GERECHTSHOF AMSTERDAM
afdeling civiel recht en belastingrecht, team I
zaaknummer : 200.337.201/01
zaaknummer Nederlands Arbitrage Instituut (NAI) : 4735
arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 27 januari 2026
in de zaak van
1. [eiser 1] ,
2. [eiser 2],
3. [eiser 3], in haar hoedanigheid van enig beherend vennoot van de commanditaire vennootschap [eiser 3] ,
allen gevestigd te [plaats 1] , gemeente Gooise Meren,
eiseressen,
advocaat: mr. F.E. Vermeulen te Amsterdam,
tegen
[gedaagde] , voorheen gemeente Muiden,
gevestigd te [plaats 2] ,
gedaagde,
advocaat: mr. S. Derksen te Amsterdam.
Partijen worden hierna [eisers] en [gedaagde] genoemd.
1. De zaak in het kort
Partijen vragen (in twee samenhangende zaken waar dit er één van is) over en weer om partiële vernietiging van de door het Nederlands Arbitrage Instituut tussen hen gewezen arbitrale vonnissen, wegens een ontbrekende motivering, althans een motivering die met het ontbreken van een motivering op één lijn moet worden gesteld, en wegens schending van de openbare orde. Het hof wijst alle vorderingen af.
2. Het procesverloop
[eisers] heeft bij dagvaarding van 31 augustus 2023 een procedure aanhangig gemaakt bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, waarin zij heeft geconcludeerd tot partiële vernietiging van de door het Scheidsgerecht gewezen Tussenvonnissen en/of het Eindvonnis in de door [eisers] op 8 mei 2019 tegen [gedaagde] aanhangig gemaakte arbitrage bij NAI (zaaknummer 4735).
Ook [gedaagde] heeft bij dagvaarding van 18 september 2023 een procedure aanhangig gemaakt bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, eveneens strekkende tot partiële vernietiging, maar op andere gronden. Vervolgens heeft het [eisers] bij incidentele conclusie strekkende tot niet-ontvankelijkverklaring van 10 oktober 2023 geconcludeerd dat [gedaagde] haar vernietigingsvordering niet binnen de hiervoor geldende termijn heeft ingesteld en daarom niet-ontvankelijk dient te worden verklaard. Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft beide zaken ter vermijding van de schijn van partijdigheid bij arrest van 16 januari 2024 verwezen naar het gerechtshof Amsterdam. Het hof heeft voormelde incidentele vordering in de zaak met zaaknummer 200.337.207/01 bij arrest van 25 juni 2024 afgewezen.
Partijen hebben in de hoofdzaak de volgende stukken ingediend:
- dagvaarding met producties;
- conclusie van antwoord met producties.
Partijen hebben de zaak tijdens de mondelinge behandeling van 16 april 2025 laten toelichten. [eisers] door mrs. B. Rumora-Scheltema, D. den Blaauwen en M. Klaassen, advocaten te Amsterdam, en [gedaagde] door mrs. L.A. de Vries en S. Derksen, advocaten te Amsterdam, allen aan de hand van overlegde spreekaantekeningen. Partijen hebben vragen beantwoord en inlichtingen verstrekt.
Ten slotte is arrest gevraagd.
[eisers] heeft geconcludeerd tot, waar mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, partiële vernietiging van de door het Scheidsgerecht in de zaak met kenmerk NAI 4735 gewezen Tussenvonnissen en/of het Eindvonnis voor wat betreft:
met veroordeling van [gedaagde] in de kosten van dit geding, vermeerderd met de wettelijke rente.
[gedaagde] heeft geconcludeerd, naar het hof begrijpt uit de toelichting tijdens de mondelinge behandeling, tot afwijzing van de vorderingen van [eisers] , met veroordeling van [eisers] in de kosten van het geding in hoger beroep.
[eisers] heeft in algemene termen bewijs van haar stellingen aangeboden.
