ECLI:NL:GHAMS:2026:166

ECLI:NL:GHAMS:2026:166

Instantie Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak 20-01-2026
Datum publicatie 26-01-2026
Zaaknummer 200.349.850
Rechtsgebied Civiel recht
Procedure Hoger beroep
Zittingsplaats Amsterdam

Samenvatting

Deze zaak gaat over de vraag of geïntimeerden met hun werkzaamheden onder de werkingssfeer van de bouwregelingen vallen en zodoende verplicht zijn deel te nemen in Bpf Bouw. Het antwoord in hoger beroep luidt, anders dan in eerste aanleg, bevestigend. Het hof laat zich ook uit over de vraag of een deel van de vorderingen van de Bouwfondsen is verjaard

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht,

team I (handel)

zaaknummer : 200.349.850/01

zaakrolnummer rechtbank Amsterdam : 10831116 \ CV EXPL 23-15281

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 20 januari 2026

in de zaak van

1. [appellant 1] ,

3. [appellant 3] ,

gevestigd te [plaats 1] ,

2. [appellant 2],

gevestigd te [plaats 2] ,

gevestigd te [plaats 2] ,

appellanten,

advocaat: mr. E. Lutjens te Amsterdam,

tegen

1. [geïntimeerde 1] ,

2. [geïntimeerde 2] ,

3. [geïntimeerde 3] ,

4. [geïntimeerde 4] ,

5. [geïntimeerde 5] ,

6. [geïntimeerde 6] . ,

gevestigd te [plaats 3] , gemeente Rijssen-Holten,

gevestigd te [plaats 4] ,

gevestigd te [plaats 5] ,

gevestigd te [plaats 5] ,

gevestigd te [plaats 5] ,

gevestigd te [plaats 5] ,

geïntimeerden,

advocaat: mr. S. van der Vegt te Deventer.

Partijen worden hierna tezamen [appellant 2] , respectievelijk [appellanten] genoemd. Appellante sub 1 wordt hierna [geïntimeerde 3] genoemd, appellante sub 2 het Opleidingsfonds en appellante sub 3 het Aanvullingsfonds. Geïntimeerden sub 1 tot en met 6 worden hierna [geïntimeerde 1] , [geïntimeerde 2] , [geïntimeerde 3] , [geïntimeerde 4] , [geïntimeerde 5] en [geïntimeerde 6] . genoemd.

1. De zaak in het kort

Deze zaak gaat over de vraag of geïntimeerden met hun werkzaamheden onder de werkingssfeer van de bouwregelingen vallen en zodoende verplicht zijn deel te nemen in [geïntimeerde 3] . Het antwoord in hoger beroep luidt, anders dan in eerste aanleg, bevestigend. Het hof laat zich ook uit over de vraag of een deel van de vorderingen van [appellant 2] is verjaard.

2. Het geding in hoger beroep

[appellant 2] zijn bij dagvaarding van 18 december 2024 in hoger beroep gekomen van een vonnis van 22 november 2024 van de kantonrechter in de rechtbank Amsterdam onder bovenvermeld zaaknummer gewezen tussen [appellanten] als eiseressen in conventie, tevens gedaagden in reconventie en [appellant 2] als gedaagden in conventie, tevens eiseressen in reconventie.

Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:

- memorie van grieven;

- memorie van antwoord, met productie;

Op 24 oktober 2025 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden. De advocaten hebben de zaak toegelicht aan de hand van spreekaantekeningen die zij hebben overgelegd.

Ten slotte is arrest gevraagd.

3. Feiten

Het hof gaat uit van de volgende feiten.

[geïntimeerde 3] is een bedrijfstakpensioenfonds in de zin van de Pensioenwet. [geïntimeerde 3] voert de pensioenregeling uit voor onder meer de bedrijfstak [bedrijf 3] .

De deelneming in [geïntimeerde 3] is voor werknemers die in dienst zijn van werkgevers in de bedrijfstak [bedrijf 3] bij Besluit van de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid verplicht gesteld. Het besluit tot wijziging van de verplichtstelling tot deelneming in het bedrijfstakpensioenfonds voor de Bouwnijverheid versie 2022 (Staatscourant 2022, 31036, hierna het Verplichtstellingsbesluit) bepaalt onder meer:

‘De deelneming in de [appellant 1] is verplicht gesteld voor:

A

1. werknemers die werkzaam zijn in ondernemingen, waaronder begrepen instellingen en verenigingen ten algemenen nutte, als hierna omschreven tot de eerste dag van de maand waarin zij de 67-jarige leeftijd bereiken voor het ouderdoms- en het arbeidsongeschiktheidspensioen.

2. De onder 1 bedoelde ondernemingen zijn:

a. de ondernemingen op het gebied van het bouw- en infrabedrijf.

Hieronder worden verstaan de ondernemingen, waarvan het bedrijf gericht is op productie (respectievelijk dienstverlening) voor of aan derden op het gebied van:

1. het geheel of gedeeltelijk uitvoeren van bouwwerken c.q. bouwactiviteiten; waarbij onder bouwwerken c.q. bouwactiviteiten wordt verstaan respectievelijk daarmee wordt gelijkgesteld:

a. woningen, gebruiks- of bedrijfsgebouwen dan wel andere constructies van bouwkundige aard;’

Het Opleidingsfonds en het Aanvullingsfonds zijn sociale fondsen in de bedrijfstak [bedrijf 3] . De verplichtingen jegens deze fondsen zijn gebaseerd op de bepalingen over deze fondsen in de cao [bedrijf 3] en in de cao Bedrijfstakeigen Regelingen [bedrijf 3] (deze laatste hierna: de cao [bedrijf 2] ). Deze cao’s (hierna: de bouwcao’s) bepalen dat werkgevers in de bedrijfstak [bedrijf 3] verplicht zijn tot betaling van premie aan het Opleidingsfonds en het Aanvullingsfonds. De bouwcao’s bevatten werkingssfeerbepalingen die grote gelijkenis vertonen met het Verplichtstellingsbesluit.

[appellanten] zijn zes vennootschappen behorend tot het concern KlokGroep.

Het [appellant 2] als bedoeld in de bouwregelingen heeft bij uitspraken van 13 april 2022 beslist dat [appellanten] onder de werkingssfeer van het Verplichtstellingsbesluit en de bouwcao’s vallen. [geïntimeerde 3] heeft [appellanten] vervolgens aangesloten. De bij het [appellant 2] ingediende bezwaren van [appellanten] zijn op 30 november 2022 ongegrond verklaard.

In augustus 2023 heeft [geïntimeerde 3] aan [appellanten] premienota’s ten bedrage van ruim veertien miljoen euro verzonden. [appellanten] hebben deze nota’s niet betaald.

[appellanten] hebben een eigen pensioenregeling die is ondergebracht bij Nationale Nederlanden.

4. Procedure bij de kantonrechter

[appellanten] hebben – samengevat – in conventie bij de kantonrechter gevorderd om voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, voor recht te verklaren:

primair dat [appellanten] niet onder de werkingssfeerbepalingen van het Verplichtstellingsbesluit en de bouwcao’s vallen,

subsidiair dat rechtsvorderingen tot betaling van premie die zien op de periode vóór 1 augustus 2018 zijn verjaard,

met veroordeling van [appellant 2] in de proceskosten, vermeerderd met rente indien niet binnen veertien dagen na vonniswijzing is betaald.

[appellant 2] hebben in reconventie gevorderd veroordeling van [appellanten]

tot betaling van de achterstallige premies, zoals in het petitum uiteengezet, vermeerderd met wettelijke (handels)rente en buitengerechtelijke kosten, en

tot verstrekking binnen twee maanden van elektronische loon- en premiegegevens op straffe van een dwangsom van € 5.000,- per dag met een maximum van € 500.000,- en indien uit die gegevens blijkt dat de verschuldigde premie hoger is dan in het petitum uiteengezet, voor recht te verklaren dat [appellanten] verplicht zijn dat hogere bedrag te betalen,

alles met veroordeling van [appellanten] in de proceskosten, vermeerderd met rente en nakosten.

De kantonrechter heeft de primaire vordering van [appellanten] toegewezen en de vorderingen van [appellant 2] afgewezen, met veroordeling van [appellant 2] in de kosten van de procedure, met rente. De kantonrechter heeft daartoe – samengevat weergegeven – geoordeeld dat ‘werkzaamheden op het vlak van’ betekent dat sprake moet zijn van door de dienstverlenende ondernemingen zelf verrichte, uitvoerende, fysieke bouwwerkzaamheden. Samengevat wordt de kern van de bedrijfsactiviteiten van [appellanten] gevormd door de aankoop van grond, voorbereiding van- en regievoering op het bouwproces, op eigen initiatief dan wel in opdracht van derden, gevolgd door de verkoop van het gebouwde, al dan niet voor eigen rekening. Tot de kernactiviteiten van [appellanten] behoort niet de feitelijke uitvoering van het plan, dus de fysieke bouwwerkzaamheden of -activiteiten. Deze worden telkens uitbesteed aan derden. Het ontwikkel- en verkooprisico ligt bij [appellanten] , indien en voor zover zij niet in opdracht van derden handelen. Het uitvoeringsrisico van de bouw daarentegen ligt steeds bij de ingeschakelde derden. Gelet op de uitleg van het Verplichtstellingsbesluit, die inhoudt dat de kern van de bedrijfsactiviteiten van de dienstverlenende onderneming moet zien op fysieke, uitvoerende bouwwerkzaamheden, is de conclusie dat [appellanten] niet onder de werkingssfeer van het Verplichtstellingsbesluit vallen, en daarmee niet premieplichting jegens Bpf zijn, aldus de kantonrechter.

5. Vordering in hoger beroep

Tegen dit oordeel en de daaraan ten grondslag gelegde motivering komen [appellant 2] met tien grieven op. [appellant 2] vorderen dat het hof het bestreden vonnis vernietigt en alsnog de vorderingen in conventie van [appellanten] afwijst en de vorderingen in reconventie van [appellant 2] toewijst, met veroordeling van [appellanten] in de kosten van het geding in beide instanties, met rente. [appellanten] handhaven in hoger beroep hun stelling dat een deel van de vorderingen van [appellant 2] is verjaard.

6. Beoordeling

De grieven lenen zich voor gezamenlijke behandeling, nu zij allen zien op de vraag welke werkzaamheden onder de werkingssfeer vallen, welke werkzaamheden [appellanten] verrichten en of deze onder de werkingssfeer vallen en – als de werkzaamheden van [appellanten] onder de werkingssfeer vallen – of de vorderingen van [appellant 2] zijn verjaard.

Welke werkzaamheden (in de zin van bedrijfsactiviteiten) vallen onder de werkingssfeer?

Het verplichtstellingsbesluit is recht in de zin van art. 79 RO. Dit betekent dat de rechter de bepalingen van het besluit ambtshalve moet uitleggen en dat deze uitleg zo nodig in cassatie kan worden getoetst. Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad moet het verplichtstellingsbesluit worden uitgelegd aan de hand van de zogeheten cao-norm (zie HR 24 november 2023, ECLI:NL:HR:2023:1622). Deze norm houdt in dat aan een bepaling van een cao een uitleg naar objectieve maatstaven moet worden gegeven, waarbij in beginsel de bewoordingen van die bepaling, gelezen in het licht van de gehele tekst van de cao, van doorslaggevende betekenis zijn, zodat het niet aankomt op de bedoelingen van de partijen die de cao tot stand hebben gebracht, voor zover deze niet uit de daarin opgenomen bepalingen kenbaar zijn, maar op de betekenis die naar objectieve maatstaven volgt uit de bewoordingen waarin de cao is gesteld. Bij deze uitleg kan onder meer acht worden geslagen op de elders in de cao gebruikte formuleringen en op de aannemelijkheid van de rechtsgevolgen waartoe de onderscheiden, op zichzelf mogelijke, tekstinterpretaties zouden leiden. Ook de bewoordingen van de eventueel bij de cao behorende schriftelijke toelichting moeten bij de uitleg van de cao worden betrokken. Indien de bedoeling van de partijen bij de cao naar objectieve maatstaven volgt uit de cao-bepalingen en de eventueel daarbij behorende schriftelijke toelichting, en dus voor de individuele werknemers en werkgevers die niet bij de totstandkoming van de overeenkomst betrokken zijn geweest, kenbaar is, kan ook daaraan bij de uitleg betekenis worden toegekend.

