GERECHTSHOF AMSTERDAM
afdeling civiel recht en belastingrecht, team I
zaaknummer : 200.322.338/01
zaak- en rolnummer rechtbank Noord-Holland : C/15/321143 / HA ZA 21-542
arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 27 januari 2026
inzake
[appellant] ,
wonend te [plaats 1] , gemeente Bloemendaal,
appellant in principaal appel,
geïntimeerde in incidenteel appel,
advocaat: mr. M.M.C. Wingen te Heemstede,
tegen
[geïntimeerde] ,
wonend te [plaats 2] , gemeente Renkum,
geïntimeerde in principaal appel,
appellant in incidenteel appel,
advocaat: mr. M.W. Dieleman te Middelburg.
Partijen worden hierna wederom [appellant] en [geïntimeerde] genoemd.
1. Het verdere verloop van het geding in hoger beroep
In deze zaak heeft het hof op 1 oktober 2024 en 11 februari 2025 een tussenarrest uitgesproken. Voor het verloop van het geding tot laatstgenoemde datum wordt naar de tussenarresten verwezen.
Ingevolge het tussenarrest van 11 februari 2025 is op 6 juni 2025 een deskundigenbericht uitgebracht dat bij de gedingstukken is gevoegd.
[appellant] heeft op 16 juli 2025 een zogenoemd H-16 formulier ingediend waarna [geïntimeerde] op 22 juli 2025 een memorie na deskundigenbericht heeft genomen.
Vervolgens is arrest bepaald.
2. De verdere beoordeling
In principaal appel
Bij het tussenarrest van 11 februari 2025 heeft het hof ing. [naam 1] , forensisch schriftexpert en documentdeskundige, verbonden aan [bedrijf] , benoemd tot deskundige (hierna: de deskundige) om een onderzoek te verrichten ter beantwoording van de volgende vragen:
1. Met welke mate van zekerheid of waarschijnlijkheid kan worden vastgesteld dat de handtekening op het op 7 oktober 2012 gedateerde stuk (schuldbekentenis) door erflaatster is geplaatst?
2. In hoeverre is de omstandigheid dat het originele exemplaar van de schuldbekentenis niet meer beschikbaar is voor onderzoek van invloed geweest op het antwoord op vraag 1?
3. Heeft u overigens nog opmerkingen die voor de beoordeling van deze zaak van belang kunnen zijn?
Op 24 juni 2025 is ter griffie van het hof ingekomen het door de deskundige ingediende deskundigenbericht, gedateerd 6 juni 2025. Dit deskundigenbericht luidt voor zover van belang als volgt:
“8. Hypothesen
Op basis van de onderzoeksvraag zijn twee elkaar uitsluitende hypothesen beschouwd voor het onderzoek naar de betwiste handtekening.
In forensisch (handschrift)onderzoek is het gebruikelijk dat er bij een onderzoek hypothesen worden opgesteld om tunnelvisie te voorkomen. Er worden verschillende scenario’s onderzocht die elkaar uitsluiten.
In dit geval zijn voor de te onderzoeken handtekening de volgende scenario’s (hypothesen) beschouwd.
H1. De betwiste handtekening is een authentieke handtekening van [naam 2] .
H2. De betwiste handtekening is geen authentieke handtekening van [naam 2] , maar een nabootsing of een vervalsing.
Bij het onderzoek is nagegaan of de resultaten van het onderzoek beter passen bij hypothese H1 of de alternatieve hypothese H2.
9. Onderzoeksbevindingen en interpretatie
De betwiste handtekening, die werd gezet voor de persoon met de naam [naam 2] is, voor zover dat mogelijk was, vergeleken met de overgelegde referentiehandtekeningen van [naam 2] . Het onderzoek vond plaats met alle overgelegde handtekeningen die goed zichtbaar zijn, maar wel als reproductie zijn overgelegd. Verificatie vond plaats aan de hand van de reproductie van het legitimatiebewijs.
