ECLI:NL:GHAMS:2026:1690

ECLI:NL:GHAMS:2026:1690

Instantie Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak 06-01-2026
Datum publicatie 24-06-2026
Zaaknummer 24/3530
Rechtsgebied Bestuursrecht; Belastingrecht
Procedure Hoger beroep
Zittingsplaats Amsterdam

Samenvatting

De rechtsvoorganger van belanghebbende heeft in de aangifte Vpb een liquidatieverlies van ruim 33 miljoen euro in aanmerking genomen. De inspecteur accepteert een liquidatieverlies van ruim € 14 miljoen euro. In geschil is de hoogte van het liquidatieverlies. Oordeel Hof: artikel 13d, lid 6, wet Vpb is niet beperkt tot uitsluitend misbruikgevallen. Uitleg zinsnede ‘is verkregen van’ in eerste volzin van dit artikel. Geen schending vertrouwensbeginsel.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

kenmerk 24/3530

6 januari 2026

uitspraak van de vierde meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

[X] (als rechtsopvolger van [Z] ), gevestigd te [Y] , belanghebbende,

(gemachtigde: mr. T.C. Gerverdinck),

tegen de uitspraak van 9 september 2024 in de zaak met kenmerk HAA 23/457 van de rechtbank Noord-Holland in het geding tussen

belanghebbende

en

de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.

1. Ontstaan en loop van het geding

De inspecteur heeft aan belanghebbende voor het jaar 2019 een aanslag vennootschapsbelasting (vpb) opgelegd, berekend naar een belastbaar bedrag van

€ 11.576.607. Gelijktijdig is bij beschikking belastingrente in rekening gebracht.

Belanghebbende heeft hiertegen op 6 oktober 2021 bezwaar gemaakt. De inspecteur heeft bij uitspraak op bezwaar, gedagtekend 1 augustus 2022 de aanslag op nihil vastgesteld in verband met alsnog verleende aftrek elders belast.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld. Bij uitspraak van 9 september 2024 heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard.

Het tegen deze uitspraak door belanghebbende ingestelde hoger beroep is bij de griffie van het Hof ingekomen op 14 oktober 2024 en nader gemotiveerd bij brief van 21 november 2024. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

Bij bericht van 23 september 2025 zijn bij de griffie van het Hof nadere stukken van belanghebbende ingekomen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 oktober 2025. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden.

2. Tussen partijen vaststaande feiten

De rechtbank heeft de volgende feiten vastgesteld (in deze uitspraak is belanghebbende aangeduid als ‘eiseres’ en de inspecteur als ‘verweerder’):

Feiten

1. [bedrijf 1] ( [bedrijf 1] ) is opgenomen in de fiscale eenheid voor de vpb van (de rechtsvoorganger van) eiseres. Op 30 juni 1997 zijn [naam 1] , [naam 2] en [naam 3] ( [naam 1] ), [bedrijf 1] en de [bedrijf 2] ( [bedrijf 2] ) een fusieovereenkomst aangegaan over de samenvoeging van activiteiten van [bedrijf 1] en [naam 1] In de fusieovereenkomst is vastgelegd dat [bedrijf 1] onder meer de aandelen in haar dochtervennootschap [bedrijf 3] ( [bedrijf 3] ) zal inbrengen in [bedrijf 2] tegen uitgifte door [bedrijf 2] aan [bedrijf 1] van een zodanig aantal aandelen als overeenkomt met 51% van het geplaatste kapitaal.

2. In de fusieovereenkomst is, voor zover thans van belang, het volgende opgenomen:

“Artikel 2 - Uitgifte van de Aandelen B2.1 Blijkens een aandeelhoudersbesluit d.d. heden heeft [ [bedrijf 2] ] rechtsgeldig besloten tot uitgifte van de Aandelen B aan [ [bedrijf 1] ] tegen inbreng door [ [bedrijf 1] ] van de Inbreng Aandelen, een en ander onder de voorwaarden als vervat in de Akte van Uitgifte. Ter uitvoering daarvan zullen Partijen op de Inbrengdatum de Akte van Uitgifte verlijden (…).

