] beschouwt deze brief als een beëindigingsovereenkomst waarbij door [appellant] afstand wordt gedaan van al haar huidige en toekomstige vorderingen op [geïntimeerde] die voortvloeien uit de scoutingsovereenkomst.
Totstandkoming van de brief van 11 juni 2020
[geïntimeerde] heeft over de totstandkoming van de brief van 11 juni 2020 het volgende aangevoerd. Begin juni 2020 heeft een bespreking plaatsgevonden tussen [naam 1] en [geïntimeerde] en met de brief van 11 juni 2020 zijn de daarin gemaakte afspraken over de beëindiging van de scoutingsovereenkomst vastgelegd. Deze afspraken zijn vervolgens door [appellant] bevestigd door middel van het ondertekenen en retourneren van de brief van 11 juni 2020. De brief was opgesteld door [naam 6] , bedrijfsjurist van [geïntimeerde] .
[appellant] heeft bevestigd dat begin juni 2020 met [geïntimeerde] over de beëindiging van de scoutingsovereenkomst is gesproken. [naam 1] heeft een gesprek gehad met [naam 7] , toentertijd werkzaam bij [geïntimeerde] als Technisch directeur, waarbij ook [naam 8] aanwezig was. [naam 7] deelde mee dat de scoutingsovereenkomst vanwege financiële redenen na afloop van de looptijd niet zou worden verlengd. Ter zitting in hoger beroep heeft [naam 1] nader toegelicht dat het gesprek met [naam 7] niet langer dan vijf minuten heeft geduurd. Daarna heeft hij met [naam 8] de lopende zaken besproken. De brief van 11 juni 2020 heeft [appellant] begrepen als de bevestiging van hetgeen [naam 1] met [naam 7] had besproken, namelijk dat de scoutingsovereenkomst niet zou worden verlengd.
Gebeurtenissen na de ondertekening van de brief
Op 29 september 2020 heeft [naam 1] aan [naam 9] de hiervoor in 3.7 aangehaalde e-mail gestuurd. Volgens [appellant] is deze e-mail gestuurd om zekerheidshalve [geïntimeerde] duidelijk te maken dat het wat [appellant] betreft nooit de bedoeling is geweest om eventuele potentiële vergoedingen op grond van artikel 5.3 prijs te geven. [naam 1] heeft ter zitting in hoger beroep toegelicht dat [naam 9] nooit per e-mail op deze e-mail van 29 september 2020 heeft gereageerd, maar dat hij daarover wel telefonisch contact heeft gehad met [naam 7] en [naam 9] . Van de kant van [geïntimeerde] is daarin het standpunt ingenomen dat [appellant] finale kwijting heeft verleend en er geen aanleiding is voor het betalen van verdere vergoedingen. Wat [geïntimeerde] betreft was het dossier gesloten en was er geen ruimte om verder met [appellant] in gesprek te gaan. [naam 7] heeft dat als volgt bij e-mail van 6 maart 2021 aan [naam 1] bevestigd:
“Hallo [naam 5] ,
We hebben er al meerdere keren over gehad en dossier is al een jaartje dicht, we gaan allemaal weer verder
Gr [naam 7]”
[naam 1] heeft op 12 juli 2022 een e-mail aan [naam 9] gestuurd, die volgt op eerdere emails van [naam 1] waarmee [appellant] aanspraak heeft gemaakt op een vergoeding in verband met de transfers van [naam 3] en [naam 4] . Deze e-mail van 12 juli 2022 luidt voor zover van belang als volgt:
“Beste [naam 10] ,
Jij zou mij nog berichten na ons laatste telefonisch contact over de overeenkomst van opdracht tussen [geïntimeerde] en [appellant] , je zou het eventueel per situatie bekijken.
Als de mogelijke deal van [naam 3] naar Man United doorgaat, dan wil ik wel graag een gesprek met de verantwoordelijke mensen voor de afwikkeling.
Ik ga ervan uit dat [geïntimeerde] , zowel bij (…) als bij de agenten (…) en (…) probeert te dealen om daar zo gunstig mogelijk uit te komen ik weet dat ze daar voor open staan, alles hangt uiteraard af van de liquide situatie van [geïntimeerde] en de termijnen waarin betaald wordt, maar als dat goed wordt opgepakt dan haalt [geïntimeerde] ons aandeel in principe terug, ook wij stellen ons coulant op.”
Juridisch kader
Samengevat weergegeven volgt uit het voorgaande dat [appellant] in beginsel op grond van artikel 5.3 van de scoutingsovereenkomst recht heeft op aanvullende vergoedingen in verband met de transfers in 2022 van [naam 3] en [naam 4] naar Manchester United. Dit zou anders kunnen zijn als met [geïntimeerde] wordt aangenomen dat met de akkoordverklaring door [appellant] van de brief van 11 juni 2020 het recht van [appellant] op een aanvullende vergoeding is prijsgegeven door het verlenen van volledige en finale kwijting. Het antwoord op de vraag of [appellant] haar aanspraken op grond van artikel 5.3 van de scoutingsovereenkomst aldus heeft prijsgegeven, hangt af van hetgeen [appellant] en [geïntimeerde] daaromtrent jegens elkaar hebben verklaard en in de gegeven omstandigheden over en weer uit elkaars verklaringen en gedragingen hebben afgeleid en mochten afleiden. Met betrekking tot de brief van 11 juni 2020 geldt dat de uitleg daarvan geschiedt volgens de zogenaamde ‘Haviltex-maatstaf’ die kort gezegd inhoudt dat bepaald moet worden wat partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan de inhoud van deze brief mochten toekennen en aan hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten.
