GERECHTSHOF AMSTERDAM
afdeling civiel recht en belastingrecht
team III (familie- en jeugdrecht)
zaaknummer : 200.339.712/01
zaaknummer rechtbank : C/15/329161 / HA ZA 22-366
arrest van de meervoudige familiekamer van 27 januari 2026
inzake
[eiser] ,
wonend te [plaats A] ,
appellante,
advocaat: mr. J.W. Damstra te Apeldoorn,
tegen
[verweerder] ,
wonend te [plaats B] ,
geïntimeerde,
advocaat: mr. M.J. Drost te Leusden.
Partijen worden hierna [eiser] en [verweerder] genoemd.
1. Het geding in hoger beroep
[eiser] is bij dagvaarding van 3 januari 2024 in hoger beroep gekomen van een vonnis van de rechtbank Noord-Holland, zittingsplaats Alkmaar, van 11 oktober 2023, onder bovenvermeld zaaknummer gewezen tussen [eiser] als eiseres in conventie tevens verweerster in reconventie en [verweerder] als gedaagde in conventie tevens eiser in reconventie.
Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:
- memorie van grieven tevens houdende een wijziging en vermeerdering van eis, met producties;
- memorie van antwoord, met producties;
- akte overlegging producties van de zijde van [eiser] .
Partijen hebben de zaak ter zitting van 2 oktober 2025 doen bepleiten door hun advocaten, ieder aan de hand van pleitnotities die zijn overgelegd. Aan de zijde van de vrouw zijn nog in het geding gebracht een door haar getekende volmacht alsmede de spreekaantekeningen van mr. Drost en mr. Damstra in eerste aanleg.
Ten slotte is arrest gevraagd.
[eiser] heeft - na wijziging en vermeerdering van haar eis - geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en - uitvoerbaar bij voorraad - voor recht zal verklaren dat het testament van de vader van partijen en de bijlage bij het testament zo dienen te worden uitgelegd dat schenkingen en leningen, waardoor één van de kinderen (buitenproportioneel) is bevoordeeld boven de ander binnen zeven dagen na het door het hof te wijzen arrest dienen te worden ingebracht in de nalatenschap door het kind dat is overbedeeld, hetgeen betekent dat door [verweerder] in de nalatenschap dient te worden ingebracht en vervolgens 50/50 dient te worden verdeeld:
• € 74.542,- minus € 13.069,- = € 61.474,- althans,
• € 74.542,- minus € 13.069,- minus hypotheekrente ad € 4.654,- = € 56.820,- althans,
• € 74.542,- minus € 13.069,- minus een door het hof in goede justitie te bepalen rente
althans,
• € 74.542,- minus € 13.069,- minus enkelvoudige wettelijke rente ad € 23.651,96 = € 37.821,04;
dan wel
• € 68.188,- minus € 60.000,- = € 8.188,- althans,
• € 68.188,- minus € 60.000,- minus hypotheekrente ad € 3.121,- = € 5.067,- althans,
• € 68.188,- minus € 60.000,- minus een door het hof in goede justitie te bepalen rente
althans,
• € 68.188,- minus € 60.000,- minus enkelvoudige wettelijke rente ad € 5.011,- = € 3.177,- (vide productie 29);
en bij wege van vermeerdering van eis:
de overeenkomst van 21 januari 2021 - naar het hof begrijpt: van 14 januari 2021 -en/of de schenkingen van 2014 en 2015 aan [verweerder] (vide productie 38 bij de dagvaarding) zal vernietigen en [verweerder] zal veroordelen om in de nalatenschap in te brengen een bedrag van € 89.405,- en/of € 36.000,- en/of € 36.176,- en waarbij [verweerder] zijn aandeel in het bedrag van € 89.405,- jegens [eiser] verbeurt en met veroordeling van [verweerder] in de kosten van de procedure.
