GERECHTSHOF AMSTERDAM
afdeling civiel recht en belastingrecht,
team I (handel)
zaaknummer : 200.349.213/01
zaaknummer rechtbank Amsterdam : 10983467 CV EXPL 24-2660
arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 27 januari 2026
in de zaak van
[appellant] ,
gevestigd te [plaats 1] ,
appellante,
advocaat: mr. H.M. Hielkema te Utrecht,
tegen
[geïntimeerde] ,
wonend te [plaats 2] ,
geïntimeerde,
niet verschenen.
Partijen worden hierna [appellant] en [geïntimeerde] genoemd.
1. De zaak in het kort
Verhuurder is niet-ontvankelijk in het hoger beroep tegen het bestreden vonnis omdat de vordering waarover de kantonrechter moest beslissen in totaal minder dan € 1.750,00 bedroeg en de appelgrens van artikel 332 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) dus niet is gehaald.
2. Het geding in hoger beroep
[appellant] is bij dagvaarding van 11 juni 2024 in hoger beroep gekomen van een vonnis van 18 april 2024 van de kantonrechter in de rechtbank Amsterdam, onder bovenvermeld zaaknummer in verstek gewezen tussen [appellant] als eiseres en [geïntimeerde] als gedaagde.
[geïntimeerde] is ook in hoger beroep niet verschenen. Tegen haar is verstek verleend.
[appellant] heeft daarna een memorie van grieven, met producties, ingediend.
Ten slotte is arrest gevraagd.
3. Feiten
Het hof gaat uit van de volgende feiten.
Met ingang van 22 september 2017 is [appellant] een huurovereenkomst aangegaan met [geïntimeerde] met betrekking tot de woonruimte aan [straat] [nummer] te [plaats 2] (hierna: de woning). De kale aanvangshuurprijs bedroeg € 985,00 per maand.
Op de huurovereenkomst zijn de algemene voorwaarden geliberaliseerde woonruimte (hierna: de algemene voorwaarden) van [appellant] van toepassing. Artikel 4 van de algemene voorwaarden bevat een indexatiebeding en een opslagbeding.
[appellant] heeft de huurprijs jaarlijks verhoogd met een percentage tussen de 1,45% en 3,2%, met uitzondering van 2021 waarin de huurprijs niet is gewijzigd.
Volgens [appellant] is er een achterstand ontstaan in de huurbetalingen.
4. Procedure bij de kantonrechter
Samengevat heeft [appellant] bij de kantonrechter gevorderd [geïntimeerde] te veroordelen tot betaling van € 3.106,72 aan huurachterstand tot en met februari 2024, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf de dag van dagvaarding tot de dag van voldoening, met veroordeling van [geïntimeerde] in de proceskosten. Als gevolg van een betaling van [geïntimeerde] na dagvaarding heeft [appellant] haar vordering in eerste aanleg verminderd met € 2.212,80, zodat aan hoofdsom een bedrag van € 893,92 resteerde.
De kantonrechter heeft de vordering van [appellant] afgewezen en [appellant] veroordeeld in de proceskosten (begroot op nihil). De kantonrechter heeft daartoe - ambtshalve toetsend - onder meer geoordeeld dat de in de artikelen 4.2 en 4.3 van de algemene voorwaarden opgenomen huurprijswijzigingsbedingen oneerlijk zijn in de zin van artikel 3 lid 1 Richtlijn 93/13/EEG (hierna: richtlijn oneerlijke bedingen). Hij heeft de bedingen vernietigd en geoordeeld dat de aanvangshuurprijs is blijven gelden. Er was ten tijde van dagvaarden geen huurachterstand, maar een (aanzienlijke) voorstand. Daarbij heeft [geïntimeerde] na dagvaarding ook nog een bedrag van € 2.212,80 onverschuldigd aan [appellant] betaald, aldus de kantonrechter.
5. Vordering in hoger beroep
[appellant] vordert vernietiging van het bestreden vonnis en alsnog toewijzing van haar in hoger beroep gewijzigde vorderingen. Primair vordert [appellant] veroordeling van [geïntimeerde] tot betaling van € 3.433,21 aan huurachterstand tot en met februari 2025, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 18 februari 2025 tot de dag van voldoening. Subsidiair, namelijk voor het geval het hof de artikelen 4.2 en 4.3 van de algemene voorwaarden vernietigt / buiten toepassing verklaart, vordert [appellant] wijziging van de huurovereenkomst in die zin dat de huur jaarlijks per 1 juli wordt aangepast op een door het hof in goede justitie te bepalen wijze, met terugwerkende kracht vanaf de aanvang van de huurovereenkomst. Een en ander met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van het geding in beide instanties, met nakosten en rente.
6. Beoordeling
Ontvankelijkheid in hoger beroep
Allereerst dient het hof te beslissen of [appellant] ontvankelijk is in haar hoger beroep.
De vordering van [appellant] waarover de kantonrechter in eerste aanleg had te beslissen bedroeg na vermindering van eis € 893,92 aan huurachterstand. Dat bedrag ligt onder de appelgrens van € 1.750,00 (artikel 332 lid 1 Rv).
[appellant] betoogt dat zij toch ontvankelijk moet worden verklaard in haar hoger beroep. Daartoe voert zij het volgende aan. [geïntimeerde] heeft in eerste aanleg verstek laten gaan. De kantonrechter heeft beide huurprijswijzigingsbedingen ambtshalve getoetst aan de richtlijn oneerlijke bedingen. Indien [appellant] niet-ontvankelijk zou zijn in haar hoger beroep, verkrijgt het bestreden vonnis gezag van gewijsde, waardoor [appellant] gebonden is aan het oordeel van de kantonrechter over de oneerlijkheid van de bedingen en de financiële gevolgen daarvan. Bovendien zou, indien [geïntimeerde] wel was verschenen en zich op het standpunt had gesteld dat het opslagbeding oneerlijk is en de gevorderde huurachterstand moet worden verrekend met de voorstand, in reconventie terugbetaling van de resterende te veel betaalde huurpenningen hebben gevorderd. In dat geval zou [appellant] ontvankelijk zijn in haar hoger beroep. Als gevolg van de ambtshalve toetsing komt [geïntimeerde] in een vergelijkbare door [appellant] niet voorziene positie. Het belang in deze zaak is zelfs onverwacht nog veel groter dan de initiële vordering van [appellant] . Een redelijke wetstoepassing brengt dan ook met zich dat artikel 332 Rv in dit geval niet verhindert dat [appellant] ontvankelijk is, aldus nog steeds [appellant] .
Dit betoog faalt. Ook al heeft de Hoge Raad - anders dan de kantonrechter - inmiddels geoordeeld (ECLI:NL:HR:2024:1780) dat het opslagbeding en het indexatiebeding waar het in deze zaak over gaat, op inhoudelijke gronden van elkaar onderscheiden moeten worden, het indexatiebeding niet oneerlijk is en het opslagbeding apart moet worden getoetst, laat dit onverlet dat de eerste zin van artikel 332 lid 1 Rv bepaalt dat de vatbaarheid voor hoger beroep (appellabiliteit) moet worden beoordeeld aan de hand van ‘de vordering waarover de rechter in eerste aanleg had te beslissen’. De Hoge Raad heeft geoordeeld dat uitsluitend de waarde van de vordering waarover de kantonrechter diende te oordelen, bepalend is voor het antwoord op de vraag of tegen diens vonnis hoger beroep openstond. Voor de beoordeling in het kader van artikel 332 lid 1 Rv is niet relevant of de rechtstitel waarop de vordering is gebaseerd de appelgrens te boven gaat. De omstandigheid dat het oordeel van de kantonrechter gevolgen heeft voor die rechtstitel brengt niet mee dat [appellant] ontvankelijk is in het hoger beroep (vgl. ECLI:NL:HR:1996:ZC1948, rov. 3.3 en ECLI:NL:HR:2002:AD9594, rov. 3.3).
Ook de stelling dat [geïntimeerde] een vordering in reconventie had kunnen instellen, indien zij was verschenen, baat [appellant] niet. Weliswaar is op grond van artikel 332 lid 3 Rv voor de beoordeling van de appellabiliteit de totale waarde van de vorderingen in conventie en in reconventie beslissend, maar feit is nu eenmaal dat [geïntimeerde] geen vordering in reconventie heeft ingesteld. Toepassing van de zogenoemde optelregel is dus niet aan de orde.
Tot slot merkt het hof nog op dat een niet appellabel vonnis niet door een eiswijziging in hoger beroep appellabel kan worden gemaakt (nog daargelaten dat [appellant] haar eiswijziging niet aan [geïntimeerde] heeft betekend). Indien [appellant] had willen bewerkstelligen dat zij in dit geval toch hoger beroep had kunnen instellen, had zij in eerste aanleg bijvoorbeeld een verklaring voor recht over de (on)eerlijkheid van de huurprijswijzigingsbedingen kunnen vorderen.
Op grond van voorgaande overwegingen zal [appellant] niet-ontvankelijk worden verklaard in het hoger beroep. Omdat [appellant] niet-ontvankelijk is in haar hoger beroep, komt het hof niet toe aan een inhoudelijke behandeling van de zaak. De kosten van het hoger beroep komen ten laste van [appellant] omdat zij is aan te merken als de in het ongelijk gestelde partij. Die kosten zijn echter nihil.
7. Beslissing
Het hof:
verklaart [appellant] niet-ontvankelijk in het hoger beroep;
veroordeelt [appellant] in de proceskosten van het hoger beroep en begroot die kosten, voor zover tot heden aan de kant van [geïntimeerde] gevallen, op nihil.
Dit arrest is gewezen door mrs. L.A.J. Dun, M.E. van Neck en E.J. Bellaart en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 27 januari 2026.