Bij de beoordeling geldt als uitgangspunt dat het verlenen van kwijting niet hetzelfde is als een kwijtschelding. Het begrip ‘kwijting’ ziet op de verklaring van de schuldeiser dat een bepaalde schuld is voldaan. In de praktijk gaat het vaak om de verklaring dat een bepaalde betaling heeft plaatsgevonden. Het ondertekende document, waaruit die verklaring blijkt, wordt een kwitantie genoemd. Op grond van artikel 6:48 van het Burgerlijk Wetboek (BW) is een schuldeiser verplicht voor iedere voldoening van een schuld een kwitantie af te geven. Kwijting heeft een bewijsrechtelijke functie: met het ondertekende geschrift kan een voldoening van een verbintenis worden bewezen. Een kwitantie kan worden beschouwd als een onderhandse akte (artikel 156 e.v. Wetboek van burgerlijke rechtsvordering (Rv)). De inhoud van de verklaring geldt tegenover degene die de verklaring heeft afgelegd als bewijs van de voldoening, behoudens tegenbewijs.
Kwijtschelding is het geheel of gedeeltelijk afzien van een schuld of verplichting. Het wettelijke begrip daarvoor is ‘afstand’. Artikel 6:160 lid 1 BW bepaalt dat een verbintenis teniet gaat door een overeenkomst van de schuldeiser met de schuldenaar, waarbij hij van zijn vorderingsrecht afstand doet. Afstand is dus een meerzijdige rechtshandeling. Een aanbod van een schuldeiser om afstand te doen van zijn vordering zal door de schuldenaar moeten worden aanvaard. Bij een afstand om niet (dat is: zonder tegenprestatie) geldt een aanbod van een schuldeiser om afstand te doen van een vorderingsrecht als aanvaard, als de schuldenaar kennisneemt van het aanbod en dat niet onverwijld heeft afgewezen (artikel 6:160 lid 2 BW).
Dat kwijting verlenen voor een schuld niet hetzelfde is als het afstand doen van een vordering, volgt ook uit de rechtspraak. Volgens de rechtspraak van de Hoge Raad houdt kwijting in beginsel niet meer in dan de verklaring ten bewijze dat een betaling heeft plaatsgevonden, waartegen tegenbewijs openstaat (artikel 6:48-49 BW gelezen in verbinding met artikel 157 Rv). In een dergelijke verklaring ligt niet zonder meer tevens een kwijtschelding als bedoeld in artikel 6:160 lid 2 BW besloten. Voor afstand is vereist dat partijen zijn overeengekomen dat een verschuldigd bedrag niet geheel hoeft te worden voldaan, of dat zij, bij wijze van een vaststellingsovereenkomst, aan enige onzekerheid over de verschuldigdheid ervan een einde hebben willen maken (Hoge Raad 22 juni 2018, ECLI:NL:HR:2018:975, Citadel).
Geen afstand overeengekomen
[geïntimeerde] baseert haar standpunt met name op de brief van 11 juni 2020. Bij de uitleg daarvan is onder meer van belang dat [geïntimeerde] een beursgenoteerd bedrijf is waarbij ook juristen werken. [appellant] bestaat uit twee personen die scoutingswerkzaamheden verrichten. Het gesprek begin juni 2020 tussen [naam 1] en [naam 7] ging over de beëindiging van de samenwerking en duurde niet lang. De brief is opgesteld door de bedrijfsjurist van [geïntimeerde] . Over inhoud van de brief is niet gesproken of onderhandeld voorafgaand aan de verzending daarvan aan [appellant] .
Op grond van de bewoordingen van de brief van 11 juni 2020 is het hof van oordeel dat daarin niet méér gelezen kan worden dan dat [appellant] kwijting verleent als bedoeld in artikel 6:48 BW. Het gaat om de zin: “Tevens de bevestiging dat [geïntimeerde] alle betalingen onder de Opdrachtovereenkomst heeft voldaan en dat jullie [geïntimeerde] volledige en finale kwijting verlenen.” Daarmee wordt [appellant] gevraagd om te bevestigen dat [geïntimeerde] alle betalingen onder de scoutingsovereenkomst heeft voldaan en dat volledige en finale kwijting wordt verleend. Uit het voorgaande volgt (zie 6.7 tot en met 6.10) dat kwijting verlenen en een kwitantie afgeven in het licht van artikel 6:48 BW in beginsel alleen betrekking heeft op schulden die zijn voldaan. Op grond van de scoutingsovereenkomst was [geïntimeerde] gehouden om aan [appellant] jaarlijks betalingen te verrichten, zodat kwijting hiervoor voor de hand ligt bij beëindiging van de scoutingsovereenkomst. De vordering tot betaling in verband met de transfers van [naam 3] en [naam 4] ontstond pas in 2022 en daarover kon [appellant] in juni 2020 niet verklaren of bevestigen dat deze schuld door [geïntimeerde] was voldaan en daarvoor kwijting verlenen. Daaruit volgt dat niet kan worden aangenomen dat de gegeven kwijting op deze schuld van [geïntimeerde] betrekking heeft.
In de brief van 11 juni 2020 valt niet te lezen dat [appellant] verklaart of bevestigt afstand te doen, te willen doen, of te hebben gedaan van bepaalde vorderingen, daaronder begrepen eventuele toekomstige vorderingen op grond van artikel 5.3 van de scoutingsovereenkomst. De akkoordverklaring van [appellant] heeft niet de strekking van een kwijtschelding. De bewoordingen ‘volledige en finale kwijting’ wijzen daar ook niet op. In het geven van ‘volledige en finale kwijting’ voor alle voldane betalingen onder de scoutingsovereenkomst ligt geen afstand door [appellant] besloten van haar eventuele toekomstige vorderingsrechten onder de scoutingsovereenkomst.