3. Feiten
Het Scheidsgerecht heeft in de door haar gewezen vonnissen de feiten vastgesteld die zij tot uitgangspunt heeft genomen. Samengevat komen de feiten neer op het volgende.
[eisers] is sinds de jaren negentig van de vorige eeuw bezig de voormalige [bedrijf] in [plaats 1] te transformeren tot een hoogwaardig woon- en werkgebied. Om deze ontwikkeling mogelijk te maken was een samenwerking tussen [eisers] en [gedaagde] vereist.
Tussen partijen is vervolgens een geschil ontstaan. De rechtbank Amsterdam heeft bij vonnis van 11 augustus 2010 geoordeeld dat [gedaagde] schadeplichtig is jegens [eisers] . Ter beslechting van langlopende juridische procedures hebben partijen in 2014 een vaststellingsovereenkomst (hierna: VOK) gesloten. In de VOK lagen verscheidene compensatie-elementen ten bate van [eisers] besloten.
[gedaagde] heeft zich volgens [eisers] onvoldoende ingespannen om de verplichtingen van [gedaagde] voortvloeiende uit de VOK na te komen, waardoor [eisers] schade zou hebben geleden. Hierop is [eisers] een arbitrageprocedure bij het NAI gestart.
Het door het NAI aangewezen Scheidsgerecht heeft op 21 augustus 2020, op 24 maart 2021, op 24 januari 2022, op 6 april 2022 en op 15 december 2022 tussenvonnissen en op 2 juni 2023 eindvonnis gewezen. Hierin zijn de vorderingen van [eisers] grotendeels afgewezen. In de kwestie Ruilgronden wees het Scheidsgerecht een schadevergoeding toe van
€ 1,8 miljoen, waar € 37,8 miljoen was gevorderd. In de kwestie Hypotheken heeft het Scheidsgerecht geoordeeld dat [eisers] onvoldoende bewijs heeft geleverd van enig geleden financieel nadeel. Het Scheidsgerecht heeft [eisers] globaal in 3/4e deel van de in totaal gemaakte kosten veroordeeld en [gedaagde] in 1/4e deel.
4. Beoordeling
[eisers] heeft in de onderhavige procedure als gronden voor vernietiging aangevoerd dat de vonnissen niet met redenen zijn omkleed (artikel 1065 lid 1 onder d Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, hierna: Rv.), en alsmede dat de vonnissen wegens de wijze waarop zij tot stand zijn gekomen in strijd zijn met de openbare orde (artikel 1065 lid 1 onder e Rv.). [gedaagde] heeft alle aangevoerde gronden betwist.
Alvorens op basis van het partijdebat de aangevoerde gronden te beoordelen stelt het hof eerst vast dat de op motiveringsklachten gebaseerde vernietigingsgrond door het hof in beginsel terughoudend dient te worden getoetst: de vernietigingsprocedure heeft niet als strekking, dat elke motivering van het Scheidsgerecht dient te worden heroverwogen als ware het een (verkapte) beroepsprocedure. Het hof zal daarom de aangevoerde vernietigingsgronden voor zover gericht op de motivering door het Scheidsgerecht, terughoudend toetsen, en wel aan het geheel ontbreken van enige motivering dan wel de aanwezigheid van een zo gebrekkige motivering dat deze gelijk moet worden gesteld met het ontbreken van iedere motivering dan wel dat het Scheidsgerecht heeft nagelaten in te gaan op essentiële stellingen. Deze terughoudendheid zal het hof niet als uitgangspunt hanteren bij de toetsing van de stellingen aan de opgevoerde vernietigingsgrond ‘strijd met de openbare orde’, welke grond van een zodanig fundamentele betekenis is dat deze ‘vol’ zal worden getoetst.
