Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep op 6 en 8 mei en 8 juni 2026 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
Het openbaar ministerie heeft bij akte van 5 november 2024 beperkt hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis, namelijk ten aanzien van de feiten 1 tot en met 10.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van wat de verdachte en zijn raadslieden en de advocaten van de benadeelde partijen naar voren hebben gebracht.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is, voor zover in hoger beroep nog aan de orde en gelet op de in hoger beroep door het gerechtshof toegelaten wijziging, tenlastegelegd dat:
1.hij op of omstreeks 7 november 2018 te Antwerpen, althans in België, door geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) en/of bedreiging met geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) meermalen, althans eenmaal, [slachtoffer 1] heeft gedwongen tot het ondergaan van (een) handeling(en) die bestond(en) uit of mede bestond(en) uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer 1] , hebbende verdachte,
zijn penis in de mond van die [slachtoffer 1] gebracht en/of geduwd en/of gehouden,
en bestaande dat geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) en/of die bedreiging met geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) hierin dat verdachte:
- die [slachtoffer 1] onverhoeds de toiletten in heeft geduwd en/of getrokken en/of
- die [slachtoffer 1] op zijn knieën heeft gedwongen te zitten en/of
- een handgebaar tegen die [slachtoffer 1] heeft gemaakt inhoudende dat die [slachtoffer 1] geen geluid mocht maken en/of
- die [slachtoffer 1] in/tegen het gezicht heeft geslagen,
- en/of er sprake was van misbruik vanuit verdachtes leeftijd en/of maatschappelijke positie en/of feitelijke verhoudingen voortvloeiend psychisch en/of fysiek en/of geestelijk overwicht
en/of hebbende verdachte zijn penis in de anus van die [slachtoffer 1] gebracht en/of geduwd en/of gehouden,
en bestaande dat geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) en/of die bedreiging met geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) hierin dat verdachte:
- die [slachtoffer 1] onverhoeds heeft vastgepakt en vervolgens (met zijn gezicht in de lakens) op zijn buik op een bed heeft geduwd en/of
- de broek van die [slachtoffer 1] omlaag heeft getrokken, en/of
- ( terwijl die [slachtoffer 1] hem probeerde weg te duwen) die [slachtoffer 1] nog steviger heeft vastgepakt en/of
- in de anus van die [slachtoffer 1] is klaargekomen, en/of
- aan de fysieke en/of vocale protesten van [slachtoffer 1] voorbij is gegaan, en/of
- er sprake was van misbruik vanuit verdachtes leeftijd en/of maatschappelijke positie en/of feitelijke verhoudingen voortvloeiend psychisch en/of fysiek en/of geestelijk overwicht;
2. hij in of omstreeks de periode van 1 augustus 2017 tot en met 1 oktober 2017, in elk geval in Amsterdam, althans in Nederland , door geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) en/of bedreiging met geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) meermalen, althans een maal, [slachtoffer 2] heeft gedwongen tot het ondergaan van (een) handeling(en) die bestond(en) uit of mede bestond(en) uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer 2] , hebbende verdachte
- zijn penis in de mond van die [slachtoffer 2] gebracht en/of geduwd en/of gehouden
en bestaande dat geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) en/of die bedreiging met geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) hierin dat verdachte
- onverhoeds (met kracht) die [slachtoffer 2] bij de arm heeft vastgepakt en vervolgens op een bed heeft geduwd en/of
- vervolgens bovenop die [slachtoffer 2] is gaan zitten/liggen en/of
- het hoofd van die [slachtoffer 2] heeft vastgepakt en in de richting van zijn, verdachtes, penis heeft gebracht en/of
- zijn, verdachtes, penis in de mond van die [slachtoffer 2] heeft gedrukt en/of geduwd en/of
- ( met kracht) de keel van die [slachtoffer 2] heeft vastgepakt en/of dicht geknepen en/of
- aan de fysieke protesten van [slachtoffer 2] voorbij is gegaan en/of
- er sprake was van misbruik vanuit verdachtes leeftijd en/of maatschappelijke positie en/of feitelijke verhoudingen voortvloeiend psychisch en/of fysiek en/of geestelijk overwicht;
3.hij in of omstreeks de periode van 29 juli 2011 tot en met 30 juli 2011 te Amsterdam, althans in Nederland, met [slachtoffer 3] (geboren op [geboortedag 2] 1996), die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, buiten echt, één of meerdere ontuchtige handelingen heeft gepleegd, die bestond(en) uit of mede bestond(en) uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer 3] , hebbende verdachte meermalen, althans eenmaal, zijn, verdachtes, penis in de anus en/of de mond van die [slachtoffer 3] gebracht/geduwd en/of gehouden;
4.hij op of omstreeks 1 februari 2021 te Amsterdam, althans in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om door geweld en/of een (andere) feitelijkheid en/of door bedreiging met geweld en/of met een (andere) feitelijkheid [slachtoffer 4] te dwingen tot het ondergaan van een of meer handelingen die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam, opzettelijk
- de broek en onderbroek van die [slachtoffer 4] onverhoeds omlaag heeft getrokken en/of
- meermalen op de (blote) billen van die [slachtoffer 4] heeft geslagen en/of
- die [slachtoffer 4] bij zijn nek heeft vastgepakt en naar de slaapkamer heeft geduwd en/of
- die [slachtoffer 4] op zijn buik op het bed heeft geduwd en/of
- met zijn lichaam op het lichaam van die [slachtoffer 4] is gaan liggen/zitten en/of
- die [slachtoffer 4] bij zijn schouder(s) vast te houden en/of vast te pakken en/of
- met zijn penis tussen de billen van die [slachtoffer 4] heeft gegleden/gewreven en/of
- met zijn penis tegen de anus van die [slachtoffer 4] te duwen en/of
- er sprake was van misbruik vanuit verdachtes leeftijd en/of maatschappelijke positie en/of feitelijke verhoudingen voortvloeiend psychisch en/of fysiek en/of geestelijk overwicht,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
5.hij op of omstreeks 1 februari 2021 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, door geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) en/of bedreiging met geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en), [slachtoffer 4] heeft gedwongen tot het ondergaan van (een) handeling(en) die bestond(en) uit of mede bestond(en) uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer 4] , hebbende verdachte,
- zijn penis in de mond van die [slachtoffer 4] gebracht en/of geduwd en/of gehouden,
en bestaande dat geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) en/of die bedreiging met geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) hierin dat verdachte
- onverhoeds die [slachtoffer 4] aan zijn haren heeft getrokken en/of het hoofd van die [slachtoffer 4] naar de penis van verdachte heeft geduwd en daarbij heeft gezegd ‘pijpen’ en/of
- zijn penis in de mond en/of keel van die [slachtoffer 4] heeft geduwd en/of
- in de mond van die [slachtoffer 4] is klaargekomen en/of
- aan de verbale protesten van [slachtoffer 4] voorbij is gegaan en/of
- er sprake was van misbruik vanuit verdachtes leeftijd en/of maatschappelijke positie en/of feitelijke verhoudingen voortvloeiend psychisch en/of fysiek en/of geestelijk overwicht;
6.hij in of omstreeks de periode van 1 december 2014 tot en met 31 december 2014 te Amsterdam, althans in Nederland, met [slachtoffer 5] (geboren op [geboortedag 3] 1999), die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, buiten echt, een of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, die bestond(en) uit of mede bestond(en) uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer 5] , hebbende verdachte meermalen, althans eenmaal zijn, verdachtes, penis in de anus van die [slachtoffer 5] gebracht/geduwd en/of gehouden;
7. primairhij op of omstreeks 21 mei 2017 te Amsterdam, althans in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om door geweld en/of een (andere) feitelijkheid en/of door bedreiging met geweld en/of met een (andere) feitelijkheid [slachtoffer 6] te dwingen tot het ondergaan van een of meer handelingen die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam, opzettelijk
- die [slachtoffer 6] (onverhoeds) heeft opgetild en naar de slaapkamer heeft gebracht en aldaar op zijn rug op bed heeft gelegd en/of
- met zijn lichaam op het lichaam van die [slachtoffer 6] is gaan liggen zodat die [slachtoffer 6] zich niet kon onttrekken aan de situatie en/of
- tegen die [slachtoffer 6] heeft gezegd ‘Je bent een bottomslet. Je wilt gewoon alleen maar geneukt worden’ en/of 'Je bent gewoon een twink die geneukt wil worden', althans woorden van gelijke aard en/of strekking, en/of
- die [slachtoffer 6] heeft gebeten in zijn nek en/of bij zijn tepel en/of
- ( terwijl die [slachtoffer 6] zich verbaal en fysiek verzette en het lichaam van verdachte van zich af probeerde te duwen) die [slachtoffer 6] aan zijn (blote) bovenlichaam en/of penis en/of anus heeft aangeraakt en/of betast en/of
- er sprake was van misbruik vanuit verdachtes leeftijd en/of maatschappelijke positie en/of feitelijke verhoudingen voortvloeiend psychisch en/of fysiek en/of geestelijk overwicht,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
7. subsidiairhij op of omstreeks 21 mei 2017 te Amsterdam, althans in Nederland, door geweld en/of (een) andere feitelijkheid en/of bedreiging met geweld en/of een andere feitelijkheid [slachtoffer 6] heeft gedwongen tot het plegen en/of dulden van een of meer ontuchtige handelingen,
- die [slachtoffer 6] (onverhoeds) heeft opgetild en naar de slaapkamer heeft gebracht en aldaar op zijn rug op bed heeft gelegd en/of
- met zijn lichaam op het lichaam van die [slachtoffer 6] is gaan liggen zodat die [slachtoffer 6] zich niet kon onttrekken aan de situatie en/of
- tegen die [slachtoffer 6] heeft gezegd ‘Je bent een bottomslet. Je wilt gewoon alleen maar geneukt worden’ en/of 'Je bent gewoon een twink die geneukt wil worden.', althans woorden van gelijke aard en/of strekking, en/of
- die [slachtoffer 6] heeft gebeten in zijn nek en/of bij zijn tepel en/of
- ( terwijl die [slachtoffer 6] zich verbaal en fysiek verzette en het lichaam van verdachte van zich af probeerde te duwen) die [slachtoffer 6] aan zijn (blote) bovenlichaam en/of penis en/of anus heeft aangeraakt en/of betast en/of
- er sprake was van misbruik vanuit verdachtes leeftijd en/of maatschappelijke positie en/of feitelijke verhoudingen voortvloeiend psychisch en/of fysiek en/of geestelijk overwicht;
8.hij in of omstreeks de periode van 1 mei 2013 tot en met 1 augustus 2013 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, door geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) en/of bedreiging met geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en), [slachtoffer 7] heeft gedwongen tot het ondergaan van (een) handeling(en) die bestond(en) uit of mede bestond(en) uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer 7] , hebbende verdachte,
- zijn penis in de anus van die [slachtoffer 7] gebracht en/of geduwd en/of gehouden
en bestaande dat geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) en/of die bedreiging met geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) hierin dat verdachte
- ( terwijl die [slachtoffer 7] op zijn buik ligt) met zijn lichaam op die [slachtoffer 7] is gaan zitten/liggen en/of
- aan de verbale protesten van [slachtoffer 7] voorbij is gegaan en/of
- er sprake was van misbruik vanuit verdachtes leeftijd en/of maatschappelijke positie en/of feitelijke verhoudingen voortvloeiend psychisch en/of fysiek en/of geestelijk overwicht;
9.
hij in of omstreeks de periode van 1 mei 2014 tot en met 1 september 2014 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, door geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) en/of bedreiging met geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en), [slachtoffer 8] heeft gedwongen tot het ondergaan van (een) handeling(en) die bestond(en) uit of mede bestond(en) uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer 8] , hebbende verdachte,
- zijn penis in de anus van die [slachtoffer 8] gebracht en/of geduwd en/of gehouden
en bestaande dat geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) en/of die bedreiging met geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) hierin dat verdachte
- met zijn lichaam half over het lichaam van die [slachtoffer 8] is gaan liggen en/of
- zijn penis in de anus van die [slachtoffer 8] blijft doordrukken/doorduwen (terwijl het niet paste) en/of
- ( daarbij) aan de verbale protesten van [slachtoffer 8] voorbij is gegaan en/of
- er sprake was van misbruik vanuit verdachtes leeftijd en/of maatschappelijke positie en/of feitelijke verhoudingen voortvloeiend psychisch en/of fysiek en/of geestelijk overwicht;
10.hij in of omstreeks de periode van 1 september 2017 tot en met 1 oktober 2017 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, door geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) en/of bedreiging met geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en), [slachtoffer 9] heeft gedwongen tot het ondergaan van (een) handeling(en) die bestond(en) uit of mede bestond(en) uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer 9] , hebbende verdachte,
- zijn vingers in de anus van die [slachtoffer 9] gebracht en/of geduwd en/of gehouden
en bestaande dat geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) en/of die bedreiging met geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) hierin dat verdachte
- ( onverhoeds) die [slachtoffer 9] op bed heeft getrokken en/of
- met zijn hand in de broek en/of onderbroek van die [slachtoffer 9] is gegaan en/of
- ( terwijl die [slachtoffer 9] de hand van verdachte wegduwde) die [slachtoffer 9] bij zijn schouders vast te pakken zodat die [slachtoffer 9] zich niet kon verzetten en/of
- aan de haren van die [slachtoffer 9] heeft getrokken en/of
- er sprake was van misbruik vanuit verdachtes leeftijd en/of maatschappelijke positie en/of feitelijke verhoudingen voortvloeiend psychisch en/of fysiek en/of geestelijk overwicht;
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.
Vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen zal worden vernietigd, omdat het hof tot andere beslissingen komt dan de rechtbank.
Algemene overwegingen
Inleidende opmerkingen
Op 12 maart 2021 is door Het Parool en NRC gezamenlijk een artikel gepubliceerd waarin de verdachte door twintig mannen is beschuldigd van seksueel grensoverschrijdend gedrag. Dit artikel heeft ertoe geleid dat meerdere mannen zich bij de zedenpolitie hebben gemeld. Ook voordat het artikel verscheen is door verschillende mannen al bij de politie melding gemaakt van seksueel grensoverschrijdend gedrag van de verdachte. Met alle mannen heeft een zogeheten "informatief gesprek zeden" plaatsgevonden en in een aantal gevallen heeft het onderzoek geleid tot een vervolging. Het heeft erin geresulteerd dat de verdachte – kort gezegd – wordt verweten dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan de verkrachting van zes mannen, te weten [slachtoffer 1] (feit 1), [slachtoffer 2] , (feit 2), [slachtoffer 4] (feit 5), [slachtoffer 7] (feit 8), [slachtoffer 8] (feit 9) en [slachtoffer 9] (feit 10). Ook wordt hij beschuldigd van de poging tot verkrachting van [slachtoffer 4] (feit 4) en [slachtoffer 6] (feit 7 primair), waarbij ten aanzien van laatstgenoemde aangever subsidiair aanranding ten laste is gelegd. Tot slot wordt de verdachte verweten dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan het hebben van seks met twee jongens van destijds vijftien jaar oud, te weten [slachtoffer 3] (feit 3) en [slachtoffer 5] (feit 4). Het hof zal hierna de aangevers met hun voornamen aanduiden, overeenkomstig hun verzoek.
Standpunten
Het standpunt van het Openbaar Ministerie
De advocaat-generaal heeft geconcludeerd dat de feiten 1 tot en met 10 bewezen kunnen worden verklaard. Er is ten aanzien van de (pogingen tot) verkrachtingen zoals die ten laste zijn gelegd in de feiten 1, 2, 4, 5 en 7 t/m 10 sprake van dwang. De verdachte heeft in ieder geval willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaard dat de slachtoffers niet anders konden dan zijn seksuele handelingen tegen hun wil te dulden.
De advocaat-generaal heeft verder aangevoerd dat er steeds sprake is van voldoende steunbewijs, al dan niet in de vorm van schakelbewijs.
Ook de feiten 3 en 6 kunnen bewezen worden verklaard op grond van onder meer de aangifte en de bekennende verklaring van de verdachte.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft vrijspraak bepleit voor wat onder 1, 2, 4, 5 en 8 tot en met 10 ten laste is gelegd en sluit zich daarbij aan bij het oordeel van de rechtbank. Datzelfde geldt voor feit 7. De daartoe gevoerde verweren komen, voor zover van belang voor de bewijswaardering, hierna aan de orde in de overwegingen van het hof.
De verdediging heeft verder aangevoerd dat de feiten 3 en 6 bewezen kunnen worden verklaard maar in de strafmaat zal feit 6 slechts een ondergeschikte rol dienen te spelen gelet op de leugens van aangever over zijn leeftijd.
Waardering van het bewijs door het hof
Ten aanzien van de feiten 3 en 6 merkt het hof op dat de verdachte deze feiten heeft bekend en dat door de verdediging geen bewijsverweer is gevoerd. Deze feiten behoeven daarom in het kader van de bewezenverklaring geen nadere bespreking.
Ten aanzien van de overige feiten heeft het hof achtereenvolgens steeds drie vragen te beantwoorden:
Indien een van deze vragen ontkennend wordt beantwoord, komt het hof niet toe aan de beantwoording van de daaropvolgende vraag of vragen.
Betrouwbaarheid van de verklaringen van de aangevers
Het hof sluit zich in de kern aan bij wat de rechtbank onder het kopje ‘Algemene overwegingen’ heeft overwogen over de betrouwbaarheid van de verklaringen van de aangevers in relatie tot het over de verdachte gepubliceerde artikel van Het Parool en NRC (6.1.4).
Het hof dient – gelet op de (veelal) ontkennende houding van de verdachte – ook de betrouwbaarheid van de verklaringen van de aangevers te beoordelen. In dat kader stelt het hof vast dat op 12 maart 2021 het artikel in Het Parool en NRC is gepubliceerd, dat dat veel media-aandacht heeft gekregen, dat ook al voor het verschijnen van het artikel bij de politie meldingen waren gedaan over seksueel grensoverschrijdend gedrag van de verdachte en dat door een deel van de aangevers aangifte is gedaan na het verschijnen van het artikel. Deze vaststellingen brengen met zich dat er een risico bestaat op het zogenoemde "collaborative storytelling". Het roept immers de vraag op of aangevers en getuigen door elkaar of door het artikel (en de daarop volgende media-aandacht) beïnvloed zijn en of dit de betrouwbaarheid van hun verklaring aantast.
Er zijn naar het oordeel van het hof geen concrete aanwijzingen dat één van de aangevers zijn verklaring bewust heeft gevormd of aangepast op basis van verklaringen van anderen of bijvoorbeeld de publicatie van het artikel en de aandacht die de zaak heeft gekregen in de media. Het risico op "collaborative storytelling" is daarmee echter niet weggenomen. Dit geldt te meer omdat de verdenkingen zien op gebeurtenissen uit de periode 2011 tot en met 2021, in meerdere gevallen dus lang geleden. Tijdsverloop heeft namelijk doorgaans invloed op de kwaliteit van herinneringen. Het hof onderkent deze risico's, maar dit betekent niet dat de aangiftes of getuigenverklaringen daarom onbruikbaar zijn voor het bewijs. Wel zal voorzichtig moeten worden omgegaan met de verschillende verklaringen. Waar nodig zal bij de bespreking van de feiten extra aandacht worden besteed aan het moment waarop de verklaring is afgelegd en de consistentie en concrete of eenduidige aard van die verklaring. Daarbij is ook de verankering van de verklaring in andere bewijsmiddelen van belang. Daarvoor gelden de navolgende uitgangspunten.
Steunbewijs
Op grond van artikel 342, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering (Sv) kan het bewijs dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, niet uitsluitend worden aangenomen op grond van de verklaring van één getuige, ook niet als die verklaring betrouwbaar wordt geacht. Deze bepaling heeft betrekking op de tenlastelegging in haar geheel en niet op een onderdeel daarvan. Het artikel heeft als doel de deugdelijkheid van de bewijsbeslissing te waarborgen, in die zin dat dit artikellid de rechter verbiedt tot een bewezenverklaring te komen als de door één getuige naar voren gebrachte feiten en omstandigheden op zichzelf staan en onvoldoende steun vinden in ander bewijsmateriaal.
Het hof stelt voorop dat het bij zedenzaken – waarin het vaak enkel de verklaring van de verdachte tegenover de verklaring van de aangever betreft – veelal aankomt op de vraag in hoeverre de door de aangever verklaarde gang van zaken steun vindt in andere bewijsmiddelen. Naar vaste rechtspraak hoeft het steunbewijs echter niet specifiek betrekking te hebben op de tenlastegelegde gedragingen. Het is voldoende wanneer de verklaring van de aangever op bepaalde punten bevestiging vindt in een of meer andere bewijsmiddelen, afkomstig van een andere bron, zolang tussen de verklaring en dat steunbewijs niet een te ver verwijderd verband bestaat. Dat wil zeggen dat het steunbewijs op relevante wijze in verband dient te staan met de inhoud van de verklaring van de aangever, zodat die verklaring niet op zichzelf staat.
Verder merkt het hof op dat als het aanvullend bewijsmateriaal alleen is aan te merken als een onderbouwing van de betrouwbaarheid van de verklaring van de aangever, deze daaraan onvoldoende zelfstandige steun geeft. Dat geldt bijvoorbeeld als het aanvullend bewijs bestaat uit een ‘de auditu’ ofwel ‘van horen zeggen’-verklaring, inhoudende een weergave van wat de ‘bron’ (zoals de aangever) aan de betrokken getuige heeft verteld. Indien een verklaring van een getuige daarentegen (mede) een zelfstandige, eigen waarneming inhoudt ten aanzien van de emotionele of fysieke toestand van de aangever op het moment dat het strafbare feit plaatsvindt, of vlak daarna, dan kan die waarneming onder omstandigheden voldoende steunbewijs opleveren voor het bewezenverklaarde.