De brief van 11 juni 2020 heeft blijkens de bewoordingen daarvan ook niet de strekking van een beëindigingsovereenkomst of vaststellingsovereenkomst. Partijen zijn en waren het erover eens dat de scoutingsovereenkomst eindigde door het verlopen van de overeengekomen termijn en dus niet opgezegd of beëindigd hoefde te worden. Met de brief wordt enkel bevestigd dat de scoutingsovereenkomst per 1 september 2020 eindigt en dan niet zal worden verlengd. In de brief worden evenmin bewoordingen gebruikt die wijzen op een onzekerheid of geschil met het oog waarop een vaststellingsovereenkomst is gesloten. Tussen partijen bestond ten tijde van het opstellen en ondertekenen van de brief van 11 juni 2020 ook geen geschil over de wederzijdse verplichtingen onder de scoutingsovereenkomst en de nakoming daarvan.
Hetgeen partijen over de totstandkoming van de brief van 11 juni 2020 hebben aangevoerd, biedt naar het oordeel van het hof geen aanknopingspunten voor een andere conclusie dan hiervoor op grond van de bewoordingen daarvan is gegeven. [geïntimeerde] stelt dat de brief van 11 juni 2020 de bevestiging vormt van de bespreking die in juni 2020 met [naam 1] heeft plaatsgevonden. [geïntimeerde] voert niet aan dat in de bespreking een mogelijke toekomstige aanspraak van [appellant] op grond van artikel 5.3 onderwerp van gesprek is geweest en ook niet dat tijdens deze bespreking is overeengekomen dat [appellant] afstand zou doen van toekomstige aanspraken, zoals op een aanvullende vergoeding bij een eventuele transfer van een door [appellant] aangebrachte speler naar een andere voetbalclub. [geïntimeerde] bestrijdt niet concreet hetgeen namens [appellant] is aangevoerd, namelijk dat [naam 1] kort met [naam 7] heeft gesproken en dat het gesprek zich heeft beperkt tot de mededeling dat de scoutingsovereenkomst na afloop van de overeengekomen termijn niet zou worden verlengd. Feitelijk stemmen daarmee de bewoordingen van de brief overeen met hetgeen partijen over de totstandkoming daarvan hebben verklaard. Dat is niet meer dan de wederzijdse constatering dat de scoutingsovereenkomst op 1 september 2020 zou eindigen en de mededeling van [geïntimeerde] dat deze niet zou worden verlengd.
Dat [geïntimeerde] , naar zij stelt, de brief van 11 juni 2020 heeft bedoeld als een beëindigingsovereenkomst, waarmee toekomstige vorderingen zouden worden kwijtgescholden, leidt niet tot een ander oordeel. Kwijtschelding van toekomstige schulden (afstand) moet door partijen worden overeengekomen. De afstand van de toekomstige vordering die is gegrond op artikel 5.3 kan in potentie een flinke vordering betreffen; daarover moet in ieder geval van de zijde van [appellant] wel wilsovereenstemming bestaan om die aanspraak prijs te geven. In artikel 5.3 is nu juist een ‘uitlooptijd’ van vier jaren opgenomen bij een transfer die voor [geïntimeerde] tot een positief netto resultaat zou leiden en waarvan [appellant] dan haar aandeel zou ontvangen. [geïntimeerde] stelt niet dat zij [appellant] heeft gevraagd om afstand te doen van deze bepaling. In de brief valt deze gestelde bedoeling van [geïntimeerde] niet te lezen. Dat ligt niet besloten in het verlenen van kwijting voor voldane schulden, want “de (toekomstige) schuld” uit artikel 5.3 was immers (nog) niet voldaan. Niet kan daarom worden aangenomen dat [appellant] zich met een kwijtschelding van deze aanspraak akkoord heeft verklaard.
[geïntimeerde] stelt evenmin andere toereikende verklaringen, gedragingen of omstandigheden op grond waarvan afstand door [appellant] van haar toekomstige vorderingsrechten kan worden aangenomen. Onvoldoende daarvoor is de stelling van [geïntimeerde] dat het ten tijde van de akkoordverklaring met de brief van 11 juni 2020 hoogst onzeker was of in de toekomst een transfer van een door [appellant] aangebrachte speler zou plaatsvinden. [appellant] heeft benadrukt dat een transfer van een aangebrachte speler tot een aanzienlijke aanvullende vergoeding zou kunnen leiden. In juni 2020 waren nog vier spelers bij [geïntimeerde] actief waarvoor de termijn van artikel 5.3 van de scoutingsovereenkomst nog niet was verstreken. [naam 1] en [naam 2] hadden hoge verwachtingen van [naam 3] en [naam 4] en er was voor hen geen aanleiding om zomaar het recht op een mogelijke lucratieve vergoeding prijs te geven. [geïntimeerde] heeft niet aannemelijk gemaakt dat de enkele onzekerheid of spelers getransfereerd zouden worden voor [appellant] een reden was of zou kunnen zijn om aan te bieden afstand te doen van haar toekomstige aanspraken jegens [geïntimeerde] , of om daarmee in te stemmen. Ter zitting in eerste aanleg heeft [geïntimeerde] gesuggereerd dat [appellant] afstand heeft gedaan van haar toekomstige vorderingsrechten om daarmee een vorm van goodwill te verkrijgen bij [geïntimeerde] . [geïntimeerde] heeft echter niet toegelicht wat [appellant] nodig zou hebben en bij wijze van goodwill van [geïntimeerde] zou kunnen of willen krijgen dat een reden zou kunnen zijn om afstand te doen van het recht op een aanvullende vergoeding. Daarbij is van belang dat de scoutingsovereenkomst niet is voortgezet (om financiële redenen zoals [geïntimeerde] heeft aangevoerd) en gesteld noch gebleken is dat er mogelijk nog wel een toekomstige (andere) samenwerking zou zijn.Evenmin is relevant dat ten tijde van het opstellen en ondertekenen van de brief van 11 juni 2020 partijen het erover eens waren dat alle betalingen door [geïntimeerde] waren voldaan. Dat is immers de gebruikelijke situatie op het moment dat een kwijting wordt verleend. Een kwitantie heeft immers een bewijsrechtelijke functie en is bedoeld om in de toekomst - als misschien wel een onduidelijkheid of geschil ontstaat - te gebruiken om aan te tonen dat een betaling heeft plaatsgevonden. Uit de omstandigheid dat partijen het erover eens waren dat alle betalingen waren voldaan, kan daarom niet - omgekeerd - zoals [geïntimeerde] betoogt worden afgeleid dat de kwijting dus ook op iets anders, namelijk op een kwijtschelding van toekomstige vorderingen betrekking moet hebben gehad.
Uit de verklaringen en gedragingen van [appellant] die dateren van na de akkoordverklaring van de brief van 11 juni 2020 ligt evenmin een afstand van toekomstige vorderingsrechten besloten, ook niet als deze in onderlinge samenhang worden bezien met de totstandkoming van deze brief. Integendeel, met de e-mail van 29 september 2020 is [geïntimeerde] meegedeeld dat de kwijting juist niet ziet op toekomstige aanspraken op grond van artikel 5.3 van de scoutingsovereenkomst en dat deze aanspraken dus niet zijn prijsgegeven. Anders dan door [geïntimeerde] is aangevoerd en door de rechtbank is aangenomen, kan op grond van deze e-mail niet worden geconcludeerd dat [appellant] had begrepen dat zij haar toekomstige rechten had prijsgegeven en evenmin dat deze e-mail was bedoeld om daarvan terug te komen. Het hof leest en begrijpt deze e-mail meer in het kader van het aankaarten van een mogelijke onduidelijkheid over de kwijting in verband met de beëindiging van de scoutingsovereenkomst, mede gezien het feit dat de bespreking begin juni 2020 niet lang had geduurd (volgens [naam 1] nog geen vijf minuten) en artikel 5.3 geen onderwerp van bespreking is geweest. Op grond van de e-mail van 29 september 2020 mocht [geïntimeerde] dan ook niet redelijkerwijs begrijpen dat [appellant] wist dat zij daarvan afstand had gedaan. De strekking van deze e-mail houdt het tegendeel daarvan in, namelijk dat [appellant] benadrukt dat de verleende kwijting niet geldt voor artikel 5.3, omdat voor vier aangebrachte spelers de termijn van vier jaar nog niet is verstreken waarbinnen nog een aanspraak op een aanvullende vergoeding kan ontstaan.
Evenmin kan uit de e-mail van 12 juli 2022 van [naam 1] aan [naam 9] (hiervoor aangehaald in 6.6) geconcludeerd worden dat [appellant] ervan uitging dat zij geen vorderingsrecht meer had op [geïntimeerde] . Het tegendeel is het geval. In samenhang gelezen met de eerdere e-mails van [appellant] blijkt dat [appellant] bij [geïntimeerde] aanspraak maakte op aanvullende vergoedingen toen duidelijk werd dat een transfer van [naam 3] en [naam 4] ophanden was. Uit de e-mail van 12 juli 2022 volgt dat [appellant] erop aanstuurt dat die betalingsverplichting ook door [geïntimeerde] wordt nagekomen. Anders dan [geïntimeerde] betoogt, vraagt [appellant] niet om coulance bij [geïntimeerde] . Het is andersom: [appellant] verklaart zich bereid om coulant te zijn jegens [geïntimeerde] . Ter zitting in hoger beroep heeft [naam 1] nader toegelicht dat voetbalclubs transfervergoedingen vaak in termijnen betalen. [appellant] was in die zin bereid om coulant naar [geïntimeerde] te zijn, dat [geïntimeerde] de aanvullende vergoeding ook in termijnen aan [appellant] zou kunnen betalen.
De slotsom op grond van het voorgaande is dat het hof tot een andere conclusie komt dan de rechtbank. Niet kan worden aangenomen dat [appellant] afstand heeft gedaan van haar vorderingsrechten op grond van artikel 5.3 van de scoutingsovereenkomst met het verlenen van kwijting voor alle betalingen die [geïntimeerde] had voldaan. De eerste drie grieven van [appellant] slagen, waarmee zij is opgekomen tegen de door de rechtbank gegeven uitleg van de kwijting.Ook de vierde grief is terecht voorgesteld. [geïntimeerde] heeft gesuggereerd dat [appellant] afstand heeft gedaan van de aanvullende vergoedingen om daarmee een vorm van goodwill te verkrijgen bij [geïntimeerde] . Het hof heeft deze suggestie van [geïntimeerde] onder 6.16 al verworpen.
Het bestreden vonnis kan niet in kan stand blijven. Uitgangspunt voor de verdere beoordeling is dat [appellant] recht heeft op aanvullende vergoedingen vanwege de transfers van [naam 3] en [naam 4] , omdat aan alle voorwaarden van artikel 5.3 van de scoutingsovereenkomst is voldaan. Het hof zal hierna onderzoeken en beoordelen wat de hoogte is van de aan [appellant] toekomende vergoedingen.
Hoogte vergoeding
[appellant] heeft de hoogte van de door haar gevorderde vergoedingen als volgt toegelicht. In de opmerking bij artikel 5.3 van de scoutingsovereenkomst (zie onder 3.4 van dit arrest) is vermeld dat geen percentage kan worden afgesproken, omdat dat in strijd zou zijn met de reglementen van de FIFA en KNVB. Wel kan per keer een vast bedrag worden afgesproken dat niet gelijk staat aan een percentage van de transfervergoeding. Voor de berekening van de vergoedingen wordt in artikel 5.3 verwezen naar een in de scoutingsovereenkomst opgenomen rekenvoorbeeld. Daarbij is een staffel vermeld aan de hand waarvan een [bedrijf] kan worden bepaald:
“Rekenvoorbeeld n.a.v. artikel 5.3
Speler X (een “door [naam 1] en [naam 2] gescoute speler” als bedoeld in 5.2)
Aankoop in 2016, betaalde transfersom 150.000
Verkoop in 2018, ontvangen transfersom 200.000
Bruto positief saldo 50.000
Af: kosten en betalingen ivm de speler tlv [geïntimeerde] 30.000
Netto overgehouden bedrag 20.000
[bedrijf] bedrag (geen percentage) voor [naam 1] en [naam 2] 500
Het bedrag van de [bedrijf] wordt bepaald aan de hand van de onderstaande staffel. De [bedrijf] is
EUR 0 (nul) als het Netto overgehouden bedrag minder dan honderdduizend Euro is
EUR 12.500 als het Netto overgehouden bedrag honderdduizend Euro is of meer maar minder dan 1 miljoen Euro
EUR 40.000 als het Netto overgehouden bedrag 1 miljoen Euro is of meer maar minder dan 2 miljoen Euro
(…)
EUR 462.500 als het Netto overgehouden bedrag 18 miljoen Euro is of meer maar minder dan 19 miljoen Euro
EUR 490.000 als het Netto overgehouden bedrag 19 miljoen Euro is of meer maar minder dan 20 miljoen Euro
[et cetera, d.w.z. hetzelfde principe en dezelfde gestaffelde berekening is van toepassing op een hogere Toekomstige transfer vergoeding]”
De achtergrond van deze staffel is volgens [appellant] dat op basis van de reglementen van de FIFA en KNVB derde partijen, onder wie scouts, geen direct aandeel mogen hebben in de toekomstige transfer van een speler. Partijen kunnen daarom geen vast percentage afspreken. Om dit te ondervangen, is in de scoutingsovereenkomst een rekenvoorbeeld opgenomen met een staffel. De staffel komt overeen met een percentage van ongeveer 2,5% van het netto overgehouden transferbedrag. Zodoende is in het in de scoutingsovereenkomst opgenomen rekenvoorbeeld ook uitgegaan van een percentage van 2,5%. Het bepalen van een vergoeding aan de hand van een staffel is volgens [appellant] gebruikelijk in de voetbalbranche. In overeenkomsten van opdracht tussen voetbalclubs en intermediairs c.q. voetbal-agenten worden geen vaste percentages vermeld, maar wordt een staffel opgenomen die een tussen partijen overeengekomen percentage weerspiegelt. In het onderhavige geval is op overeenkomstige wijze een staffel in de scoutingsovereenkomst opgenomen die uitkomt op een vergoeding ter grootte van een percentage van ongeveer 2,5%. [appellant] heeft de door haar gevorderde vergoeding aldus bepaald op 2,5% van de netto opbrengst die [geïntimeerde] op grond van de transfers heeft verkregen. Dit is volgens [appellant] een lager percentage dan het gemiddelde percentage dat intermediairs c.q. voetbal-agenten op grond van staffels verkrijgen.
Volgens [geïntimeerde] hebben partijen met artikel 5.3 van de scoutingsovereenkomst geen percentage afgesproken. Het rekenvoorbeeld is alleen voor zaakwaarnemers bedoeld en de staffel is volgens [geïntimeerde] geen onderdeel van artikel 5.3 van de scoutingsovereenkomst geworden. Het rekenvoorbeeld is volgens haar slechts een hulpmiddel om tot een redelijke vergoeding te komen. Afgesproken is slechts dat per keer een vergoeding zal worden vastgesteld die niet gelijk staat aan een percentage van de transferopbrengst. Partijen zijn niet tot een afspraak gekomen. [geïntimeerde] meent dat zij eerst in de gelegenheid gesteld moet worden om met [appellant] tot nadere afspraken te komen. Als het partijen niet lukt om tot een redelijke vergoeding te komen, is er voor [appellant] pas aanleiding om in rechte een vergoeding te laten vaststellen, dan wel moet de rechter de vergoeding op grond van artikel 6:97 BW begroten.
Het hof overweegt het volgende. [geïntimeerde] heeft niet bestreden dat vanwege de reglementen van de FIFA en KNVB in overeenkomsten tussen voetbalclubs en intermediairs, zaakwaarnemers en/of voetbal-agenten staffels worden opgenomen aan de hand waarvan vergoedingen worden vastgesteld. Evenmin heeft [geïntimeerde] gemotiveerd bestreden dat de berekeningswijze zoals die volgt uit het rekenvoorbeeld in de scoutingsovereenkomst met de daarbij vermelde staffel, vergelijkbaar is met vergoedingsregelingen die voetbalclubs afspreken met andere genoemde partijen in de voetbalbranche. [geïntimeerde] voert slechts aan dat het niet gebruikelijk is dat een dergelijke staffel wordt gebruikt voor scouts, waar de vergoedingenstructuur veel lager ligt.
Of een staffel al of niet gebruikelijk is in een overeenkomst met een scout kan er niet aan afdoen dat in de onderhavige scoutingsovereenkomst met zoveel woorden een rekenvoorbeeld en een staffel zijn opgenomen die specifiek op de situatie van [appellant] zijn toegespitst en waarnaar in artikel 5.3 wordt verwezen. Het hof concludeert dat partijen aldus deze wijze van berekening zijn overeenkomen (wat onverlet laat dat partijen per keer of per transfer een afspraak kunnen maken over een aanvullende vergoeding als deze situatie zich feitelijk voordoet). De door [geïntimeerde] verdedigde uitleg van artikel 5.3 van de scoutingsovereenkomst en het rechtsgevolg daarvan liggen niet voor de hand. Het is niet logisch dat in de scoutingsovereenkomst een rekenvoorbeeld en een staffel zijn opgenomen als deze geen betekenis zouden hebben bij het vaststellen van een vergoeding. Dat deze louter zouden zijn bedoeld “ter illustratie van een mogelijke vergoeding voor [appellant] ” zoals [geïntimeerde] in hoger beroep betoogt, vindt geen steun in de bewoordingen van de scoutingsovereenkomst. Met het rekenvoorbeeld is concreet uitgewerkt hoe partijen in voorkomende gevallen een vergoeding dienen vast te stellen, zodra een netto-opbrengst van een transfer bekend is. [geïntimeerde] legt ook niet uit aan de hand van welke parameters, bij gebreke van een staffel, de hoogte van de vergoeding dan wel vastgesteld zou moeten worden. [geïntimeerde] ziet eraan voorbij dat de begroting van schade als bedoeld in artikel 6:97 BW betrekking heeft op vorderingen tot schadevergoeding, waarvan hier geen sprake is. De rechter kan niet bij wijze van begroting of schatting een nakomingsvordering vaststellen. Partijen hebben na afloop van de mondelinge behandeling nog een week de tijd genomen om tot een vergelijk te komen, maar dat is niet gelukt. Zij hebben ook niet om een langere termijn gevraagd. Het hof ziet dan ook geen aanleiding om partijen hier nogmaals, bij tussenarrest, de gelegenheid te geven. Het voorgaande leidt ertoe dat het hof als onvoldoende weersproken zal uitgaan van de door [appellant] verdedigde uitleg van de artikel 5.3 van de scoutingsovereenkomst. Die uitleg houdt in dat zodra het netto resultaat van een transfer bekend is, aan de hand van de staffel in de scoutingsovereenkomst een vergoeding wordt vastgesteld. Op die wijze wordt per keer een vergoeding vastgesteld die niet gelijk is aan een percentage van de transfersom.
De staffel in de scoutingsovereenkomst loopt op tot een netto overgehouden bedrag van € 20 miljoen. De gestelde netto-opbrengst op grond van beide transfers is hoger dan dit bedrag. [geïntimeerde] heeft niet concreet de stelling van [appellant] bestreden dat de staffel gemiddeld genomen uitkomt op een percentage van 2,5% en dat dit percentage ook in het rekenvoorbeeld is gebruikt. Het hof zal dan ook van dit percentage uitgaan. Dat het partijen niet is toegestaan van een percentage uit te gaan (zie onder 6.23), laat deze beoordeling van het hof onverlet.
Berekening vergoeding
Inleiding
[geïntimeerde] heeft in eerste aanleg onder verwijzing naar persberichten erkend dat zij met Manchester United een transfersom is overeengekomen van € 57.370.000 voor [naam 3] en een transfersom van € 95.000.000 voor [naam 4] . Deze bedragen konden vanwege variabelen nog oplopen tot € 67.370.000, respectievelijk € 100.000.000.
[appellant] heeft aan de hand van artikel 5.3 van de scoutingsovereenkomst op basis van de haar beschikbare informatie berekend dat de transfers voor [geïntimeerde] hebben geleid tot een ‘netto overgehouden bedrag’ van € 38.000.000 voor [naam 3] en € 45.060.000 voor [naam 4] . Dit leidt uitgaande van een percentage van 2,5% tot een vergoeding voor [appellant] van € 950.000 in verband met de transfer van [naam 3] en € 1.126.500 in verband met die van [naam 4] . [appellant] heeft in de inleidende dagvaarding gespecificeerd welke kosten zij bij haar berekening op de transfersommen in mindering heeft gebracht.
In eerste aanleg heeft [appellant] in verband met de vaststelling van de vergoedingen een vordering ingesteld op grond van artikel 843a Rv (oud). Zij vordert overlegging van de transferovereenkomsten die tussen [geïntimeerde] en Manchester United zijn opgemaakt om de exacte hoogte van de vergoedingen die [geïntimeerde] heeft ontvangen en de betaaldata te kunnen vaststellen. Ter zitting in hoger beroep is namens [appellant] toegelicht dat deze vordering een subsidiair karakter heeft. Als het hof de door [appellant] concreet ingestelde vordering toewijsbaar acht, hoeft deze inzagevordering niet meer aan de orde te komen. Als het hof van oordeel is dat partijen zich nog nader dienen uit te laten over gegevens die van belang zijn voor het vaststellen van de hoogte van de vergoedingen, is deze vordering wel aan de orde. Dit om te bereiken dat uiteindelijk op basis van alle relevante gegevens uitspraak wordt gedaan.
Vergoeding in verband met de transfer van [naam 3]
[geïntimeerde] heeft bij conclusie van antwoord met betrekking tot de transfer van [naam 3] een opgave gedaan van de transfersom (€ 57.370.000) dat na aftrek van de totaal gemaakte kosten (€ 23.986.276) resulteert in een netto overgehouden bedrag van € 33.383.724. [geïntimeerde] heeft toegelicht dat zij heeft volstaan met een opstelling van de totaalbedragen die niet per post zijn gespecificeerd. Zij heeft aangeboden een toelichting te geven en nader bewijs te leveren nadat in rechte is vastgesteld dat [appellant] recht heeft op een vergoeding én deze moet worden bepaald aan de hand van de staffel, gezien het volgens [geïntimeerde] vertrouwelijke karakter van de betreffende kostenposten jegens de betreffende speler.
Het hof overweegt het volgende. [appellant] heeft uitgaande van het bepaalde in artikel 5.3 van de scoutingsovereenkomst een berekening gemaakt om de netto-opbrengt voor [geïntimeerde] in verband met de transfer van [naam 3] te kunnen vaststellen. Het netto overgehouden bedrag wordt bepaald door het transferbedrag dat [geïntimeerde] heeft ontvangen te verminderen met alle kosten en betalingen in verband met de speler die ten laste van [geïntimeerde] zijn gekomen. [appellant] heeft die berekening gemaakt aan de hand van gegevens die zij zelf (zo goed als mogelijk) heeft kunnen achterhalen. [geïntimeerde] is degene in wier domein die gegevens zich daadwerkelijk bevinden, maar zij heeft deze niet aan [appellant] verstrekt en evenmin daarover in rechte uitsluitsel gegeven. Zij heeft alleen een totaalbedrag genoemd. Dat is naar het oordeel van het hof geen toereikende betwisting van de berekening van [appellant] . De door [geïntimeerde] opgegeven reden om zich te beperken tot het opgeven van een totaalbedrag volstaat niet. Dat en waarom door [geïntimeerde] gemaakte kosten een vertrouwelijk karakter zouden hebben is niet toereikend toegelicht. Daarbij komt dat [geïntimeerde] niet ingaat op de concrete kosten die [appellant] op het transferbedrag in mindering heeft gebracht. Zij legt niet uit dat en waarom de aftrek van de kosten niet juist zou zijn. Bij gebreke van een voldoende concreet verweer van de zijde van [geïntimeerde] gaat het hof uit van de juistheid van de door [appellant] gemaakte berekening. [geïntimeerde] heeft de gelegenheid gehad om daarop te reageren, maar heeft dat niet gedaan. Er is geen reden om haar alsnog daarvoor de gelegenheid te geven. Dit leidt tot de conclusie dat als ‘netto overgehouden bedrag’ in verband met de transfer van [naam 3] wordt uitgegaan van een bedrag van € 38.000.000.
Subsidiair heeft [geïntimeerde] in eerste aanleg aangevoerd dat [appellant] met betrekking tot een vergoeding voor [naam 3] slechts aanspraak heeft op 50% daarvan. [geïntimeerde] heeft bij het aanbrengen van [naam 3] 50% van de bonus van € 50.000 aan [appellant] betaald. De reden hiervoor was volgens [geïntimeerde] dat [appellant] niet volledig verantwoordelijk was voor het scouten van deze speler. [geïntimeerde] stelt dat partijen zijn overeengekomen dat de vergoeding inzake [naam 3] 50% zal bedragen van hetgeen [geïntimeerde] uit hoofde van de scoutingsovereenkomst verschuldigd zal zijn bij een transfer van [naam 3] naar [geïntimeerde] en dat daarmee deze afspraak ook geldt voor de toekomstige transfer van [naam 3] .
De gestelde afspraak is door [appellant] betwist. Volgens [appellant] was zij geheel verantwoordelijk voor het scouten van [naam 3] . De transfervergoeding die [geïntimeerde] heeft moeten betalen voor [naam 3] bleek uiteindelijk hoger te zijn dan aanvankelijk werd gedacht. Op verzoek van [naam 7] heeft [appellant] bij wijze van geste de vergoeding waarop zij recht hadden met 50% verminderd. [appellant] verwijst naar de door haar overgelegde factuur van 18 september 2019 waarop is vermeld:
“Overeen is gekomen in onderling overleg 50% van de respectievelijke bonus tw:
Bedrag: € 25.000,-
BTW 21% € 5.250,-
Totaal € 30.250,-”
Het hof overweegt het volgende. Op [geïntimeerde] rusten de stelplicht en bewijslast van haar stelling dat in afwijking van het bepaalde in artikel 5.3 door partijen is overeengekomen dat de vergoeding voor [appellant] bij een eventuele transfer van [naam 3] van [geïntimeerde] naar een andere voetbalclub is gereduceerd met 50%. Die stelling heeft [geïntimeerde] naar het oordeel van het hof niet onderbouwd met haar verwijzing naar de factuur van 18 september 2019, die blijkens de bewoordingen daarvan alleen betrekking heeft op de vergoeding van € 50.000. Dat en waarom die afspraak ook voor een vergoeding op grond van artikel 5.3 van de scoutingsovereenkomst is gemaakt, heeft [geïntimeerde] onvoldoende concreet toegelicht. Daarbij geldt dat [geïntimeerde] niet concreet is ingegaan op het verweer van [appellant] met betrekking tot de reden van de vermindering tot 50%, namelijk dat de transfervergoeding hoger bleek dan verwacht en dat daarom korting is verleend. Het had wel op de weg van [geïntimeerde] gelegen om daarop in te gaan. Ook heeft [geïntimeerde] naar aanleiding van het verweer dat alleen [naam 1] en [naam 2] [naam 3] zouden hebben gescout niet benoemd wie volgens [geïntimeerde] nog meer bij de scouting was betrokken, welke werkzaamheden in dat kader zijn verricht of waaruit die betrokkenheid zou hebben bestaan, wat ertoe zou hebben geleid dat een afwijkende afspraak zou zijn gemaakt. Bij gebreke van een voldoende onderbouwing van de gestelde afspraak is voor bewijslevering geen plaats.
Het voorgaande brengt het hof tot de conclusie dat [appellant] in verband met de transfer van [naam 3] recht heeft op een vergoeding van € 950.000 (2,5% van € 38.000.000), exclusief btw.
Vergoeding in verband met de transfer van [naam 4]
Ten aanzien van de hoogte van de vordering van [appellant] in verband met de transfer van [naam 4] heeft [geïntimeerde] geen inhoudelijk verweer gevoerd. Zij heeft de hoogte van het ‘netto overgehouden bedrag’ zoals dat door [appellant] is berekend op € 45.060.000 niet bestreden en heeft ook geen eigen berekening overgelegd. Het hof zal de vergoeding voor [appellant] daarom als onvoldoende gemotiveerd betwist vaststellen op € 1.126.500 (2,5% van € 45.060.000), exclusief btw.
Wettelijke handelsrente
[appellant] vordert wettelijke handelsrente vanaf de respectievelijke data waarop de transferovereenkomsten tussen [geïntimeerde] en Manchester United naar alle waarschijnlijkheid zijn ondertekend, dan wel een door het hof te bepalen datum op grond van artikel 6:119a BW. Het gaat in dit geval om de voldoening van een geldsom op grond van een handelsovereenkomst, waarop artikel 6:119a BW van toepassing is. Dat is tussen partijen ook niet in geschil.
[geïntimeerde] heeft al voorafgaand aan de daadwerkelijke transfers van beide spelers geweigerd in verband daarmee een vergoeding te betalen aan [appellant] . Zij heeft [appellant] niet de gegevens verstrekt op grond waarvan [appellant] de vergoeding kon bepalen en factureren. Daarin ziet het hof aanleiding de ingangsdatum van de wettelijke handelsrente te stellen op 30 dagen na de data waarop [geïntimeerde] met een persbericht de transfers heeft bekendgemaakt (27 juli 2022, respectievelijk 1 september 2022), dus op 26 augustus 2022, respectievelijk 1 oktober 2022.
Ter zitting in hoger beroep heeft [geïntimeerde] een beroep gedaan op matiging (artikel 6:109 BW) van de wettelijke handelsrente, omdat het rentebedrag inmiddels tot een hoog bedrag is opgelopen. Het hof passeert dit verweer, omdat het te laat in de procedure is aangevoerd. Dit verweer had [geïntimeerde] op zijn laatst in de memorie van antwoord dienen aan te voeren. Ten overvloede overweegt het hof dat het beroep op matiging door [geïntimeerde] onvoldoende is onderbouwd en daarom ook niet voor toewijzing in aanmerking komt. [geïntimeerde] stelt geen (bijkomende) omstandigheden op grond waarvan kan worden aangenomen dat toekenning van de wettelijke handelsrente gezien de aard van de aansprakelijkheid, de tussen partijen bestaande rechtsverhouding en hun beider draagkracht tot kennelijke onaanvaardbare gevolgen zou leiden.
Slotsom, bewijsaanbod en kosten
De slotsom is dat de grieven slagen. Het bestreden vonnis zal worden vernietigd. De vordering van [appellant] in hoger beroep zal worden toegewezen. Bij die stand van zaken hoeft niet te worden beslist op de inzagevordering (zie 6.30).
Voor bewijslevering is geen plaats, omdat geen bewijs is aangeboden van voldoende concrete stellingen die, indien bewezen, tot een andere uitkomst dienen te leiden.
[geïntimeerde] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten van het geding in beide instanties. Het hof stelt de proceskosten als volgt vast:
proceskosten rechtbankprocedure
- explootkosten € 109,44
- griffierecht € 8.519,00
- salaris advocaat € 8.494,00 (tarief VIII, 2 punten)
Totaal € 17.122,44
proceskosten hoger beroep
- explootkosten € 115,22
- griffierecht € 13.124,00
- salaris advocaat € 13.218,00 (tarief VIII, 2 punten)
Totaal € 26.457,22
7. Beslissing
Het hof:
vernietigt het bestreden vonnis, en doet opnieuw recht:
veroordeelt [geïntimeerde] om € 2.076.500,00 exclusief btw aan [appellant] te betalen, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente vanaf 26 augustus 2022 over een bedrag van € 950.000,00 en vanaf 1 oktober 2022 over een bedrag van € 1.126.500,00;
veroordeelt [geïntimeerde] in de proceskosten in beide instanties, voor de eerste aanleg vastgesteld op € 17.122,44 en in hoger beroep tot nu op € 26.457,22, te vermeerderen met de wettelijke rente, als niet binnen veertien dagen na dit arrest aan de proceskostenveroordeling is voldaan;
veroordeelt [geïntimeerde] tot betaling van € 189,00 voor nasalaris, te vermeerderen met € 98,00 voor nasalaris en de kosten van het betekeningsexploot als betekening van dit arrest plaatsvindt, te vermeerderen met de wettelijke rente, als niet binnen veertien dagen na het verschuldigd worden van de nakosten aan deze veroordeling is voldaan;
veroordeelt [geïntimeerde] tot terugbetaling van hetgeen [appellant] ter uitvoering van het bestreden vonnis aan [geïntimeerde] heeft voldaan, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag van betaling tot aan de dag van algehele terugbetaling;
verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;
wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit arrest is gewezen door mrs. J.W. Hoekzema, R.A. Dozy en A. van Hees en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 9 juni 2026.