Bij vergelijking van de betwiste handtekening met de referentiehandtekeningen zijn significante overeenkomsten aangetroffen in de letters en in de diverse patronen zoals de haal in de letter A en de eindhaal. De onderlinge verhoudingen binnen de betwiste handtekening komt overeen met die van de referentiehandtekeningen. Daarmee valt de betwiste handtekening binnen de variatie van de referentiehandtekeningen. De referentiehandtekeningen vertonen juist slechts een geringe onderlinge variatie. Wanneer het om een vervalsing zou gaan, dan is de verwachting dat de betwiste handtekening minder vlot is geschreven dan nu het geval is en er zouden dan aarzelingen in de lijnen te verwachten zijn. Dat is nu niet het geval. Een kanttekening die wel gemaakt moet worden is dat de vlotheid van schrijven van de betwiste handtekening niet optimaal is na te gaan vanwege het reproductieproces. Dit aspect wordt meegewogen bij de conclusie.
(…)
Interpretatie van de onderzoeksresultaten
Bij vergelijking van de betwiste handtekening met het overgelegde referentiemateriaal zijn significante overeenkomsten geconstateerd en de betwiste handtekening past binnen de variatie van de overgelegde referentiehandtekeningen. Bij het onderzoek is rekening gehouden met de variatie die altijd aanwezig is bij het zetten van meerdere handtekeningen door dezelfde persoon. De bevindingen liggen meer in de lijn der verwachting wanneer de betwiste handtekening een authentieke handtekening is van [naam 2] dan wanneer dat niet het geval is.
De overeenkomsten zijn zichtbaar in:
Wanneer het niet gaat om een authentieke handtekening, maar om een nabootsing, dan zijn er veel minder overeenkomsten te verwachten en juist verschillen die nu niet zijn geconstateerd. De variatie binnen de referentiehandtekeningen van [naam 2] is juist vrij klein. Daarmee is de kans op het vinden van deze onderzoeksresultaten zeer klein wanneer het niet om een authentieke handtekening zou gaan. Uiteraard is er rekening gehouden met het verschil in tijd tussen de betwiste handtekening en het overgelegde referentiemateriaal.
De overeenkomsten zijn geconstateerd in nagenoeg alle letters en patronen. Tevens komt de schriftgrootte overeen, de onderlinge verhoudingen, de verbondenheidsgraad en de hellingshoek.
Bij het onderzoek is aangenomen dat de als reproductie overgelegde referentiedocumenten integrale reproducties zijn van originele documenten. (…)
Omdat niet alle kenmerken onderzocht kunnen worden aan een reproductie, kan niet de allerhoogste conclusie worden getrokken. Voor de hoogste conclusie is het noodzakelijk dat alle kenmerken onderzocht kunnen worden in alle handtekeningen. Zo is de vlotheid van schrijven belangrijk, maar ook de schrijfdruk en de schrijfrichting. Wel kan een redelijk vergaande conclusie worden getrokken, gezien de geconstateerde overeenkomsten in met name de motoriek van de schrijver die blijkt uit de kenmerken die zijn geconstateerd in de patronen en verhoudingen. Ook de vlotheid van schrijven is belangrijk. Bij de betwiste handtekening is die niet optimaal te onderzoeken,. De verbinding tussen de letters A en M wijst wel op een vlotte manier van schrijven, daar zichtbaar is dat de pen enigszins van het papier loskomt.
10. Conclusies
Op basis van het onderzoek aan de hand van het huidige overgelegde materiaal kan een uitspraak worden gedaan ten aanzien van de onder [8] genoemde hypothesen voor de betwiste handtekening.
1. De bevindingen van het onderzoek zijn waarschijnlijker wanneer de betwiste handtekening die is gezet voor de persoon [naam 2] een authentieke handtekening betreft (hypothese H1), dan wanneer het niet om een authentieke handtekening zou gaan, maar om een nabootsing of vervalsing (H2).
(…)
Bij vergelijkend onderzoek aan handtekeningen kunnen geen zekerheidsconclusie worden gegeven, maar wel waarschijnlijkheidsconclusies. De hoogte van de conclusie hangt af van de vergelijkingsmogelijkheden, de aard en de complexiteit van de handtekeningen, de grootte van de aanwezige variatie en de hoeveelheid overgelegd onderzoeksmateriaal.
Daarnaast spelen eventuele beperkingen een rol bij de afweging van de conclusies, zoals bijvoorbeeld reproducties in plaats van originele documenten. Ook de zeldzaamheid speelt een rol en het aantal overeenkomsten dan wel verschillen ten opzichte van elkaar.
Bij dit onderzoek waren er enkele beperkingen aanwezig waardoor er geen meer vergaande conclusie getrokken kon worden. De vertaling van de conclusie naar getallen betreft een orde van grootte om een indruk te geven. (…)
De bevindingen van het onderzoek zijn ongeveer 10 tot 100 keer groter wanneer het om een authentieke handtekening gaat, dan wanneer het niet om een authentieke handtekening van [naam 2] gaat.
De conclusie geldt onder de aanname dat de aanwezige reproducties afschriften zijn van originele documenten (die als bron hebben gediend). (…)
De gegeven conclusie is gebaseerd op het overgelegde onderzoeksmateriaal. Wanneer er meer, beter of ander referentiemateriaal wordt overgelegd, kunnen wellicht andere conclusies worden getrokken op basis van het dan overgelegde materiaal. (…)
In het deskundigenbericht heeft de deskundige met betrekking tot de uitlating van de advocaat van [appellant] - hieronder in cursief weergegeven - het volgende geschreven:
“U vermeld in uw rapport dat er geen zekerheidsconclusie over de echtheid van de handtekening. Dit betekent dat de uitkomst een andere resultaat kan opleveren ingeval u over beter referentiemateriaal zou hebben beschikt.
Er kan nooit een zekerheidsuitspraak worden gedaan, behalve wanneer de deskundige met eigen ogen heeft gezien dat een handtekening door een bepaalde persoon is geproduceerd.
Bij de afname van schrijfproeven is dat bijvoorbeeld het geval.
Bij vergelijkend onderzoek aan handtekeningen kunnen geen zekerheidsconclusies worden gegeven, maar wel waarschijnlijkheidsconclusies. De hoogte van de conclusie hangt af van de vergelijkingsmogelijkheden, de aard en de complexiteit van de handtekeningen, de grootte van de aanwezige variatie en de hoeveelheid overgelegd onderzoeksmateriaal. In theorie kan er een andere conclusie worden getrokken als er voor het onderzoek ander of beter onderzoeksmateriaal beschikbaar is.
In dat verband vraagt mijn cliënt zich af of u de kopie van het litigieuze stuk - ook - heeft onderzocht qua opzet ? Het stuk is mogelijk door “knip en plakwerk” tot stand gekomen.
Het gaat hier om een document dat met de hand is geschreven. Naast de handtekening, zou ook de handgeschreven tekst onderzocht kunnen worden. Dan is duidelijk of het gehele document door betrokkene is geschreven en niet alleen de handtekening. Er kan niet worden uitgesloten dat er sprake is van montage van de handtekening aan de hand van een kopie of scan. Daarom vraag ik voorafgaand aan het onderzoek altijd om originele documenten.
Bovendien meent mijn cliënt dat het zeer goed mogelijk is dat zijn zus onder de psychische druk van haar ex-partner de handtekening heeft gezet. M.a.w. in geval het haar handtekening zou zijn, dan zou deze dat onder enorme druk zijn geplaatst. Dit zou als dan bijvoorbeeld in een (zeer geringe) onregelmatigheid van haar handtekening af te leiden zijn.