Steun voor de aangifte kan daarnaast worden gevonden in bewaard gebleven relevante chatgesprekken of in beschikbare informatie over letsel dat de aangever zegt te hebben geleden als gevolg van het strafbare feit. Tot slot kan de aangifte steun vinden in (onderdelen van) de verklaring van de verdachte.
Schakelbewijs
Uit vaste rechtspraak van de Hoge Raad volgt dat het gebruik van aan andere, soortgelijke, feiten ten grondslag liggende bewijsmiddelen als steunbewijs (in de vorm van zogenaamd schakelbewijs) onder omstandigheden is toegelaten. Voor de bewezenverklaring van een feit wordt in dat geval mede redengevend geacht de – uit één of meer bewijsmiddelen blijkende – omstandigheid dat de verdachte bij één of meer andere strafbare feiten betrokken was. Daarbij moet het gaan om bewijsmateriaal ten aanzien van die andere feiten, dat op essentiële punten belangrijke overeenkomsten of kenmerkende gelijkenissen vertoont met het bewijsmateriaal van het te bewijzen feit, zoals een herkenbaar en gelijksoortig patroon in de handelingen van de verdachte. Bij de beantwoording van de vraag of sprake is van zo’n overeenkomende modus operandi kunnen betrokken worden de feitelijke gang van zaken ten aanzien van de betreffende feiten, waaronder begrepen de context waarbinnen zij zich hebben voorgedaan, de omstandigheden waarmee zij zijn omgeven en het desbetreffende handelen van de verdachte en de verklaringen die de verdachte daarover heeft afgelegd. Daarbij kan het bewijs in verschillende zaken over en weer redengevend worden geacht, zelfs als geen enkel feit afzonderlijk – dus los van de schakelbewijsconstructie – wettig en overtuigend bewezen kan worden. De vraag of de redengevendheid van dergelijk schakelbewijs begrijpelijk is, dient te worden beoordeeld in het licht van de gehele bewijsvoering.
De advocaat-generaal heeft zich ten aanzien van alle ten laste gelegde feiten op het standpunt gesteld dat schakelbewijs een rol speelt. In de eerste plaats meent zij dat het dwingende handelen van de verdachte en het telkens onverhoeds en plotseling benaderen van de aangevers kenmerkend en onderscheidend is als modus operandi. In de tweede plaats bevatten de verklaringen van de aangevers op essentiële onderdelen overeenkomsten: dezelfde wijze van contact maken met kwetsbare jonge jongens, waarbij de verhouding tussen de verdachte en de aangever veelal niet gelijkwaardig is, het zich aan hen opdringen in een besloten setting bij hem thuis (en dus een onbekende omgeving voor de aangevers), het overrompelen, het veelal de aangever met zijn buik op bed leggen waarna anaal binnendringen plaatsvindt, en de ruwe wijze waarop dit gebeurt. Daarom kan gesproken worden van een zodanig overeenkomende modus operandi dat de verschillende aangiftes onderling als steunbewijs redengevend zijn voor een bewezenverklaring, aldus de advocaat-generaal.
Het hof volgt het standpunt van de advocaat-generaal niet en overweegt daartoe als volgt.
De door de advocaat-generaal genoemde overeenkomende elementen uit de aangiftes zien in relatie tot de tenlastegelegde dwang niet op dusdanig essentiële punten en zijn met name niet zodanig specifiek of frappant van aard dat sprake is van een modus operandi waaraan een zelfstandige waarde als steunbewijs voor elke afzonderlijk tenlastegelegde (poging tot) verkrachting toekomt, met name ook omdat de genoemde elementen onder omstandigheden ook kunnen passen binnen een consensuele omgang. Het hof ziet ook onvoldoende grond om door de onderlinge samenhang van die elementen er als schakelbewijs zelfstandige bewijswaarde aan te verlenen.
Dit laat overigens onverlet dat een aantal van de genoemde omstandigheden in meerdere van de tien zaken zelfstandig en al dan niet op basis van de verklaring van de verdachte zijn vast te stellen. Zo heeft de verdachte zelf nadrukkelijk en herhaaldelijk verklaard over zijn dominante manier van handelen tijdens de seks. Het onverhoeds en plotselinge handelen waarover de aangevers verklaren vond plaats tijdens een afspraak of – veelal – een date, waarbij in vrijwel alle gevallen in de woning van de verdachte werd afgesproken en er intiemer contact plaatsvond. Veelal heeft de verdachte daar ook zelf over verklaard. Ten aanzien van in het bijzonder het telkens vast te stellen leeftijdsverschil onderkent het hof dat sprake was van een verschil in levenservaring die in meer of mindere mate invloed kan hebben gehad op de omgang tussen de verdachte en de aangever. Deze omstandigheden kunnen dus in elk afzonderlijk geval bewijswaarde hebben, maar betreffen niet zulke kenmerkende en onderscheidende aspecten in het handelen van de verdachte dat zij in feite neerkomen op een modus operandi die als basis kan dienen voor een schakelbewijsconstructie.
Voorwaardelijk verzoek
De advocaat-generaal heeft in het kader van schakelbewijs ook acht geslagen op verklaringen in het dossier die zien op feiten waarvoor de verdachte niet is vervolgd. De verdediging heeft verzocht om, indien het hof deze verklaringen niet uitsluit van het bewijs, de betreffende mannen te horen als getuige.
Dit verzoek behoeft geen bespreking, nu het hof geen gebruik zal maken van schakelbewijs en daarom ook deze verklaringen niet bezigt voor het bewijs. Aldus is de aan het verzoek verbonden voorwaarde niet ingetreden.
Dwang
Op 1 juli 2024 is de zedenwetgeving op een belangrijk punt gewijzigd: voor een bewezenverklaring van aanranding en verkrachting is het niet (meer) nodig dat het slachtoffer tot de seksuele handelingen is gedwongen. Van een ontbrekende wil onder deze nieuwe wetgeving is sprake indien er geen positieve wilsuiting is. De aan de verdachte ten laste gelegde feiten hebben zich echter afgespeeld in de jaren 2011 tot en met 2021, ruim vóór de inwerkingtreding van de nieuwe wet, zodat het hof de feiten moet beoordelen aan de hand van de "oude" zedenwetgeving.
Bij de artikelen 242 (oud) en 246 (oud) van het wetboek van Strafrecht staat het door (bedreiging met)
geweld of een andere feitelijkheid dwingen van de ander tot (het plegen of ondergaan van) de seksuele handelingen centraal.
Van de voor verkrachting (en aanranding) vereiste dwang kan sprake zijn wanneer de verdachte gebruik heeft gemaakt van geweld, bedreiging met geweld of van zogenaamde ‘feitelijkheden’, zijnde gedragingen die in de gegeven omstandigheden iemand kunnen dwingen de seksuele handelingen te dulden of te plegen. Te denken valt aan het aanwenden van overwicht en/of gebiedende woorden of onverhoeds handelen. Deze dwang kan gedurende een seksuele ontmoeting ook geleidelijk of plotseling ontstaan.
In de dwang ligt het voor verkrachting vereiste opzet bij de verdachte besloten: het moet komen vast staan dat de verdachte tenminste bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat het slachtoffer de seksuele handelingen bestaande uit het seksueel binnendringen tegen zijn/haar wil heeft ondergaan. Hiervan zal doorgaans sprake zijn als door de verdachte op het slachtoffer geweld wordt uitgeoefend of wordt gedreigd met geweld voorafgaand aan of tijdens de seks, of wanneer sprake is van (aanhoudende) uitlatingen en bewegingen van het slachtoffer die duiden op kenbaar verzet tegen de seks.
Maar van verkrachting kan ook sprake zijn als de verdachte door middel van feitelijkheden opzettelijk een zodanige psychische druk heeft uitgeoefend of het slachtoffer in een zodanige afhankelijkheidssituatie heeft gebracht dat het slachtoffer zich daardoor naar redelijke verwachting niet tegen het seksuele binnendringen heeft kunnen verzetten, of dat de verdachte het slachtoffer heeft gebracht in een zodanige door hem veroorzaakte (bedreigende) situatie dat het slachtoffer zich naar redelijke verwachting niet aan die handelingen heeft kunnen onttrekken.
Naarmate die feitelijkheden minder als vanzelfsprekend dwingend zijn, zal meer gewicht toekomen aan het samengaan met een kenbare vorm van verzet bij het slachtoffer, en naarmate dat verzet juist minder of niet kenbaar is, zal meer gewicht toekomen aan de dwingende aard van de feitelijkheden om te kunnen komen tot de conclusie dat de verdachte tenminste bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat het slachtoffer de seksuele handelingen tegen zijn/haar wil heeft ondergaan.
Deze uitgangspunten gelden evenzeer voor plotselinge ontmoetingen als voor geplande ontmoetingen waarbij intiem of seksueel verkeer in de lijn der verwachting ligt of zelfs is afgesproken. Ook dan zal een ieder zich immers moeten onthouden van het opzettelijk veroorzaken van een situatie waarin de ander bepaalde seksuele handelingen tegen diens wil ondergaat. Alleen bijzondere omstandigheden kunnen dat anders maken.
Wanneer hierna in andere bewoordingen of verkort wordt overwogen dat wel of geen sprake is van opzet en/of dwang, wordt bedoeld aan te sluiten bij het voorgaande.
Overwegingen ten aanzien van de tenlastegelegde feiten
Vrijspraken
Feit 1: verkrachting van [slachtoffer 1]
Standpunt van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft geconcludeerd dat feit 1 bewezen kan worden verklaard op basis van schakelbewijs en de eigen verklaring van de verdachte: hij erkent dat hij seks heeft gehad met [slachtoffer 1] en hij heeft ook verklaard dat als hij geen ‘nee’ hoort, hij de seks niet onderbreekt. De verdachte is voorbij gegaan aan de keuzevrijheid van [slachtoffer 1] om seks met hem te hebben en heeft in ieder geval de aanmerkelijke kans aanvaard dat [slachtoffer 1] werd gedwongen om de seksuele handelingen te ondergaan.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep, overeenkomstig de pleitnotities, op het standpunt gesteld dat de verdachte vrijgesproken dient te worden van feit 1, kort samengevat omdat [slachtoffer 1] zich niet heeft verzet tegen de seksuele handelingen of zijn onvrijwilligheid niet ondubbelzinnig aan de verdachte kenbaar heeft gemaakt, zodat er geen sprake kan zijn van dwang.
Oordeel van het hof
Allereerst is het hof van oordeel dat er geen aanleiding is om te twijfelen aan de betrouwbaarheid van de verklaringen van [slachtoffer 1] . Hij heeft twee verklaringen afgelegd die op hoofdlijnen consistent
zijn en op het hof authentiek overkomen.
Daarnaast merkt het hof op dat de verklaringen van zowel de verdachte als [slachtoffer 1] voor een zeer groot deel overeenkomen. De verklaringen verschillen echter op het punt van de vrijwilligheid van [slachtoffer 1] om zowel orale als anale seks met de verdachte te hebben. [slachtoffer 1] heeft namelijk verklaard dat het voor de verdachte duidelijk moet zijn geweest dat hij dat niet wilde. De verdachte meent dat [slachtoffer 1] dit niet heeft laten merken. De vraag die voorligt, is of bewezen kan worden dat er seks met [slachtoffer 1] heeft plaatsgevonden die niet vrijwillig was en waartoe hij door (bedreiging met) geweld of feitelijkheden werd gedwongen.
Het hof overweegt hiertoe als volgt.
Orale seks op het toilet
Het hof vindt het aannemelijk dat de verdachte zich dominant en ruw tegenover [slachtoffer 1] heeft gedragen. Naar het oordeel van het hof kan echter niet met een voldoende mate van zekerheid worden vastgesteld dat de verdachte [slachtoffer 1] heeft geslagen in het wc hokje van het museum en dus geweld heeft gebruikt, omdat de verklaringen van [slachtoffer 1] daarover onvoldoende concreet en eenduidig zijn. Dat geldt ook voor de kracht waarmee de verdachte hem mee het wc hokje in heeft begeleid.
Ook anderszins kan niet met voldoende zekerheid worden vastgesteld dat de verdachte tenminste bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat [slachtoffer 1] hem tegen zijn wil heeft gepijpt. Hoewel [slachtoffer 1] heeft verklaard dit tegen zijn wil te hebben gedaan viel dit uit de uiterlijke verschijningsvorm niet af te leiden. Hij heeft verklaard dat hij niet aan de verdachte kenbaar heeft gemaakt dat hij hem niet wilde pijpen.
Uit zijn verklaring kan verder ook niet worden afgeleid dat de verdachte een zodanige psychische druk op hem heeft uitgeoefend of hem in een zodanige afhankelijkheidssituatie heeft gebracht dat hij zich daardoor naar redelijke verwachting niet tegen het pijpen heeft kunnen verzetten of dat de verdachte hem in een zodanige (bedreigende) situatie heeft gebracht dat hij zich naar redelijke verwachting daar niet aan heeft kunnen onttrekken. Wat [slachtoffer 1] verklaart over een handgebaar van de verdachte toen hij hem aan het pijpen was, is onvoldoende concreet om als een vorm van dwang te kunnen worden aangemerkt.
Ook de verklaringen van twee getuigen over wat [slachtoffer 1] hen over de ontmoeting met de verdachte heeft verteld, levert hiertoe geen ondersteuning op. Zij hebben enkel [slachtoffer 1] als bron en hebben geen belastende bewijswaarde waar het gaat om het waarnemen van de gevolgen van de seks die hij met de verdachte heeft gehad.
Anale seks in de hotelkamer
Ten aanzien van de seks op een later moment op dezelfde dag op de hotelkamer is het hof van oordeel dat niet met een voldoende mate van zekerheid vastgesteld kan worden dat de verdachte de arm van [slachtoffer 1] op zijn rug heeft gedraaid. Ook daarover is door [slachtoffer 1] onvoldoende eenduidig verklaard. Niet bewezen kan daarom worden dat er geweld is toegepast.
De verklaring van [slachtoffer 1] biedt daarnaast onvoldoende aanknopingspunten om aan te nemen dat de verdachte tenminste bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard op [slachtoffer 1] onvrijwilligheid om anaal gepenetreerd te worden. [slachtoffer 1] heeft verklaard dat het, nadat hij op het bed geduwd was, voor de verdachte een teken had moeten zijn dat hij niet wilde dat de verdachte hem anaal zou penetreren toen hij zijn lichaam wegdraaide en niet meegaand was. Het hof kan echter bij betwisting ervan door de verdachte en het ontbreken van steunbewijs voor die handelingen van aangever niet voldoende concreet vaststellen dat sprake is geweest van zodanig kenbaar verzet dat de verdachte geacht moet worden opzettelijk tegen de wil van [slachtoffer 1] te hebben gehandeld. Hierbij betrekt het hof ook de hiervoor beschreven aanloop naar het samenzijn in de hotelkamer en de omstandigheid dat de verdachte binnen de eerste tien minuten van de date zijn dominantie en intenties al had laten blijken.
Tot slot geldt ook hier wat hiervoor is overwogen over de verklaringen van de twee getuigen als potentieel steunbewijs.
Omdat het hof niet bewezen acht dat de verdachte [slachtoffer 1] opzettelijk heeft gedwongen tot (het ondergaan van) seksuele handelingen (zowel orale als anale seks), komt het hof tot de conclusie dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van feit 1.
De feiten 8 ( [slachtoffer 7] ), 9 ( [slachtoffer 8] ) en 10 ( [slachtoffer 9] )
Standpunt van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de feiten 8 en 9 bewezen kunnen worden verklaard op grond van de aangifte en de schakelbewijsconstructie. Ook feit 10 kan bewezen worden verklaard op basis van de aangifte en de disclosure-verklaring van de getuige [getuige 1] .
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van deze feiten omdat er geen sprake was van dwang.
Oordeel van het hof
Ten aanzien van de feiten 8, 9 en 10 overweegt het hof dat er tegenover de ontkennende verklaring van de verdachte, naast de aangiftes onvoldoende steunbewijs voorhanden is, in aanmerking genomen dat het hof geen gewicht toekent aan een ‘modus operandi’ van de verdachte in termen van schakelbewijs. De met betrekking tot feit 10 afgelegde verklaring van getuige [getuige 1] levert evenmin dit steunbewijs op. Het betreft een de-auditu verklaring met aangever als bron en de getuige heeft van hem geen details gehoord. Dat deze getuige heeft verklaard dat aangever verward klonk aan de telefoon levert evenmin dit steunbewijs op omdat uit die verklaring niet volgt waarom dat zo was.
Hoewel het hof geen reden heeft om te twijfelen aan de betrouwbaarheid van de verklaringen van de aangevers, is gelet op het vorenstaande niet wettig en overtuigend bewezen wat de verdachte is ten laste gelegd zodat de verdachte van deze feiten moet worden vrijgesproken.
Bewezenverklaringen
Feit 2. verkrachting van [slachtoffer 2]
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte vrijgesproken dient te worden van feit 2. Aanvankelijk heeft [slachtoffer 2] zich niet verzet en ook niet kenbaar gemaakt dat hij de verdachte niet wilde pijpen. Nadat de verdachte [slachtoffer 2] zou hebben gewurgd – waarvan de verdachte de hardhandigheid ontkent – kan ook niet gesproken worden van dwang, omdat niet bewezen kan worden dat de verdachte opzettelijk een situatie heeft gecreëerd waaraan [slachtoffer 2] zich niet kon onttrekken.
Oordeel van het hof
Het hof is van oordeel dat er geen aanleiding bestaat om te twijfelen aan de betrouwbaarheid van de verklaringen van [slachtoffer 2] . Hij heeft drie verklaringen afgelegd die op hoofdlijnen consistent, concreet en eenduidig zijn en die op het hof authentiek overkomen.
Mede op basis daarvan kan worden vastgesteld dat de verdachte [slachtoffer 2] bij zijn arm heeft gepakt en heeft meegenomen naar zijn bed, dat hij het hoofd van [slachtoffer 2] heeft vastgepakt en naar zijn geslachtsdeel heeft gebracht zodat [slachtoffer 2] hem zou pijpen. Ook kan worden vastgesteld dat de verdachte de keel van [slachtoffer 2] kort heeft dicht geknepen, waarna [slachtoffer 2] in paniek raakte. Daarna heeft de verdachte weer het hoofd van [slachtoffer 2] naar zijn penis geduwd, waarop [slachtoffer 2] de verdachte heeft gepijpt. Vervolgens drukte [slachtoffer 2] zijn eigen hoofd weg en is hij de verdachte gaan aftrekken om er van af te zijn, waarop de verdachte het hoofd van [slachtoffer 2] weer naar zijn geslachtsdeel duwde en klaar kwam in de mond van [slachtoffer 2] .
Deze vaststellingen baseert het hof mede op de verklaring van de verdachte zelf. De verdachte kan zich de ontmoeting met [slachtoffer 2] herinneren, maar herinnert zich geen details. Hij erkent in het algemeen dat hij iemand hardhandig bij zijn haren kan pakken als hij wordt gepijpt. En dat het kan zijn dat hij [slachtoffer 2] ‘gechoked’ heeft. Choken is volgens de verdachte iemand kortstondig op een seksuele manier vast pakken bij zijn nek.
Het dichtknijpen van de keel van [slachtoffer 2] is (zonder meer) aan te merken als een geweldshandeling, die in de gegeven omstandigheden iemand kan dwingen seksuele handelingen te dulden of te plegen. Met ‘in de gegeven omstandigheden’ bedoelt het hof te zeggen dat het dichtknijpen van de keel in een seksuele context niet zonder meer altijd tot dwang hoeft te leiden. Maar het hof vindt dat dat hier wel zo is. Hoewel het hof onvoldoende grond heeft om misbruik van overwicht vast te stellen, geeft het in dit verband wel enig gewicht aan het leeftijdsverschil - [slachtoffer 2] was 19 jaar oud - en dat heeft kennelijk invloed gehad op de mate waarin [slachtoffer 2] zich tegenover de oudere en ervaren verdachte vrij voelde seksuele handelingen achterwege te laten of zich te verzetten. Uit de verklaring van [slachtoffer 2] volgt dat hij door het dichtknijpen van zijn keel zodanig in paniek raakte dat hij hier niks aan durfde te doen en dat de verdachte dat aan zijn gezicht heeft kunnen zien. Nadat [slachtoffer 2] – als gezegd - zijn hoofd en mond wegdrukte, heeft de verdachte het hoofd van [slachtoffer 2] nog een keer naar zijn kruis geduwd en is klaargekomen in zijn mond. Door zo te handelen heeft de verdachte tenminste bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat [slachtoffer 2] hem tegen zijn wil heeft gepijpt.
Bij het oordeel dat sprake is geweest van dwang geeft het hof tot slot gewicht aan enkele verklaringen van getuigen over wat [slachtoffer 2] hen daarover heeft verteld of wat voor indruk hij op hen maakte naar aanleiding van de seks die hij met de verdachte heeft gehad. Zo heeft [getuige 2] verklaard dat [slachtoffer 2] haar heeft verteld dat hij met de verdachte heeft afgesproken bij hem thuis, dat de verdachte [slachtoffer 2] agressief heeft behandeld en hem bij zijn nek heeft gegrepen. [slachtoffer 2] was daar heel erg van geschrokken en zijn gemoedstoestand toen hij het aan haar vertelde was niet goed. Toen [getuige 2] en [slachtoffer 2] de verdachte op een later moment zagen bij een gala, zag [getuige 2] aan [slachtoffer 2] dat hij bang was.
