beslissing
___________________________________________________________________ _ _
GERECHTSHOF AMSTERDAM
afdeling civiel recht en belastingrecht
zaaknummer : 200.356.748/01 NOT
nummer eerste aanleg : 25-16
beslissing van de notaris- en gerechtsdeurwaarderskamer van 27 januari 2026
inzake
[appellant] ,
wonend te [plaats 1] ,
appellant,
tegen
[geïntimeerde] ,
notaris te [plaats 2] ,
geïntimeerde.
Partijen worden hierna klager en de notaris genoemd.
1. De zaak in het kort
Klager stelt dat hij de Lotto Jackpot heeft gewonnen. In deze tuchtprocedure verwijt klager de notaris dat hij de prijs van klager niet heeft vastgesteld. Volgens klager is het de wettelijke plicht van de notaris om de vaststelling van de trekking te waarborgen en te zorgen voor naleving van het reglement en de algemene voorwaarden. Net als de kamer in eerste aanleg is ook het hof in hoger beroep van oordeel dat de klacht ongegrond is.
2. Het geding in hoger beroep
Klager heeft op 11 juli 2025 een beroepschrift – met bijlagen – bij het hof ingediend tegen de beslissing van de kamer voor het notariaat in het ressort Den Haag (hierna: de kamer) van 11 juni 2025 tussen partijen gegeven onder bovengenoemd nummer (en gepubliceerd onder ECLI:NL:TNORDHA:2025:15).
De notaris heeft op 24 september 2025 een verweerschrift bij het hof ingediend.
Klager heeft op 25 september 2025 en op 20, 27 en 28 oktober 2025 aanvullende producties en een USB-stick met twee video-opnames bij het hof ingediend. Op 25 september 2025 heeft klager een aanvullend beroepschrift, tevens vermeerdering van gronden, bij het hof ingediend. Dit stuk is door het hof geweigerd, omdat het toepasselijke procesreglement indiening van een nader beroepschrift niet mogelijk maakt. Klager is er daarbij op gewezen dat hij zijn (nadere) standpunten bij de mondelinge behandeling kenbaar kon maken.
Het hof heeft van de kamer de stukken van de eerste aanleg ontvangen.
De zaak is behandeld ter openbare terechtzitting van het hof van 20 november 2025. Klager en de notaris zijn verschenen en hebben het woord gevoerd; klager aan de hand van een aan het hof overgelegde pleitnota.
3. Feiten
Het hof gaat uit van de volgende feiten, die tussen partijen niet in geschil zijn.
Op 27 januari 2024 heeft klager deelgenomen aan een trekking van de Lotto Superzaterdag prijs, een door [naam] , vergunninghoudster ingevolge artikel 27a lid 1 van de Wet op de kansspelen, georganiseerd spel.
De notaris had namens [naam] de opdracht gekregen om het notarieel toezicht uit te oefenen op deze trekking. De notaris heeft de opdracht aanvaard en uitgevoerd.
Klager heeft de notaris nadien diverse keren per e-mail verzocht zijn prijs vast te stellen. De notaris heeft aan klager meerdere malen laten weten dat het vaststellen van een prijs niet de rol is van een toezichthoudend notaris en dat klager zich dient te wenden tot de Nederlandse Loterij Organisatie (NLO) waaronder [naam] ressorteert.
4. De klacht
Klager stelt dat hij op 27 januari 2024 de Lotto Jackpot heeft gewonnen. Hij verwijt de notaris dat hij de prijs van klager niet heeft vastgesteld.
Volgens artikel 11.1 van het deelnemersreglement stelt de met de controle belaste notaris vast op welke voorspellingen één of meer prijzen zijn gevallen, een en ander op grond van de centraal geregistreerde gegevens van [naam] Daarnaast vindt op grond van artikel 3.2 van de op de deelname van toepassing zijnde algemene voorwaarden bij een promotioneel kansspel de aanwijzing van de winnaar plaats onder toezicht van een notaris wanneer het prijzenpakket meer bedraagt dan € 4.500. Het is de wettelijke plicht van de notaris om de vaststelling van de trekking te waarborgen en te zorgen voor naleving van het reglement en de algemene voorwaarden. De notaris heeft deze verantwoordelijkheid niet vervuld.
De notaris heeft zich volgens klager schuldig gemaakt aan oplichting (artikel 326 van het Wetboek van Strafrecht (Sr)) en ambtsmisbruik (artikel 362 Sr). De notaris heeft in strijd met de Wet op het notarisambt (Wna) partijdig en niet volgens de wet gehandeld en dient te worden geschorst of uit het ambt te worden ontzet.
5. Beoordeling
De kamer heeft in de bestreden beslissing de klacht van klager tegen de notaris ongegrond verklaard en heeft daarbij het volgende overwogen:
de klacht is ontvankelijk, omdat de notaris bij het vervullen van zijn taak als toezichthouder zijn ambt zou kunnen hebben geschaad; het behoort tot de bevoegdheid van de kamer om hierover te oordelen;
de notaris heeft bij de trekking het proces bewaakt en gecontroleerd of er geen onregelmatigheden plaatsvonden;
de notaris heeft voldaan aan de uit artikel 11.1 van het deelnemersreglement voortvloeiende verplichting om vast te stellen op welke voorspellingen één of meer prijzen zijn gevallen;
het behoort niet tot de taak van de notaris om vast te stellen welk individu de juiste voorspelling heeft gedaan.
Het hof sluit zich bij deze overwegingen van de kamer aan en maakt die tot de zijne. Het beroepschrift van klager, het verweerschrift van de notaris en de verdere behandeling van de zaak ter zitting in hoger beroep hebben geen ander licht op de zaak geworpen en geven het hof geen aanleiding om tot een andere beoordeling te komen dan de kamer. Zoals ook ter zitting in hoger beroep aan klager is duidelijk gemaakt, wordt in deze tuchtprocedure alleen een oordeel gegeven over het handelen van de notaris in zijn hoedanigheid van toezichthouder op de trekking van 27 januari 2024. Er wordt geen oordeel gegeven of klager al dan niet bij deze trekking een prijs heeft gewonnen. Ook een andere notaris zou dit oordeel niet hebben kunnen geven, zodat van een verplichting tot doorverwijzing naar een andere notaris op grond van artikel 21 Wna – zoals klager stelt – geen sprake kan zijn. De enige taak van de notaris was om toezicht te houden op het verloop van de trekking en om in het proces-verbaal vast te leggen op welke voorspellingen één of meer prijzen zijn gevallen. De notaris heeft klager ook op diverse momenten uitgelegd wat zijn taak is geweest bij de trekking en hem laten weten dat hij klager niet verder kan helpen. Van enig tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen door de notaris is ook het hof niet gebleken.
Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat het hof, evenals de kamer, van oordeel is dat de klacht ongegrond is. Het hof zal de beslissing van de kamer bevestigen.
6. Beslissing
Het hof:
- bevestigt de bestreden beslissing.
Deze beslissing is gegeven door mrs. O.J. van Leeuwen, H.T. van der Meer en J.A.H. Bruggemann en in het openbaar uitgesproken op 27 januari 2026 door de rolraadsheer.