Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 16 december 2025 en 6 januari 2026 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte en de raadsman naar voren hebben gebracht.
Tenlastelegging
Gelet op de in eerste aanleg door de rechtbank toegelaten wijziging is aan de verdachte tenlastegelegd dat:
primairdat hij op of omstreeks 22 april 2024 te Amstelveen, openlijk, te weten, op/aan de Camera Obscuralaan, in elk geval op of aan de openbare weg en/of op een voor het publiek toegankelijke plaats, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een persoon, te weten [slachtoffer] en/of een goed, te weten de jas van die [slachtoffer] , door meermalen, althans eenmaal, slaande bewegingen te maken in de richting van die [slachtoffer] en/of door meermalen, althans eenmaal met een mes, althans een scherp voorwerp, stekende/snijdende bewegingen in de richting van die [slachtoffer] te maken (ten gevolge waarvan scheuren/gaten in diens jas zijn ontstaan);
subsidiairhij op of omstreeks 22 april 2024 te Amstelveen [slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door met een (stanley)mes, althans een scherp voorwerp, een of meer snijdende/stekende bewegingen te maken in de richting van die [slachtoffer] .
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen.
De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.
Vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot (enigszins) andere beslissingen ten aanzien van de bewezenverklaring, de straf en de vordering van de benadeelde partij komt dan de politierechter.
Bewijsoverweging
De advocaat-generaal heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het primair tenlastegelegde feit, ook ten aanzien van de stekende bewegingen met een mes, op grond van de aangifte, de verklaring van de partner van de aangever en het aanvullend proces-verbaal met de beschrijving van de camerabeelden.
De raadsman heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de verdachte moet worden vrijgesproken. Ter onderbouwing van het standpunt is aangevoerd dat geen sprake is van het medeplegen van geweld, dat de verdachte geen wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan de openlijke geweldpleging en dat er geen bewijs is voor de aanval met een mes.
Het hof stelt op basis van het dossier, in het bijzonder de beschrijving van de camerabeelden, het volgende vast.
De verdachte, zijn zoon en de aangever treffen elkaar op straat. Er wordt over en weer naar elkaar geroepen en gescholden, waarna de partner van de aangever en haar ouders erbij komen om te voorkomen dat het uit de hand loopt. Op de camerabeelden is onder meer te horen dat de aangever meerdere malen ‘kankersukkeltje’ roept. De zoon van de verdachte reageert hierop en rent op de aangever af. Vervolgens geeft hij de aangever een duw en probeert hij hem te slaan. In reactie daarop stormt de verdachte op de aangever af, waarbij te zien is dat hij een mes in zijn linkerhand heeft. De verdachte maakt meerdere malen slaande bewegingen met het mes richting de rechterarm van de aangever, waarbij de aangever op zijn rechtermouw wordt geraakt.
Het hof overweegt als volgt.
Het hof stelt dat van het in vereniging plegen van openlijk geweld gesproken kan worden, indien de verdachte een voldoende significante of wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan het geweld en sprake is van een nauwe en bewuste samenwerking.
Significante bijdrage
Het hof acht, anders dan de politierechter, wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte met een mes stekende bewegingen richting de aangever heeft gemaakt. Het hof neemt dit aan op grond van de aangifte, de verklaring van de partner van de aangever en de beschrijving van de camerabeelden, welke beschrijving in overeenstemming is met de eigen waarneming van het hof op die beelden. Met dergelijk handelen heeft de verdachte een meer dan voldoende significante en wezenlijke bijdrage geleverd aan het tegen de aangever gepleegde geweld.
Nauwe en bewuste samenwerking
Het hof is daarnaast van oordeel dat sprake is van medeplegen. De confrontatie begint wanneer de verdachte en zijn zoon bij de auto van de aangever staan. De aanwezigen verplaatsen zich, waarbij de verdachte en zijn zoon achter de aangever aan lopen. Het eerste fysieke geweld richting de aangever wordt gepleegd door de zoon van de verdachte, waarna de verdachte direct op de aangever af rent en slaande bewegingen richting hem maakt terwijl hij een mes in zijn hand heeft. Op basis van deze feiten en omstandigheden overweegt het hof dat sprake is van in gezamenlijkheid uitgeoefend geweld van de verdachte en zijn zoon richting de aangever en daarmee van een nauwe en bewuste samenwerking.
Zoals hiervoor overwogen acht het hof de bijdrage van de verdachte, die in elk geval bestond uit het maken van slaande bewegingen richting de aangever, met daarbij een mes in de hand, van meer dan voldoende significante betekenis in het geheel van het tegen de aangever gepleegde geweld. Dat vond bovendien plaats op een parkeerterrein naast de openbare weg, waardoor sprake is van openlijk geweld.
Uit het dossier blijkt duidelijk dat de verdachte het opzet had om geweld te plegen tegen de aangever. Dat was naar de uiterlijke verschijningsvorm gericht tegen de persoon van de aangever, en niet specifiek tegen diens eigendommen, zoals de jas. Het hof acht daarom niet met een voldoende mate van overtuiging bewezen dat het openlijk geweld ook was gericht tegen goederen. Het feit dat bij de aanval met het mes de jas van de aangever is beschadigd, maakt dat niet anders. Van dat deel van de tenlastelegging zal de verdachte dan ook worden vrijgesproken.
Gelet op de voorgaande overwegingen wordt het verweer van de raadsman verworpen. Het hof acht, gelet op al het vorenstaande, het primair tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen en komt tot een bewezenverklaring van openlijk geweld tegen personen.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
primairhij op 22 april 2024 te Amstelveen, openlijk, te weten, op/aan de Camera Obscuralaan, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een persoon, te weten [slachtoffer] door meermalen slaande bewegingen te maken in de richting van die [slachtoffer] en door meermalen, met een mes, snijdende bewegingen in de richting van die [slachtoffer] te maken;
Hetgeen primair meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.
Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
De verdediging heeft aangevoerd dat de verdachte zijn zoon wilde beschermen en dat hem derhalve een geslaagd beroep op noodweer toekomt. Om die reden dient de verdachte te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.
Het hof overweegt dat het noodweerverweer niet, althans onvoldoende, is onderbouwd. Het beroep op noodweer wordt reeds daarom verworpen.
Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het primair bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.
Het primair bewezenverklaarde levert op:
openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen.
Strafbaarheid van de verdachte
De verdachte is strafbaar, omdat geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid ten aanzien van het primair bewezenverklaarde uitsluit.
Oplegging van straf
De politierechter heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezenverklaarde veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 80 uur subsidiair 40 dagen hechtenis met aftrek van het voorarrest, waarvan 40 uur subsidiair 20 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het primair tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 120 uur subsidiair 60 dagen hechtenis met aftrek van het voorarrest, waarvan 50 uur subsidiair 25 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de door de politierechter opgelegde straf onevenredig zwaar is. Hij verzoekt het hof bij een eventuele veroordeling rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte en artikel 9a Sr toe te passen.
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
De verdachte heeft zich samen met een ander schuldig gemaakt aan openlijke geweldpleging tegen een persoon. Daarbij zijn richting de aangever – onder andere – met een mes snijdende bewegingen gemaakt waarbij de mouw van zijn jas is geraakt en beschadigd. Een feit als het onderhavige maakt inbreuk op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer. Dergelijk geweld op de openbare weg veroorzaakt bovendien in zijn algemeenheid gevoelens van onveiligheid en versterkt de maatschappelijke onrust. In dit geval zijn meerdere personen getuige geweest van het gepleegde geweld, dat bovendien minutenlang duurde.
Het hof acht in beginsel een taakstraf voor de duur van 120 uren passend. In strafmatigende zin wordt echter rekening gehouden met het laakbare gedrag van de aangever, waardoor hij een belangrijk aandeel heeft gehad in het voortduren van het in aanvang verbale conflict en in het uiteindelijk tegen hem gepleegde geweld. Hij heeft zich namelijk gedurende aanzienlijke tijd uitdagend en minst genomen verbaal agressief jegens de verdachte en zijn zoon uitgelaten.
Het hof acht, alles afwegende, een taakstraf van na te melden duur passend en geboden.
Voor een schuldigverklaring zonder oplegging van straf ziet het hof geen ruimte, gelet op de ernst van het feit en het strafblad van de verdachte.
Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]
De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 1.442,03. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 479,06. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering.
Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het primair bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks materiële schade aan zijn jas heeft geleden tot een bedrag van € 119,-. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen.
Voor wat betreft het overige deel van de gevorderde materiële schade is het hof van oordeel dat behandeling van de vordering wegens de gebrekkige onderbouwing daarvan een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. In zoverre kan de benadeelde partij daarom thans in de vordering niet worden ontvangen en kan dat deel van zijn vordering slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
Uit het onderzoek ter terechtzitting is verder onvoldoende gebleken dat de benadeelde partij rechtstreeks immateriële schade heeft geleden. De verdachte is daarom niet tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering voor een bedrag van € 770,- zal worden afgewezen.
Het hof zal de schadevergoedingsmaatregel opleggen op de hierna te noemen wijze om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f en 141 van het Wetboek van Strafrecht.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het primair bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 80 (tachtig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 40 (veertig) dagen hechtenis.
Bepaalt dat een gedeelte van de taakstraf, groot 40 (veertig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 20 (twintig) dagen hechtenis, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van twee uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer] ter zake van het primair bewezenverklaarde tot het bedrag van € 119,00 (honderdnegentien euro) ter zake van materiële schade.
Wijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor een bedrag van € 770,00 (zevenhonderdzeventig euro) aan immateriële schade af.
Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer] , ter zake van het primair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 119,00 (honderdnegentien euro) als vergoeding voor materiële schade.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 1 (één) dag. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. D.A.C. Koster, mr. C.P.E.M. Fonteijn-van der Meulen en mr. B. de Wilde, in tegenwoordigheid van, mr. J.P.M. Veerman, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 6 januari 2026.
De oudste en jongste raadsheer zijn buiten staat het arrest te ondertekenen.