In deze procedure gaat het om de vraag of [appellanten] zijn te beschouwen als ‘ondernemingen, waarvan het bedrijf gericht is op dienstverlening voor of aan derden op het gebied van het geheel of gedeeltelijk uitvoeren van bouwwerken c.q. bouwactiviteiten (…)’. Omtrent de uitleg van dit onderdeel van de werkingssfeerbepaling van het Verplichtstellingsbesluit heeft de Hoge Raad (ECLI:NL:HR:2024:1102, rov. 3.3.2) de conclusie van de A-G (ECLI:NL:PHR:2024:437, randnummers 3.26-3.38) overgenomen. Daarin heeft de A-G – onder andere – geoordeeld dat voor het antwoord op de vraag of een onderneming kwalificeert als onderneming op het gebied van het bouw- en infrabedrijf in de zin van het Verplichtstellingsbesluit onder A, lid 2 sub a onder 1 onder a, beslissend is welke werkzaamheden worden verricht door deze onderneming ten behoeve van derden, niet welke werkzaamheden worden verricht binnen haar klantenkring, dus door de desbetreffende derden. Bij ‘dienstverlening’ (aan derden) in het Verplichtstellingsbesluit onder A, lid 2 sub a onder 1 onder a gaat het om door die onderneming ten behoeve van derden verrichte werkzaamheden op het vlak van het ‘uitvoeren van bouwwerken c.q. bouwactiviteiten’, en wel voor zover deze werkzaamheden niet draaien om het vervaardigen van goederen. Want dit laatste, dus dat vervaardigen van goederen ter zake, betreft naar de aard ‘productie’ (voor derden) in het Verplichtstellingsbesluit onder A, lid 2 sub a onder 1 onder a.

Welke werkzaamheden verrichten [appellanten] en vallen deze onder de werkingssfeer?

Vervolgens moet het hof, met inachtneming van het processuele debat, beoordelen of de verschillende ondernemingen van [appellanten] al dan niet onder het bereik van de werkingssfeerbepaling van het Verplichtstellingsbesluit vallen. Het hof stelt voorop dat op [appellant 2] de stelplicht en (bij voldoende gemotiveerde weerspreking) de bewijslast rusten van de feiten waaruit volgt dat de werkzaamheden van [appellanten] onder de werkingssfeerbepalingen van het Verplichtstellingsbesluit vallen. De omstandigheid dat [appellanten] een verklaring voor recht vorderen dat dit niet het geval is – ook wel een negatieve verklaring voor recht genoemd – maakt dit niet anders.

[geïntimeerde 1] (voorheen [appellanten] )

Bij uitspraak van 13 april 2022 heeft het [appellant 2] geoordeeld dat uit het onderzoek c.q. de geleverde functiebeschrijvingen blijkt dat [geïntimeerde 1] de volgende activiteiten/werkzaamheden ten behoeve van derden verricht:

‘• Coördineren en organiseren van alle online marketingactiviteiten ter bevordering van de (online) woningverkoop.

• Optimaliseren en op orde houden van het handboek en ondersteunen van de bedrijfsjuristen en medewerkers bij de screening van algemene voorwaarden en contracten.

• Zorgen dat alle gebruikers optimaal kunnen werken met ICT apparatuur en applicaties, meedenken of initiëren van nieuwe applicaties, nieuwe apparatuur uitrollen, opleiding en uitleg verzorgen en brede ondersteuning bieden.

• Uitzetten en ontwikkelen van het HR-beleid en toezien op de naleving van het vastgestelde HR-beleid binnen KH. Het uitvoeren van het beleid en verwerken hiervan voor de Holding, FIT-beheer, Klokmilieu en Imex.

• Het coördineren van alle communicatie-activiteiten binnen de gewenste positionering van KlokGroep en Novaform, het vergroten van de naamsbekendheid (op een positieve manier) en de uitstraling professionaliseren, zowel op het gebied van communicatie als (online) marketing.

• Formuleren van de financiële strategie, het - beleid en de - procedures.

• Zorg dragen voor een optimale ontwikkeling en uitvoering van het financieeleconomische beleid, het HRM-beleid, het wagenparkbeleid, ICT beleid en het juridische beleid binnen KlokHolding.

• Bewaken en optimaliseren van de kwaliteit, juistheid en volledigheid van de administratieve organisatie en managementrapportages KlokHolding, KlokGroep en Novaform in nauw overleg met de Business controller.

• Op een zo efficient mogelijke wijze deze gestelde ambities, visies en doelen van KlokHolding vertalen in bedrijfsmatige processen waarbij efficiencyverbetering en kostenbesparing voorop staan.

• Bewaken van fiscaliteiten BTW/OVB.

• Het realiseren van de administratieve aansturing en evaluatie van de bedrijfsactiviteiten en de verslaglegging van de divisies binnen KlokHolding binnen het financieeleconomisch beleid.