[verweerder] heeft geconcludeerd dat het hof [eiser] in haar hoger beroep niet-ontvankelijk zal verklaren, althans het beroep zal verwerpen en, zo nodig onder verbetering of aanvulling van gronden, het vonnis waarvan beroep zal bekrachtigen, de vorderingen van [eiser] zal afwijzen en de proceskosten zal compenseren.
Beide partijen hebben in hoger beroep bewijs van hun stellingen aangeboden.
2. Feiten
De rechtbank heeft in het bestreden vonnis onder 2 de feiten vastgesteld die zij tot uitgangspunt heeft genomen. Samengevat en waar nodig aangevuld met andere feiten die als enerzijds gesteld en anderzijds niet of onvoldoende betwist zijn komen vast te staan, komen de feiten neer op het volgende.
[eiser] en [verweerder] zijn de kinderen van [erflater] (hierna: erflater) en [naam 1] . [naam 1] is overleden [in] 1973. Erflater is overleden [in] 2021.
Erflater heeft bij testament van 15 september 2016 voor de laatste maal over zijn nalatenschap beschikt. In het testament zijn [eiser] en [verweerder] voor gelijke delen tot erfgenaam benoemd.
Het testament bevat, voor zover hier van belang, de volgende bepaling:
“H. Vrijstelling van inbreng
Voorzover dat niet reeds uit de wet voortvloeit, stel ik bij deze uitdrukkelijk vast, dat eventuele schenkingen en bevoordelingen, welke door mij tijdens mijn leven zijn gedaan, niet behoeven te worden ingebracht in mijn nalatenschap.”
Daarnaast heeft erflater in september 2016 een schriftelijk stuk opgesteld. Dit stuk luidt als volgt:
“BRIEF BIJLAGE TESTAMENT SCHENKINGEN/ LENINGEN AAN [naam 2] EN [naam 3]
Het is altijd mijn doelstelling geweest om zoveel mogelijk een gelijke financiële behandeling van mijn kinderen te realiseren.
In de bijlage heb ik de schenkingen/ leningen aan [naam 2] [Hof: [eiser] ] en aan [naam 3] [Hof: [verweerder] ] naast elkaar gelegd. Er bleek nog een onbedoelde financiele bevoordeling van [naam 2] te zijn, deze heb ik in 2014 en 2015 vrijwel hersteld. [naam 2] meende nog recht te hebben op een bedrag van €36.000,- incl. rente als restant van de in 2004 voorgestelde schenking. Echter in de eerste plaats heeft [naam 2] deze schenking volgens notaris Vos niet aanvaard, in de tweede plaats bleek mij in 2014 dat [naam 2] onbedoeld al financieel bevoordeeld was. Ik heb niettemin in juni 2016 het gevraagde bedrag van €36.000,- incl. rente overgemaakt, conform het voorstel van [naam 2] . Tegelijkertijd heb ik hetzelfde bedrag aan [naam 3] overgemaakt om gelijke behandeling te handhaven.
[naam 2] en [naam 3] zijn uitdrukkelijk vrijgesteld van de verplichting tot inbreng in mijn nalatenschap van de genoten schenkingen en leningen. Deze bijlage omvat expliciet mijn wensen en vervangt alle eerdere of gelijktijdige gesprekken of overeenkomsten, zowel mondeling als schriftelijk. Ik hoop van harte dat iedereen deze wensen zal respecteren.
[plaats] , September 2016”
Bij dit stuk behoort een cijfermatig schematisch overzicht van verschillende door erflater aan partijen geschonken en geleende bedragen. De brief en dit schematisch overzicht zullen hierna gezamenlijk worden aangeduid als ‘de bijlage’.
Erflater heeft op 14 januari 2021 een verklaring ondertekend waarin hij aan [verweerder] een reiskostenvergoeding toekent van € 89.405,-. In de bij die verklaring horende bijlage is opgenomen dat het gaat om een kilometervergoeding van € 0,68 per gereden kilometer over een periode van zeventien jaar plus rente.