Het vaststellen of handtekeningen al dan niet onder druk of dwang zijn gezet is niet mogelijk. Hiervoor dienen andere bewijsmiddelen naar voren moeten worden gebracht. Onderzocht is of de handtekening al dan niet authentiek is.
Naar aanleiding van de uitlatingen werd de inhoud van het rapport verder niet aangepast. (…)”
[appellant] heeft bij het hiervoor genoemde H16-formulier het hof verzocht de hiervoor onder 2.3 aan de deskundige gemelde - in cursief gedrukte - punten te betrekken in het te wijzen arrest.
[geïntimeerde] heeft bij de hiervoor genoemde memorie na deskundigenbericht het volgende naar voren gebracht. Uit het deskundigenbericht kan worden afgeleid dat het waarschijnlijker is dat de handtekening op de schuldbekentenis door erflaatster is geplaatst dan dat dit niet het geval is. [geïntimeerde] meent dat daarmee onvoldoende reden is om te twijfelen aan de authenticiteit van de handtekening, mede gezien het feit dat de authenticiteit niet door erflaatster zelf is betwist, maar door haar broer die bij de totstandkoming van het stuk niet betrokken was.
Het hof overweegt als volgt. De deskundige heeft naar aanleiding van zijn onderzoek naar de betwiste handtekening op de schuldbekentenis geconcludeerd dat het waarschijnlijker is dat de handtekening door erflaatster op de schuldbekentenis is geplaatst (hypothese 1) dan dat dit niet het geval is (hypothese 2). [geïntimeerde] kan zich vinden in de conclusie van de deskundige en concludeert - naar het hof begrijpt - dat bij de verdere beoordeling van de zaak van de rechtsgeldigheid van de schuldbekentenis dient te worden uitgegaan. [appellant] daarentegen volhardt in zijn kritiek die hij bij gelegenheid van een reactie op het conceptrapport heeft gegeven. Het hof verwerpt de kritiekpunten van [appellant] . Deze punten vormen een herhaling van de reactie die [appellant] op het conceptrapport van de deskundige heeft gegeven. De deskundige is daar in de bladzijden 23-24 van zijn rapport op ingegaan, een en ander zoals hiervoor onder 2.3 is weergegeven. In aanmerking genomen de gemotiveerde reactie van de deskundige doen deze bezwaren niet af aan de bevindingen en conclusie van de deskundige. Voor zover [appellant] betoogt dat het onderzoek een andere uitkomst had gehad als de deskundige over beter referentiemateriaal had beschikt, heeft de deskundige verklaard dat in theorie een andere conclusie had kunnen worden getrokken omdat de hoogte van de conclusie afhangt van de vergelijkingsmogelijk-heden, de aard en complexiteit van de handtekeningen, de grootte van aanwezige variatie en de hoeveel overgelegd onderzoeksmateriaal. Dit laat evenwel onverlet dat de deskundige ten behoeve van zijn onderzoek beschikte over vergelijkingsmateriaal van voldoende kwaliteit, dat hij op basis van dit onderzoeksmateriaal een onderzoek heeft kunnen verrichten naar de echtheid van de handtekening op de schuldbekentenis en tot een conclusie heeft kunnen komen die door de onderzoeksbevindingen wordt gedragen. Daarbij heeft de deskundige onder ogen gezien dat er materiële beperkingen aan de onderzoeksmogelijkheden hebben bestaan omdat de onderzochte handtekening - bij gebreke van het origineel van de schuldbekentenis - niet in de originele inktafzetting kon worden onderzocht, maar dat deze omstandigheid er niet aan in de weg heeft gestaan dat de deskundige een conclusie op grond van zijn bevindingen heeft kunnen trekken. Het hof volgt [appellant] ook niet in zijn stelling dat de schuldbekentenis mogelijk door knip- en plakwerk tot stand is gekomen. Nog daargelaten dat [appellant] dit bij de formulering van de vraagstelling aan de deskundige aan de orde had moeten stellen indien hij een onderzoek op dit punt verlangde, had het op de weg van [appellant] gelegen om concrete feiten en omstandigheden aan te voeren waaruit afgeleid kan worden dat de schuldbekentenis door knip- en plakwerk tot stand is gekomen. Dat heeft [appellant] niet gedaan. Hij heeft slechts aangevoerd dat het een mogelijkheid is, maar heeft niet onderbouwd dat van die situatie daadwerkelijk sprake is geweest. De stelling van [appellant] “dat het zeer goed mogelijk is dat zijn zus onder de psychische druk van haar ex-partner de handtekening heeft gezet” wordt eveneens verworpen. Nog daargelaten dat deze stelling eerst bij gelegenheid van het deskundigenonderzoek is ingenomen hetgeen in strijd is met de in hoger beroep geldende tweeconclusieregel en derhalve als tardief moet worden beschouwd, overweegt het hof daaromtrent het volgende. Naar de deskundige heeft verklaard kan aan de hand van een onderzoek naar de echtheid van de handtekening niet worden vastgesteld of de handtekening al dan niet onder druk of dwang is gezet, maar dienen daarvoor andere bewijsmiddelen naar voren te worden gebracht. Van aanwijzingen die erop zouden kunnen duiden dat van psychische druk sprake is geweest ten tijde van het plaatsen van de handtekening, is overigens op geen enkele wijze gebleken. De deskundige heeft zijn bevindingen en conclusie op inzichtelijke wijze en goed gemotiveerd. De conclusie vloeit logisch uit het rapport voort. Het hof neemt de conclusie van de deskundige dan ook over en komt op grond van die conclusie tot het oordeel dat er een voldoende mate van waarschijnlijkheid bestaat dat de handtekening op de schuldbekentenis van 7 oktober 2012 is gezet door erflaatster. Dit leidt ertoe dat het onderdeel van grief 1 in principaal appel dat hierop betrekking heeft, faalt.
In principaal en in incidenteel appel
Met betrekking tot de overige onderdelen van grief 1 in principaal appel alsmede de overige grieven, zowel in principaal als in incidenteel appel, is reeds in het tussenarrest van 1 oktober 2024 overwogen en beslist.
De slotsom is dat de grieven in principaal en in incidenteel appel falen en dat het bestreden vonnis zal worden bekrachtigd. [appellant] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van het geding in principaal appel, daaronder begrepen de kosten van het deskundigenbericht. [geïntimeerde] zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in incidenteel appel omdat hij daarin in het ongelijk is gesteld.
De kosten van het geding in principaal appel bedragen conform het toepasselijke liquidatietarief € 9.410,-. Dit bedrag bestaat uit € 783,- aan griffierecht, € 6.639,- voor salaris advocaat (3 punten à € 2.213,- conform tarief IV) en € 1.988,- ter zake van kosten deskundigenbericht (€ 1.400,- plus € 588,- aan btw). De kosten van het geding in incidenteel appel bedragen conform het toepasselijke liquidatietarief € 1.571,- ter zake van salaris van de advocaat (2 punten à € 785,50 (1/2 van € 1.571,-) conform tarief III).
3. Beslissing
Het hof:
In principaal en in incidenteel appel:
bekrachtigt het bestreden vonnis;
veroordeelt [appellant] in de kosten van het geding in principaal appel, tot op heden aan de zijde van [geïntimeerde] begroot op € 783,- aan verschotten en € 6.639,- voor salaris alsmede op € 1.988,- ter zake van kosten van het deskundigenbericht;
veroordeelt [geïntimeerde] in de kosten van het geding in incidenteel appel, tot op heden aan de zijde van [appellant] begroot op € 1.571,- voor salaris;
verklaart dit arrest ten aanzien van bovenstaande kostenveroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;
wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit arrest is gewezen door mrs. R.L. de Graaff, M.L.D. Akkaya, en I.A. van der Burg en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 27 januari 2026.