• Het initiëren en coordineren van alle marketing- en communicatieactiviteiten binnen de gewenste positionering van KlokGroep en Novaform, het vergroten van de naamsbekendheid (op een positieve manier) en de uitstraling professionaliseren.’

en

‘ [appellanten] is gericht op het verrichten van ondersteunende activiteiten ten behoeve van de BV's die onder de holding vallen, waaronder de [geïntimeerde 1] ’.

[appellanten] hebben daar – samengevat weergegeven – tegenover gesteld dat de [geïntimeerde 1] niet zelf bouwt, maar zich bezighoudt met projectontwikkeling.

Gelet op hetgeen onder punt 6.3 is geoordeeld omtrent de werkingssfeer oordeelt het hof dat het bij de werkzaamheden van [geïntimeerde 1] gaat om ten behoeve van derden verrichte werkzaamheden op het vlak van het ‘uitvoeren van bouwwerken c.q. bouwactiviteiten’. [geïntimeerde 1] is gericht op het verrichten van ondersteunende activiteiten ten behoeve van de BV’s die onder de holding vallen. Het feit dat [geïntimeerde 1] niet zelf bouwt doet daar niet aan af. Bij projectontwikkeling wordt grond, geld en gebruikers bijeengebracht om een bouwwerk te realiseren. [geïntimeerde 1] valt derhalve onder de werkingssfeer van het Verplichtstellingsbesluit.

[geïntimeerde 2] (voorheen [geïntimeerde 1] )

Bij uitspraak van 13 april 2022 heeft het [appellant 2] geoordeeld dat uit het onderzoek c.q. de geleverde functiebeschrijvingen blijkt dat [geïntimeerde 2] de volgende activiteiten/werkzaamheden ten behoeve van derden verricht:

‘• Vaststellen van de visie en lange termijnbeleid.

• Opstellen van een passend virtueel bouwen proces voor alle projecten en het vertalen van dit proces naar een plan van aanpak per project.

• De sturing en bewaking van projecten t.a.v. virtueel bouwen in de verschillende fasen op budgetten, uren, proces, adviseurs en hard-/software.

• Aansturing projectmanagers en projectvoorbereiders t.a.v. virtueel bouwen en fiattering ter controle diverse fasedocumenten.

• Werken conform de procedures en richtlijnen vermeld in het KG KAM-handboek t.a.v. virtueel bouwen en het aanpassen/doen van verbetervoorstellen hierop.

• Implementeren van virtueel bouwen in de organisatie.

• Gesprekspartner van onder andere co-makers, aannemers en opdrachtgevers t.a.v. virtueel bouwen.

• Sparringpartner voor alle directies wat betreft virtueel bouwen.

• Virtueel bouwen planning opstellen.

• Initiëren en implementeren van nieuwe innovaties t.a.v. virtueel bouwen en de vertaling hiervan naar de bouw.

• Beoordelen van adviseursovereenkomsten en offertes die relatie hebben met virtueel bouwen.

• Zorgen voor voldoende juridische afdekking en beperking van risico's en/of voldoende juridische screening van de verplichtingen van de werkmaatschappij.

en

‘ [geïntimeerde 1] is gericht op productie voor en/of dienstverlening aan derden op het gebied van:

- het geheel of gedeeltelijk uitvoeren van bouw- en infrawerken/-activiteiten;

- het op de bouwplaats uitvoeren van onderdelen van bouw- en infrawerken;

- het uitvoeren van verbouwingen en/of onderhoudswerk aan (onderdelen van) bouw- en infrawerken;

- het verlenen van diensten op bouwplaatsen;

- elders dan op de bouwplaats verrichte werkzaamheden ter voorbereiding van de bouw, indien zij worden verricht door de onderneming die het bouw- en infrawerk op de bouwplaats tot stand brengt.’

[appellanten] hebben daar – samengevat weergegeven – tegenover gesteld dat vanuit [geïntimeerde 2] slechts een zeer beperkt deel van de werknemers zich bezig houdt met Building Information Modeling (hierna BIM) ofwel ‘virtueel bouwen’. [geïntimeerde 2] draagt zorg voor het feit dat [geïntimeerde 4] , [geïntimeerde 3] en [geïntimeerde 6] . gebruikmaken van deze softwareapplicatie. [geïntimeerde 2] is daarnaast verantwoordelijk voor coördinatie, zij brengt partijen samen. Opdrachtnemers leveren ontwerpen aan, die worden beoordeeld en op elkaar afgestemd. Bij het ontwikkelen van projecten met een groot afbreukrisico worden deze werkzaamheden extern belegd. Virtueel bouwen is geen bouwen, aldus [appellanten]

Gelet op hetgeen onder punt 6.3 is geoordeeld omtrent de werkingssfeer oordeelt het hof dat het bij de werkzaamheden van [geïntimeerde 2] gaat om ten behoeve van derden verrichte werkzaamheden op het vlak van het ‘uitvoeren van bouwwerken c.q. bouwactiviteiten’. Ook virtueel bouwen of ervoor zorgdragen dat bepaalde B.V.’s gebruikmaken van een bepaalde softwareapplicatie, zijn gericht op bouwen en vallen onder de werkingssfeer. Datzelfde geldt voor de coördinerende werkzaamheden van [geïntimeerde 2] valt derhalve onder de werkingssfeer van het Verplichtstellingsbesluit.

[geïntimeerde 3] en [geïntimeerde 4]

Bij uitspraak van 13 april 2022 heeft het [appellant 2] geoordeeld dat uit het onderzoek c.q. de geleverde functiebeschrijvingen blijkt dat [geïntimeerde 3] en [geïntimeerde 4] de volgende activiteiten/werkzaamheden ten behoeve van derden verrichten:

‘• Het functioneren (op de bouwplaats) zowel in de nieuwbouw, civiele- als renovatie/onderhoudssector.

• Het verrichten van maatvoeringen (op de bouwplaats) van woningen, gebouwen en constructies.

• Het zelfstandig verrichten van stel- en timmerwerkzaamheden op de bouwplaats.

• Het controleren, signaleren en rapporteren van (fouten in) werkzaamheden uitgevoerd door samenwerkende onderaannemers en inleners op de bouwplaats.

• Het nazien op naleving op de bouwplaats van beleid KlokGroep door onderaannemers.

• Werken conform de BIM uitvoering op de bouwplaats.

• Zorg dragen voor een nette uitstraling van de bouwplaats en efficiënte opslag van materialen.

Het conform de slimmer bouwen methodiek uitvoeren van diverse werkzaamheden op de bouwplaats.

• Het bewaken en begeleiden van de projectvoortgang wat betreft kwaliteit, planning en logistiek waarbij deels wordt meegewerkt in de productie.

• Zorg dragen voor een efficiënte bouwplaats inrichting.

• Optimaliseren en aansturen van de logistieke goederenontvangst, keuring en kraaninzet.

• Afroepen van materialen, co-makers en onderaannemers.

• Het opzetten, controleren en in stand houden van hoofdmaatvoering voor (een deel) van een project.

• Signaleren van knelpunten en afwijkingen op de bouw en acties ondernemen voor bijsturing.

• Aanspreekpunt voor opdrachtgever, klanten en overige aanwezigen op de bouw.

• Op alle gebieden managen naar een efficiënte en effectieve organisatie op de bouwplaats.

• Sturen naar een optimale samenwerking binnen het bouwteam.

• Beoordelen van het functioneren van onderaannemers en leveranciers op de bouwplaats en het zo nodig nemen van corrigerende maatregelen voor het behalen van de verlangde kwaliteit.

• Administratieve-, bestuurs-, projectontwikkel- en managementactiviteiten.

en

‘KlokGroep Bouw & Ontwikkeling B.V. is gericht op het ontwikkelen, verkopen en realiseren van diverse (binnenstedelijke) projecten.’.

[appellanten] hebben daar – samengevat weergegeven – tegenover gesteld dat [geïntimeerde 3] en [geïntimeerde 4] projectontwikkelaars zijn en niet de partij die het project ook daadwerkelijk realiseert. De toegevoegde waarde betreft het verwerven van grondposities en het ontwikkelen van deze grondposities. Beide vennootschappen verwezenlijken geen bouwwerken of bouwplannen. Zij geven in sommige gevallen daartoe opdracht. Bouwbedrijven zijn daarmee dienstverleners aan deze vennootschappen en niet andersom. De kernactiviteit van de vennootschappen bestaat uiteindelijk uit gebiedsontwikkeling. In het kader van de coördinatie houden [geïntimeerde 3] en [geïntimeerde 4] zich ook bezig met:

- aanspreekpunt voor opdrachtgever, klanten;

- sturen naar een optimale samenwerking binnen het projectteam;

- signaleren van knelpunten en afwijkingen op de bouw en acties ondernemen voor bijsturing;

- zorgdragen voor een nette uitstraling van de bouwplaats en efficiënte opslag van materialen; zij doen dit niet zelf maar sturen dit aan;

- zorgdragen voor een efficiënte bouwplaats inrichting; ook hier geldt dat de feitelijke inrichting niet door deze vennootschappen wordt verzorgd; de vennootschappen coördineren dit slechts;

- het bewaken en begeleiden van de projectvoortgang wat betreft kwaliteit, planning en logistiek; ook hier geldt slechts een coördinerende rol;

- afroepen van materialen, co-makers en onderaannemers; ook hier geldt de coördinerende rol vanuit deze vennootschappen.

Gelet op hetgeen onder punt 6.3 is geoordeeld omtrent de werkingssfeer oordeelt het hof dat het bij de werkzaamheden van [geïntimeerde 3] en [geïntimeerde 4] gaat om ten behoeve van derden verrichte werkzaamheden op het vlak van het ‘uitvoeren van bouwwerken c.q. bouwactiviteiten’. Bij projectontwikkeling wordt grond, geld en gebruikers bijeen gebracht om een bouwwerk te realiseren. Gebiedsontwikkeling is een proces om een specifiek geografisch gebied te transformeren, waarbij onder andere projectontwikkelaars werkzaam zijn. De vennootschappen richten zich op het ontwikkelen, verkopen en realiseren van diverse (binnenstedelijke) projecten. Het geheel is gericht op bouwen, ongeacht of [geïntimeerde 3] en [geïntimeerde 4] zich ‘slechts’ vanuit een coördinerende rol met bepaalde werkzaamheden bezighouden. [geïntimeerde 3] en Van de Klok Wonen B.V vallen derhalve onder de werkingssfeer van het Verplichtstellingsbesluit.

[geïntimeerde 5]

Bij uitspraak van 13 april 2022 heeft het [appellant 2] geoordeeld dat uit het onderzoek c.q. de geleverde functiebeschrijvingen blijkt dat [geïntimeerde 5] de volgende activiteiten/werkzaamheden ten behoeve van derden verrichten:

‘• Het aannemen, vastleggen, verwerken en beheren van serviceverzoeken van gebouwen tot het is opgelost.

• Het aansturen en bewaken van service orders voor derden.

• Het afhandelen en beheren van service orders.

• Factureren van verrichte werkzaamheden.

• Tevredenheidscontrole uitvoeren richting de klant.

• Bewaken van voortgang, budget en kwaliteit.

• Maken Plan van Aanpak voor herstelwerkzaamheden.

• Presenteren van klachten en reparaties tijdens kwartaaloverleg aan divisies.

• Opstellen van 2 wekelijkse update serviceorders t.b.v. directie.

• Mogelijke afwijkingen met de klant bespreken en eventueel bijstellen van het onderhoudsplan.

• Opstellen van dossier afspraken en procedures ten behoeve van meerjarig onderhoudsplannen.

• Het agenderen en bewaken van beheersafspraken voortvloeiend uit MJOP's.

• Het bewaken van regiewerk.

• Het opstellen van calculaties voor projecten en/of regiewerken.

• Het opstellen, bewaken en organiseren van MJOP's en MJOB's.

• Het opstellen van prestatie en raamovereenkomsten t.b.v. meerjaren onderhoud.

• Het uitvoeren van kwaliteitscontroles op projecten van alle divisies.

• Het opzetten, organiseren en bewaken van een 24-uurs serviceapparaat.

• Het bevorderen van een optimale samenwerking tussen alle KlokGroep divisies.’

en

‘ [geïntimeerde 1] is gericht op het beheren respectievelijk coördineren van onderhouds- en servicewerkzaamheden aan gebouwen.’.

[appellanten] hebben daar – samengevat weergegeven – tegenover gesteld dat de kern van de activiteiten van deze vennootschap bestaat uit het coördineren van garantiewerkzaamheden. Het gaat om gebreken aan door derden gebouwde bouwwerken. De activiteit is niet als zodanig gericht op productie. De betrokken werknemers verrichten geen werkzaamheden op de bouwplaatsen. Evenmin is sprake van dienstverlening voor of aan derden. Voor zover al sprake zou zijn van dienstverlening, verleent [geïntimeerde 5] diensten aan [geïntimeerde 4] en [geïntimeerde 3] , beide vennootschappen waarbij de kernactiviteit uit projectontwikkeling bestaat. De activiteiten zien uitsluitend op helpdeskactiviteiten. Uitsluitend de eerste vier van de onder 6.8.1. genoemde bulletpoints vallen onder de specifieke werkzaamheden van deze vennootschap. Uitsluitend in het kader van de coördinatie houdt [geïntimeerde 5] zich verder bezig met:

- opstellen van tweewekelijkse update serviceorders t.b.v. directie;

- het bevorderen van een optimale samenwerking tussen alle KlokGroep Divisies;

- het bewaken van een 24-uurs serviceapparaat.

Gelet op hetgeen onder punt 6.3 is geoordeeld omtrent de werkingssfeer oordeelt het hof dat het bij de werkzaamheden van [geïntimeerde 5] gaat om ten behoeve van derden verrichte werkzaamheden op het vlak van het ‘uitvoeren van bouwwerken c.q. bouwactiviteiten’. [geïntimeerde 5] is gericht op het beheren respectievelijk coördineren van onderhouds- en servicewerkzaamheden aan gebouwen. Dat de betrokken werknemers geen werkzaamheden op de bouwplaatsen verrichten doet daar niet aan af. Van de Klok Service B.V valt derhalve onder de werkingssfeer van het Verplichtstellingsbesluit.

[geïntimeerde 6] .

Bij uitspraak van 13 april 2022 heeft het [appellant 2] geoordeeld dat uit het onderzoek c.q. de geleverde functiebeschrijvingen blijkt dat [geïntimeerde 6] . de volgende activiteiten/werkzaamheden ten behoeve van derden verrichten:

‘• Het functioneren (op de bouwplaats) zowel in de nieuwbouw, civiele- als renovatie/onderhoudssector.

• Het verrichten van maatvoeringen (op de bouwplaats) van woningen, gebouwen en constructies.

• Het zelfstandig verrichten van stel- en timmerwerkzaamheden op de bouwplaats.

• Het controleren, signaleren en rapporteren van (fouten in) werkzaamheden uitgevoerd door samenwerkende onderaannemers en inleners op de bouwplaats.

• Het nazien op naleving op de bouwplaats van beleid KlokGroep door onderaannemers.

• Werken conform de BIM uitvoering op de bouwplaats.

• Zorg dragen voor een nette uitstraling van de bouwplaats en efficiënte opslag van materialen.

• Het conform de slimmer bouwen methodiek uitvoeren van diverse werkzaamheden op de bouwplaats.

• Het bewaken en begeleiden van de projectvoortgang wat betreft kwaliteit, planning en logistiek waarbij deels wordt meegewerkt in de productie.

• Zorg dragen voor een efficiënte bouwplaats inrichting.

• Optimaliseren en aansturen van de logistieke goederenontvangst, keuring en kraaninzet.

• Afroepen van materialen, co-makers en onderaannemers.

• Het opzetten, controleren en in stand houden van hoofdmaatvoering voor (een deel) van een project.

• Signaleren van knelpunten en afwijkingen op de bouw en acties ondernemen voor bijsturing.

• Aanspreekpunt voor opdrachtgever, klanten en overige aanwezigen op de bouw.

• Op alle gebieden managen naar een efficiënte en effectieve organisatie op de bouwplaats.

• Sturen naar een optimale samenwerking binnen het bouwteam.

• Beoordelen van het functioneren van onderaannemers en leveranciers op de bouwplaats en het zo nodig nemen van corrigerende maatregelen voor het behalen van de verlangde kwaliteit.

• Administratieve-, bestuurs-, coordinerende- en managementactiviteiten.’

en

‘ [geïntimeerde 1] is gericht op productie voor en/of dienstverlening aan derden op het gebied van:

- het geheel of gedeeltelijk uitvoeren van bouw- en infrawerken/-activiteiten;

- het op de bouwplaats uitvoeren van onderdelen van bouw- en infrawerken;

- het uitvoeren van verbouwingen en/of onderhoudswerk aan (onderdelen van) bouw- en infrawerken;

- het verlenen van diensten op bouwplaatsen;

- elders dan op de bouwplaats verrichte werkzaamheden ter voorbereiding van de bouw, indien zij worden verricht door de onderneming die het bouw- en infrawerk op de bouwplaats tot stand brengt.’.

[appellanten] hebben daar – samengevat weergegeven – tegenover gesteld dat [geïntimeerde 6] . zich bezighoudt met vastgoedregie. De vennootschap verricht zelf geen bouwactiviteiten, maar beperkt zich tot een coördinerende rol. Voor zover de medewerkers aanwezig zijn op de bouwplaats is dit niet vanwege het verrichten van fysieke bouwactiviteiten, maar vanwege de coördinerende werkzaamheden. In het kader van de coördinatie houdt [geïntimeerde 6] . zich bezig met:

- aanspreekpunt voor opdrachtgever, klanten en overige aanwezigen op de bouw;

- sturen naar een optimale samenwerking binnen het bouwteam;

- het controleren, signaleren en rapporteren van (fouten in) werkzaamheden uitgevoerd door samenwerkende onderaannemers en inleners op de bouwplaats;

- het nazien op naleving op de bouwplaats van beleid KlokGroep door onderaannemers;

- zorgdragen voor een nette uitstraling van de bouwplaats en efficiënte opslag van materialen;

- het bewaken en begeleiden van de projectvoortgang wat betreft kwaliteit, planning en logistiek waarbij deels wordt meegewerkt in de productie;

- zorgdragen voor een efficiënte bouwplaats inrichting;

- optimaliseren en aansturen van de logistieke goederenontvangst, keuring en kraaninzet;

- afroepen van materialen, co-makers en onderaannemers;

- signaleren van knelpunten en afwijkingen op de bouw en acties ondernemen voor bijsturing;

- beoordelen van het functioneren van onderaannemers en leveranciers op de bouwplaats en het zo nodig nemen van corrigerende maatregelen voor het behalen van de verlangde kwaliteit.

Gelet op hetgeen onder punt 6.3 is geoordeeld omtrent de werkingssfeer oordeelt het hof dat het bij de werkzaamheden van [geïntimeerde 6] . gaat om ten behoeve van derden verrichte werkzaamheden op het vlak van het ‘uitvoeren van bouwwerken c.q. bouwactiviteiten’. [geïntimeerde 6] . is gericht op vastgoedregie in de bouw. Dat de vennootschap zelf geen bouwactiviteiten verricht, maar beperkt zich tot een coördinerende rol, doet daar niet aan af. [geïntimeerde 6] valt derhalve onder de werkingssfeer van het Verplichtstellingsbesluit.

Zijn de vorderingen van [appellant 2] verjaard?

Aangezien het hof in het voorgaande heeft geoordeeld dat de verschillende ondernemingen van [appellanten] onder het bereik van de werkingssfeerbepaling van het Verplichtstellingsbesluit vallen komt in hoger beroep alsnog de vraag aan de orde of de vorderingen van [appellant 2] zijn verjaard. [appellanten] hebben in eerste aanleg subsidiair een verklaring voor recht gevorderd dat rechtsvorderingen tot betaling van premie die zien op de periode voor 1 augustus 2018 zijn verjaard.

[geïntimeerde 3] heeft aangevoerd dat haar vorderingen om pensioenpremies (dan wel schade ter grootte van een zelfde bedrag als deze pensioenpremies) bij [appellanten] op te eisen niet beperkt zijn tot de premies (of schade) betrekking hebben op de periode vanaf augustus 2018 (te weten de periode van vijf jaar, teruggerekend vanaf augustus 2023, toen aan [appellanten] voor het eerst premienota’s zijn verstuurd), maar verder terug kunnen gaan. [geïntimeerde 3] heeft hiertoe aangevoerd, naar het hof begrijpt, dat weliswaar toepassing van artikel 3:308 BW met zich brengt dat bij het versturen van dergelijke nota’s (of een stuitingshandeling) de verjaringstermijn van vijf jaar vanaf dat moment van toepassing is (zodat niet verder in de tijd kan worden gevorderd dan tot augustus 2018 – er van uitgaand dat premienota’s per maand plegen te worden verstuurd), maar dat een vordering gebaseerd op een door [appellanten] gepleegde onrechtmatige daad een eigen verjaringsregime kent, en wel in die zin dat daarbij de verjaringstermijn pas ingaat op het moment dat de gelaedeerde (in casu [geïntimeerde 3] ) op de hoogte is van het onrechtmatig handelen van de dader (in casu [appellanten] ). Dit betoog van [geïntimeerde 3] komt er daarom op neer dat door haar vordering tot vergoeding van de gemiste pensioenpremies (maar dan in de vorm van schade) te baseren op een onrechtmatige daad van [appellanten] , andere, en in dit geval ruimere, verjaringsregels van toepassing zijn. Het hof volgt [geïntimeerde 3] niet in haar betoog en wel om de volgende redenen.

Zoals de Advocaat-Generaal in zijn conclusie die heeft geleid tot het arrest van de Hoge Raad inzake Booking (21 maart 2025, ECLI:NL:HR:2025:321) heeft overwogen, is de bedoeling van de (relatief) korte verjaringstermijn van art. 3:308 BW te voorkomen dat niet betaalde termijnen oplopen tot een zware schuld. Daarmee is niet alleen het belang van de schuldenaar gediend, maar ook het belang van derden die een op de vermogenspositie van de schuldenaar berustende rechtsverhouding met de schuldenaar aangaan. Hierbij is op te merken dat de verjaringstermijn van art. 3:308 BW kan worden verlengd indien de schuldenaar (zoals hier een werkgever) de schuld opzettelijk verborgen houdt (art. 3:320 BW in samenhang met 3:321 lid 1, aanhef en onder f, BW). De Hoge Raad heeft zich hierbij aangesloten, door onder 3.2.1 van genoemd arrest te overwegen:

‘Art. 3:308 BW, dat aansluit bij art. 2012 (oud) BW, bepaalt dat rechtsvorderingen tot betaling van renten van geldsommen, lijfrenten, dividenden, huren, pachten en voorts alles wat bij het jaar of een kortere termijn moet worden betaald, verjaren door verloop van vijf jaren na de aanvang van de dag, volgend op die waarop de vordering opeisbaar is geworden. Zoals blijkt uit hetgeen is weergegeven in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 4.18 strekt deze bepaling mede ertoe te voorkomen dat niet betaalde termijnen oplopen tot een zware schuld.’.

De schade die [geïntimeerde 3] claimt, ter grootte van de gemiste ontvangen premiebetalingen, is in wezen niets anders dan een vordering tot het betalen van premies. Wat dat betreft volgt uit het belang van de schuldenaar, namelijk te voorkomen dat niet betaalde termijnen oplopen tot een zware schuld, de vijfjaarstermijn zoals bepaald in artikel 3:308 BW niet te verruimen. Dat strookt ook met de uitspraak van de Hoge Raad van 15 juni 2007 (ECLI:NL:HR:2007:BA1414 Fernhout/Essent, NJ 2007, 621), waarvan de strekking is dat de schuldeiser een specifieke kortere verjaringstermijn niet kan ontgaan door zijn vordering te baseren op een andere grond, te weten onrechtmatige daad. De Hoge Raad overwoog:

‘De wet bevat geen voorschrift over hetgeen te gelden heeft bij samenloop van onrechtmatige daad en aanvaring. De omstandigheid dat voor een vordering tot schadevergoeding uit onrechtmatige daad een langere verjaringstermijn geldt (art. 3:310) dan voor een vordering tot schadevergoeding uit aanvaring (art. 8:1793), brengt echter onvermijdelijk mee dat eiser de kortere verjaringstermijn van art. 8:1793, die strekt ter bescherming van de aansprakelijk gestelde persoon, niet kan ontgaan door zijn vordering te baseren op onrechtmatige daad, zodat de wettelijke regeling inzake aanvaring in zoverre exclusief van toepassing is. Een andere opvatting zou immers leiden tot onaanvaardbare doorkruising van laatstbedoelde, korte, verjaringstermijn omdat die dan in de praktijk als ongeschreven kon worden beschouwd.’.

Het hof overweegt tenslotte dat opmerking verdient dat de verjaringstermijn van art. 3:308 BW ingevolge art. 3:320 BW in verbinding met art. 3:321, aanhef en onder f, BW wordt verlengd indien – kort gezegd – de werkgever opzettelijk het bestaan van de premievordering of de opeisbaarheid daarvan voor het bedrijfstakpensioenfonds verborgen heeft gehouden. Ook kan onder omstandigheden een beroep van de werkgever op de verjaringstermijn van art. 3:308 BW jegens het bedrijfstakpensioenfonds naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zijn (art. 6:2 lid 2 BW). [geïntimeerde 3] heeft echter niet gesteld dat [appellanten] opzettelijk het bestaan van de premievordering of de opeisbaarheid daarvan voor [geïntimeerde 3] verborgen heeft gehouden, dan wel dat het beroep op de verjaringstermijn van art. 3:308 BW jegens [geïntimeerde 3] naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn (art. 6:2 lid 2 BW). De conclusie is, zoals overwogen, dat het betoog van [geïntimeerde 3] niet wordt gevolgd en dat het hof voor recht zal verklaren dat rechtsvorderingen tot betaling van premie die zien op de periode voor 1 augustus 2018 zijn verjaard.

Slotsom, kosten en bewijsaanbod

De grieven slagen. Het bestreden vonnis wordt vernietigd en de in de conclusie van antwoord in reconventie door de bouwondernemingen geformuleerde vorderingen zullen worden toegewezen, voor zover niet verjaard. Daarnaast zal de subsidiaire vordering in conventie van [appellanten] worden toegewezen. Het hof ziet geen aanleiding om [appellanten] toe te laten tot bewijslevering, omdat zij geen bewijs hebben aangeboden van voldoende concrete stellingen die, indien bewezen, tot een andere uitkomst kunnen leiden. [appellanten] zijn in het hoger beroep in overwegende mate in het ongelijk gesteld en zullen daarom worden veroordeeld in de proceskosten van het geding in beide instanties.

7. Beslissing

Het hof:

vernietigt het bestreden vonnis en doet opnieuw recht:

verklaart voor recht dat de Bouwregelingen op [appellanten] van toepassing zijn en [appellanten] derhalve zijn gebonden aan de statuten en reglementen van [geïntimeerde 3] en aan de algemeen verbindend verklaarde bepalingen van de cao [bedrijf 3] en de cao Bedrijfstakeigen Regelingen voor de Bouwnijverheid;

veroordeelt [appellanten] tot betaling van de achterstallige premies, zoals in het petitum van de conclusie van antwoord in conventie, tevens eis in reconventie van 16 februari 2024 uiteengezet, vermeerderd met wettelijke (handels)rente en buitengerechtelijke kosten en met inachtneming van het oordeel onder 7.4., dus behoudens voor zover het premies betreft die zien op enige periode vóór 1 augustus 2018;

veroordeelt [appellanten] om binnen twee maanden elektronisch de loon- en premiegegevens over de periodes vanaf 1 augustus 2018 te verstrekken aan [geïntimeerde 3] , het Opleidingsfonds en het Aanvullingsfonds op straffe van een dwangsom van € 5.000,- per dag met een maximum van € 500.000,-. Indien uit die gegevens blijkt dat de verschuldigde premie over genoemde periodes hoger is dan in het petitum uiteengezet, verklaart het hof voor recht dat [appellanten] verplicht zijn dat hogere bedrag te betalen;

verklaart voor recht dat rechtsvorderingen van [appellant 2] op [appellanten] tot betaling van premies die zien op de periode voor 1 augustus 2018 zijn verjaard;

veroordeelt [appellanten] in de proceskosten in beide instanties. De kosten voor de eerste aanleg worden tot nu vastgesteld op € 995,00. De kosten voor het hoger beroep worden tot nu vastgesteld op € 3.367,37, te vermeerderen met de wettelijke rente, als niet binnen veertien dagen na dit arrest aan de proceskostenveroordeling is voldaan;

verklaart deze veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mrs. H.T. van der Meer, G.C. Boot en I.A. van der Burg en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 20 januari 2026.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?