Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 21 januari 2026 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte en de raadsman naar voren hebben gebracht.
Vonnis waarvan beroep
Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep en zal dit derhalve bevestigen behalve ten aanzien van de strafoplegging en -motivering. In zoverre zal het vonnis worden vernietigd.
Oplegging van straf
De politierechter in de rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezenverklaarde veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 60 uren subsidiair 30 dagen hechtenis met aftrek, waarvan 30 uren subsidiair 15 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 30 uren subsidiair 15 dagen hechtenis.
De raadsman heeft verzocht rekening te houden met de omstandigheden waaronder het een en ander zich heeft afgespeeld en een geheel voorwaardelijke straf op te leggen.
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
De verdachte heeft zijn dochter mishandeld door haar bij haar keel te pakken, haar in het gezicht te knijpen, haar te duwen en tegen haar hoofd te slaan. Hij heeft daarmee inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer en een voor haar angstige situatie in het leven geroepen, terwijl haar vader bij uitstek een persoon is bij wie zij zich veilig moet kunnen voelen. Daarnaast heeft de verdachte verbalisanten bedreigd en heeft hij zich verzet bij zijn aanhouding. De verdachte heeft hiermee gevoelens van angst en onveiligheid bij de verbalisanten teweeggebracht en zijn handelen getuigt van een gebrek aan respect voor het publieke belang dat de opsporingsambtenaren dienen. Het hof rekent dit de verdachte aan.
Het hof acht in beginsel de door de advocaat-generaal geëiste onvoorwaardelijke taakstraf passend en alleszins gerechtvaardigd. Het hof houdt echter in het voordeel van de verdachte rekening met zijn persoonlijke omstandigheden en de omstandigheden waaronder de feiten zijn gepleegd.
De verdachte was, door wat hij die dag te horen kreeg over zijn dochter, erg emotioneel en heeft, zo neemt het hof aan, in die gemoedstoestand gehandeld. Er is bij zijn dochter geen letsel geconstateerd en uit het verhandelde ter terechtzitting is niet gebleken dat de mishandeling een negatieve invloed heeft gehad op hun relatie. Ter terechtzitting in hoger beroep is het hof gebleken dat de verdachte afgelopen jaar een hersenbloeding heeft gehad en dat hij daarvoor in een revalidatietraject zit. Het hof ziet ten slotte geen aanwijzingen voor enig recidiverisico.
Het hof acht, alles afwegende, een voorwaardelijke taakstraf van na te melden duur passend en geboden.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 57, 63, 180, 285 en 300 van het Wetboek van Strafrecht.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de strafoplegging en -motivering en doet in zoverre opnieuw recht.
Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 30 (dertig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 15 (vijftien) dagen hechtenis.
Bepaalt dat de taakstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van twee uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. M.J.A. Plaisier, mr. E.J Hofstee en mr. J.J. Roos, in tegenwoordigheid van mr. J.P.M. Veerman, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 4 februari 2026.