Ook de moeder van [slachtoffer 2] heeft verklaard dat [slachtoffer 2] geruime tijd later aan zijn ouders heeft verteld dat hij naar het appartement van iemand in de modewereld is gegaan en daar op een gruwelijke manier is verkracht en gewurgd. Zijn ouders hebben meegemaakt dat hij thuis in paniek naar beneden kwam omdat hij het gevoel had dat hij stikte, omdat hij gewurgd is. Toen [slachtoffer 2] het artikel over de verdachte had gelezen, was hij helemaal overstuur.
Tot slot heeft [getuige 1] verklaard dat [slachtoffer 2] haar in eerste instantie alleen heeft verteld dat hij een nare ervaring heeft gehad met een man. Hij heeft verteld dat hij toen gewurgd is. In 2019 heeft hij verteld dat die man de verdachte was. Hij vertelde verder dat hij hardhandig is aangepakt, dat hij op bed was gegooid en dat hij dingen moest doen die hij niet wilde. [getuige 1] kan zich niet herinneren om welke handelingen het ging, maar haar is het wurgen bijgebleven. [slachtoffer 2] was in Amsterdam altijd op zijn hoede omdat hij bang was de verdachte tegen te komen, aldus deze getuige.
Het hof acht op basis van al het voorgaande bewezen dat de verdachte [slachtoffer 2] heeft verkracht.
Feit 4 en 5: poging tot en de verkrachting van [slachtoffer 4]
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte moet worden vrijgesproken van feit 4 omdat hij is gestopt toen [slachtoffer 4] zei dat hij niet anaal gepenetreerd wilde worden. Ook voor feit 5 moet een vrijspraak volgen. Daartoe is aangevoerd dat [slachtoffer 4] de verdachte eerder vrijwillig heeft gepijpt en zijn onwil verder niet kenbaar heeft gemaakt. Dat het niet de afspraak was dat de verdachte in de mond van [slachtoffer 4] klaar zou komen is onvoldoende om te spreken van dwang.
Oordeel van het hof
Vooropgesteld is het hof van oordeel dat er geen aanleiding is om te twijfelen aan de betrouwbaarheid van de verklaringen van [slachtoffer 4] . Hij heeft driemaal verklaringen afgelegd die op hoofdlijnen consistent, concreet en eenduidig zijn en die op het hof authentiek overkomen.
Vrijspraak poging tot (anale) verkrachting (feit 4)
Met de rechtbank is het hof van oordeel dat feit 4 niet bewezen kan worden. Uit zowel de verklaring van de verdachte als die van [slachtoffer 4] volgt dat [slachtoffer 4] kenbaar heeft gemaakt dat hij niet anaal gepenetreerd wilde worden en dat de verdachte daarop heeft gereageerd dat hij dat niet zou gaan doen en dat dit vervolgens ook niet daadwerkelijk is gebeurd. Dat de verdachte opzet heeft gehad om [slachtoffer 4] te proberen te dwingen om tegen zijn wil seksuele handelingen (anale penetratie) te ondergaan, kan op basis van de beschikbare verklaringen niet worden vastgesteld, zodat de verdachte van feit 4 moet worden vrijgesproken.
Veroordeling (orale) verkrachting (feit 5)
Zowel de verdachte als [slachtoffer 4] hebben verklaard dat [slachtoffer 4] de verdachte daarna heeft gepijpt. Volgens [slachtoffer 4] trok de verdachte hem aan zijn haren naar zijn penis. De verdachte zei: pijpen. Dat heeft [slachtoffer 4] gedaan. Het aan de haren trekken deed pijn. Af en toe ging de verdachte hardhandig met zijn penis achter in de keel van [slachtoffer 4] , waardoor [slachtoffer 4] ook moest kokhalzen. Het hof merkt het trekken aan de haren in deze context aan als geweld. De verdachte was bang dat de verdachte boos zou worden als hij niet doorging. De verdachte zei dat hij bijna klaar zou komen en vroeg aan [slachtoffer 4] of hij in zijn mond mocht klaarkomen. [slachtoffer 4] zei toen dat hij dat niet wilde. De verdachte reageerde daarop op gebiedende wijze dat [slachtoffer 4] dat wel zou doen en hij pakte hem bij zijn haren en trok zijn mond om zijn penis. Hij kwam vervolgens klaar achter in de keel van [slachtoffer 4] .
De verdachte ontkent dat [slachtoffer 4] heeft gezegd dat hij niet wilde dat de verdachte in zijn mond klaar zou komen, maar het dossier biedt genoeg steunbewijs voor de lezing van [slachtoffer 4] . Zo heeft getuige [getuige 3] verklaard dat [slachtoffer 4] haar na de afspraak met de verdachte heeft gebeld en dat hij overstuur en erg van slag klonk aan de telefoon. [slachtoffer 4] vertelde haar dat hij gedwongen was om dingen bij de verdachte te doen. [slachtoffer 4] moest hem pijpen. Daarnaast bevinden zich in het dossier Whatsappgesprekken tussen [slachtoffer 4] en de verdachte op de avond na de afspraak, waarin [slachtoffer 4] aan de verdachte vraagt wanneer hij voor het laatst op HIV is getest. De verdachte reageert dan dat hij het verdrietig en vervelend vindt dat [slachtoffer 4] zich zorgen maakt en hij zegt: “Zo had het niet moeten eindigen tussen ons.”. [slachtoffer 4] reageert daarop met de tekst: “Ja dat krijg je nou eenmaal als je ongewild zaad in je mond krijgt”.
Het hof ziet hierin voldoende steunbewijs voor de verklaring van [slachtoffer 4] dat de verdachte tegen de wil van [slachtoffer 4] zijn penis in de mond van [slachtoffer 4] bracht en in zijn mond is klaargekomen. Het hof acht dan ook bewezen dat de verdachte is voorbij gegaan aan het verbale protest van [slachtoffer 4] en dat hij opzettelijk een situatie heeft veroorzaakt waarin hij [slachtoffer 4] tegen zijn wil seksueel is binnengedrongen. Dat [slachtoffer 4] de verdachte voorafgaand aan dit moment wel vrijwillig heeft gepijpt doet hier niet aan af. De omstandigheid dat [slachtoffer 4] na afloop in eerste instantie tegen de verdachte zou hebben gezegd dat hij geen dingen heeft gedaan die hij niet wilde, maakt dit ook niet anders.
Het voorgaande levert naar het oordeel van het hof een verkrachting op, zodat feit 5 wettig en overtuigend bewezen wordt verklaard.
Feit 7 primair: poging tot verkrachting van [slachtoffer 6] en feit 7 subsidiair: aanranding
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte integraal moet te worden vrijgesproken van feit 7. Ten aanzien van de primair ten laste gelegde poging tot verkrachting is aangevoerd dat niet bewezen kan worden dat de verdachte opzet had op het binnendringen van de anus van [slachtoffer 6] .
Ook het subsidiaire feit, de aanranding, kan niet bewezen worden. Daartoe is allereerst aangevoerd dat er vier jaar zit tussen de mutatierapporten en de aangifte, waarbij ook wordt opgemerkt dat het informatief gesprek zeden heeft plaatsgevonden zes dagen na de publicatie van het artikel over de verdachte. De inhoud van de aangifte en van het verhoor bij de rechter-commissaris is beduidend gedetailleerder en ernstiger dan de summiere informatie uit de mutatierapporten. De vraag dringt zich dan ook op of de latere verklaringen zijn gekleurd door het artikel en de media-aandacht.
Ten tweede blijkt uit de verklaringen van [slachtoffer 6] dat hij in staat was grenzen te stellen en fysiek te handelen: hij was kennelijk niet in een situatie van handelingsonvrijheid.
Ten derde levert het waargenomen letsel geen steunbewijs op voor de ontuchtige handelingen: die steunen enkel op de verklaring van [slachtoffer 6] . Het bijten en knijpen vond plaats op de bank, vóór de vermeende aanranding. Er bestaat daarmee in de optiek van de verdediging een te ver verwijderd verband tussen het steunbewijs en de kern van de tenlastelegging. Tot slot is aangevoerd dat er geen sprake was van dwang: het enkele feit dat de verdachte niet meteen stopte toen [slachtoffer 6] protesteerde maakt nog niet dat hier sprake van was. En zelfs als wel objectief vastgesteld kan worden dat er sprake was dwang, dan kan nog niet bewezen worden dat de verdachte daar opzet op had.
Oordeel van het hof
Het hof kan zich vinden in de beslissing van de rechtbank ten aanzien van feit 7 en zal daarbij in grote mate aansluiting zoeken.
Het hof acht de verklaringen van de destijds zeventienjarige [slachtoffer 6] betrouwbaar en bruikbaar voor het bewijs. [slachtoffer 6] heeft direct na het incident op 21 mei 2017 melding gedaan bij de politie. De mutatie die daarvan is opgemaakt is zoals vaker het geval summier. Er volgt uit dat hij die dag een date had met de verdachte en dat de verdachte hem aangerand had. De verdachte zat aan [slachtoffer 6] terwijl hij dat niet wilde, hij durfde niet weg te gaan omdat de verdachte dan boos zou worden. Hij heeft [slachtoffer 6] ook pijn gedaan door hem in zijn borstkas te knijpen en in de nek te bijten.
De volgende dag heeft een verbalisant een bijtplek en een blauwe plek gezien bij [slachtoffer 6] . Omdat de politie hem toen heeft verteld dat een aangifte hoogstwaarschijnlijk geen vervolging op zou leveren, heeft hij daar toen van af gezien.
Vervolgens heeft hij enkele jaren later, kort na het verschijnen van het krantenartikel, een informatief gesprek zeden met de politie gevoerd, waarna hij op 16 april 2021 alsnog aangifte heeft gedaan, waarin wel uitgebreid verslag is gedaan over de afspraak van [slachtoffer 6] met de verdachte. Hij verklaart daarin dat de verdachte aan hem begon te zitten en dat toen de verdachte hem op de bank begon te knijpen, hij dat niet goed begreep en de hand van de verdachte meerdere keren wegduwde. Hij verklaart verder dat de verdachte [slachtoffer 6] ook heeft gebeten. Dit merkt het hof aan als geweld. Op een gegeven moment heeft de verdachte [slachtoffer 6] opgetild en meegenomen naar zijn bed. Daar is hij op [slachtoffer 6] gaan liggen en heeft hij zich denigrerend uitgelaten over [slachtoffer 6] . [slachtoffer 6] kon de verdachte niet van hem afduwen omdat hij sterker was. Hij heeft het wel geprobeerd. [slachtoffer 6] verklaart verder ook te hebben gezegd dat hij dit niet wilde. De verdachte ging met zijn handen onder de kleding van [slachtoffer 6] , raakte zijn penis aan en zat met zijn vingers bij zijn anus. [slachtoffer 6] ontweek voortdurend de handen van de verdachte. Ten slotte volgt uit de aangifte dat [slachtoffer 6] later in de trein naar huis de politie heeft gebeld.
Het hof komt tot de conclusie dat [slachtoffer 6] zich door de publicatie van het artikel gesterkt heeft gevoeld om aangifte te doen en vindt het niet aannemelijk dat hij zijn aangifte zou hebben afgestemd op de inhoud van het artikel.
Het hof heeft bij dit oordeel ook betrokken dat de verklaringen van [slachtoffer 6] over de gebeurtenis op 21 mei 2017 consistent en gedetailleerd zijn en dat deze bovendien in belangrijke mate worden ondersteund door ander bewijs. Het hof is, anders dan de verdediging, van oordeel dat het door de verbalisant waargenomen letsel wél steunbewijs oplevert voor de (hiervoor betrouwbaar geachte) verklaring van [slachtoffer 6] , omdat zijn verklaring met deze waarneming niet op zichzelf staat, maar bevestiging vindt in een andere bron. Ook vindt het hof niet dat het waargenomen letsel in een te ver verwijderd verband staat van de aangifte, zoals de verdediging heeft gesteld. [slachtoffer 6] heeft namelijk verklaard dat de verdachte op de bank al hardhandiger begon te worden en hem toen gebeten en geknepen heeft. Hij heeft [slachtoffer 6] meegenomen naar de slaapkamer waarbij de verdachte [slachtoffer 6] tegen zijn wil heeft betast. Met het bijten en knijpen was met andere woorden al een situatie ontstaan waarin [slachtoffer 6] de (verdergaande) handelingen van de verdachte tegen zijn wil onderging en zich er niet méér tegen verzette dan hij al deed.
Overigens ziet het hof ook enige ondersteuning in de verklaring van de verdachte dat hij in een boekje heeft opgeschreven dat de date met [slachtoffer 6] een slechte date was. Dit past namelijk bij de verklaring van [slachtoffer 6] , dat hij geen seks met de verdachte wilde en weg is gegaan.
Het hof acht bewezen dat de verdachte [slachtoffer 6] heeft gebeten en dat hij hem heeft betast. [slachtoffer 6] heeft zich daartegen verzet door de handen van de verdachte weg te duwen. De verdachte heeft [slachtoffer 6] toen onverhoeds opgetild, naar de slaapkamer gebracht en op zijn rug op bed gelegd. Hij is vervolgens op [slachtoffer 6] gaan liggen en heeft [slachtoffer 6] - ondanks dat hij zich meermalen verbaal en fysiek heeft verzet - toch aan zijn blote bovenlichaam, penis en anus betast. Omdat de verklaringen van [slachtoffer 6] onvoldoende concreet en eenduidig zijn over het al dan niet (willen) binnendringen van de anus met de vinger, acht het hof de poging tot verkrachting niet wettig en overtuigend bewezen.
Het hof is van oordeel dat de verdachte zich met de voornoemde handelingen wel schuldig heeft gemaakt aan aanranding, in aanmerking genomen dat het door het verzet van [slachtoffer 6] niet anders kan dan dat de verdachte [slachtoffer 6] opzettelijk tegen de wil seksueel heeft betast. Hoewel het verzet voldoende kenbaar was en aldus op zich al voldoende grond biedt voor de vaststelling van dwang, overweegt het hof ook dat de verdachte met zijn dominante gedrag ten opzichte van deze zeventienjarige jongen bewust al veel risico nam dat [slachtoffer 6] zich liet overrompelen. Die overrompeling heeft er in de overtuiging van het hof (mede) toe geleid dat [slachtoffer 6] zich niet nog meer heeft kunnen verzetten dan hij al heeft gedaan.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 2, 3, 5, 6 en 7 subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
2. hij in de periode van 1 augustus 2017 tot en met 1 oktober 2017, in Amsterdam, door geweld en andere feitelijkheden [slachtoffer 2] heeft gedwongen tot het ondergaan van een handeling die bestond uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer 2] , hebbende verdachte
- zijn penis in de mond van die [slachtoffer 2] gebracht en gehouden
en bestaande dat geweld en die andere feitelijkheden hierin dat verdachte
- het hoofd van die [slachtoffer 2] heeft vastgepakt en in de richting van zijn, verdachtes, penis heeft gebracht en
- ( met kracht) de keel van die [slachtoffer 2] heeft vastgepakt en dicht geknepen en
- aan de fysieke protesten van [slachtoffer 2] voorbij is gegaan; 3.hij op 29 juli 2011 te Amsterdam, met [slachtoffer 3] (geboren op [geboortedag 2] 1996), die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen heeft gepleegd, die mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer 3] , hebbende verdachte zijn, verdachtes, penis in de anus en de mond van die [slachtoffer 3] geduwd en gehouden;5.Hij omstreeks 1 februari 2021 te Amsterdam, door geweld en andere feitelijkheden, [slachtoffer 4] heeft gedwongen tot het ondergaan van handelingen die bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer 4] , hebbende verdachte,
- zijn penis in de mond van die [slachtoffer 4] gebracht en gehouden
en bestaande dat geweld en die andere feitelijkheden hierin dat verdachte
- onverhoeds die [slachtoffer 4] aan zijn haren heeft getrokken en het hoofd van die [slachtoffer 4] naar de penis van verdachte heeft geduwd en daarbij heeft gezegd ‘pijpen’ en
- zijn penis in de mond van die [slachtoffer 4] heeft geduwd en
- in de mond van die [slachtoffer 4] is klaargekomen en
- aan de verbale protesten van [slachtoffer 4] voorbij is gegaan;
6.
hij in de periode van 1 december 2014 tot en met 31 december 2014 te Amsterdam, met [slachtoffer 5] (geboren op [geboortedag 3] 1999), die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen heeft gepleegd, die mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer 5] , hebbende verdachte zijn, verdachtes, penis in de anus van die [slachtoffer 5] geduwd en gehouden;
7.subsidiairHij op 21 mei 2017 te Amsterdam, door geweld en andere feitelijkheden [slachtoffer 6] heeft gedwongen tot het dulden van ontuchtige handelingen,
- die [slachtoffer 6] (onverhoeds) heeft opgetild en naar de slaapkamer heeft gebracht en aldaar op zijn rug op bed heeft gelegd en
- met zijn lichaam op het lichaam van die [slachtoffer 6] is gaan liggen en
- tegen die [slachtoffer 6] heeft gezegd ‘Je bent een bottomslet. Je wilt gewoon alleen maar geneukt worden’ en 'Je bent gewoon een twink die geneukt wil worden' en
- die [slachtoffer 6] heeft gebeten in zijn nek en
- terwijl die [slachtoffer 6] zich verbaal en fysiek verzette en het lichaam van verdachte van zich af probeerde te duwen die [slachtoffer 6] aan zijn (blote) bovenlichaam en penis en anus heeft aangeraakt;
Hetgeen onder 2, 3, 5, 6 en 7 subsidiair meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.
Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 2, 3, 5, 6 en 7 subsidiair bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.
Het onder 2 en 5 bewezenverklaarde levert op:
telkens:
verkrachting.
Het onder 3 en 6 bewezenverklaarde levert op:
telkens:
met iemand die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren heeft bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen plegen die bestaan uit of mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam.
Het onder 7 subsidiair bewezenverklaarde levert op:
feitelijke aanranding van de eerbaarheid.
Strafbaarheid van de verdachte
De verdachte is strafbaar, omdat geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid ten aanzien van het onder 2, 3, 5, 6 en 7 subsidiair bewezenverklaarde uitsluit.
Oplegging van straf
De rechtbank heeft de verdachte voor de feiten 3, 6 en 7 subsidiair veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden met aftrek van voorarrest, waarvan 8 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. Daarbij zijn diverse bijzondere voorwaarden gesteld, waaronder een behandelverplichting en een contactverbod met alle aangevers.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor de feiten 1 tot en met 10 zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 7 jaren.
De verdediging heeft, indien het hof tot een strafoplegging komt, verzocht rekening te houden met de volgende stafmatigende factoren:
- de verdachte is verminderd toerekenbaar omdat hij een persoonlijkheidsstoornis heeft;
- hij heeft geen relevante justitiële documentatie;
- de redelijke termijn is flink overschreden en
- de zaak heeft veel media-aandacht gehad waardoor de verdachte zijn bedrijf is verloren. Daarnaast komt hij niet meer in aanmerking voor een VOG.
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
Ernst van de feiten
De verdachte heeft zich tot twee keer toe schuldig gemaakt aan een verkrachting en daarnaast aan een aanranding. Via social media zocht hij contact met de slachtoffers, die alle drie aanzienlijk jonger en op seksueel gebied minder ervaren waren dan hij. Hij sprak met hen af bij hem thuis waarna het steeds door dominant en overrompelend gedrag van de verdachte al snel uitliep op seks(uele aanrakingen) die de slachtoffers niet wilden. De verdachte heeft daarbij verschillende vormen van dwang toegepast, van intimidatie tot geweld, en is zeer brutaal voorbij gegaan aan verbale en/of fysieke protesten van de slachtoffers.
De verdachte heeft er dus steeds voor gekozen om de grenzen van zijn slachtoffers te negeren en zijn eigen behoeften voorop te stellen. Het hof vindt dat hij zich daarbij niet kan verschuilen achter zijn verklaring dat hij in de slaapkamer ‘enkel’ een dominante positie aanneemt. Het vasthouden aan de overtuiging dat zijn sekspartners bij hem altijd de vrijheid hadden om ‘nee’ te zeggen, wijst op een ernstige onderschatting van de effecten van zijn dominante, veelal overrompelende en soms ronduit gewelddadige handelen. Hij heeft met zijn handelen de lichamelijke en seksuele integriteit van alle drie de slachtoffers op grove wijze geschonden. Dat de gebeurtenissen grote impact hebben gehad op de slachtoffers blijkt onder meer uit wat namens twee van hen ter zitting naar voren is gebracht.
De verdachte heeft zich daarnaast schuldig gemaakt aan het hebben van seks met twee minderjarige jongens. De slachtoffers waren destijds pas 15 jaar oud, terwijl de verdachte zelf 22 respectievelijk 26 jaar oud was. Het gegeven dat de verdachte welbewust met deze jonge jongens heeft afgesproken en vervolgens seks met hen heeft gehad op de dominante en ruwe manier, zoals uit de verklaringen van de slachtoffers blijkt, waardoor hij de jongens een nare (eerste) seksuele ervaring heeft gegeven, vindt het hof stuitend. Minderjarigen van onder de zestien jaar genieten bijzondere bescherming onder de zedenwet, juist omdat zij zich in een kwetsbare ontwikkelingsfase bevinden en gelet op hun jeugdige leeftijd onvoldoende in staat worden geacht de consequenties van hun eigen handelen in te schatten. De verdachte heeft door zijn handelen op ernstige wijze de lichamelijke integriteit van de slachtoffers geschonden. De ervaring leert dat seksueel misbruik van jeugdigen vaak leidt tot langdurige psychische schade en een verstoring van de (seksuele) ontwikkeling tot gevolg kan hebben.
Persoon van de verdachte
Het hof heeft acht geslagen op de inhoud van de reclasseringsadviezen van 29 juni 2022 en 10 september 2024. Daaruit volgt dat de verdachte sinds 2011 in een vrijwillig kader in behandeling is geweest omdat hij niet tevreden was met zijn functioneren en emotieregulatie. De behandeling is in 2021 door De Waag overgenomen en er is opnieuw diagnostisch onderzoek gedaan. In de periode van 2011 tot 2022 is door vier verschillende behandelaren een ongeveer gelijkluidende diagnose gesteld, namelijk dat de verdachte lijdt aan persoonlijkheidsproblematiek, al dan niet met borderline- en/of narcistische trekken. Het hof heeft in dit verband ook net als de rechtbank acht geslagen op de inhoud van het behandelplan van De Waag van 22 november 2021, opgesteld door [deskundige] .
Op basis van deze diagnose en gelet op de aard van de bewezenverklaarde feiten (in de periode van 2011 tot en met 2021), die zich veelal kenmerken door intimiderend en dominant gedrag van de verdachte, welk gedrag zich uitte in ruige seks, waarbij de verdachte weinig oog had voor de wensen van de slachtoffers en beperkte interesse toonde in hun welzijn, ziet het hof voldoende grond om tot de vaststelling te komen dat:
(1) bij de verdachte sprake is van een andere gespecificeerde persoonlijkheidsstoornis in de zin van trekken van een borderline- en narcistische persoonlijkheidsstoornis en dat
(2) ten tijde van het plegen van de bewezen verklaarde feiten de stoornis bij de verdachte aanwezig was.
Het hof gaat voorbij aan de conclusie van psychiater J.M. Oudejans , namelijk dat de gedragingen volledig aan de verdachte kunnen worden toegerekend. Het hof vindt het met de rechtbank aannemelijk dat de stoornis in enige mate heeft doorgewerkt in de bewezenverklaarde feiten, zodat deze in (enigszins) verminderde mate aan de verdachte kunnen worden toegerekend. Het hof zal daarmee ook in enige mate rekening houden bij de strafoplegging.
Het hof heeft tot slot kennis genomen van het meest recente reclasseringsadvies van 29 april 2026. Hieruit volgt dat de reclassering meent dat de behandeling van de verdachte heeft bijgedragen aan een gedragsverandering. Er zijn geen nieuwe feiten meer bekend geworden sinds 2021. De reclassering ziet er verder – mede gezien de lange periode die verstreken is – geen meerwaarde meer in om alsnog een behandelverplichting op te leggen.
Media-aandacht
De zaak heeft aanzienlijke en door de verdachte niet gewilde media-aandacht gekregen die zijn persoonlijk leven nog meer heeft geschaad dan zijn vervolging en berechting redelijkerwijs meebrengen. Als genoemd is op 12 maart 2021 een groot artikel over de verdachte in Het Parool en NRC verschenen en ook in aanloop naar het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg heeft de zaak veel media-aandacht gekregen. Alle samenwerkingen met de verdachte werden ingetrokken en de verdachte is zijn modebedrijf kwijtgeraakt. Het hof houdt ook met deze omstandigheid in strafmatigende zin rekening.
Strafoplegging
Gezien de ernst van de feiten is het hof van oordeel dat alleen een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op zijn plaats is. Het hof kijkt bij het bepalen van de hoogte van die straf naar straffen die rechters in soortgelijke zaken opleggen zoals die ook zijn opgenomen in de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS).
Mede gelet op de context waarin de feiten hebben plaatsgevonden, de gelijksoortigheid van de feiten en het aantal ervan vindt het hof een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 50 maanden als uitgangspunt passend. Het hof houdt rekening met de omstandigheid dat de bewezenverklaarde feiten de verdachte in (enigszins) verminderde mate kunnen worden toegerekend, de ouderdom van vier van de bewezenverklaarde feiten en de gevolgen van de media-aandacht. Dit alles maakt dat het hof een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 44 maanden in beginsel passend en geboden acht.
Redelijke termijn
Het hof stelt vast dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM in eerste aanleg is overschreden. De verdachte is op 8 maart 2021 in verzekering gesteld. De rechtbank heeft eindvonnis gewezen op 23 oktober 2024. Daarmee is de redelijke termijn in eerste aanleg met 19 maanden overschreden. Het hof zal de overschrijding van de redelijke termijn verdisconteren in de strafoplegging en de straf verminderen tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 42 maanden.
Tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de veroordeelde in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.
Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2]
De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 10.000,00, bestaande uit immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep niet-ontvankelijk verklaard, omdat de rechtbank de verdachte van feit 2 heeft vrijgesproken. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering.
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering volledig kan worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De verdediging verzoekt primair de vordering van de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren gelet op het tot vrijspraak strekkende verweer. Subsidiair meent de verdediging dat de vordering niet-ontvankelijk moet worden verklaard omdat deze post valt onder het verlies van verdienvermogen. Meer subsidiair stelt de verdediging zich op het standpunt dat de post, gelet op het leerstuk van de causaliteit, te complex is. De benadeelde partij heeft gesteld dat hij zijn balletcarrière heeft moeten opgeven. Daar is een blessure de oorzaak van geweest, niet het handelen van de verdachte.
Het hof oordeelt als volgt.
De benadeelde partij heeft in totaal een bedrag van € 10.000,00 gevorderd tot vergoeding van immateriële schade, vanwege psychische schade veroorzaakt door de verkrachting. Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van feit 2 rechtstreeks immateriële schade heeft geleden. Uit de onderbouwing die door de benadeelde partij is gegeven, blijkt immers dat de benadeelde partij als gevolg van het feit PTSS klachten heeft gekregen. Er is sprake van een aantasting in de persoon “op andere wijze” als bedoeld in artikel 6:106 aanhef en onder b van het Burgerlijk Wetboek.
De aard en de ernst van de bewezenverklaarde verkrachting – zoals volgt uit wat bij de bewijsmotivering en de motivering van de straf is overwogen – brengen naar het oordeel van het hof mee dat, nog daargelaten de genoemde PTSS klachten, de nadelige gevolgen van de verkrachting voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon naar algemene ervaringsregels kan worden aangenomen. De benadeelde kan dus aanspraak maken op een schadevergoeding.
Op grond van voornoemd artikel heeft de benadeelde partij recht op een naar billijkheid vast te stellen vergoeding van immateriële schade. Het hof neemt bij het vaststellen van de omvang van de immateriële schade de Rotterdamse Schaal, een ordening van smartengeldbedragen bij letsel en andere persoonsaantastingen, tot uitgangspunt. In hoofdstuk 15 ‘Verkrachting’ wordt onder categorie (c) – waarbij het doorgaans om een eenmalige verkrachting gaat – een bandbreedte van € 2.500,00 tot € 7.500,00 genoemd. Verder heeft het hof bij de bepaling van de omvang van de immateriële schade gelet op de aard, de ernst en de verwijtbaarheid van het onrechtmatige handelen van de verdachte, alsmede de ernst van de inbreuk die daarmee op de lichamelijke integriteit van de benadeelde partij is gemaakt en de nadelige gevolgen die het handelen van de verdachte heeft gehad op het dagelijkse leven van de benadeelde partij.
Alles afwegend stelt het hof de omvang van de immateriële schade daarom naar billijkheid vast op
€ 6.500,00. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering in zoverre zal worden toegewezen en voor het overige zal worden afgewezen.
Het hof zal daarnaast de gevorderde wettelijke rente vanaf de hierna te noemen datum toewijzen en de schadevergoedingsmaatregel opleggen op de hierna te noemen wijze om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed.
Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 3]
De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 5.000,00, bestaande uit immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep volledig toegewezen. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering.
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering volledig kan worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De verdediging heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de vordering niet-ontvankelijk verklaard moet worden omdat de benadeelde partij de impact op zijn leven niet deugdelijk heeft onderbouwd. Subsidiair hebben zij het standpunt ingenomen dat de hoogte van de vordering gematigd moet worden, omdat de benadeelde partij een deel van de handelingen als plezierig heeft ervaren.
Het hof oordeelt als volgt.
Uit het dossier en het onderzoek ter zitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder feit 3 bewezenverklaarde handelen van verdachte immateriële schade heeft geleden als bedoeld in artikel 6:106, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek. Naar het oordeel van het hof brengen de aard en de ernst van de normschending in het onderhavige geval met zich dat de gestelde nadelige gevolgen voor de benadeelde zo voor de hand liggen dat sprake is van aantasting in de persoon op een andere wijze. De verdachte is dan ook op grond van voornoemd artikel gehouden tot vergoeding van de schade.
Het hof heeft daarbij gelet op de aard van het delict, te weten het plegen van ontuchtige handelingen met een minderjarige, welke handelingen mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam, het grote leeftijdsverschil, verschil in ervaring op seksueel gebied en daarmee de ongelijkwaardigheid tussen de verdachte en de benadeelde partij. Dat de benadeelde partij, zoals door de verdediging is gesteld, een deel van de seksuele handelingen als plezierig heeft ervaren, maakt dat oordeel niet anders. Immers had het gelet op het leeftijdsverschil juist op de weg van de verdachte gelegen om van de welwillendheid of nieuwsgierigheid van de benadeelde partij geen misbruik te maken. Daarbij komt dat het regelmatig voorkomt dat slachtoffers van dit soort delicten pas veel (soms jaren) later beseffen wat hen
is overkomen. De verdachte is dan ook op grond van voornoemd artikel gehouden tot vergoeding van de schade.
Het hof heeft bij de beslissing over de hoogte van de toewijzing van immateriële schade aansluiting gezocht bij de Rotterdamse schaal. Het hof is van oordeel dat de schade van de benadeelde partij valt onder de categorie ‘Ontucht met binnendringen: ernstig’ zoals omschreven in de Rotterdamse schaal, omdat het gaat om eenmalige ontucht met binnendringen, waarbij sprake is geweest van vergaande seksuele handelingen namelijk zowel oraal als anaal binnendringen met de penis. Gelet op de feiten en omstandigheden waaronder het feit is begaan, acht het hof het gevorderde bedrag van € 5.000,00, als smartengeld billijk en zal de vordering geheel toewijzen, te vermeerderen met de wettelijke rente.
Het hof zal de schadevergoedingsmaatregel opleggen op de hierna te noemen wijze om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed.
Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 4]
De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 5.000,00, bestaande uit immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep niet-ontvankelijk verklaard, omdat de rechtbank de verdachte van de feiten 4 en 5 heeft vrijgesproken. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering.
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering volledig kan worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De verdediging verzoekt primair de vordering van de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren gelet op het tot vrijspraak strekkende verweer. Subsidiair meent de verdediging dat de vordering niet-ontvankelijk verklaard moet worden omdat de benadeelde partij de impact op zijn leven niet deugdelijk heeft onderbouwd.
Het hof oordeelt als volgt.
Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van feit 5 rechtstreeks immateriële schade heeft geleden omdat sprake is van een aantasting in persoon “op andere wijze” als bedoeld in artikel 6:106 aanhef en onder b van het Burgerlijk wetboek. De aard en de ernst van de bewezenverklaarde verkrachting – zoals volgt uit wat bij de bewijsoverweging en de motivering van de straf is overwogen – brengen naar het oordeel van het hof mee dat de nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon naar algemene ervaringsregels kan worden aangenomen.
Op grond van voornoemd artikel heeft de benadeelde partij recht op een naar billijkheid vast te stellen vergoeding van immateriële schade. Het hof neemt bij het vaststellen van de omvang van de immateriële schade de Rotterdamse Schaal tot uitgangspunt. In hoofdstuk 15 ‘Verkrachting’ wordt onder categorie (c) – waarbij het doorgaans om een eenmalige verkrachting gaat, vaak situaties waarin de benadeelde en de dader een date hadden – een bandbreedte van € 2.500,00 tot € 7.500,00 genoemd. Verder heeft het hof bij de bepaling van de omvang van de immateriële schade gelet op de aard, de ernst en de verwijtbaarheid van het onrechtmatige handelen van de verdachte, alsmede de ernst van de inbreuk die daarmee op de lichamelijke integriteit van de benadeelde partij is gemaakt en de nadelige gevolgen die het handelen van de verdachte heeft gehad op het dagelijkse leven van de benadeelde partij. Alles afwegend stelt het hof de omvang van de immateriële schade daarom vast op de gevorderde
€ 5.000,00. De vordering zal dan ook geheel worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente.
Het hof zal de schadevergoedingsmaatregel opleggen op de hierna te noemen wijze om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed.
Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 5]
De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 5.000,00, bestaande uit immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep volledig toegewezen. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering.
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering volledig kan worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De verdediging heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de vordering niet-ontvankelijk verklaard moet worden omdat de benadeelde partij de impact op zijn leven niet deugdelijk heeft onderbouwd. Subsidiair hebben zij het standpunt ingenomen dat de hoogte van de vordering gematigd moet worden, omdat de benadeelde partij per se met de verdachte wilde afspreken en heeft gelogen over zijn leeftijd.
Het hof oordeelt als volgt.
Uit het dossier en het onderzoek ter zitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder feit 6 bewezenverklaarde handelen van verdachte immateriële schade heeft geleden als bedoeld in artikel 6:106, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek. Naar het oordeel van het hof brengen de aard en de ernst van de normschending in het onderhavige geval met zich dat de gestelde nadelige gevolgen voor de benadeelde zo voor de hand liggen dat sprake is van aantasting in de persoon op een andere wijze. De verdachte is dan ook op grond van voornoemd artikel gehouden tot vergoeding van de schade. Het hof heeft daarbij gelet op de aard van het delict, te weten het plegen van ontuchtige handelingen met een minderjarige, welke handelingen mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam, het grote leeftijdsverschil, het verschil in ervaring op seksueel gebied en daarmee de ongelijkwaardigheid tussen de verdachte en de benadeelde partij.
Dat de benadeelde partij, zoals door de verdediging is gesteld, heeft aangedrongen op een ontmoeting met de verdachte en hij aanhoudend bleef liegen over zijn ware leeftijd, maakt dat oordeel niet anders. Immers had het, gelet op het leeftijdsverschil, juist op de weg van de verdachte gelegen om van de welwillendheid of nieuwsgierigheid van de benadeelde partij geen misbruik te maken.
De verdachte is dan ook op grond van voornoemd artikel gehouden tot vergoeding van de schade.
Het hof heeft bij de beslissing over de hoogte van de toewijzing van immateriële schade aansluiting gezocht bij de Rotterdamse schaal. Het hof is van oordeel dat de schade van de benadeelde partij valt onder de categorie ‘Ontucht met binnendringen: ernstig’ zoals omschreven in de Rotterdamse schaal, omdat het gaat om eenmalige ontucht met binnendringen, waarbij sprake is geweest van vergaande seksuele handelingen namelijk orale en anale seks. Gelet op de feiten en omstandigheden waaronder het feit is begaan, acht het hof het gevorderde bedrag van € 5.000,00, als smartengeld billijk en zal de vordering tot dat bedrag toewijzen, te vermeerderen met de wettelijke rente.
Het hof zal de schadevergoedingsmaatregel opleggen op de hierna te noemen wijze om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed.
Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 6] (destijds genaamd [slachtoffer 6] , thans [slachtoffer 6]
De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 20.625,00, bestaande uit € 4.000,00 ter compensatie van immateriële schade en € 16.625,00 aan kosten voor studievertraging. Ook wordt de wettelijke rente verzocht en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 2.000,00. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering.
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering volledig kan worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De verdediging heeft verzocht de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in zijn vordering, primair gelet op het tot vrijspraak strekkende verweer. Daarnaast is het causale verband tussen de vermeende handelingen van de verdachte en de opgelopen studievertraging onvoldoende onderbouwd. Ook het immateriële deel is onvoldoende onderbouwd volgens de verdediging.
Het hof overweegt als volgt.
Immateriële schade
Uit het dossier en het onderzoek ter zitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van onder feit 7 subsidiair bewezenverklaarde handelen van verdachte immateriële schade heeft geleden als bedoeld in artikel 6:106, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek. Naar het oordeel van het hof brengen de aard en de ernst van de normschending, te weten aanranding, in het onderhavige geval, gelet ook op de omstandigheden waaronder dit gebeurde, met zich dat de gestelde nadelige gevolgen voor de benadeelde zo voor de hand liggen dat sprake is van aantasting in de persoon op een andere wijze. De verdachte is dan ook op grond van voornoemd artikel gehouden tot vergoeding van de schade.
Het hof heeft bij de beslissing over de hoogte van de toewijzing van immateriële schade aansluiting gezocht bij de Rotterdamse schaal. Het hof is van oordeel dat de schade van de benadeelde partij valt onder de categorie ‘Aanranding (art. 246 Sr oud): ernstig’ zoals omschreven in de Rotterdamse schaal, omdat het gaat om eenmalige aanranding waarbij de verdachte het blote geslachtsdeel van de benadeelde partij heeft betast. Bij deze categorie wordt een bandbreedte van € 2.000,00 tot € 5.000,00 genoemd.
Gelet op de feiten en omstandigheden waaronder het feit is begaan, acht het hof het gevorderde bedrag van € 4.000,00, als smartengeld billijk en zal de vordering toewijzen, te vermeerderen met de wettelijke rente.
Materiële schade in de vorm van studievertraging
De benadeelde partij zal voor de materiële schadepost voor studievertraging niet-ontvankelijk worden verklaard in de vordering. Het hof is namelijk van oordeel dat mede gelet op het gevoerde verweer een verantwoorde behandeling van dit deel van de vordering en de beoordeling daarvan nader onderzoek vergt en dus een onevenredige belasting voor het strafgeding oplevert. Daartoe overweegt het als volgt.
De onderbouwing ziet in het bijzonder op de verklaring van de jaarlaagcoördinator van de benadeelde partij in de jaren die voorafgingen aan het schooljaar waarin het tenlastegelegde in mei plaatsvond. Er staat in dat zonder de aanranding de benadeelde partij naar verwachting was overgegaan. Maar daar staat tegenover dat de auteur toen niet meer de jaarlaagcoördinator was, zij in de voorgaande jaren heeft ondervonden dat de benadeelde partij toen al moeilijke tijden had, en dat de benadeelde partij zoals volgt uit de overgelegde rapportcijfers gedurende het schooljaar geleidelijk al minder presteerde. De verdediging wijst hier ook nadrukkelijk op.
Dat maakt dat nader onderzoek moet worden gedaan naar het betwiste causale verband tussen het tenlastegelegde en de studievertraging.
In zoverre kan de benadeelde partij daarom niet in de vordering worden ontvangen en kan dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
Het hof zal de schadevergoedingsmaatregel opleggen op de hierna te noemen wijze om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed.
Vorderingen van de benadeelde partijen [slachtoffer 7] , [slachtoffer 8] en [slachtoffer 9]
De benadeelde partij [slachtoffer 7] , [slachtoffer 8] en [slachtoffer 9] hebben zich allen in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedragen ieder € 5.000,00, bestaande uit immateriële schade. De vorderingen zijn bij het vonnis waarvan beroep niet-ontvankelijk verklaard, omdat de rechtbank de verdachte van de feiten 8, 9 en 10 heeft vrijgesproken. De benadeelde partijen hebben zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van hun oorspronkelijke vordering.
De verdachte wordt vrijgesproken ter zake van het onder 8, 9 en 10 tenlastegelegde handelen waardoor de gestelde schade zou zijn veroorzaakt. De benadeelde partijen kunnen daarom niet in de vordering worden ontvangen.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 36f, 57, 242, 245 en 246 van het Wetboek van Strafrecht.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, en doet in zoverre opnieuw recht:
Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 1, 4, 7 primair, 8, 9 en 10 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 2, 3, 5, 6 en 7 subsidiair tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het onder 2, 3, 5, 6 en 7 subsidiair bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 42 (tweeënveertig) maanden.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 2] ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 6.500,00 (zesduizend vijfhonderd euro) ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Wijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor het overige af.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 2] , ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 6.500,00 (zesduizend vijfhonderd euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 57 (zevenenvijftig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 1 oktober 2017.
Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 3]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 3] ter zake van het onder 3 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 5.000,00 (vijfduizend euro) ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 3] , ter zake van het onder 3 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 5.000,00 (vijfduizend euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 50 (vijftig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 30 juli 2011.
Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 4]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 4] ter zake van het onder 5 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 5.000,00 (vijfduizend euro) ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 4] , ter zake van het onder 5 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 5.000,00 (vijfduizend euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 50 (vijftig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 1 februari 2021.
Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 5]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 5] ter zake van het onder 6 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 5.000,00 (vijfduizend euro) ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 5] , ter zake van het onder 6 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 5.000,00 (vijfduizend euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 50 (vijftig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 31 december 2014.
Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 6]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 6] ter zake van het onder 7 subsidiair bewezenverklaarde tot het bedrag van € 4.000,00 (vierduizend euro) ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Verklaart de benadeelde partij voor de gevorderde vergoeding van materiële schade niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 6] , ter zake van het onder 7 subsidiair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 4.000,00 (vierduizend euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 40 (veertig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 21 mei 2017.
Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 7]
Verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 7] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding.
Bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder hun eigen kosten dragen.
Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 8]
Verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 8] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding.
Bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder hun eigen kosten dragen.
Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 9]
Verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 9] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding.
Bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder hun eigen kosten dragen.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. M. Iedema, mr. M.J.A. Duker en mr. H. Sytema, in tegenwoordigheid van mr. D. Damman, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 8 juni 2026.
mr. H. Sytema is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.