De klachten van [eisers] over de motivering van de vonnissen van het Scheidsgerecht (inclusief het beweerdelijk ontbreken van enige dan wel begrijpelijke motivering) hebben in hoofdzaak betrekking op het volgende:
- het Scheidsgerecht zou ten onrechte niet op alle onderdelen van de vorderingen van [eisers] in de arbitrage hebben beslist: [eisers] had gevorderd om [gedaagde] te veroordelen om aan [eisers] binnen drie maanden een alternatief stuk grond aan te bieden en op dit onderdeel van de vordering zou volgens [eisers] niet zijn beslist;
- het Scheidsgerecht zou op basis van het verkeerde scenario de schade hebben begroot;
- het Scheidsgerecht zou ‘essentiële kritiek’ van [eisers] op het deskundigenrapport ten onrechte naast zich neer hebben gelegd.
Deze onder 4.3 samengevatte en alle andere in dit verband aangevoerde klachten missen feitelijke grondslag, dan wel kunnen de door [eisers] aan haar vorderingen ten grondslag gelegde feiten de toewijzing van die vorderingen niet of althans in onvoldoende mate dragen. De vorderingen worden daarom afgewezen. Het hof licht dit hierna nader toe.
Het niet expliciet toe- of afwijzen van het bedoelde deel van de vordering (het aanbieden van een alternatief stuk grond) is geen in de wet (artikel 1065 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, Rv.) genoemde grond voor de gevorderde vernietiging, noch daarmee gelijk te stellen. [eisers] had, indien het Scheidsgerecht inderdaad zou hebben nagelaten op een deel van de vordering te beslissen, bij het Scheidsgerecht een verzoek gebaseerd op het bepaalde in artikel 1061 Rv. kunnen indienen, hetgeen zij heeft nagelaten. Een dergelijk verzoek ligt niet in het onderhavige verzoek besloten. Wel ligt in de aan [eisers] toegewezen schadevergoeding (ten laste van [gedaagde] ) besloten dat het Scheidsgerecht gronden heeft gezien voor toewijzing van een vorm van schadevergoeding (in geld) en kennelijk niet (mede dan wel gedeeltelijk, dan wel vervangend) in natura. De vordering van [eisers] was geen vordering tot nakoming, maar een vordering om [gedaagde] te veroordelen tot een alternatieve vorm van schadevergoeding, namelijk in natura. Aangezien de afwijzing van de vordering van [eisers] tot toewijzing van een dergelijke vorm van schadevergoeding in de door het Scheidsgerecht toegewezen vorm besloten ligt, is er feitelijk geen sprake van enig uitblijven van een beslissing op enige vordering. De klacht mist daarom zowel juridische als feitelijke grondslag.
De tweede door [eisers] aangevoerde grondslag voor de gevorderde vernietiging is de keuze van het Scheidsgerecht voor een schadebegroting op basis van het scenario ‘kantoren’ in plaats van op basis van het scenario ‘wonen’. Deze keuze zou volgens [eisers] ‘onhoudbaar’ zijn en daarmee zowel een vernietiging wegens het ontbreken van een (genoegzame) motivering, als wegens schending van de openbare orde opleveren. Beide (veronder)stellingen van [eisers] zijn onjuist en missen feitelijke grondslag. Het Scheidsgerecht heeft immers toegelicht waarom zij niet voor het scenario ‘wonen’, maar voor het scenario ‘kantoren’ heeft gekozen. Het Scheidsgerecht heeft (in r.o. 2.26 van het Eindvonnis) aan deze beslissing onder meer ten grondslag gelegd dat [eisers] het scenario ‘wonen’ niet eerder dan bij het debat na het deskundigenbericht heeft genoemd, dat in het Schade-expertise rapport de mogelijkheid van een tuincentrum ter sprake is gekomen, dat in het rapport van Hiplus twee (commerciële) varianten zijn doorgerekend, te weten een supermarkt en een tuincentrum en dat [eiser 1] in de memorie na tussenvonnis opnieuw de mogelijkheid van een tuincentrum met outlets en een businesspark in het groen heeft geopperd, terwijl ook [gedaagde] het scenario ‘wonen’ evenmin heeft genoemd of besproken. Het hof ziet niet in waarom de gebezigde motivering onbegrijpelijk zou zijn, laat staan zodanig onbegrijpelijk dat deze de gevraagde vernietiging zou kunnen dragen.
Het hof oordeelt eveneens dat de motivering van het Scheidsgerecht van de afwijzing van de primaire vordering van [eiser 1] samengevat ‘schadevergoeding op grond van scenario 1’, niet voor vernietiging in aanmerking komt. Het Scheidsgerecht heeft kort gezegd geoordeeld dat er onvoldoende bewijs is aangedragen waaruit blijkt dat het (huur)scenario 1 dat [eisers] ten grondslag had gelegd aan haar primaire vordering berustte op een daadwerkelijk bestaand plan. Het Scheidsgerecht heeft in r.o. 2.106 van Tussenvonnis II aan dat oordeel ten grondslag gelegd dat [eiser 1] geen overtuigende verklaring heeft gegeven voor het late tijdstip waarop zij scenario 1 heeft gepresenteerd (pas na Tussenvonnis 1), dat [eisers] zich toen op het standpunt heeft gesteld dat haar schade bestond uit de misgelopen winst van een investering in huurwoningen, maar dat uit de stukken is gebleken dat die woningen zouden worden verhuurd door een externe partij Vesteda, zodat dit een ander scenario dan scenario 1 betrof, dat de overeenkomst met Vesteda bovendien op 7 november 2017 is beëindigd, waarna scenario 1 naar voren gebracht had kunnen worden maar dat dit niet is gebeurd en dat [eisers] in het kort geding dat eind 2019 plaatshad ook geen melding heeft gemaakt van haar (spoedeisende) belang om vrij te kunnen beschikken over het bedrag van de overwaarde. Het hof ziet niet in waarom de gebezigde motivering onbegrijpelijk zou zijn, laat staan zodanig onbegrijpelijk dat deze de gevraagde vernietiging zou kunnen dragen. Ook als het standpunt van [eisers] wordt gevolgd dat de vermelding van scenario 1 in het taxatierapport van CBRE en/of het Discussion Paper van ABN AMRO, waarmee het Scheidsgerecht eveneens voornoemd oordeel heeft gemotiveerd, niet had gehoeven of mogelijk was geweest, leidt dat niet tot de conclusie dat de kwalificaties van [eisers] (‘onhoudbaar’ en ‘onvoldoende gemotiveerd’) de gevraagde vernietiging zouden kunnen dragen. Het was de taak van het Scheidsgerecht om de op verschillende scenario’s gebaseerde schadeberekeningen te beoordelen en op basis van die beoordeling een schadebedrag te begroten. Het betreffen bovendien bewijsbeslissingen van het Scheidsgerecht en deze zijn in voldoende mate met redenen omkleed en ook niet onbegrijpelijk of onnavolgbaar. Het enkele feit dat [eisers] de door het Scheidsgerecht gebruikte motiveringen bij herhaling ‘onnavolgbaar’ noemt is onvoldoende om die verstrekkende gevolgtrekking te kunnen volgen. De toelichting waarom de gebruikte motivering ‘onnavolgbaar’ zou zijn maakt duidelijk dat [eisers] die motivering wel heeft kunnen volgen, maar dat zij het daarmee oneens is. De klacht faalt.
De derde door [eisers] aangevoerde grondslag voor de gevorderde vernietiging heeft betrekking op de door haar aangevoerde fouten in het deskundigenrapport, waarop het Scheidsgerecht niet correct (althans niet in lijn met de daarop geuite kritiek) gerespondeerd zou hebben, omdat de motivering ‘niet afdoende’ zou zijn. Het door het Scheidsgerecht afwijken van de conclusies van de deskundigen is voor vernietiging onvoldoende, nog daargelaten dat deze afwijking in het voordeel van [eisers] was. Het Scheidsgerecht heeft die afwijking gemotiveerd en mocht dat, mits voldoende gemotiveerd, ook doen. Het hof heeft niet kunnen vaststellen dat die afwijking niet of onvoldoende gemotiveerd was. Het enkele feit dat de door het Scheidsgerecht gehanteerde afslag (van 50%) arbitrair is (hetgeen bij de keuze voor een afslagpercentage vrijwel altijd het geval zal zijn) brengt niet mee dat een dergelijke keuze niet aan de wettelijke vereisten voldoet, temeer niet daar het Scheidsgerecht deze keuze (in het oordeel van het hof: voldoende) gemotiveerd heeft. Hetzelfde geldt voor de overige keuzes die het Scheidsgerecht ten aanzien van de schadevaststelling heeft gemaakt: het behoorde tot zijn taak om dat te doen en de wijze waarop die keuze is tot stand gekomen, alsmede de motivering van de keuze zelf zijn naar het oordeel van het hof voldoende gemotiveerd. De klacht faalt.
Voorts is door [eisers] gesteld dat het Scheidsgerecht is voorbijgegaan aan enkele essentiële stellingen van [eisers] Hetgeen zij echter ter onderbouwing daarvan aanvoert levert niet meer op dan de vaststelling dat het Scheidsgerecht [eisers] niet in haar stellingen heeft willen volgen. Een vergelijkbare conclusie trekt het hof ten aanzien van de beslissingen van het Scheidsgerecht ten aanzien van de bewijslevering: het is aan het Scheidsgerecht voorbehouden om daarin beslissingen te nemen, welke beslissingen gemotiveerd en op die grondslag navolgbaar (althans niet onnavolgbaar) dienen te zijn. Het Scheidsgerecht heeft al zijn bewijsbeslissingen (meteen en nadien: nader) toegelicht en zijn beslissingen zijn naar het oordeel van het hof begrijpelijk en zeker niet onnavolgbaar. De klacht faalt.
Dat [eisers] zich in de hiervoor besproken en in andere beoordelingen door het Scheidsgerecht, naar uitkomst of diepgang, niet kan vinden is onvoldoende voor de gevorderde vernietiging, omdat daarmee niet aan het criterium is voldaan dat de beoordelingen en de daarop gebaseerde vaststellingen en beslissingen van het Scheidsgerecht in het geheel niet gemotiveerd zijn of – daarmee in dit verband gelijk te stellen – zodanig gebrekkig gemotiveerd zijn dat deze die vaststellingen en beslissingen onnavolgbaar en volstrekt onbegrijpelijk maken. Het hof komt op dat punt tot een ander oordeel dan [eisers] en wijst daarom de vordering tot vernietiging af. De klacht faalt.
Tot slot heeft [eisers] vernietiging van de proceskostenbeslissingen (inclusief arbitragekosten) van het Scheidsgerecht gevorderd. De uitkomst van de onderhavige procedure biedt daarvoor geen steun, omdat de vorderingen van [eisers] worden afgewezen. Dat de beslissing over de proceskosten ontoereikend zou zijn gemotiveerd kan het hof niet vaststellen en is op zichzelf ook al onvoldoende voor toewijzing van het vernietigingsverzoek op dit onderdeel van het arbitraal vonnis. [eisers] heeft daarmee dus ook niet aan haar stelplicht op dit onderdeel van haar vordering voldaan. De klacht faalt.
Door [eisers] zijn geen andere feitelijke en/of juridische gronden aangevoerd die, indien juist bevonden, tot een andere beoordeling kunnen leiden.
De gronden treffen geen doel. De vordering van [eisers] zal daarom worden afgewezen. [eiser 1] is in deze zaak in het ongelijk gesteld en zal daarom worden veroordeeld in de proceskosten. Het hof stelt deze kosten als volgt vast:
- griffierecht € 783,00
- salaris advocaat € 2.428,00
Totaal € 3.211,00
5. Beslissing
Het hof:
wijst de vorderingen van [eisers] af;
veroordeelt [eisers] in de kosten van het geding, tot op heden aan de zijde van [gedaagde] vastgesteld op € 3.211,00;
verklaart deze veroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit arrest is gewezen door mrs. I.A. van der Burg, H.T. van der Meer en W. Aardenburg en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 27 januari 2026.