Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 21 januari 2026 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte en de raadsvrouw naar voren hebben gebracht.
Ontvankelijkheid van de verdachte in het hoger beroep
De verdachte is door de rechtbank vrijgesproken van feit 2. Het hoger beroep van de verdachte is niet beperkt en is daarom ook gericht tegen deze beslissing tot vrijspraak. Gelet op artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering is hoger beroep tegen een vrijspraak niet mogelijk. Het hof zal de verdachte om die reden niet-ontvankelijk verklaren in zijn hoger beroep tegen dit feit.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
1. primairhij op of omstreeks 22 maart 2022 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk mishandelend op die [slachtoffer] is gesprongen, ten gevolge waarvan die [slachtoffer] ten val is gekomen en/of heeft/hebben geroepen: “Jongens, pak hem, hou hem vast” en/of op die [slachtoffer] is/zijn gaan zitten en/of die [slachtoffer] heeft/hebben vastgehouden en/of tegengehouden en/of die [slachtoffer] heeft/hebben geslagen en/of gestompt en/of het hoofd van die [slachtoffer] heeft/hebben vastgepakt en/of vastgehouden en/of een of meer vingers in de ogen van die [slachtoffer] heeft/hebben gedrukt en/of (daarbij) heeft/hebben gezegd: “Ken je mij, weet je wie ik ben, kijk mij eens aan” en/of die [slachtoffer] een knietje in de maag heeft/hebben gegeven en/of de keel van die [slachtoffer] heeft/hebben dichtgeknepen en/of hard in het geslachtsdeel van die [slachtoffer] heeft/hebben geknepen en/of daarbij heeft/hebben gezegd: “Liggen nu, stil liggen nu” en/of op moment dat die [slachtoffer] buiten de woning aan de [adres 2] stond, die [slachtoffer] meermaals heeft geslagen en/of gestompt waardoor voornoemde [slachtoffer] letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;
1. subsidiair[medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] op of omstreeks 22 maart 2022 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk mishandelend op die [slachtoffer] is/zijn gesprongen, ten gevolge waarvan die [slachtoffer] ten val is gekomen en/of heeft/hebben geroepen: “Jongens, pak hem, hou hem vast” en/of op die [slachtoffer] is/zijn gaan zitten en/of die [slachtoffer] heeft/hebben vastgehouden en/of tegengehouden en/of die [slachtoffer] heeft/hebben geslagen en/of gestompt en/of het hoofd van die [slachtoffer] heeft/hebben vastgepakt en/of vastgehouden en/of een of meer vingers in de ogen van die [slachtoffer] heeft/hebben gedrukt en/of (daarbij) heeft/hebben gezegd: “Ken je mij, weet je wie ik ben, kijk mij eens aan” en/of die [slachtoffer] een knietje in de maag heeft/hebben gegeven en/of de keel van die [slachtoffer] heeft/hebben dichtgeknepen en/of hard in het geslachtsdeel van die [slachtoffer] heeft/hebben geknepen en/of daarbij heeft/hebben gezegd: “Liggen nu, stil liggen nu” en/of op moment dat die [slachtoffer] buiten de woning aan de [adres 2] stond, die [slachtoffer] meermaals heeft geslagen en/of gestompt waardoor voornoemde [slachtoffer] letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden tot en/of bij het plegen van welk misdrijf verdachte op of omstreeks 22 maart 2022 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, tezamen en/of in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk behulpzaam is geweest door toen en aldaar opzettelijk die [slachtoffer] bij de armen en/of benen, in elk geval bij het lichaam, vast te pakken/te houden.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.
Vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere bewijsmotivering komt dan de rechtbank.
Bewijsoverweging
De advocaat-generaal heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het onder 1 primair tenlastegelegde.
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte moet worden vrijgesproken, omdat zijn betrokkenheid bij het feit onvoldoende is, waardoor geen sprake is van medeplegen dan wel medeplichtigheid.
Het hof stelt voorop dat betrokkenheid aan een strafbaar feit pas als medeplegen kan worden bewezenverklaard en gekwalificeerd wanneer is komen vast te staan dat bij het begaan daarvan sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking, waarbij de – materiële en/of intellectuele – bijdrage van de verdachte aan het delict van voldoende gewicht is. Wanneer het tenlastegelegde medeplegen in de kern niet bestaat uit een gezamenlijke uitvoering, maar uit gedragingen die met medeplichtigheid in verband plegen te worden gebracht, dient in geval van bewezenverklaring van medeplegen in de bewijsvoering, dus in de bewijsmiddelen en zo nodig in een afzonderlijke bewijsoverweging, dat medeplegen nauwkeurig te worden gemotiveerd. Daarbij kan rekening worden gehouden met onder meer de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang van de rol van de verdachte, diens aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip.
Het hof stelt op grond van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting de volgende feiten en omstandigheden vast.
De aangever, [slachtoffer] , had ten tijde van het onderhavige feit een relatie met de toenmalige schoonmoeder van de verdachte, [persoon] (hierna: [persoon] ). De verdachte had op dat moment een relatie met de dochter van [persoon] . De verdachte is op 22 maart 2022 door de aangever geïnformeerd dat [persoon] een poging tot zelfdoding had gedaan en in het ziekenhuis lag. Hierop is de verdachte naar de woning van [persoon] gegaan. [medeverdachte 2] (hierna: [medeverdachte 2] ), die een relatie had met een andere dochter van [persoon] , bevond zich eveneens in de woning. Op enig moment kwam [medeverdachte 1] (hierna: [medeverdachte 1] ) de woning binnen. Hij is de ex-partner van [persoon] . Er ontstond een confrontatie tussen [medeverdachte 1] en de aangever, waarbij zij in gevecht raakten en op de grond belandden.
Wat zich vervolgens in de woning heeft afgespeeld en wat de rol van de verdachte daarbij was, volgt uit de aangifte en de verklaringen van [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] en wordt ondersteund door de inhoud van de berichten die de verdachte naderhand naar anderen heeft gestuurd. Daaruit leidt het hof het volgende af.
De aangever lag op de grond met [medeverdachte 1] bovenop hem. [medeverdachte 1] riep naar [medeverdachte 2] en de verdachte: “jongens pak hem, hou hem vast!” Hierop zijn [medeverdachte 2] en de verdachte ook bovenop de aangever gaan zitten. Zij hielden de aangever vast, zodat hij niet kon bewegen en klappen kreeg. [medeverdachte 1] pakte het hoofd van de aangever en duwde zijn vingers in diens ogen. [medeverdachte 1] stond vervolgens op, terwijl [medeverdachte 2] en de verdachte nog bovenop de aangever zaten, waardoor deze geen kant op kon. Toen de aangever probeerde los te komen, draaide [medeverdachte 2] hem op zijn linkerzij en gaf hem een knietje in zijn maag. [medeverdachte 2] en de verdachte hielden de aangever nog steeds vast: de verdachte bij de voeten van de aangever en [medeverdachte 2] bij diens middel terwijl [medeverdachte 2] de keel van de aangever dichtkneep. [medeverdachte 1] kneep de aangever daarna hard bij diens geslachtsdeel. Toen de aangever zei dat hij weg zou gaan, hebben [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en de verdachte hem losgelaten.
Op grond van deze feiten en omstandigheden, in samenhang bezien met de bewijsmiddelen, komt het hof tot de vaststelling dat de verdachte zich niet heeft gedistantieerd van de geweldshandelingen in de woning van [persoon] en dat (ook) het handelen van de verdachte een wezenlijk onderdeel uitmaakt van het toegepaste geweld op en de mishandeling van de aangever. Zowel de verdachte als [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] waren betrokken bij deze geweldshandelingen terwijl de aangever op de grond lag. Het hof is dan ook van oordeel dat uit de bewijsmiddelen blijkt van een nauwe en bewuste samenwerking tussen de drie mannen en dat daarmee ook het medeplegen van de verdachte kan worden aangenomen.
Op grond van het bovenstaande oordeelt het hof dat wettig en overtuigend bewezen is dat de verdachte de aangever in vereniging met anderen heeft mishandeld. Het tot vrijspraak strekkende verweer wordt verworpen.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het 1. primair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
hij op 22 maart 2022 te Amsterdam, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk mishandelend op die [slachtoffer] is gesprongen, ten gevolge waarvan die [slachtoffer] ten val is gekomen en hebben geroepen: “Jongens, pak hem, hou hem vast” en op die [slachtoffer] zijn gaan zitten en die [slachtoffer] hebben vastgehouden en die [slachtoffer] hebben geslagen en het hoofd van die [slachtoffer] hebben vastgepakt en vingers in de ogen van die [slachtoffer] hebben gedrukt en die [slachtoffer] een knietje in de maag hebben gegeven en de keel van die [slachtoffer] hebben dichtgeknepen en hard in het geslachtsdeel van die [slachtoffer] hebben geknepen, waardoor voornoemde [slachtoffer] letsel heeft bekomen en pijn heeft ondervonden.
Hetgeen primair meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.
Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het primair bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.
Het primair bewezenverklaarde levert op:
medeplegen van mishandeling.
Strafbaarheid van de verdachte
De verdachte is strafbaar, omdat geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid ten aanzien van het primair bewezenverklaarde uitsluit.
Oplegging van straf
De rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezenverklaarde veroordeeld tot een geldboete ter hoogte van 750 euro.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het onder feit 1 primair tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 30 uren, subsidiair 15 dagen hechtenis.
De raadsvrouw heeft verzocht rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, waaronder zijn proceshouding, zijn blanco strafblad en zijn werk.
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het medeplegen van mishandeling. De verdachte was in de woning van [persoon] , waar de aangever is mishandeld door [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en de verdachte. Deze mishandeling heeft pijn en letsel veroorzaakt bij de aangever. Hiermee heeft ook de verdachte een grove inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van de aangever. Naast lichamelijk letsel kan een zodanige mishandeling langdurig gevoelens van angst veroorzaken bij de aangever.
In het voordeel van de verdachte weegt het hof mee dat hij weliswaar een wezenlijke rol heeft gespeeld in het geheel, maar dat zijn bijdrage aan de mishandeling beperkter was dan die van [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] . Verder houdt het hof er ten voordele van de verdachte rekening mee dat hij een vriendin heeft en een nog jonge zoon voor wie hij de zorg draagt. De verdachte heeft een vaste baan als ambtenaar bij de gemeente Amsterdam en heeft zich ingespannen om (een groot deel van) zijn schulden af te lossen. Ten slotte blijkt uit een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 7 januari 2026 dat hij – behalve voor een verkeersovertreding – niet eerder strafrechtelijk is veroordeeld.
Het hof acht, alles afwegende, een geldboete van na te melden hoogte passend en geboden.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 23, 24, 24c, 47 en 300 van het Wetboek van Strafrecht.
BESLISSING
Het hof:
Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het in eerste aanleg onder 2 tenlastegelegde.
Vernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht.
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het primair bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een geldboete van € 750,00 (zevenhonderdvijftig euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 7 (zeven) dagen hechtenis.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. E.J. Hofstee, mr. M.J.A. Plaisier en mr. J.J. Roos, in tegenwoordigheid van mr. J.P.M. Veerman, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 4 februari 2026.