(…)

Artikel 3 - Handelingen op de Inbrengdatum

Op de Inbrengdatum zullen de volgende (rechts)handelingen worden verricht (…):

a. passeren van de Akte van Statutenwijziging (als gevolg waarvan de door [naam 1] gehouden aandelen in de Vennootschap zullen worden omgezet in aandelen A);

b. passeren van de Akte van Uitgifte en overdracht van het "nominee" aandeel in [bedrijf 3] (…) aan [bedrijf 2] ;

(…).

Artikel 4 - Opschortende voorwaarden: periode tot aan de Inbrengdatum4.1 In de periode tot aan de Inbrengdatum zullen Partijen zich gedragen alsof de Akte van Statutenwijziging al formeel gepasseerd en van kracht is.

De in artikel 3 genoemde handelingen op de Inbrengdatum zijn onderworpen aan de volgende opschortende voorwaarden, welke uiterlijk op de Inbrengdatum vervuld moeten zijn:a. het tot stand brengen van de in onderdeel (c) van de considerans van deze Overeenkomst beschreven aandeelverhouding in de Vennootschap;b. levering van de aandelen in vennootschappen (…) door [bedrijf 4] aan [ [bedrijf 1] ].”

In onderdeel (c) van de considerans van de fusieovereenkomst is vermeld dat het gehele bij anderen geplaatste kapitaal van [bedrijf 2] op of voor de inbrengdatum gehouden zal worden door [naam 1]

3. Op 29 augustus 1997 is de fusieovereenkomst ten uitvoer gebracht. In de betreffende notariële akte is, voor zover thans relevant, het volgend vermeld:

“[ [bedrijf 2] ] en [ [bedrijf 1] ] wensen hierbij de uitgifte van de Aandelen B aan [ [bedrijf 1] ] en de storting op de Aandelen B tot stand te brengen, zulks onder de opschortende voorwaarde als hierna vermeld, en voorts onder de in de Fusieovereenkomst en deze akte opgenomen bepalingen.

VERVOLGENS HEEFT DE COMPARANT VERKLAARD:

Uitgifte Aandelen B.

Artikel 1. 1. [ [bedrijf 2] ] geeft hiermede, onder de opschortende voorwaarde van het van kracht worden van de hierna (…) vermelde statutenwijziging van [ [bedrijf 2] ], uit aan [ [bedrijf 1] ], die hierbij onder gelijke opschortende voorwaarde van [ [bedrijf 2] ] aanvaardt: de Aandelen B.(…)

Inbreng door [ [bedrijf 1] ]. Kwijting.

Artikel 2.

1. [bedrijf 1] ] draagt hierbij ter nakoming van haar verplichting tot inbreng aan [ [bedrijf 2] ] over, gelijk [ [bedrijf 2] ] hierbij als storting op de door [ [bedrijf 1] ] genomen Aandelen B aanvaardt:

(…) en de Aandelen [bedrijf 3] ; al deze aandelen hierna gezamenlijk ook te noemen: de "Ingebrachte Aandelen".

2. [ [bedrijf 2] ] verleent hiermee kwijting aan [ [bedrijf 1] ] voor de voldoening aan zijn stortingsplicht op de Aandelen.”

4. Op het moment van inbreng bedroeg het door [bedrijf 1] opgeofferde bedrag voor de aandelen [bedrijf 3] € 7.927.702. De waarde in het economische verkeer van de aandelen [bedrijf 3] was op dat moment € 27.202.309.

5. Op 29 januari 1999 heeft [bedrijf 1] het resterende belang van 49% in [bedrijf 2] verworven van [naam 1] voor een bedrag van € 47.295.243.

6. In de jaren 2000 tot en met 2005 heeft [bedrijf 1] voor in totaal € 6.085.000 aan kapitaal gestort in [bedrijf 2] .

7. Op 2 januari 2006 verkreeg [bedrijf 1] de aandelen [bedrijf 3] als liquidatie-uitkering bij de ontbinding van [bedrijf 2] . De waarde van de aandelen [bedrijf 3] was ten tijde van de ontbinding van [bedrijf 2] nihil.

8. Op 17 september 2007 heeft overleg plaatsgevonden over de ingediende aangifte vpb 2006. Tijdens het overleg hebben partijen afgesproken een handhavingsconvenant te sluiten met het oog op horizontaal toezicht. Het convenant is door beide partijen ondertekend in september 2007.

9. Per brief van 10 oktober 2007 heeft (de rechtsvoorganger van) eiseres nader uitleg gegeven over de in de aangifte vpb 2006 ingenomen standpunten waaronder de fiscale gevolgen van de liquidatie van [bedrijf 2] . In deze brief is, voor zover thans van belang, het volgende vermeld:

Nieuwe opgeofferde bedragen bij [bedrijf 1]

Artikel 13d, lid 6 eerste volzin Wet Vpb bepaalt dat het opgeofferd bedrag in [bedrijf 3] bij [bedrijf 2] niet hoger mag zijn dan het opgeofferd bedrag bij een verbonden lichaam, als [bedrijf 2] de aandelen [bedrijf 3] heeft verkregen van een verbonden lichaam. Echter, op het moment dat [bedrijf 1] de aandelen [bedrijf 3] heeft ingebracht in [bedrijf 2] zijn [bedrijf 1] en [bedrijf 2] geen verbonden lichaam van elkaar. De verbondenheid ontstaat pas na de inbreng van de aandelen [bedrijf 3] . [bedrijf 2] verkrijgt het belang in [bedrijf 3] niet van een verbonden lichaam, zodat de voomoemde beperking van artikel 13d, lid 6 eerste volzin Wet Vpb niet van toepassing is. Op basis van artikel 13d, lid 6 tweede volzin Wet Vpb wordt het opgeofferd bedrag in [bedrijf 3] voor [bedrijf 1] verhoogd met de waardedaling van [bedrijf 3] tot maximaal het opgeofferd bedrag in [bedrijf 3] bij [bedrijf 2] , zijnde Euro 33.287.309.

(…)

Samenvatting [ [bedrijf 2] ]

[Eiseres] claimt in haar aangifte een liquidatieverlies van Euro 3.745.000 ter zake van de liquidatie van [bedrijf 2] .

Het opgeofferd bedrag in de door [bedrijf 2] uitgekeerde deelnemingen bedraagtEuro 34.984.889

Ik vertrouw erop u hiermee voldoende te hebben geïnformeerd. Mocht u naar aanleiding van het vorenstaande nog nadere vragen hebben, dan verneem ik dat graag van u.”

10. Na verwerking van informele kapitaalstortingen in 2007 en 2008 van in totaal € 92.691 is vanaf de aangiften vpb 2008 van de fiscale eenheid waartoe [bedrijf 1] behoort steeds een bedrag van € 33.380.000 opgenomen als opgeofferd bedrag voor de aandelen [bedrijf 3] .

11. Op 29 november 2019 is de liquidatie van [bedrijf 3] voltooid door vereffening.

Naar aanleiding daarvan heeft (de rechtsvoorganger van) eiseres in de aangifte vpb 2019 een liquidatieverlies van € 33.380.000 (€ 27.202.309 + € 6.085.000 + € 92.691) in aanmerking genomen.

12. Bij het vaststellen van de aanslag vpb 2019 is verweerder afgeweken van de aangifte. Verweerder heeft een liquidatieverlies geaccepteerd van € 14.105.393 (€ 7.927.702 plus

€ 6.085.000 plus € 92.691).

Het Hof gaat uit van de hiervoor vermelde feiten. En vult onderdeel 6 van de rechtbank als volgt aan: De gelden zijn door [bedrijf 2] als kapitaal gestort in [bedrijf 3] .

3. Geschil in hoger beroep

Net als bij de rechtbank is in hoger beroep de hoogte van het liquidatieverlies in geschil.

4. Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank heeft het volgende overwogen en beslist:

“Beoordeling van het geschil

16. Artikel 13d, zesde lid, van de Wet (tekst 2019) luidt, voor zover thans van belang, als volgt:

“Indien een deelneming is verkregen van een verbonden lichaam wordt het opgeofferde bedrag ten tijde van de verkrijging niet hoger gesteld dan het bedrag hetwelk dat lichaam voor die deelneming heeft opgeofferd. Indien zulk een deelneming is verkregen in het kader van de ontbinding van het verbonden lichaam en ter zake van die deelneming het vierde lid, eerste volzin, toepassing heeft gevonden, wordt het opgeofferde bedrag vermeerderd met de aldaar bedoelde waardedaling tot ten hoogste het door het ontbonden lichaam voor die deelneming opgeofferde bedrag. Indien een storting op aandelen of bewijzen van deelgerechtigdheid bestaat uit aandelen of bewijzen van deelgerechtigdheid in een verbonden lichaam, wordt het opgeofferde bedrag ten tijde van de storting niet hoger gesteld dan op het bedrag dat is opgeofferd voor de aandelen of bewijzen van deelgerechtigdheid die als storting dienen.”

17. Op grond van artikel 10a, vierde lid, van de Wet wordt ‒ voor de toepassing van onder meer artikel 13d van de Wet ‒ in ieder geval als een met de belastingplichtige verbonden lichaam aangemerkt:

- een lichaam waarin de belastingplichtige voor ten minste een derde gedeelte belang heeft;

- een lichaam dat voor ten minste een derde gedeelte belang heeft in de belastingplichtige.

18. De rechtbank is van oordeel dat [bedrijf 1] en [bedrijf 2] ten tijde van de verkrijging door [bedrijf 2] van de aandelen [bedrijf 3] verbonden lichamen waren en dat het liquidatieverlies daarom op (ten hoogste) € 14.105.393 kan worden gesteld. Daartoe overweegt de rechtbank als volgt.

19. [bedrijf 1] en [bedrijf 2] hebben de fusieovereenkomst gesloten met het oog op de samenvoeging van hun activiteiten. Door de uitgifte van aandelen door [bedrijf 2] aan [bedrijf 1] en de inbreng/overdracht van de aandelen [bedrijf 3] is een tussenhoudstersituatie gecreëerd; waar [bedrijf 3] voorafgaand aan de fusie nog een dochtervennootschap van [bedrijf 1] was, werd zij na de fusie haar kleindochtervennootschap. De aandelen in [bedrijf 3] waren tot aan de liquidatie dus steeds direct dan wel indirect in handen van [bedrijf 1] . Anders dan eiseres betoogt, heeft de wetgever ook deze situatie op het oog gehad bij artikel 13d, zesde lid, van de Wet (hierna ook: de regeling). De rechtbank leidt dit af uit de volgende passage uit de parlementaire geschiedenis:

“Artikel 13a, vijfde lid, eerste volzin, bestendigt de huidige situatie. Die situatie is dat het opgeofferde bedrag niet stijgt indien binnen concernverband een deelneming overgaat van de ene maatschappij naar de andere. Het concern als geheel heeft in die situatie immers steeds datgene opgeofferd wat de eerste vennootschap van het concern die de deelneming heeft verworven, heeft opgeofferd. Ook indien de deelneming binnen concernverband weer verder wordt overgedragen tegen een hogere prijs blijft het door het concern opgeofferde bedrag ongewijzigd.”

(Kamerstukken II 1987/88, 19 968, nr. 7, blz. 38)

20. Dat de opschortende voorwaarden die [bedrijf 1] en [bedrijf 2] in de fusieovereenkomst zijn overeengekomen uiterlijk op 29 augustus 1997, de dag van de aandelenuitgifte, waren vervuld, maakt het voorgaande niet anders. [bedrijf 3] was immers steeds een deelneming van het concern waartoe [bedrijf 1] behoorde.

21. Eiseres neemt het standpunt in dat de regeling alleen kan worden toegepast in een geval van misbruik. De rechtbank volgt eiseres daarin niet gelet op de volgende passage uit de parlementaire geschiedenis:

“Wel is er – met name om misbruik te keren – naar het oordeel van de ondergetekenden reden voor een nadere omschrijving van de term "opgeofferd bedrag" met het oog op gevallen waarin een deelneming door de moedermaatschappij is verworven bij een transactie' met een met haar gelieerd lichaam. Bij verschuiving van een deelneming binnen concernverband is er nl. slechts grond als "opgeofferd bedrag" in aanmerking te nemen het bedrag dat door het concern als geheel, en niet het bedrag dat door een bepaald onderdeel daarvan, voor de verkrijging van de deelneming is opgeofferd.”

(Kamerstukken II 1962/63, 6000, nr. 9, blz. 8)

Uit de eerste zin blijkt dat de regeling weliswaar met name beoogt misbruik te keren, maar niet beperkt is tot uitsluitend misbruikgevallen.

22. Eiseres beroept zich subsidiair op het vertrouwensbeginsel. Zij stelt dat zij verweerder bij brief van 10 oktober 2007 heeft geïnformeerd over haar standpunt over de omvang van het opgeofferde bedrag in [bedrijf 3] en dat zij in de veronderstelling verkeerde dat verweerder zich in haar standpunt kon vinden. De rechtbank is van oordeel dat geen sprake is van schending van in rechte te beschermen vertrouwen. De enkele omstandigheid dat verweerder niet op die brief heeft gereageerd, is daartoe onvoldoende. Het feit dat partijen kort ervoor het handhavingsconvenant hebben gesloten, maakt dit niet anders (vgl. HR 13 januari 2023, ECLI:NL:HR:2023:26).

23. Eiseres beroept zich er voorts op dat de omvang van het opgeofferde bedrag tijdens besprekingen met verweerder is besproken en dat door verweerder akkoord is gegaan met een opgeofferd bedrag van € 33.380.000. Verweerder heeft dit echter betwist. Gelet hierop is het aan eiseres om bewijs te leveren van haar stelling. Zij heeft in dit verband gewezen op passages van de door haar opgemaakte gespreksverslagen. De rechtbank is van oordeel dat deze passages onvoldoende steun bieden voor de stelling van eiseres, reeds omdat de verslagen indertijd niet met verweerder zijn gedeeld.

24. Gelet op het voorgaande dient het beroep ongegrond te worden verklaard.”

5. Beoordeling van het geschil

Hoogte liquidatieverlies

Het Hof acht het wettelijk kader zoals weergegeven onder rechtsoverwegingen 16 en 17 van de rechtbankuitspraak juist en neemt dit over. Het Hof overweegt verder als volgt.

Belanghebbende stelt zich primair op het standpunt dat [bedrijf 1] en [bedrijf 2] bij de verkrijging van de aandelen [bedrijf 3] niet-verbonden lichamen zijn. Derhalve mist haars inziens artikel 13d, lid 6, eerste volzin, toepassing en moet het liquidatieverlies worden vastgesteld op € 33.380.000. De inspecteur betwist dit en het liquidatieverlies dient zijns inziens te worden vastgesteld op € 14.105.393. Dit bedrag is de som van het door [bedrijf 1] opgeofferde bedrag voor de aandelen [bedrijf 3] ten tijde van de fusie en 1997 (zie onderdeel 4 van de rechtbankuitspraak) en de nadien door [bedrijf 2] in [bedrijf 3] verrichte kapitaalstortingen (zie onderdeel 10 van de rechtbankuitspraak en 2.2).

In de kern komt het geschil neer op de vraag wanneer de verbondenheid van [bedrijf 1] met [bedrijf 2] voor toepassing van artikel 13d, lid 6, Wet Vpb dient te bestaan. In het bijzonder: hoe dient de zinssnede “is verkregen van” in de eerste volzin van artikel 13d lid 6 Wet Vpb te worden uitgelegd? Uit het gebruik van de voltooid tegenwoordige tijd in deze zinsnede kan worden afgeleid dat de verbondenheid er dient te zijn op het moment van de verkrijging, maar dit is niet volstrekt eenduidig (belanghebbende meent dat de verbondenheid reeds vóór de verkrijging dient te bestaan). In de wetsgeschiedenis bij het zesde lid van artikel 13d staat over doel en strekking ervan het volgende (MvT, Kamerstukken II 1995/96, 24 696, nr. 3, blz. 26-27):

“Ingevolge het zesde lid van artikel 13d van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 wordt het opgeofferd bedrag van een deelneming welke wordt verkregen van een verbonden lichaam, niet hoger gesteld dan hetgeen het verbonden lichaam voor die deelneming heeft opgeofferd. De gedachte achter deze bepaling is, dat bij verhanging van een deelneming binnen concernverband geen hoger bedrag als opgeofferd bedrag in aanmerking dient te worden genomen, dan het bedrag dat door het concern als geheel voor de deelneming is opgeofferd. De tekst van het zesde lid omvat naar de letter genomen niet het geval waarin een deelneming binnen concernverband wordt overgedragen aan een tussenholding tegen uitreiking van aandelen of bewijzen van deelgerechtigdheid in die tussenholding. Bij de tussenholding wordt het ter zake van de verkregen deelneming opgeofferde bedrag weliswaar op de voet van het zesde lid beperkt tot het oorspronkelijk door het concern opgeofferde bedrag. Op grond van de tekst van het zesde lid is echter onduidelijk wat bij de moedermaatschappij als opgeofferd bedrag moet gelden ter zake van het in de tussenholding verkregen belang. Zonder nadere regeling zou kunnen worden betoogd dat moet worden uitgegaan van de waarde in het economische verkeer van de deelneming die als storting wordt ingebracht in het vermogen van de tussenholding.”

Doel en strekking van artikel 13d, zesde lid, eerste volzin Vpb zijn naar oordeel van het Hof op dit punt helder. Zoals uit de wetsgeschiedenis volgt, beoogt deze bepaling te voorkomen dat het bedrag kan worden verhoogd dat door het concern (groep van verbonden lichamen) oorspronkelijk voor een deelneming is opgeofferd, ongeacht latere verhanging. Gespecificeerd wordt daarbij nog de overdracht van een deelneming binnen concernverband aan een tussenhoudster tegen uitreiking van aandelen of bewijzen van deelgerechtigdheid in die tussenholding. Daarbij dient het opgeofferd bedrag dat door de tussenhoudster voor de in haar kapitaal gestorte aandelen van de deelneming in aanmerking neemt niet hoger te worden gesteld dan hetgeen daar binnen concernverband voor is opgeofferd (eerste volzin van artikel 13d lid 6 Wet Vpb) en hetzelfde geldt voor het opgeofferde bedrag dat de concernvennootschap in aanmerking neemt voor de nieuw uit te geven aandelen in de tussenholding (laatste volzin van dat artikellid). In het licht van het in 5.3.1 opgenomen citaat en het systeem van de regeling zou het geen verschil moeten maken of een deelneming wordt verhangen onder een reeds tot het concern behorende tussenholding, een nieuw opgerichte tussenholding, of een tussenholding waarin de belastingplichtige bij de aandelenfusie een aandelenbelang van tenminste een derde gedeelte verkrijgt. Het gaat erom dat het opgeofferde bedrag van het concern als geheel door de aandelenfusie niet wordt verhoogd.

Gelet op het voorgaande is de deelneming in [bedrijf 3] door [bedrijf 2] verkregen van een verbonden lichaam in de zin van artikel 13d, lid 1, Wet Vpb. Dat geldt indien ervan moet worden uitgegaan dat de verbondenheid van [bedrijf 1] en [bedrijf 2] al bestond voordat de deelneming in [bedrijf 3] door [bedrijf 2] is verkregen (zoals de inspecteur primair betoogt), maar evenzeer indien ervan moet worden uitgegaan dat het moment van het ontstaan van bedoelde verbondenheid met de verkrijging van de deelneming aanvangt (zoals belanghebbende betoogt).

Hetgeen de rechtbank heeft geoordeeld in onderdeel 21 van haar uitspraak (misbruikoogmerk) acht het Hof juist. Het Hof maakt dit oordeel en de gronden waarop het berust tot de zijne.

Het voorgaande betekent dat deze beroepsgrond faalt. De overige door partijen ter zake van dit geschilpunt gehanteerde standpunten behoeven daarom geen behandeling meer.

Vertrouwensbeginsel

Het beroep op het vertrouwensbeginsel faalt. Het Hof onderschrijft de overwegingen 22 en 23 van de uitspraak van de rechtbank en neemt die over. Hetgeen belanghebbende in hoger beroep verder nog heeft aangevoerd werpt geen nieuw en of ander licht op de zaak.

De tussen partijen gevoerde correspondentie getuigt niet van een bewuste standpuntbepaling vanuit de inspecteur. Verder kan een handhavingsconvenant, en mede de in dat kader tussen partijen gevoerde gesprekken, geen rol spelen bij de beoordeling in deze en vormt dit ook geen bijkomende omstandigheid op basis waarvan vertrouwen zou kunnen zijn gewekt

(zie het door de rechtbank genoemde arrest: HR 13 januari 2023, ECLI:NL:HR:20923:26).

Slotsom

Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank moet worden bevestigd.

6. Kosten

7. Beslissing

Het Hof vindt geen aanleiding voor een veroordeling in de kosten.

Het Hof bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

De uitspraak is gedaan door mrs. N. Djebali, voorzitter, J-P.R. van den Berg en M. Ferrier, leden van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. S.K. Grando als griffier.

De beslissing is op 6 januari 2026 in het openbaar uitgesproken.

Bij verhindering van de voorzitter is de uitspraak ondertekend door de oudste raadsheer.

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.

Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie stellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).

Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;

2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;

3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.

Toelichting rechtsmiddelverwijzing

Per 15 april 2020 is digitaal procederen bij de Hoge Raad opengesteld. Niet-natuurlijke personen (daaronder begrepen publiekrechtelijke lichamen) en professionele gemachtigden zijn verplicht digitaal te procederen. Wie niet verplicht is om digitaal te procederen, kan op vrijwillige basis digitaal procederen. Hieronder leest u hoe een cassatieberoepschrift wordt ingediend.

Digitaal procederen

Het webportaal van de Hoge Raad is toegankelijk via “Login Mijn Zaak Hoge Raad” op www.hogeraad.nl. Informatie over de inlogmiddelen vindt u op www.hogeraad.nl.

Niet in Nederland wonende of gevestigde partijen of professionele gemachtigden hebben in beginsel geen geschikt inlogmiddel en kunnen daarom niet inloggen in het webportaal. Zij kunnen zo lang zij niet over een geschikt inlogmiddel kunnen beschikken, per post procederen.

Per post procederen

Alleen bepaalde personen mogen beroep in cassatie instellen per post in plaats van via het webportaal. Zij mogen dit bovendien alleen als zij zonder een professionele gemachtigde procederen. Het gaat om natuurlijke personen die geen ondernemer zijn en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Een professionele gemachtigde moet altijd digitaal procederen, ongeacht voor wie de gemachtigde optreedt. Degene die op papier mag procederen en dat ook wil, kan het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

Een afschrift van deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, is een afschrift aangetekend per post verzonden op:

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl NLF 2026/1571 met annotatie van mr. F. van Horzen Viditax (FutD) 2026080501 V-N Vandaag 2026/1647 FutD 2026-1386 NDFR Nieuws 2026/1255 NTFR 2026/1478 met annotatie van mr. A.J.W. van Opzeeland
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand