ECLI:NL:GHAMS:2026:1584

ECLI:NL:GHAMS:2026:1584

Instantie Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak 17-03-2026
Datum publicatie 09-06-2026
Zaaknummer 25/2053 tot en met 25/2060
Rechtsgebied Bestuursrecht; Belastingrecht
Procedure Verwijzing na Hoge Raad
Zittingsplaats Amsterdam
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:HR:2025:1391

Samenvatting

Verwijzingszaak. Het Hof moet na verwijzing beoordelen of belanghebbende – op het moment van kennisneming van de aanslagbiljetten – in redelijkheid kon menen dat de primitieve aanslagen voor de jaren 2017 en 2018 op goede gronden waren vastgesteld.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

kenmerken 25/2053 tot en met 25/2060

17 maart 2026

uitspraak van de vijfde meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

[X] , wonende te [Y] ( [land] ), belanghebbende,

(gemachtigde: mr. J.F. van Dijk)

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag (hierna: de rechtbank) van 17 januari 2023 in de zaken met kenmerken SGR 21/7208 tot en met SGR 21/7215, na verwijzing door de Hoge Raad der Nederlanden, in het geding tussen

belanghebbende

en

de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.

1. Procesverloop

Bij arrest van 26 september 2025 (nr. 24/01975) heeft de Hoge Raad het geding ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van zijn arrest naar het Hof verwezen, na gedeeltelijke vernietiging van de uitspraak van het Gerechtshof Den Haag van 9 april 2024 (nrs. BK-23/224, BK-23/225, BK-23/236 tot en met BK-23/239, BK-24/250 en BK-24/251). Het procesverloop tot en met het arrest van de Hoge Raad is te kennen uit dat arrest en uit de genoemde uitspraak van het Gerechtshof Den Haag.

Na verwijzing heeft de inspecteur een schriftelijke conclusie ingediend, alsmede een pleitnota toegezonden.

Het onderzoek ter zitting bij het Hof heeft plaatsgevonden op 11 maart 2026. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden.

2. Verwijzingsopdracht

De Hoge Raad heeft de uitspraak van het Gerechtshof Den Haag vernietigd voor zover daarin is beslist over aan belanghebbende over de jaren 2017 en 2018 opgelegde in de navorderingsaanslagen inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV), de voor die jaren aan hem opgelegde navorderingsaanslagen inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet (hierna: Zvw) en de daarbij gegeven beschikkingen belastingrente. Verwijzing moet volgen, aldus de Hoge Raad, om opnieuw te beoordelen of belanghebbende – op het moment van kennisneming van de aanslagbiljetten – in redelijkheid kon menen dat de primitieve aanslagen voor de jaren 2017 en 2018 op goede gronden waren vastgesteld. De beslissingen van het Gerechtshof Den Haag over aan belanghebbende over de jaren 2015 en 2016 opgelegde navorderingsaanslagen IB/PVV en Zvw, alsmede daarmee samenhangende beschikkingen, heeft de Hoge Raad in stand gelaten en zijn daarmee al definitief komen vast te staan.

3. Feiten

Voor de verdere behandeling en beslissing van de zaak na verwijzing door de Hoge Raad zijn de volgende feiten van belang (deze zijn in hoofdzaak ontleend aan de uitgangspunten in het arrest van de Hoge Raad).

Belanghebbende drijft sinds 1 januari 2013 een onderneming in de vorm van een eenmanszaak en heeft daarmee (onder meer) over elk van de jaren 2017 en 2018 winst behaald. De echtgenote van belanghebbende verzorgt de administratie van de eenmanszaak.

Voor de jaren 2017 en 2018 heeft belanghebbende, na daartoe te zijn uitgenodigd door de inspecteur, aangiften voor de IB/PVV gedaan, zij het naar te lage bedragen door de volgende onjuistheden:

het achterwege laten van de bijtelling voor het privégebruik van zakelijke auto’s, die belanghebbende thuis parkeerde, zonder dat enig bewijs van uitsluitend zakelijk gebruik voorhanden is (2017 en 2018);

het buiten beschouwing laten van een deel van de gefactureerde en betaalde omzet, die als overlopend activum is geboekt, terwijl de met die omzet verband houdende kosten wel direct zijn geboekt en in aftrek zijn genomen (2018), en

het aftrekken van alle kosten van een privé geleasete auto (2018).

De aangiften zijn op 6 januari 2020 (jaar 2018) en 11 januari 2020 (2017) feitelijk door de gemachtigde van belanghebbende ingediend. De gemachtigde staat belanghebbende in alle contacten met de inspecteur bij als adviseur.

De inspecteur heeft eind 2019 een onderzoek aangekondigd om de aanvaardbaarheid vast te stellen van de aangiften voor de omzetbelasting van belanghebbende over de periode 1 januari 2015 tot en met 31 december 2019. Daartoe heeft hij op 12 februari 2020 een bezoek gebracht aan de woning van belanghebbende. Tijdens het onderzoek is gebleken dat de bevindingen van het onderzoek ook gevolgen hebben voor de inkomstenbelasting. Het onderzoek is daarom uitgebreid tot de inkomstenbelasting.

Gedurende het onderzoek heeft de inspecteur via het geautomatiseerde systeem van de Belastingdienst aan belanghebbende aanslagen in de IB/PVV en de Zvw voor de jaren 2017 en 2018 opgelegd. Deze aanslagen zijn vastgesteld in overeenstemming met de aangiften, en wel met dagtekening 10 maart 2020 (voor 2017) en 18 april 2020 (voor 2018).

Tijdens het onderzoek heeft correspondentie plaatsgevonden tussen de inspecteur en de gemachtigde van belanghebbende. Deze correspondentie had onder meer betrekking op autokosten die in de aangifte voor de IB/PVV voor het jaar 2018 waren verwerkt. De inspecteur heeft belanghebbende op 23 juni 2020 herinnerd aan het verzoek om informatie over die kosten dat hij had gedaan in een e-mailbericht van 7 mei 2020. Belanghebbende heeft naar aanleiding daarvan op 30 juni 2020 per e-mail gegevens over die autokosten aan de inspecteur verstrekt.

De inspecteur heeft op grond van de uitkomsten van het onderzoek onder meer geconcludeerd dat belanghebbende voor de jaren 2017 en 2018 een te lage winst heeft verantwoord in zijn aangiften voor de IB/PVV. De inspecteur heeft vervolgens over deze jaren navorderingsaanslagen in de IB/PVV en de Zvw opgelegd.

De nagevorderde bedragen over de jaren 2017 en 2018 belopen voor elk van die jaren meer dan 30 procent van de bedragen die op grond van de wet verschuldigd zijn.

4. Geschil na verwijzing

In geschil is of de navorderingsaanslagen over de jaren 2017 en 2018 konden worden opgelegd op grond van artikel 16, lid 2, aanhef en letter c, van de AWR, en meer bepaald of daaraan in de weg staat dat belanghebbende ten tijde van de kennisneming van de primitieve aanslagen over die jaren, in redelijkheid kon menen dat die primitieve aanslagen op goede gronden waren vastgesteld (de verwijzingsopdracht). Voor het geval navordering niet op grond van artikel 16, lid 2, aanhef en onder c, van de AWR mogelijk zou zijn, heeft de inspecteur – net als hij voor het Gerechtshof Den Haag deed – bepleit dat navordering op grond van artikel 16, lid 1, van de AWR mogelijk is, omdat belanghebbende te kwader trouw is ter zake van de feiten die tot navordering aanleiding hebben gegeven, hetgeen belanghebbende heeft bestreden.

5. Beoordeling van het geschil

De Hoge Raad heeft in het verwijzingsarrest overwogen dat belanghebbende de feiten en omstandigheden moet stellen, en bij betwisting door de inspecteur aannemelijk moet maken, die meebrengen dat hij in redelijkheid kon menen dat de primitieve aanslagen voor de jaren 2017 en 2018 op goede gronden waren vastgesteld. Voorts volgt uit de overwegingen van de Hoge Raad dat in dat verband kennis en inzicht die in redelijkheid kan worden verwacht bij de gemachtigde, die belanghebbende met betrekking tot die primitieve aanslagen als adviseur heeft bijgestaan, aan belanghebbende kan worden toegerekend.

In zijn conclusie na verwijzing en in zijn pleitnota heeft de inspecteur uitgewerkt dat (de gemachtigde van) belanghebbende de aangiften voor de jaren 2017 en 2018 bewust onjuist heeft ingediend of zich althans bewust is geweest van de aanmerkelijke kans op een onjuiste aangifte. Dat hangt, aldus de inspecteur, samen met de aard van de fouten (zie 3.3). Om die reden kon belanghebbende, aldus de inspecteur, niet in redelijkheid menen dat de primitieve aanslagen over de jaren 2017 en 2018 op goede gronden waren vastgesteld. Belanghebbende was volgens de inspecteur daardoor bovendien te kwader trouw. Daarbij neemt de inspecteur steeds mede in aanmerking dat belanghebbende door een ‘gemiddelde’ dan wel ‘deskundige’ adviseur is bijgestaan.

Gevraagd ter zitting naar de concrete feiten en omstandigheden waarop belanghebbende zich daartegenover beroept in het kader van zijn standpunt dat hij in redelijkheid kon menen dat de primitieve aanslagen voor de jaren 2017 en 2018 op goede gronden waren vastgesteld, heeft zijn gemachtigde genoemd het tijdstip waarop de aanslagen zijn vastgesteld. De echtgenote van belanghebbende heeft vervolgens verklaard dat bij kennisneming van die aanslagen nog volop werd gecorrespondeerd met de controleambtenaar in het kader van het boekenonderzoek. Belanghebbende, zijn echtgenote en zijn gemachtigde waren verbaasd dat de aanslagen ondertussen desalniettemin werden vastgesteld. Verder heeft belanghebbende herhaald dat hij op fiscaal vlak een leek is en al zijn fiscale aangelegenheden overlaat aan zijn gemachtigde, terwijl zijn echtgenote de administratie van zijn eenmanszaak verzorgt. Desgevraagd heeft belanghebbende ten slotte, zonder nadere substantiëring, weersproken te kwader trouw te zijn geweest.

Naar het oordeel van het Hof is het enkele vaststellen van de primitieve aanslagen voor de jaren 2017 en 2018 voor afronding van het boekenonderzoek niet een omstandigheid die meebrengt dat belanghebbende, op het moment van kennisneming, kon menen dat die aanslagen op goede gronden waren vastgesteld. Die omstandigheid kan weliswaar een ambtelijk verzuim impliceren, maar dat is voor de navorderingsgrond van artikel 16, lid 2, aanhef en letter c, van de AWR (in redelijkheid kenbare fout) irrelevant. Bij die grond speelt het vereiste van een nieuw feit immers geen rol.

Voor het overige geldt dat zelfs van een fiscaal adviseur die aan de onderkant van de markt voor ondernemers opereert, in redelijkheid een zodanige kennis en inzicht in het fiscale recht mag worden verwacht, dat hij weet dat (i) de bijtelling voor het privégebruik van een zakelijke auto slechts achterwege mag blijven als het ontbreken van privégebruik bewezen kan worden, in beginsel met een kilometeradministratie, (ii) gefactureerde en betaalde omzet behoort tot het inkomen, en (iii) de kosten van een privéauto niet integraal zakelijk aftrekbaar zijn. Dat zijn basale zaken, die in dit geval bovendien een grote invloed op de inkomensberekening hebben. De gemachtigde moet bij het indienen van de aangiften daarom hebben onderkend dat een te laag inkomen werd aangegeven. Toen hij – naar eigen zeggen zelfs met verbazing – van de conform de aangiften vastgestelde primitieve aanslagen kennisnam, kon hij, en via hem belanghebbende, daarom in redelijkheid niet menen dat de aanslagen op goede gronden waren vastgesteld. Aan de hiervoor in 5.1 bedoelde bewijslast heeft belanghebbende dan ook niet voldaan.

Het hoger beroep is daarom ongegrond voor zover het betreft de over de jaren 2017 en 2018 opgelegde aanslagen IB/PVV, de voor die jaren opgelegde aanslagen Zvw en de daarbij gegeven beschikkingen belastingrente. Het subsidiaire standpunt van de inspecteur over kwade trouw behoeft geen behandeling.

6. Kosten

Voor een (nadere) kostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

7. Beslissing

Het Hof bevestigt de uitspraak van de rechtbank voor zover deze betreft de over de jaren 2017 en 2018 opgelegde aanslagen IB/PVV, de voor die jaren opgelegde aanslagen Zvw en de daarbij gegeven beschikkingen belastingrente.

De uitspraak is gedaan door mrs. W.J. Blokland, voorzitter, B.A. van Brummelen en JP.R. van den Berg, leden van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. H.M. Nijland als griffier. De beslissing is op 17 maart 2026 in het openbaar uitgesproken.

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.

Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).

Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;

2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;

3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.

Toelichting rechtsmiddelverwijzing

Per 15 april 2020 is digitaal procederen bij de Hoge Raad opengesteld. Niet-natuurlijke personen (daaronder begrepen publiekrechtelijke lichamen) en professionele gemachtigden zijn verplicht digitaal te procederen. Wie niet verplicht is om digitaal te procederen, kan op vrijwillige basis digitaal procederen. Hieronder leest u hoe een cassatieberoepschrift wordt ingediend.

Digitaal procederen

Het webportaal van de Hoge Raad is toegankelijk via “Login Mijn Zaak Hoge Raad” op www.hogeraad.nl. Informatie over de inlogmiddelen vindt u op www.hogeraad.nl.

Niet in Nederland wonende of gevestigde partijen of professionele gemachtigden hebben in beginsel geen geschikt inlogmiddel en kunnen daarom niet inloggen in het webportaal. Zij kunnen zo lang zij niet over een geschikt inlogmiddel kunnen beschikken, per post procederen.

Per post procederen

Alleen bepaalde personen mogen beroep in cassatie instellen per post in plaats van via het webportaal. Zij mogen dit bovendien alleen als zij zonder een professionele gemachtigde procederen. Het gaat om natuurlijke personen die geen ondernemer zijn en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Een professionele gemachtigde moet altijd digitaal procederen, ongeacht voor wie de gemachtigde optreedt. Degene die op papier mag procederen en dat ook wil, kan het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

Een afschrift van deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, is een afschrift aangetekend per post verzonden op:

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl NLF 2026/1247 V-N Vandaag 2026/1327 FutD 2026-1124 NDFR Nieuws 2026/1032 NTFR 2026/1304 met annotatie van drs. M.T.M. Hennevelt
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand