ECLI:NL:GHAMS:2026:173

ECLI:NL:GHAMS:2026:173

Instantie Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak 27-01-2026
Datum publicatie 26-01-2026
Zaaknummer 200.332.871/01 en 200.333.174/01
Rechtsgebied Civiel recht
Procedure Hoger beroep
Zittingsplaats Amsterdam

Samenvatting

Vaststelling van verdeling van een perceel grond ex artikel 3:185 BW; belangenafweging. Omdat niet kan worden vastgesteld wie het grootste belang heeft bij toedeling van het perceel, aangezien geen van de aangevoerde belangen en argumenten van doorslaggevende betekenis is, en artikel 3:185 lid 2 BW geen limitatieve opsomming geeft van mogelijke wijzen van verdeling, stelt het hof zelf de verdeling vast.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht

Team III (familie- en jeugdrecht)

zaaknummers : 200.332.871/01 en 200.333.174/01

zaaknummer rechtbank : C/15/330135 / HA ZA 22-437

arrest van de meervoudige familiekamer van 27 januari 2026

in de zaak met zaaknummer 200.332.871/01:

[eiser] ,

wonende te [plaats A] ,

appellante,

hierna te noemen: [eiser] ,

advocaat: mr. D.B. den Hertog te Amsterdam,

tegen

[verweerder 1] ,

wonende te [plaats A] ,

geïntimeerde sub 1,

hierna te noemen: [verweerder 1] ,

advocaat mr. H. van Lingen te Alkmaar (voorheen: mr. P. van Lingen),

en

[verweerder 2] ,

wonende te [plaats A] ,

geïntimeerde sub 2,

hierna te noemen: [verweerder 2] ,

[verweerder 3] ,

wonende te [plaats A] ,

geïntimeerde sub 3,

hierna te noemen: [verweerder 3] ,

[verweerder 4] ,

wonende te [plaats B] , gemeente [gemeente 1] ,

geïntimeerde sub 4,

hierna te noemen: [verweerder 4] ,

[verweerder 5] ,

wonende te [plaats C] ,

geïntimeerde sub 5,

hierna te noemen: [verweerder 5] ,

advocaat voor geïntimeerden sub 2 tot en met 5: mr. W.S. Santema te Sneek,

en in de zaak met zaaknummer 200.333.174//01:

[verweerder 2] ( [verweerder 2] ),

wonende te [plaats A] ,

appellant in principaal hoger beroep sub 1,

geïntimeerde in incidenteel hoger beroep sub 1,

[verweerder 3] ( [verweerder 3] ),

wonende te [plaats A] ,

appellante in principaal hoger beroep sub 2,

geïntimeerde in incidenteel hoger beroep sub 2,

[verweerder 4] ( [verweerder 4] ),

wonende te [plaats B] , gemeente [gemeente 1] ,

appellante in principaal hoger beroep sub 3,

geïntimeerde in incidenteel hoger beroep sub 3,

[verweerder 5] ( [verweerder 5] ),

wonende te [plaats C] ,

appellante in principaal hoger beroep sub 4,

geïntimeerde in incidenteel hoger beroep sub 4,

advocaat voor appellanten sub 1 tot en met 4: mr. W.S. Santema te Leeuwarden,

tegen

[verweerder 1] ( [verweerder 1] ),

wonende te [plaats A] ,

geïntimeerde in principaal hoger beroep sub 1,

advocaat: mr. H. van Lingen te Alkmaar (voorheen mr. P. van Lingen),

en

[eiser] ( [eiser] ),

wonende te [plaats A] ,

geïntimeerde in principaal hoger beroep sub 2,

appellante in incidenteel hoger beroep sub 2,

advocaat: mr. D.B. den Hartog te Amsterdam.

1. Het geding in hoger beroep

In de zaak met zaaknummer 200.332.871/01 is [eiser] bij dagvaarding van 6 september 2023 in hoger beroep gekomen van de vonnissen van de rechtbank Noord-Holland, zittingsplaats Alkmaar, van 21 juni 2023 en 19 juli 2023 (herstelvonnis), gewezen tussen [verweerder 1] als eiser in conventie, verweerder in reconventie, en [verweerder 2] , [verweerder 3] , [verweerder 4] en [verweerder 5] (hierna gezamenlijk te noemen: [verweerders] ) en [eiser] als gedaagden in conventie, eisers in reconventie.

[verweerders] hebben een memorie van antwoord ingediend evenals [verweerder 1] .

[eiser] heeft – na wijziging van eis – geconcludeerd dat het hof bij arrest, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de bestreden vonnissen zal vernietigen en in zoverre opnieuw rechtdoende, 1) de oorspronkelijke vordering van [verweerder 1] zal afwijzen, 2) de verdeling van de nalatenschap aldus zal vaststellen dat aan [eiser] het perceel [plaats] , kadastraal bekend gemeente [plaats D] , sectie G, nummer 1976 (hierna: het perceel) wordt toebedeeld voor een prijs van € 75.000,-, zodat [verweerder 1] als erfgenaam € 75.000,- ontvangt, 3) [verweerder 1] zal veroordelen om binnen twee weken na betekening van dit arrest mee te werken aan de levering van het perceel, op straffe van een dwangsom van € 5.000,- per dag of dagdeel dat [verweerder 1] niet aan de levering meewerkt, en zal bepalen dat dit arrest in de plaats treedt van de akte van levering ex 3:300 lid 2 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW), 4) subsidiair, in goede justitie een verdeling zal vaststellen en zal bepalen dat [verweerders] en [verweerder 1] worden veroordeeld om mee te werken aan de levering van het perceel tussen [verweerder 1] en [eiser] , en zal bepalen dat dit arrest in de plaats treedt van de akte van levering ex 3:300 lid 2 BW en 5) met veroordeling van [verweerder 1] in de proceskosten in beide instanties inclusief nakosten en wettelijke rente.

[verweerders] hebben geconcludeerd dat het hof de bestreden vonnissen zal vernietigen, met dien verstande dat de door [eiser] gevorderde overdracht van het perceel aan haar dient te worden afgewezen en dat het perceel in plaats daarvan wordt overgedragen aan alle erfgenamen dan wel aan [eiser] en [verweerders] , zoals nader uiteen gezet in de memorie van grieven van [verweerders] in de zaak met zaaknummer 200.333.174/01.

[verweerder 1] heeft geconcludeerd tot afwijzing van de vorderingen van [eiser] en bekrachtiging van de bestreden vonnissen, kosten rechtens.

In de zaak met zaaknummer 200.333.174/01 zijn [verweerders] bij dagvaarding van 19 september 2023 van dezelfde vonnissen in hoger beroep gekomen.

[verweerders] hebben geconcludeerd dat het hof bij arrest, uitvoerbaar bij voorraad, de bestreden vonnissen zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, zulks met aanvulling en/of verbetering van gronden, hun vorderingen in eerste aanleg alsnog zal toewijzen, die met inachtneming van de door hen gewijzigde eis luiden: primair 1) dat [verweerder 1] wordt veroordeeld tot het in eigendom (terug)leveren van het perceel aan [verweerders] en [eiser] , zodanig dat zij allen weer voor 1/6e deel eigenaar zullen zijn, op straffe van een dwangsom van € 5.000,- voor iedere dag dat [verweerder 1] daarmee in gebreke blijft na betekening van het arrest, 2) dat vanaf het moment van teruglevering de verdeling van het perceel uitgesloten wordt voor de duur van drie jaar, en subsidiair 3) dat wanneer op grond van het arrest niet alle erfgenamen gezamenlijk eigenaar zullen zijn/worden, het hof een meerwaardeclausule zal opleggen aan de verkrijgende partij(en), kosten rechtens.

[verweerder 1] heeft geconcludeerd tot afwijzing van de vorderingen van [verweerders] en bekrachtiging van de bestreden vonnissen, kosten rechtens.

[eiser] heeft geconcludeerd tot afwijzing van de vorderingen van [verweerders] en bekrachtiging van de vonnissen waarvan beroep, kosten rechtens. Daarnaast heeft zij (al dan niet bij wege van incidenteel hoger beroep) geconcludeerd tot toewijzing van haar vorderingen in de zaak met zaaknummer 200.332.871/01.

[verweerders] hebben zich bij memorie van antwoord in het incidenteel appel op het standpunt gesteld dat [eiser] haar incidentele appel niet nader heeft onderbouwd, zodat het niet mogelijk is om daarop inhoudelijk te reageren. [verweerder 1] heeft bij H-16 formulier bestreden dat van een incidenteel hoger beroep van [eiser] sprake is. [verweerders] en [verweerder 1] hebben hun conclusie in de zaak met zaaknummer 200.332.871/01 gehandhaafd.

Partijen hebben beide zaken ter zitting van 2 april 2025 doen bepleiten door hun advocaten, ieder aan de hand van pleitnotities die aan het hof zijn overgelegd. [verweerders] hebben ter gelegenheid van de mondelinge behandeling nog producties in het geding gebracht.

De zaak is aangehouden teneinde partijen in de gelegenheid te stellen tot een minnelijke regeling te komen.

Een minnelijke regeling is niet tot stand gekomen, waarna alsnog arrest is gevraagd.

2. Feiten en procesverloop

De rechtbank heeft in het vonnis van 21 juni 2023 onder 2.1. tot en met 2.11. de feiten vermeld, die zij bij de beoordeling van de zaak tot uitgangspunt heeft genomen. Ook het hof zal daarvan uitgaan, nu deze feiten niet in geschil zijn. Het gaat daarbij om het volgende.

[in] 2019 is [erflaatster] , geboren [in] 1927 te [plaats E] , overleden (hierna: erflaatster).

Partijen zijn de meerderjarige kinderen van erflaatster.

Erflaatster heeft bij testament van 28 december 2005 over haar nalatenschap beschikt. Op grond van dit testament zijn partijen erfgenaam, ieder voor 1/6 gedeelte.

[verweerders] en [eiser] hebben de nalatenschap van de erflaatster zuiver aanvaard. [verweerder 1] heeft de nalatenschap beneficiair aanvaard.

De nalatenschap van erflaatster bestond, voor zover van belang, uit een woning, het perceel en een banksaldo.

Ten behoeve van de afwikkeling van de nalatenschap van de erflaatster hebben [verweerders] een boedelvolmacht verstrekt aan de heer [naam 1] (hierna: [naam 1] ). [eiser] heeft ook een volmacht verstrekt aan [naam 1] , maar dan van beperktere omvang.

Op 11 december 2019 heeft [naam 4] Agrarisch Vastgoed B.V. (hierna: [naam 4] ) naar aanleiding van een door [naam 1] namens [verweerders] en [eiser] gegeven opdracht het perceel getaxeerd en een taxatierapport opgesteld.

Op 29 januari 2020 heeft [naam 1] aan [verweerder 1] de volgende e-mail gestuurd:“Naar aanleiding van onze telefoongesprekken afgelopen week heb ik contact opgenomen met de erfgenamen die ik vertegenwoordig.

(…)

Voor hen heeft de verkoop van de woning prioriteit.

In principe hebben zij geen bezwaar als het land aan jou en/of [eiser] tegen taxatiewaarde wordt toebedeeld. Voorwaarde is wel dat de woning zo spoedig mogelijk word verkocht en de makelaar toestemming wordt gegeven te onderhandelen.

[eiser] heeft eerder aangegeven ook geïnteresseerd te zijn in een deel (de helft) van het land. Wegens hun vakantie heb ik dit nog niet goed met hun kunnen bespreken.”

De nalatenschapsschulden zijn afbetaald. De aanvankelijk tot de nalatenschap behorend woning is verkocht en in maart 2021 aan de koper geleverd. Partijen hebben de verkoopopbrengst gelijkelijk onder elkaar verdeeld.

Tot de nalatenschap behoort nog slechts een positief saldo op de ervenbankrekening en het perceel.

Het perceel heeft een agrarische bestemming en is sinds 1983 door middel van pacht in gebruik bij [naam 2] en diens zoon [naam 3] voor de teelt van bollen. [naam 2] is een neef van partijen.

Medio 2022 heeft [verweerder 1] [verweerders] en [eiser] in rechte betrokken en – voor zover in hoger beroep nog van belang – toedeling van het perceel aan hem gevorderd onder betaling van een vergoeding aan [verweerders] en [eiser] wegens overbedeling. Daartoe heeft [verweerder 1] gesteld dat perceel een speciale betekenis voor hem heeft, omdat hij – in tegenstelling tot zijn broers en zussen – hierop in zijn jeugd in opdracht van zijn ouders veel moest werken, en dat hij het perceel wenst te gebruiken om daarop een Andalusische tuin te realiseren.

[verweerders] en [eiser] hebben betwisten dat het perceel een speciale betekenis voor [verweerder 1] heeft. Daarnaast zijn de plannen van [verweerder 1] voor het perceel volgens hen niet realistisch en staat aan de door hem gewenste aanleg van een Andalusische tuin in de weg dat het perceel aan [naam 2] is verpacht met een eerste optie tot koop. Partijen hadden – aldus [verweerders] en [eiser] – in 2021 afgesproken het perceel onverdeeld te laten in afwachting van eventuele planologische ontwikkelingen. [verweerders] en [eiser] hebben in eerste aanleg in reconventie gevorderd – voor zover in hoger beroep nog van belang – dat [verweerder 1] zijn aandeel in het perceel aan hen overdraagt tegen betaling van een vergoeding.

De rechtbank heeft in het bestreden vonnis van 21 juni 2023 – zoals hersteld bij vonnis van 19 juli 2023 – de wijze van verdeling van de nalatenschap van de erflaatster vastgesteld, aldus dat aan [verweerder 1] wordt toebedeeld het perceel tegen betaling ten titel van vergoeding wegens overbedeling aan ieder van de andere erfgenamen afzonderlijk een bedrag van € 12.500,-, en dat het saldo van de ervenrekening na aftrek van de gemaakte taxatiekosten tussen partijen gelijkelijk wordt verdeeld, in die zin dat aan ieder van de partijen 1/6e deel wordt uitbetaald. Daartoe heeft de rechtbank – kort gezegd – overwogen dat [verweerder 1] een concreet plan heeft met het perceel, namelijk de aanleg van een Andalusische tuin. Er zijn onzekerheden over de haalbaarheid van dit plan, maar deze acht de rechtbank niet doorslaggevend. Tegenover dit concrete voornemen van [verweerder 1] staat de wens van [verweerders] om het perceel onverdeeld te laten in afwachting van eventuele planologische ontwikkelingen. Er zijn volgens de rechtbank echter geen concrete signalen waaruit kan worden afgeleid dat de door hen gewenste planologisch ontwikkeling binnen afzienbare tijd zal plaatsvinden. Daarbij komt – aldus de rechtbank – dat namens [verweerders] en [eiser] wisselende standpunten zijn ingenomen omtrent (de verdeling van) het perceel, terwijl [verweerder 1] steeds consistent is geweest in zijn plannen. Al met al heeft de rechtbank geoordeeld dat de afweging van de belangen van partijen in het voordeel van [verweerder 1] moet uitvallen. [verweerders] en [eiser] zijn veroordeeld om binnen 6 weken na betekening van het vonnis mee te werken aan de levering van het perceel, op straffe van een aan [verweerder 1] te betalen dwangsom van € 500,- voor iedere dag dat zij niet hieraan voldoen, tot een maximum van € 25.000,- . De reconventionele vordering van [verweerders] en [eiser] heeft de rechtbank afgewezen. De proceskosten zijn gecompenseerd zowel in conventie als in reconventie.

Tegen deze beslissing en de daaraan ten grondslag gelegde motivering zijn [eiser] (zaaknummer 200.332.871/01) en [verweerders] (zaaknummer 200.333.174/01) in hoger beroep gekomen onder aanvoering van 4 respectievelijk 2 grieven, die allen erop neerkomen dat de rechtbank ten onrechte en op basis van een onjuiste belangenafweging heeft geoordeeld dat het perceel aan [verweerder 1] moet worden toegedeeld.

Op 6 september 2023 hebben [verweerders] en [eiser] hun aandeel in het perceel aan [verweerder 1] geleverd.

3. Beoordeling

De kern van dit geschil betreft de vraag op welke wijze de verdeling van het perceel moet geschieden. [verweerders] wensen in hoger beroep primair dat het perceel alsnog onverdeeld blijft, waartoe [verweerder 1] de aandelen van de andere deelgenoten weer aan hen moet terugleveren, dan wel subsidiair dat [verweerder 1] zijn aandeel aan [verweerders] en [eiser] overdraagt, [eiser] wenst toedeling van het perceel aan haarzelf en [verweerder 1] wenst de toedeling en levering van het perceel aan hem in stand te laten.

Het hof overweegt als volgt. Ingevolge artikel 3:185 lid 1 BW kan de rechtbank de wijze van verdeling van een gemeenschappelijk goed gelasten of de verdeling daarvan zelf vaststellen. In artikel 3:185 lid 2 BW worden wijzen van verdeling opgesomd zoals toedeling van een gedeelte van het goed aan ieder der deelgenoten, verdeling van de netto opbrengt van het goed na verkoop van dat goed of toedeling van het goed aan één van de deelgenoten tegen vergoeding van de overwaarde aan de andere deelgenoten. Dit betreft echter geen uitputtende opsomming van wijzen van verdeling, de rechter kan ook voor een andere wijze van verdeling kiezen. Wel dient de rechter bij vaststelling van (de wijze van) de verdeling naar billijkheid rekening te houden met de belangen van partijen en met het algemeen belang. Dat impliceert dat de rechter onder andere let op de omstandigheid dat een goed bijzondere waarde heeft voor een deelgenoot.

Naar het oordeel van het hof kan in deze procedure – anders dan de rechtbank heeft gedaan - niet worden vastgesteld dat het perceel voor [verweerder 1] een grotere bijzondere waarde heeft dan voor [verweerders] en/of [eiser] . [verweerder 1] stelt dat het perceel een speciale betekenis voor hem heeft, omdat hij – in tegenstelling tot zijn broers en zussen – hierop in zijn jeugd in opdracht van zijn ouders veel moest werken. [verweerders] en [eiser] hebben gemotiveerd betwist dat alleen [verweerder 1] in het bollenbedrijf zou hebben gewerkt. Volgens [verweerders] en [eiser] hebben zij even hard binnen het gezin en het bijbehorende bedrijf gewerkt als [verweerder 1] , is het inmiddels meer dan 50 jaar geleden dat [verweerder 1] op het land heeft gewerkt en heeft hij in al die tijd nimmer enige interesse in het land getoond. In het licht van het vorengaande is het hof – anders dan de rechtbank – van oordeel dat geen doorslaggevende betekenis kan worden toegekend aan de speciale betekenis die het perceel zou hebben voor [verweerder 1] . [verweerder 1] heeft zijn specifieke band met het perceel niet nader met objectief verifieerbare stukken toegelicht. Aan de hand van hetgeen hij heeft gesteld, kan daarom niet worden vastgesteld in hoeverre de speciale betekenis die het perceel voor hem zou hebben, moet prevaleren boven de betekenis die het perceel voor de andere deelgenoten zou hebben. Datzelfde geldt voor het door [eiser] in hoger beroep gestelde emotionele belang. Ook hier geldt dat niet gebleken is dat dit belang van [eiser] bij het perceel zwaarder weegt dan het emotionele belang van de andere partijen daarbij.

Daarnaast is het hof van oordeel dat de rechtbank in het kader van de belangenafweging ten onrechte ervan uitgegaan is – en heeft laten meewegen – dat [verweerder 1] , anders dan [verweerders] en [eiser] , consistent is geweest in zijn plannen omtrent het perceel en dat [verweerder 1] uit de e-mail van [naam 1] van 29 januari 2020 aan hem alsmede uit het feit dat [naam 4] in opdracht van [verweerders] en [eiser] in 2019 het perceel heeft getaxeerd en hiervan rapport heeft uitgebracht, heeft mogen opmaken dat [verweerders] destijds geen bezwaar hadden tegen de toedeling van het perceel aan [verweerder 1] . Uit de door [verweerders] onder 13 tot en met 22 van de conclusie van antwoord alsmede onder 43 tot en met 56 van de memorie van grieven beschreven – en door [verweerder 1] niet (voldoende) weersproken – gang van zaken omtrent de afwikkeling van de nalatenschap van erflaatster blijkt dat [verweerder 1] in 2019 allereerst voorstelde het perceel door het kadaster te laten verdelen. Daarna – vanaf september 2019 – wenste [verweerder 1] alsnog toedeling van het perceel aan hem, waarna vanaf mei 2020 bijna een jaar niet meer tussen partijen is gesproken over de eventuele verdeling van het perceel. Uit de als productie 9 bij inleidende dagvaarding overgelegde correspondentie valt af te leiden dat het onderwerp eerst in maart 2021 – na verkoop van de woning van erflaatster – weer aan de orde kwam tussen partijen. In mei 2021 heeft [verweerder 1] een voorstel gedaan om het land onverdeeld in eigendom te laten van alle deelgenoten. Het moge zo zijn dat [verweerder 1] deze brief heeft geschreven omdat hij bang was buiten spel te komen staan en dat hij snel weer zijn oorspronkelijke standpunt heeft hernomen dat het land aan hem moest worden toegedeeld, maar uit deze gang van zaken kan in ieder geval niet worden opgemaakt dat uit de door [verweerder 1] overgelegde correspondentie zou blijken dat hij vanaf uiterlijk 15 mei 2020 consequent is geweest in zijn wens om het perceel toebedeeld te krijgen, zoals de rechtbank heeft overwogen.

Daarnaast is het hof van oordeel dat met de genoemde e-mail van [naam 1] noch het door [naam 4] in 2019 opgestelde taxatierapport dan wel enig ander stuk bij [verweerder 1] het (gerechtvaardigd) vertrouwen gewekt kan zijn dat [verweerders] en [eiser] op dat moment hebben ingestemd met toedeling van het perceel aan [verweerder 1] (laat staan dat tussen partijen een overeenkomst met die strekking tot stand is gekomen). Uit het taxatierapport van [naam 4] volgt met zoveel woorden dat dit rapport (uitsluitend) is opgesteld ten behoeve van de aangifte erfbelasting. Ook in de door [verweerder 1] in eerste aanleg als productie 4 overgelegde brief van [naam 4] aan [naam 1] , die is verstuurd voordat de taxatie plaatsvond, wordt als doel van de taxatie de aangifte erfbelasting genoemd. Dat dit rapport duidt op een destijds bij [verweerders] bestaand voornemen om tot verdeling over te gaan, zoals de rechtbank heeft overwogen, heeft [verweerder 1] op geen enkele wijze aangetoond. Daaraan doet niet af dat de uitkomst van de taxatie, zoals [verweerder 1] stelt in zijn memorie van antwoord, niet zou zijn gebruikt voor de aangifte erfbelasting.