Partijen hebben de nalatenschap beneficiair aanvaard. De executeur heeft zijn benoeming niet geaccepteerd. Partijen hebben de nalatenschap vereffend en alle nalatenschapsschulden betaald.
3. Beoordeling
[eiser] heeft in eerste aanleg, voor zover hier van belang, gevorderd dat de rechtbank:
(i) het testament, althans de bijlage bij het testament, wijzigt althans daaraan rechtsgevolgen onthoudt, in die zin dat het door erflater aan partijen toegerekende rentevoordeel over de verschillende aan partijen verstrekte renteloze leningen, verminderd met de gedane aflossingen, wordt (her)berekend tegen de enkelvoudige rente;
(ii) [verweerder] veroordeelt om een bedrag ter hoogte van het genoten rentevoordeel in te brengen in de nalatenschap;
(iii) het testament, althans de bijlage bij het testament, wijzigt althans daaraan rechtsgevolgen onthoudt, in die zin dat de door erflater opgevoerde bedragen die betrekking hebben op de aan partijen geschonken piano’s, de aan [eiser] geschonken auto en de aan [eiser] geschonken bijdrage vanwege haar huwelijk, geen deel uitmaken van de schenkingen die aan [eiser] zijn gedaan;
(iv) [verweerder] veroordeelt om een bedrag van € 3.200,-, althans € 1.452,-, in te brengen in de nalatenschap.
De rechtbank heeft deze vorderingen afgewezen. Tegen die afwijzing en de daaraan ten grondslag gelegde motivering komt [eiser] op met haar grieven 1 en 2. Zij heeft daarnaast haar eis vermeerderd met een vordering tot vernietiging van de overeengekomen onkostenvergoeding en twee schenkingen aan [verweerder] . Het hof ziet aanleiding vanwege de samenhang tussen grief 1 en 2 deze gezamenlijk te behandelen,
Uitleg testament/onjuiste voorstelling van zaken
[eiser] voert aan dat het testament van erflater op zichzelf duidelijk is, maar dat door de toelichting in de bijlage bij het testament, waarin is opgenomen dat erflater zijn kinderen zo veel mogelijk financieel gelijk wilde behandelen, onduidelijkheid is ontstaan. Gezien het feit dat erflater zijn kinderen zo veel mogelijk financieel gelijk wilde behandelen maar [verweerder] meer geschonken heeft gekregen dan [eiser] , terwijl in het testament en in de bijlage is bepaald dat schenkingen niet hoeven te worden ingebracht, is aan de doelstelling van erflater om zijn kinderen zoveel mogelijk financieel gelijk te behandelen geen gevolg gegeven. Volgens [eiser] leidt dit ertoe dat het testament op grond van artikel 4:46 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) zo moet worden uitgelegd dat het bedrag dat het ene kind meer heeft ontvangen dan het andere kind, in afwijking van hetgeen in het testament is opgenomen, dient te worden ingebracht in de nalatenschap van erflater.
[eiser] betwist daarbij dat erflater - ondanks uitvoerige (cijfermatige) discussies met [eiser] - oprecht van mening is geweest dat hij zijn beide kinderen gelijk heeft behandeld, zoals de rechtbank heeft overwogen. [eiser] en erflater hebben inderdaad lang gediscussieerd over de vraag of [eiser] minder geschonken had gekregen dan [verweerder] , maar die discussie is beslecht met de overeenkomst van 31 januari 2014, inhoudende dat erflater [eiser] nog een bedrag van € 60.000,- zou schenken en in een later stadium de rest met verrekening van het restant van de lening. De enige discussie die toen nog resteerde, ging over de rente over de nabetaling. [eiser] en erflater hebben dus geen debat gevoerd over de (door [verweerder] opgestelde) bijlage. Erflater kon de situatie ten tijde van het opmaken van de bijlage al niet meer overzien en heeft zich laten leiden door de onjuiste berekeningen van [verweerder] . Als erflater een juiste voorstelling van zaken had gehad, had hij niet ingestemd met de inhoud van de bijlage. Dat erflater ten tijde van het redigeren van het testament 86 jaar oud was, hij door de jaren heen meer moeite kreeg om het overzicht te houden over zijn financiën, vergeetachtiger werd en onder invloed stond van [verweerder] , draagt volgens [eiser] eraan bij dat erflater geen juiste voorstelling van zaken had. Dit alles dient te worden meegenomen bij de uitleg van het testament in de zin die [eiser] voorstaat.
[verweerder] betoogt dat de bepaling onder H van het testament duidelijk is en dat er dus geen ruimte is voor uitleg van de uiterste wil van erflater. De uitleg die [eiser] aan het testament geeft, is onredelijk, ongegrond en onbewezen; het is bovendien geen uitleg maar een wijziging van het testament. Ook al zou de bijlage cijfermatig niet kloppen - wat niet is gebleken -, dan nog blijkt uit niets dat erflater in dat geval wél zou hebben gekozen voor een inbrengplicht. Ook in zijn eerdere testament had erflater zijn kinderen vrijgesteld van een inbrengplicht, terwijl het toen nog niet zo was dat partijen evenveel schenkingen hadden gekregen. Erflater heeft dus bewust nooit gekozen voor een inbrengplicht. Volgens [verweerder] heeft erflater zelfstandig en in goede geestelijke gezondheid, in overleg met de notaris, de bijlage aan zijn testament gehecht. [verweerder] betwist dat sprake was van overeenstemming tussen [eiser] en erflater; ook na 31 januari 2014 duurde hun onenigheid voort. [eiser] probeert nu postuum het jarenlange conflict tussen erflater en haar over schenkingen alsnog in haar voordeel te beslechten, terwijl erflater anders heeft beslist.
Onderwerp van geschil tussen partijen is de betekenis, althans de consequentie, van de bijlage bij het testament van erflater zoals hiervoor aangeduid onder 2.3. Het hof constateert dat partijen - zo hebben zij ter zitting verklaard - het erover eens zijn dat de bijlage deel uitmaakt van het testament.
Volgens [eiser] leidt de onduidelijkheid, die is ontstaan doordat enerzijds in het testament is vastgelegd dat inbreng van schenkingen wordt uitgesloten en anderzijds in de bijlage de wens van erflater is vastgelegd om zijn kinderen zo veel mogelijk financieel gelijk te behandelen, ertoe dat nu geen sprake is van financieel gelijk behandelen, het testament van erflater dient te worden uitgelegd. Het hof volgt [eiser] hierin niet. Het hof komt immers pas aan uitleg van een bepaling in een testament toe als de bewoordingen daarvan onduidelijk zijn. Van onduidelijke bewoordingen in het testament en de bijlage is echter geen sprake; zowel in het testament als in de bijlage heeft erflater zijn kinderen vrijgesteld van de verplichting tot inbreng. Daarnaast heeft erflater in de bijlage geprobeerd te onderbouwen dat hij - naar zijn idee - zijn beide kinderen in financieel opzicht zo gelijk mogelijk heeft behandeld. Dat [eiser] al een geruim aantal jaren meent dat er geen sprake is van een gelijke behandeling, valt uit de overgelegde stukken af te leiden. Het dossier bevat meerdere brieven en e-mails die (in ieder geval) sinds 2004 tussen [eiser] en erflater over en weer gestuurd zijn. [eiser] heeft daarin de in haar ogen ongelijke behandeling herhaaldelijk aan de orde gesteld. Het hof constateert dat het debat tussen [eiser] en erflater ook na 31 januari 2014 voortduurde. Zo schreef erflater in een e-mail van 31 juli 2014 aan [eiser] onder andere: “Alhoewel ook deze regeling nog steeds in je voordeel is komt deze toch in principe tegemoet aan je beginsel “gelijke monniken, gelijke kappen. Ik kan hiermee zowel jou als [naam 3] recht in de ogen kijken. Anders wil ik niet, anders kan ik niet. Ik hoop dat je dit zelf ook wilt inzien.
Het heeft me zeer verdriet dat – o.a in je telefoongesprek met Ma – beweert dat je door mij verschrikkelijk benadeeld bent. Dat is niet zo. Zoals eerder gesteld ben je nog steeds (met effect renteloze lening en schenking) bevoordeeld.”
Uit deze e-mail blijkt niet alleen dat de discussie tussen [eiser] en erflater nog niet (volledig) beslecht was op 31 januari 2014, maar ook dat erflater volhield dat hij [eiser] en [verweerder] gelijk wilde behandelen, dat hij van mening was dat hij daaraan voldeed en dat hij [eiser] niet minder had geschonken dan [verweerder] . Of erflater die mening terecht was toegedaan, doet er in feite niet toe. Het stond erflater vrij om naar eigen goeddunken te beslissen over zijn vermogen en nalatenschap. Dat [eiser] een andere mening was (en is) toegedaan over de al dan niet gelijke behandeling, maakt niet dat erflater een onjuiste voorstelling van zaken had. Daarbij komt dat [eiser] ter zitting in hoger beroep heeft erkend dat erflater ten tijde van het opstellen van het testament wilsbekwaam was. Er moet dus vanuit worden gegaan dat erflater (de wijziging van) het testament en de bijlage begreep en dat hij de gevolgen daarvan kon overzien. Een en ander volgt ook uit het gegeven dat de notaris, wiens taak het is de wilsbekwaamheid van een testateur te toetsen, kennelijk geen grond zag om het door erflater gewenste testament niet te verlijden. Het hof gaat dan ook ervan uit dat de bijlage niet berust op een onjuiste voorstelling van zaken bij erflater. Of [eiser] erflater op andere gedachten had kunnen brengen over de inhoud van de bijlage, is dus niet relevant.
Ook als erflater zijn mening echter heeft gebaseerd op een verkeerde berekening, zoals [eiser] stelt, kan dat naar het oordeel van het hof niet ertoe leiden dat het bedrag dat [verweerder] meer dan [eiser] zou hebben ontvangen, alsnog door [verweerder] in de nalatenschap zou moeten worden ingebracht. Zoals [verweerder] terecht naar voren heeft gebracht, beoogt [eiser] in feite geen uitleg van het testament, maar een wijziging ervan. Hetgeen [eiser] wenst, te weten dat [verweerder] toch bedragen inbrengt, kan zij niet bereiken met behulp van de uitleg van het testament op grond van artikel 4:46 lid 1 BW. Het is immers niet mogelijk om bepaling H van het testament - dat een inbrengplicht expliciet uitsluit - zodanig uit te leggen dat er in enig geval toch een inbrengplicht ontstaat. Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, geeft artikel 4:46 lid 1 BW regels over de wijze waarop bepalingen in het testament moeten worden uitgelegd, maar mag uitleg van een testament er niet toe leiden dat de inhoud van het testament wordt gewijzigd. De grieven treffen dan ook geen doel. Dat betekent dat het hof niet tot een ander oordeel dan de rechtbank komt en dat het testament van erflater niet zodanig zal worden uitgelegd dan wel aangepast dat door [verweerder] alsnog bedragen in de nalatenschap van erflater dienen te worden ingebracht. Het bestreden vonnis zal in zoverre worden bekrachtigd.
De kilometervergoeding
[eiser] stelt dat de onder 2.4. vermelde onkostenvergoeding in feite een schenking is, die vernietigbaar is wegens misbruik van omstandigheden. Het gaat om een vergoeding van € 0,68 per gereden kilometer voor de duur van zeventien jaar, waarover ook nog eens rente is berekend. [eiser] heeft inmiddels van de belastingdienst vernomen dat in het kader van de aangifte voor de erfbelasting vragen zijn gesteld over deze onkostenvergoeding. Erflater was ten tijde van het overeenkomen van de onkostenvergoeding 91 jaar oud, hij was terminaal ziek (hij kreeg zware medicatie) en was opgenomen in een verpleeghuis. De brief van 14 januari 2021 is slechts enkele dagen voor zijn overlijden opgesteld en erflater was - ten tijde van het ondertekenen daarvan - niet meer in staat de gevolgen van zijn handelen te overzien. In ieder geval is er volgens [eiser] gerede twijfel over de vrije zelfstandige wilsvorming. Een dergelijk buitensporige vergoeding is niet passend. De schenking dient daarom ex artikel 7:176 BW te worden vernietigd, aldus [eiser] .
[verweerder] betwist dat sprake is van een schenking. Volgens hem heeft erflater tijdens Kerstmis 2020 (toen erflater net had gehoord dat hij terminaal ziek was) aan [verweerder] aangeboden een vergoeding te betalen voor door [verweerder] vanaf 2004 ten behoeve van erflater gemaakte autokosten wegens professionele zorg, een verhuizing, vervoer naar doktersbezoeken en dergelijke. Het is juist dat de belastingdienst vragen heeft gesteld over de vermindering van het banksaldo van erflater vlak voor zijn overlijden en dat de belastingdienst de vermogensdaling als een fictieve verkrijging ziet, maar tegen deze beslissing heeft [verweerder] bezwaar gemaakt.
Het hof overweegt als volgt. Misbruik van omstandigheden is aanwezig, wanneer iemand die weet of moet begrijpen dat een ander door bijzondere omstandigheden, zoals noodtoestand, afhankelijkheid, lichtzinnigheid, abnormale geestestoestand of onervarenheid, wordt bewogen tot het verrichten van een rechtshandeling, het tot stand komen van die rechtshandeling bevordert, hoewel hetgeen hij weet of moet begrijpen hem daarvan zou behoren te weerhouden (artikel 3:44 lid 4 BW). Uitgangspunt is dat de partij die zich beroept op rechtsgevolgen van door haar gestelde feiten of rechten, daarvan de bewijslast draagt. Artikel 7:176 BW bepaalt echter dat indien de schenker feiten stelt waaruit volgt dat de schenking door misbruik van omstandigheden tot stand is gekomen, bij een beroep op vernietigbaarheid de bewijslast van het tegendeel op de begiftigde rust, tenzij van de schenking een notariële akte is opgemaakt of deze verdeling van de bewijslast in de gegeven omstandigheden in strijd met de eisen van redelijkheid en billijkheid zou zijn. Niet in geschil is dat [eiser] als erfgenaam van erflater ook een beroep op artikel 7:176 BW kan doen.
De eerste vraag die derhalve dient te worden beantwoord, is of de aan [verweerder] betaalde onkostenvergoeding moet worden aangemerkt als een schenking. Het hof overweegt dienaangaande als volgt. Uit de bijlage bij de brief van 14 januari 2021, waarbij de onkostenvergoeding is vastgesteld, valt af te leiden dat [verweerder] vanaf 2004 elk jaar eenzelfde aantal kilometers aan erflater in rekening heeft gebracht. Een specificatie van de tijdstippen waarop deze kilometers zijn gereden en met welk doel ontbreekt. In de brief van 14 januari 2021 wordt hieromtrent ook niets vermeld. De brief bevat slechts de verklaring van erflater dat [verweerder] al sinds 2004 vrijwel wekelijks bij hem langs komt en dat erflater hem heeft verzocht zijn onkosten daarvoor in te dienen. Gelet op de hoogte van de kilometer-vergoeding waarmee is gerekend, het aantal jaren waarover de onkostenvergoeding is berekend, het tijdstip waarop deze vastgesteld is, het feit dat over het aan [verweerder] verschuldigde bedrag ook nog rente is berekend en de omstandigheid dat de belastingdienst de betaalde vergoeding als een fictieve verkrijging ziet, is het hof van oordeel dat [verweerder] onvoldoende heeft gesteld om aan te nemen dat inderdaad van (uitsluitend) een onkostenvergoeding sprake is geweest. Daarbij speelt ook nog een rol dat erflater in bedoelde brief zelf nog verklaart dat [verweerder] nadrukkelijk is vrijgesteld van een inbreng van deze onkostenvergoeding in zijn nalatenschap, voor zover dit een schenking zou betreffen. Onder die omstandigheden is het hof van oordeel dat in ieder geval een deel van de aan [verweerder] betaalde onkostenvergoeding moet worden aangemerkt als een schenking.
Vervolgens komt de vraag aan de orde of [eiser] voldoende feiten en omstandigheden heeft gesteld ter onderbouwing van haar betoog dat de onkostenvergoeding door misbruik van omstandigheden tot stand is gekomen. Het hof beantwoordt deze vraag ontkennend. Zoals hiervoor onder 3.8 uiteen gezet is, heeft [eiser] gesteld dat erflater 91 jaar was, terminaal ziek en opgenomen in een verpleegtehuis. [verweerder] heeft daartegenover aangevoerd dat erflater tot op het laatst helder van geest was, hetgeen bijvoorbeeld blijkt uit de e-mail van [eiser] van 18 januari 2021 aan [verweerder] , waarin zij schrijft: “Ik heb Pa zojuist uitgebreid gesproken en hij voelt zich goed. Hij lag niet op bed, maar zat in zijn stoel (…) Het is uitermate onkies en niet ethisch om al over Pa’s begrafenis te spreken, als Pa nog niet is overleden. Ik heb hier zojuist met Pa ook over gesproken en dit bevreemdde hem zeer. Van Pa weet ik ook, dat jij niet de persoon bent om zijn begrafenis te regelen. Pa heeft bij testament laten vastleggen, dat de notaris zijn begrafenis moet regelen.” Volgens [verweerder] maakte erflater tot op het einde van zijn leven zijn eigen keuzes, ook wat betreft zijn vermogen. Zo verkocht hij op 20 november 2020 nog zelf zijn huis door in overleg met de makelaar een koopovereenkomst aan te gaan en besloot hij in december 2020 dat hij niet opnieuw in het ziekenhuis wilde worden opgenomen. De kerstdagen en Oud en Nieuw vierde erflater intensief met zijn familie en vrienden. Erflater stond - aldus [verweerder] - nog volop in het leven. Erflater was stellig van mening dat hij [verweerder] een onkostenvergoeding was verschuldigd en heeft dan ook tijdens de kerstdagen van 2020 aan [verweerder] gevraagd een reiskostenvergoeding te berekenen. Erflater heeft de door [verweerder] gemaakte berekening en opgestelde verklaring beoordeeld en vervolgens voor akkoord ondertekend, waarna [verweerder] , met toestemming en medeweten van erflater, deze onkostenvergoeding aan zichzelf heeft overgeboekt.
Naar het oordeel van het hof heeft [eiser] , tegenover deze gemotiveerde betwisting door [verweerder] , onvoldoende aangevoerd ter onderbouwing van het door haar gestelde misbruik van omstandigheden. Weliswaar heeft [eiser] nog gesteld dat de berekening van de vergoeding over meerdere jaren niet eenvoudig was en dat het om een bijzonder hoge vergoeding ging, doch een en ander zegt niets over de geestestoestand van erflater en is te algemeen om te concluderen dat erflater beïnvloedbaar en afhankelijk was van [verweerder] . Uit het vorengaande volgt dat [eiser] niet aan haar stelplicht heeft voldaan, nu zij geen genoegzame feiten en omstandigheden heeft gesteld, die het oordeel kunnen rechtvaardigen dat de bewuste onkostenvergoeding tot stand is gekomen door misbruik van omstandigheden. Aldus is ook geen ruimte voor omkering van de bewijslast, noch grond voor een bewijsopdracht aan [eiser] .
Dwaling, selbsteintritt, paulianeus handelen
Voor een geslaagd beroep op dwaling heeft [eiser] evenmin voldoende concrete feiten en omstandigheden gesteld. Op basis van hetgeen zij naar voren heeft gebracht, kan niet worden geconcludeerd dat erflater de verklaring van 14 januari 2021 heeft ondertekend onder invloed van een onjuiste voorstelling van zaken en dat hij deze overeenkomst niet zo hebben gesloten bij een juiste voorstelling.
[eiser] heeft ook nog een beroep gedaan op artikel 3:68 BW. Op grond van dit artikel kan een gevolmachtigde, tenzij anders is bepaald, slechts dan als wederpartij van de volmachtgever optreden, wanneer de inhoud van de te verrichten rechtshandeling zo nauwkeurig vast staat, dat strijd tussen beider belangen uitgesloten is. [eiser] heeft naar het oordeel van het hof onvoldoende gesteld om aan te nemen dat in dit geval sprake is geweest van een gevolmachtigde ( [verweerder] ) die met zichzelf namens de volmachtgever (erflater) handelt. Het is erflater zelf geweest die [verweerder] heeft voorgesteld een onkostenvergoeding te betalen en zelf de verklaring van 14 januari 2021 heeft ondertekend, waarbij - zoals uit het voorgaande volgt - niet is gebleken dat hij de reikwijdte hiervan niet kon overzien.
Tot slot heeft [eiser] gesteld dat de overeenkomst betreffende de onkostenvergoeding gekwalificeerd kan worden als paulianeus in de zin van artikel 3:45 BW. Het hof stelt vast dat er ten tijde van de overeenkomst nog geen legitimaire vordering was voor [eiser] . Om die reden kan zij de actio pauliana niet in stelling brengen.
[eiser] heeft daarnaast met een beroep op artikel 7:176 BW gevorderd dat het hof de schenkingen van 2014 en 2015 aan [verweerder] (zie productie 38 bij de dagvaarding) zal vernietigen en [verweerder] in dat kader zal veroordelen om in de nalatenschap in te brengen een bedrag van € 36.000,- en/of € 36.176,-. Het hof is echter van oordeel dat [eiser] ook ten aanzien van deze vorderingen onvoldoende feiten en omstandigheden gesteld, die een beroep op misbruik van omstandigheden kunnen rechtvaardigen.
Bewijsaanbod
[eiser] heeft bewijs aangeboden van haar stelling dat erflater een week voor zijn overlijden, althans vanaf november 2014, niet meer in staat was de gevolgen van zijn handelen te overzien door het horen van getuigen waaronder personeel van het verzorgingshuis.
Nu uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat [eiser] , tegenover het verweer van [verweerder] , onvoldoende heeft gesteld, komt het hof komt niet toe aan het toelaten van [eiser] tot het leveren van bewijs. Ook [verweerder] heeft bewijs aangeboden, maar aangezien de grieven van [eiser] falen, heeft [verweerder] geen belang meer bij zijn aanbod.
Slotsom
De grieven falen. Het vonnis waarvan beroep zal dan ook worden bekrachtigd voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen. De vordering tot vernietiging van de overeenkomst van 14 januari 2021 en de schenkingen in 2014 en 2015 wordt afgewezen. Gelet op de aard van de procedure ziet het hof geen aanleiding voor een kostenveroordeling van één van partijen in hoger beroep. Het hof zal de kosten dan ook compenseren.
4. Beslissing
Het hof:
bekrachtigt het vonnis waarvan beroep voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;
wijst af het meer of anders in hoger beroep gevorderde;
compenseert de proceskosten in hoger beroep, in die zin dat iedere partij zijn eigen kosten draagt;
wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit arrest is gewezen door mr. R.M. Troost, mr. A.R. Sturhoofd en mr. T.M. Subelack en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 27 januari 2026.