Ook de onder 2.9. geciteerde e-mail van [naam 1] van 29 januari 2020 vormt naar het oordeel van het hof geen (onvoorwaardelijke) toezegging van [verweerders] dat [verweerder 1] het perceel mocht overnemen. Zoals blijkt uit de door [verweerder 1] in eerste aanleg als productie 6 overgelegde brief van 15 januari 2020, wilde hij alleen meewerken aan de overdracht van de woning van erflaatster, indien de overige deelgenoten hun aandeel in het perceel aan hem zouden overdragen. In dat kader schreef [naam 1] in zijn mail van 29 januari 2020 aan [verweerder 1] dat de verkoop van de woning voor de overige deelgenote prioriteit had en zij in principe geen bezwaar hadden tegen toebedeling van het perceel ten taxatiewaarde aan [verweerder 1] en/of [eiser] , maar slechts indien de woning van erflaatster zo spoedig mogelijk verkocht zou worden en aan de makelaar toestemming zou worden gegeven verder te onderhandelen. Dat [verweerders] daarmee onvoorwaardelijk zouden hebben ingestemd met een toedeling van het perceel aan [verweerder 1] , valt daaruit niet af te leiden, zeker niet nu uit datzelfde bericht valt af te leiden dat ook [eiser] geïnteresseerd was in een deel van het perceel. Overigens heeft het tot maart 2021 geduurd voordat [verweerder 1] – mede onder druk van een door [verweerders] gestarte kort gedingprocedure – alsnog akkoord ging met de verkoop en levering van de woning. Zoals hiervoor uiteengezet, is eerst daarna de eventuele verdeling van het perceel tussen partijen weer op de agenda gekomen, waarbij [verweerder 1] zich op geen enkel moment (tot aan de onderhavige procedure) op het standpunt heeft gesteld dat de overige deelgenoten al eerder hadden ingestemd met toedeling van het perceel aan hem. Integendeel, zoals gezegd deed [verweerder 1] in mei 2021 nog een voorstel om het land onverdeeld in eigendom te laten van alle deelgenoten.

Omdat niet gezegd kan worden dat sprake is geweest van een consistent standpunt van [verweerder 1] dan wel van een toezegging door de andere deelgenoten dat [verweerder 1] het perceel mocht overnemen, ontvalt de basis aan het oordeel van de rechtbank dat de standpuntwijziging van [verweerders] op gespannen voet staat met de redelijkheid en billijkheid die deelgenoten jegens elkander in aanmerking moeten nemen alsmede dat de afweging van de belangen van partijen in het voordeel van [verweerder 1] moet uitvallen. Het hof is daarnaast van oordeel dat hetgeen partijen overigens in eerste aanleg en hoger beroep hebben aangevoerd evenmin tot het oordeel kan leiden dat het perceel geheel aan [verweerder 1] dient te worden toegedeeld. Dat wil echter niet zeggen dat het perceel aan (een) ander(en) van hen moet worden toegedeeld, hetgeen het hof hierna zal bespreken.

[eiser]

heeft in hoger beroep gesteld dat het voor haar van groot belang is dat de wens van haar ouders, te weten dat het perceel binnen de familie behouden blijft, wordt gerespecteerd. Volgens [eiser] koesterde erflaatster in de laatste jaren van haar leven de hoop dat het land een waardevolle bestemming zou krijgen voor een van haar kleinkinderen gezien de bijzonder band die ze met hen had, en in het bijzonder met [naam 5] , de dochter van [eiser] . [naam 5] heeft een plan voor het perceel, te weten het realiseren van een kleinschalige zorginstelling voor hulpbehoevende inwoners uit de gemeente [gemeente 2] en omgeving. Door het realiseren van [naam 5] plan voor het perceel, vervullen [eiser] en [naam 5] niet alleen de wens van [eiser] ’s ouders, maar dienen ze ook een algemeen belang. Gezien de vergrijzing van de bevolking, is er een groeiende behoefte aan passende woonvormen voor ouderen, aldus [eiser] .

Het hof stelt vast dat hetgeen [eiser] heeft gesteld niet zozeer betrekking heeft op haar eigen belang, maar meer op het belang van haar dochter. Daarbij komt dat een concrete uitwerking en enige concrete onderbouwing van de gestelde plannen van [naam 5] ontbreekt, [eiser] daaromtrent ook niets heeft gesteld, terwijl uit hetgeen [eiser] zelf stelt over de pacht van het perceel door [naam 2] en de planologische ontwikkelingen in het gebied, getwijfeld moet worden aan de haalbaarheid van het door haar geschetste plan. Een en ander is daarmee onvoldoende om het belang van [eiser] bij toedeling van het gehele perceel aan haar van doorslaggevende betekenis te achten. Aan het bewijsaanbod komt het hof onder deze omstandigheden niet toe, nog daargelaten dat het onvoldoende concreet is.

[verweerders]

stellen in hoger beroep dat het evident is dat het perceel ten gevolge van te voorziene ontwikkelingen – lees: een wijziging van het bestemmingsplan, waardoor de bestemming van het perceel van agrarisch naar bouwgrond gaat – in de toekomst in waarde zal stijgen. Zij willen daarom de eigendom van het perceel behouden en verdere ontwikkelingen afwachten.

Artikel 3:178 BW bepaalt, voor zover hier van belang, dat ieder der deelgenoten te allen tijde de verdeling van een gemeenschappelijk goed kan vorderen, tenzij uit de aard van de gemeenschap of uit het in de volgende leden van ditzelfde artikel bepaalde anders voortvloeit. Uit artikel 3:178 lid 3 BW volgt dat op verlangen van een deelgenoot een vordering tot verdeling kan worden uitgesloten, indien de door een onmiddellijke verdeling getroffen belangen van die deelgenoot aanmerkelijk groter zijn dan de belangen die door de verdeling worden gediend. Op [verweerders] rust, omdat zij op deze uitzondering een beroep doen, de stelplicht van de belangen die ertoe moeten leiden dat de verdeling wordt uitgesteld. Het hof is van oordeel dat [verweerders] niet aan die stelplicht hebben voldaan. Daartoe is van belang dat tussen partijen niet in geschil is dat per 1 januari 2024 een nieuw bestemmingsplan in werking is getreden voor het gebied, waarbinnen het perceel ligt. De vigerende bestemming heeft ter plaatse de aanduiding “Agrarisch-Tuinbouw”. [verweerders] hebben op geen enkele wijze aangetoond dat op korte, althans afzienbare, termijn sprake zal (kunnen) zijn van een bestemmingswijziging. Integendeel, uit het in eerst aanleg overgelegde taxatierapport van Agriteam van 26 april 2023 valt af te leiden dat het perceel is gelegen in het Bijzonder Provinciaal Landschap (BPL). De taxateur [naam 6] geeft aan dat ruimtelijke ontwikkelingen mogelijk zijn in BPL, zolang ze de kernkwaliteiten niet aantasten, maar dat het bouwen van nieuwe woningen in BPL erg moeizaam wordt toegewezen. [naam 6] is van mening dat ontwikkelingen met bijvoorbeeld één of meer woningen op korte termijn niet mogelijk zijn vanwege de ligging en bestemming, maar dat dit wel mogelijk zal kunnen worden. Dit kan echter een traject van 10 jaar of meer bestrijken. Het hof is dan ook van oordeel dat [verweerders] de door hen geschetste mogelijke waardestijging in de (nabije) toekomst door wijziging van de bestemming niet (voldoende) hebben onderbouwd. Dit betekent dat het hof de belangen van [verweerders] , afgezet tegen het belang van [verweerder 1] , van onvoldoende gewicht acht om de onverdeeldheid te laten voortduren. Dat het de wens van hun ouders zou zijn geweest om het perceel in de familie te houden, zoals [verweerders] nog hebben gesteld, doet daaraan niet af, omdat zij dit standpunt evenmin nader hebben onderbouwd en dit door [verweerder 1] is weersproken.

[verweerder 1]

Tot slot komt het hof toe aan het belang van [verweerder 1] bij toedeling van het perceel aan hem. Zoals al eerder uiteengezet, wenst [verweerder 1] op het perceel een Andalusische tuin aan te leggen. Het klopt volgens [verweerder 1] dat voor de uitvoering van dit plan nog het nodige moet gebeuren, maar de uitvoering is niet onmogelijk. [verweerder 1] is altijd met tuinieren bezig geweest en voor het aanleggen van de tuin zal hij ook hulp van vrienden inschakelen. Wat betreft de pacht heeft [naam 2] eerst aan [verweerder 1] aangegeven te willen meewerken aan een pachtbeëindiging, maar vervolgens – waarschijnlijk aangespoord door de andere deelgenoten – zijn hakken in het zand gezet, zodat niet uit te sluiten is dat een procedure bij de Pachtkamer zal moeten worden gevoerd. Daarnaast verwacht [verweerder 1] tot overeenstemming met de gemeente te kunnen komen over het door hem voorgestane gebruik van het perceel. Er is dus geen enkele reden om sceptisch te doen over zijn plannen of te stellen dat hij deze gelet op zijn leeftijd niet kan verwezenlijken. Er zijn verder geen andere algemene belangen gesteld die in de weg zouden staan aan de toedeling aan hem en er zijn geen concrete aanwijzingen dat het perceel van bestemming zal veranderen en aangewezen zal worden voor woningbouw.

Het hof stelt vast dat het perceel al tientallen jaren verpacht is aan [naam 2] die daar jaarlijks pacht voor betaalt. Dat [verweerder 1] wel tot overeenstemming met hem zal komen over de beëindiging van de pacht, waarna [verweerder 1] daar zijn Andalusische tuin kan realiseren, is naar het oordeel van het hof geen uitgemaakte zaak. Zoals [verweerder 1] zelf in de memorie van antwoord in de procedure tegen [eiser] schrijft, heeft hij nadat het perceel aan hem was toegedeeld getracht de onderhandelingen met de pachter voort te zetten, maar houdt hij rekening met de mogelijkheid dat de pachtbeëindiging niet zomaar tot stand komt en dat daarvoor een langere weg nodig kan zijn met kosten. Of [naam 2] uiteindelijk bereid zal zijn in te stemmen met beëindiging van de pacht is dus nog maar de vraag. Daarnaast kan worden getwijfeld aan de mogelijkheid om de bestemming van het perceel te wijzigen. Zoals gezegd, is per 1 januari 2024 een nieuw bestemmingsplan in werking getreden voor het betreffende gebied. [verweerder 1] heeft onvoldoende aangetoond dat dit bestemmingsplan aanknopingspunten biedt voor het onttrekken van het perceel aan de agrarische sector ten gunste van particulier tuinieren. Het hof komt dan ook tot de conclusie dat er ook onvoldoende aanknopingspunten zijn om een belangenafweging in het voordeel van [verweerder 1] te doen uitvallen.

Op grond van het voorgaande komt het hof tot de conclusie dat aan de hand van hetgeen partijen hebben aangevoerd, niet kan worden vastgesteld wie het grootste belang heeft bij toedeling van het perceel, aangezien geen van de aangevoerde belangen en argumenten van doorslaggevende betekenis is. Het perceel grond dient bovendien niet onverdeeld te blijven. Omdat artikel 3:185 lid 2 BW geen limitatieve opsomming geeft van mogelijke wijzen van verdeling, en aan het hof het verzoek voorligt de verdeling zelf vast te stellen, zal het hof bepalen dat het perceel wordt toegedeeld aan de deelgenoot die het hoogste bedrag biedt met een ondergrens van € 75.000,- (het bedrag waarvoor de rechtbank het perceel aan [verweerder 1] heeft toegedeeld). Daarbij zal het hof bepalen dat de deelgenoten alleen of met een of meer andere deelgenoten binnen vier weken na dit arrest, dus uiterlijk op 24 februari 2026 vóór 17.00 uur, aan de overige deelgenoten zijn/hun bod schriftelijk kenbaar dient/dienen te maken, waarna het perceel vervolgens binnen 6 weken daarna door [verweerder 1] (die op dit moment enig eigenaar van het perceel is) aan die deelgenoot/deelgenoten geleverd dient te worden. Biedt geen van de deelgenoten een bedrag dat hoger is dan € 75.000,- of blijkt dat [verweerder 1] na afloop van de hiervoor genoemde maand het hoogste bod heeft uitgebracht, dan blijft [verweerder 1] enig eigenaar van het perceel waarbij hij, indien hij een bod hoger dan een bedrag van € 75.000,- heeft uitgebracht, het meerdere boven het bedrag van € 75.000,- binnen 6 weken na dit arrest nog aan de overige deelgenoten dient uit te keren. Bij deze stand van zaken ziet het hof onvoldoende grond om aan de deelgenoot/deelgenoten aan wie het perceel wordt toegedeeld een meerwaardeclausule op te leggen. Dat geldt te meer nu naar het oordeel van het hof onvoldoende is komen vast te staan dat de bestemming van het perceel in de nabije toekomst zal wijzigen en de waarde door die bestemmingswijziging substantieel zal toenemen, Verwezen wordt naar hetgeen daarover onder 3.9 hiervoor reeds is overwogen.

Het hof ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling en zal de proceskosten, omdat de procedure een familierechtelijk karakter heeft, ook in hoger beroep compenseren in die zin dat ieder van partijen de eigen kosten draagt.

4. Beslissing

Het hof:

In de zaken met zaaknummers 200.332.871/01 en 200.333.174/01

vernietigt het vonnis waarvan beroep, voor zover het de wijze van verdeling van het perceel betreft;

stelt de verdeling van het perceel als volgt vast:

deelt het perceel toe aan de deelgenoot/deelgenoten die binnen vier weken na dit arrest het hoogste bedrag biedt/bieden, waarbij de deelgenoten alleen of met een of meer andere deelgenoten uiterlijk 24 februari 2026 vóór 17.00 uur aan de overige deelgenoten zijn/hun bod schriftelijk kenbaar dienen te maken, waarna het perceel vervolgens binnen 6 weken daarna door [verweerder 1] aan die deelgenoot/deelgenoten geleverd dient te worden;

bepaalt dat wanneer geen van de deelgenoten een bedrag biedt dat hoger is dan € 75.000,- of wanneer blijkt dat [verweerder 1] na afloop van de hiervoor genoemde vier weken het hoogste bod heeft uitgebracht, [verweerder 1] enig eigenaar van het perceel blijft waarbij hij, indien hij een bod hoger dan een bedrag van € 75.000,- heeft uitgebracht, het meerdere boven het bedrag van € 75.000,- binnen 6 weken na dit arrest aan de overige deelgenoten dient uit te keren;

verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad;

compenseert de kosten van deze procedures tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit arrest is gewezen door mrs. A.R. Sturhoofd, M.C. Schenkeveld en T.M. Subelack en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 27 januari 2026.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?