ECLI:NL:GHAMS:2026:1769

ECLI:NL:GHAMS:2026:1769

Instantie Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak 17-03-2026
Datum publicatie 03-07-2026
Zaaknummer 24/3303
Rechtsgebied Bestuursrecht; Belastingrecht
Procedure Hoger beroep
Zittingsplaats Amsterdam

Samenvatting

Naheffingsaanslag motorrijtuigenbelasting. Het is aan belanghebbende om aannemelijk te maken dat de auto hem niet ter beschikking heeft gestaan tijdens het naheffingstijdvak. Belanghebbende is daar niet in geslaagd.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

kenmerk 24/3303

17 maart 2026

uitspraak van de tweede meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

[X] , wonende te [Z] , belanghebbende,

gemachtigde: mr. F. Jagersma

tegen de uitspraak van 7 juni 2024 in de zaak met kenmerk HAA 23/396 van de rechtbank Noord-Holland (hierna: de rechtbank) in het geding tussen

belanghebbende

en

de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.

1. Ontstaan en loop van het geding

De inspecteur heeft aan belanghebbende een naheffingsaanslag motorrijtuigenbelasting (hierna: de naheffingsaanslag) opgelegd voor een bedrag van € 6.708, berekend over de periode 5 juli 2019 tot en met 13 maart 2022, met daarbij een boete van € 5.514. De inspecteur heeft bij uitspraak op bezwaar de boete verminderd tot € 551 en voor het overige de naheffingsaanslag gehandhaafd.

Belanghebbende heeft beroep ingesteld tegen de uitspraak op bezwaar. De rechtbank heeft in haar uitspraak van 7 juni 2024 als volgt beslist (in de uitspraak van de rechtbank wordt belanghebbende aangeduid als ‘eiser’ en de inspecteur als ‘verweerder’):

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond

- vernietigt de uitspraak op bezwaar voor zover die betrekking heeft op de verzuimboete en de proceskostenvergoeding;

- vermindert de boete tot € 523;

- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van de uitspraak op bezwaar;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser voor een bedrag van € 975,50, en

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 50 aan eiser te vergoeden.”

Belanghebbende heeft tijdig hoger beroep ingesteld en het hoger beroep bij brief van 22 augustus 2024 gemotiveerd. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 maart 2026. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden.

2. Feiten

De rechtbank heeft de volgende feiten vastgesteld:

“Feiten

1. Eiser staat sinds 1975 ingeschreven op een Nederlands adres in de Basisregistratie Personen (BRP). Eiser heeft de [land] nationaliteit en bezit een Nederlands en een [land] paspoort.

2. Op 14 maart 2022 omstreeks 15:33 uur is geconstateerd dat eiser met een motorrijtuig, een Mercedes-Benz M1, voorzien van het [land] kenteken [#] (hierna: de auto) op de [weg] , ter hoogte van hectometerpaal 10.9 linker rijbaan, gebruik heeft gemaakt van de weg.

3. In het rapport constatering politie: “Signaal buitenlands gekentekend motorrijtuig” staat vermeld dat eiser het volgende heeft verklaard.

“Ik woon al langere tijd in Nederland en [land] . Ik heb dan ook twee

nationaliteiten en heb hier nog nooit problemen mee gehad. Ik ben nu net een paar

dagen in Nederland. Woensdag 9 maart zijn we vertrokken vanuit [land] en ik kom nu

net bij mij ex-vrouw en kinderen vandaan in [plaats 1] . Ik blijf ook niet lang in

Nederland. Ik ben te bereiken op [telefoonnummer] .”.

4. Met dagtekening 15 maart 2022 is aan eiser de brief ‘Gevolgen controle’ gestuurd.

5. De vooraankondiging naheffingsaanslag/boetebeschikking is met dagtekening21 maart 2022 aan eiser verzonden.

6. In de vooraankondiging wordt eiser de mogelijkheid geboden hierop te reageren, waarbij tevens eventuele bewijsstukken kunnen worden meegezonden. Eiser heeft bij brief, ontvangen door verweerder op 8 april 2022, gereageerd.

7. Met dagtekening 28 april 2022 zijn de naheffingsaanslag en boete opgelegd zoals aangekondigd.

8. Per brief met dagtekening 21 oktober 2022 heeft verweerder uitspraak op bezwaar gedaan.

9. Eiser heeft op 5 december 2022 digitaal beroep ingesteld bij de rechtbank.”

Het Hof gaat ook uit van deze feiten uit en voegt daaraan toe dat belanghebbende vanaf 1975 zijn hoofdverblijf heeft in Nederland.

3. Geschil in hoger beroep

In geschil is of de naheffingsaanslag en de boetebeschikking terecht door de inspecteur zijn opgelegd.

4. Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank heeft over het geschil als volgt overwogen:

De naheffingsaanslag

17. Ingevolge artikel 1, eerste lid, van de Wet Mrb wordt motorrijtuigenbelasting geheven ter zake van het houden van een motorrijtuig. Op grond van artikel 7, eerste lid, onder c, van de Wet Mrb, is de houder van een motorvoertuig degene die een in het buitenland geregistreerd motorrijtuig in Nederland feitelijk ter beschikking heeft. Op grond van het derde lid van artikel 7 van de Wet Mrb wordt deze houder, behoudens tegenbewijs, geacht in Nederland zijn hoofdverblijf te hebben als hij is ingeschreven in de BRP.

18. Op grond van artikel 10 van de Wet Mrb, is het tijdvak waarover belasting moet worden betaald drie maanden.

19. Voor een in het buitenland geregistreerd motorrijtuig dat in Nederland feitelijk ter beschikking staat vangt het tijdvak aan met ingang van de dag waarop het gebruik van de weg in Nederland aanvangt en, zolang het motorrijtuig in Nederland feitelijk ter beschikking staat, telkenmale drie maanden later (artikel 13, eerste lid, van de Wet Mrb).

20. Voor de toepassing van artikel 7, derde lid Wet MRB, vangt in afwijking van het eerste lid van artikel 13, voor dat motorrijtuig het tijdvak aan met ingang van de dag waarop de houder als ingezetene is ingeschreven in de basisregistratie personen, genoemd in artikel 1.2 van de Wet BRP en, zolang het motorrijtuig in Nederland feitelijk ter beschikking staat, telkenmale drie maanden later, tenzij wordt aangetoond met ingang van welke dag het in het buitenland geregistreerde motorrijtuig in Nederland ter beschikking heeft gestaan, in welk geval het tijdvak aanvangt met die datum (artikel 13, tweede lid, van de Wet Mrb).

21. Ingevolge artikel 34, eerste lid, van de Wet Mrb, kan bij constatering van gebruik van de weg met een motorrijtuig waarvoor geen kenteken is opgegeven en de belasting geheel of gedeeltelijk niet is betaald, de belasting worden nageheven. Voor de toepassing van dit lid wordt een in het buitenland geregistreerd motorrijtuig aangemerkt als een motorrijtuig waarvoor geen kenteken is

opgegeven.

22. Op grond van artikel 34, tweede lid, van de Wet Mrb, wordt de na te heffen belasting berekend over een tijdsduur van twaalf maanden, waarbij als laatste dag geldt de dag die voorafgaat aan de dag waarop het gebruik van de weg wordt geconstateerd. Indien artikel 7, derde of vierde lid, van toepassing is, wordt de na te heffen belasting berekend vanaf het begin van het tijdvak, bedoeld in artikel 13, tweede lid.

23. Verweerder heeft de naheffingsaanslag op grond van artikel 34, eerste lid, van de Wet Mrb aan eiser opgelegd. Voor de beoordeling van de naheffingsaanslag is relevant het arrest van de Hoge Raad van 5 april 2019 (ECLI:NL:HR:2019:483, hierna: het arrest). In het arrest is onder meer overwogen dat de wetgever voor een in het buitenland geregistreerd motorrijtuig dat in Nederland feitelijk ter beschikking staat, in artikel van de 34 Wet Mrb een ten dele van artikel 20 van de Awr afwijkende regeling heeft getroffen. Deze afwijkende regeling ziet op het specifieke geval dat op een bepaalde dag wordt geconstateerd dat met een in het buitenland geregistreerd motorrijtuig gebruik wordt gemaakt van de weg zonder dat motorrijtuigenbelasting is betaald. De regeling houdt in dat in het geval van een dergelijke constatering voor de berekening van de hoogte van de naheffingsaanslag niet van belang is of het gebruik van de weg met het motorrijtuig eerder is aangevangen dan de dag van constatering. De hoogte van de naheffingsaanslag wordt aan de hand van het vermoeden van hoofdverblijf in Nederland en het vermoeden van de duur van houderschap in Nederland (artikel 34, lid 2, tweede volzin, van de Wet Mrb) vastgesteld op het totaal van de bedragen aan motorrijtuigenbelasting dat voor het motorrijtuig is verschuldigd voor alle tijdvakken die zijn gelegen vanaf de dag van (het ontstaan van de verplichting tot) inschrijving van de betrokken persoon in de BRP tot en met de dag vóór constatering van het gebruik van de weg in Nederland. In het arrest is voorts geoordeeld dat de belanghebbende slaagt in het tegenbewijs met betrekking tot de duur van de periode waarover op grond van artikel 34, lid 2, tweede volzin, in samenhang gelezen met artikel 7, lid 3, en artikel 13, lid 2, van de Wet Mrb het na te heffen bedrag wordt berekend, indien hij aannemelijk maakt met ingang van welke dag het in het buitenland geregistreerde motorrijtuig in Nederland ter beschikking heeft gestaan. De belanghebbende heeft de mogelijkheid aannemelijk te maken dat het motorrijtuig in tussenliggende tijdvakken niet in Nederland ter beschikking heeft gestaan. Het is dus aan eiser om aannemelijk te maken dat de auto hem niet ter beschikking heeft gestaan in de naheffingsperiode 1 januari 2019 tot en met 10 maart 2022.

24. Ter zitting heeft eiser aangegeven niet langer te betwisten zijn hoofdverblijf in Nederland te hebben. De rechtbank ziet geen reden voor een ander oordeel (vgl. gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 8 oktober 2019, ECLI:NL:GHARL:2019:8107). Vaststaat dat eiser in Nederland beschikt over eigen woonruimte, dat zijn zoon en dochter in Nederland wonen, dat eiser de zorg heeft voor zijn ex vrouw die in Nederland woont en dat eiser sinds 1975 in Nederland staat ingeschreven. Hieruit volgen de nauwe banden tussen eiser en Nederland. Dit in tegenstelling tot [land] , waar eiser weliswaar ingeschreven staat, maar niet over een eigen woonruimte beschikt omdat hij aldaar bij een familielid verblijft en overigens ook geen feiten en omstandigheden heeft gesteld op basis waarvan anders zou kunnen worden geoordeeld.

25. Verweerder heeft de naheffingsaanslagen berekend over de periode 5 juli 2019 tot en met 13 maart 2022. De naheffingsaanslag mag in beginsel worden berekend over de periode die (op zijn vroegst) aanvangt op de dag waarop eiser is ingeschreven als ingezetene in de BRP en die eindigt de dag voorafgaand de dag waarop het gebruik van de wet wordt geconstateerd (artikel 34 juncto artikel 13, tweede lid, van de Wet Mrb). Daarbij geldt een maximale termijn van vijf jaar op grond van artikel 20, derde lid, van de Awr. In dit geval heeft verweerder zich aangesloten bij de datum van de laatste tenaamstelling van de auto. De door verweerder gehanteerde berekeningsperiode is als uitgangspunt daarom niet te lang.

26. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat de auto hem niet ter beschikking heeft gestaan in de naheffingsperiode 1 januari 2019 tot en met 10 maart 2022. Dat de auto wordt gebruikt voor vervoer van auto’s ten behoeve van de autohandel van eisers zoon en dat eiser daarvoor vaak heen en weer rijdt naar [land] , brengt de rechtbank niet tot een ander oordeel. Eiser is dus niet geslaagd in het leveren van enig tegenbewijs.

27. Nu niet langer in geschil is dat eiser zijn hoofdverblijf in Nederland heeft, kan het beroep van eiser op de vrijstelling van artikel 73, eerste lid, sub a van de Wet Mrb, gelezen in samenhang met artikel 29, tweede lid 2 van het Uitvoeringsbesluit motorrijtuigenbelasting 1994, niet slagen. Eiser heeft ook niet aannemelijk gemaakt dat de auto incidenteel wordt gebruikt in Nederland. Nu eiser zijn hoofdverblijf heeft in Nederland en de beschikking heeft over de auto, is er geen enkele reden om aan te nemen dat de auto slechts incidenteel in Nederland wordt gebruikt. De stelling dat eiser de auto gebruikt om auto’s van het bedrijf van zijn zoon van en naar [land] te vervoeren, brengt de rechtbank niet tot een ander oordeel. Nu geen sprake is van incidenteel gebruik behoeft de stelling van eiser dat de vrijstelling op grond van het Unierechtelijke non-discriminatiebeginsel ook op zijn situatie (hoofdverblijf in Nederland) van toepassing zou moeten zijn, geen bespreking.

28. Het beroep op artikel 73, eerste lid 1, sub d, van de Wet Mrb en artikel 26a van het Uitvoeringsbesluit motorrijtuigenbelasting 1994 slaagt evenmin. Een verzoek om toepassing van deze vrijstelling moet vóór aanvang van het weggebruik worden ingediend, hetgeen niet is gebeurd. Bovendien kan niet worden vastgesteld dat eiser incidenteel gebruik heeft gemaakt van de weg in Nederland. De vergelijking die eiser maakt met de situatie waarin een auto met buitenlands kenteken ten hoogste twee weken feitelijk ter beschikking staat in Nederland, kan de rechtbank reeds hierom niet volgen.

29. Eiser betoogt voorts dat verweerder ten onrechte heeft nageheven over de periode van 5 juli 2019 tot en met 13 maart 2022. Uitgangspunt van artikel 34 lid 2 van de Wet Mrb is dat de na te heffen belasting wordt berekend over een tijdsduur van twaalf maanden, waarbij als laatste dag geldt de dag die voorafgaat aan de dag waarop het gebruik van de weg wordt geconstateerd. Indien artikel 7, derde of vierde lid, van toepassing is, wordt de na te heffen belasting berekend vanaf het begin van het tijdvak, bedoeld in artikel 13, tweede lid. Dit laatste betreft houders van in het buitenland geregistreerde motorijtuigen die als ingezetene in de basisregistratie personen staan ingeschreven. In dat geval vangt de naheffingstermijn aan op de dag waarop die inschrijving heeft plaatsgevonden. Artikel 13, tweede lid, van de Wet Mrb leidt er volgens eiser toe dat ten aanzien van houders van motorrijtuigen met een buitenlands (EU) kenteken over een langere periode wordt nageheven, louter op grond van het zijn van ingezetene van Nederland. Dit leidt volgens eiser tot ongelijke behandeling van gelijke gevallen, zonder dat daarvoor een objectieve rechtvaardigingsgrond bestaat. Daarom is artikel 13, tweede lid, van de Wet Mrb volgens eiser in strijd met het Unierecht zodat dit artikel buiten toepassing dient te blijven.

30. De rechtbank overweegt dat de Hoge Raad in zijn arrest van 5 april 2019 (ECLI:NL:HR:2019:483 heeft geoordeeld dat het verschil in behandeling tussen houders van motorrijtuigen met een buitenlands kenteken die wel en die niet ingezetene van Nederland zijn, niet leidt tot met het Unierecht strijdige indirecte discriminatie. De rechtbank ziet in hetgeen eiser heeft aangevoerd geen aanleiding om af te wijken van het oordeel van de Hoge Raad dat sprake is van een objectieve rechtvaardiging die los staat van de nationaliteit van de betrokkene, welke proportioneel is aan de rechtmatig door de Wet Mrb nagestreefde doelstelling.

31. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat verweerder de naheffingsaanslag terecht en naar juiste hoogte heeft vastgelegd.

Boete

32. Verweerder heeft op grond van artikel 37 van de Wet Mrb in verbinding met artikel 67c van de Awr een boete opgelegd omdat de belasting niet op aangifte is voldaan. Op grond van paragraaf 34 van het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst, onderdeel 2, bedraagt de verzuimboete maximaal 100 procent van het bedrag aan belasting dat niet of gedeeltelijk niet is betaald. In bezwaar heeft verweerder de boete, gelet op de persoonlijke (financiële) omstandigheden van eiser, gematigd tot 10% van de verschuldigde belasting, zijnde € 551.

33. Het primaire standpunt van eiser met betrekking tot de boete luidt dat de boete in zijn geheel dient te vervallen omdat de naheffingsaanslag dient te worden vernietigd, kan niet slagen. Gelet op het voorgaande gaat deze beroepsgrond niet op. Het beroep op avas faalt ook. Gelet op het voorgaande is geen sprake van incidenteel gebruik. Dat eiser niet op de hoogte was van de regelgeving, maakt niet dat eiser geen enkele schuld treft.

34. De rechtbank acht, rekening houdend met alle feiten en omstandigheden van dit geval, waaronder de ernst van het feit en de financiële omstandigheden van eiser, een boete van 10% (€ 551), zoals verweerder die in de bezwaarfase heeft gematigd, passend en geboden. Voor een verdere matiging ziet de rechtbank geen aanleiding in hetgeen eiser naar voren heeft gebracht.

35. Tot slot constateert de rechtbank ambtshalve dat vanaf de aankondiging van de boete tot het moment dat de rechtbank uitspraak doet meer dan twee jaar zijn verstreken, nu de vooraankondiging is gedaan op 21 maart 2022. Van bijzondere omstandigheden die aanleiding geven voor verlenging of verkorting van de redelijke termijn voor de berechting van deze zaak is de rechtbank niet gebleken. Dat betekent dat de redelijke termijn is overschreden. Om die reden zal de rechtbank de boete verder verminderen met 5% tot een bedrag van € 523 (vgl. de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 2 juli 2009, ECLI:NL:GHAMS:2009:BJ1298, r.o. 5.7.3.7).

Proceskostenveroordeling bezwaarfase

36. Eiser stelt zich op het standpunt dat de kostenvergoeding voor het bezwaar op een onjuist bedrag is vastgesteld. In de bezwaarfase is 1 punt met een waarde van € 269 toegekend voor het indienden van het bezwaarschrift. Ten onrechte is geen punt toegekend voor het horen. Nu verweerder heeft toegezegd dat nog 1 punt met een waarde van € 269 aan eiser dient te worden toegekend, zal de rechtbank verweerder hierin volgen en eisers beroep in zoverre gegrond verklaren. In totaal bedraagt de vergoeding voor de bezwaarfase € 538.

Proceskosten en griffierecht

37. Nu het beroep gegrond is bestaat ook aanleiding voor een proceskostenvergoeding voor de beroepsfase. Gelet op hetgeen hierboven is overwogen zal de rechtbank verweerder veroordelen in de door eiser gemaakt proceskosten in de bezwaarfase ten bedrage van € 538. Nu de beroepsgronden uitsluitend slagen wegens een te lage proceskostenvergoeding zal de rechtbank de vergoeding berekenen met inachtneming van een factor 0,25. Het feit dat de boete is verminderd wegens de ambtshalve geconstateerde overschrijding van de redelijke termijn leidt op zichzelf niet tot een vergoeding van proceskosten (HR 16 september 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP8053). De kosten van beroep stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 347,50 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 875 vermenigvuldigd met een factor 0,25). De proceskostenvergoeding bedraagt in totaal € 975,50 (€ 538 + € 437,50).

38. Nu het beroep gegrond is dient het door eiser betaalde griffierecht te worden vergoed.”

5. Beoordeling van het geschil

Belanghebbende betoogt in hoger beroep dat de rechtbank, die daarvoor heeft verwezen naar het arrest van de Hoge Raad van 5 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:483 (hierna: het arrest), in r.o. 23 van haar uitspraak ten onrechte overweegt dat het aan belanghebbende is om aannemelijk te maken dat de auto hem niet ter beschikking stond. De rechtbank miskent aldus dat aan deze bewijslastverdeling niet wordt toegekomen, indien de auto, zoals in het onderwerpelijke geval, niet bestemd is om duurzaam op het Nederlandse grondgebied te worden gebruikt, aldus belanghebbende.

De klacht faalt. Belanghebbende, die de [land] en Nederlandse nationaliteit heeft en sinds 1975 in Nederland is ingeschreven in de basisregistratie personen (BRP), heeft op 14 maart 2022 met de auto (met [land] kenteken) gebruik gemaakt van de weg (zie 2.1). In een dergelijk geval wordt de aanvang van het gebruik van de weg in Nederland vermoed vanaf de dag waarop de houder als ingezetene is ingeschreven in de BRP, tenzij wordt aangetoond met ingang van welke dag het in het buitenland geregistreerde motorrijtuig in Nederland ter beschikking heeft gestaan, in welk geval het tijdvak aanvangt met die datum. Zulks volgt uit artikel 13, tweede lid, van de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994 (hierna: de Wet). De rechtbank heeft in r.o. 23 van haar uitspraak op goede gronden geoordeeld dat het aan belanghebbende is om aannemelijk te maken dat de auto hem niet ter beschikking heeft gestaan tijdens het naheffingstijdvak.

Voor dat geval betoogt belanghebbende dat hij aannemelijk heeft gemaakt dat de auto hem gedurende de naheffingsperiode niet ter beschikking stond. Ter onderbouwing van deze stelling hebben belanghebbende en zijn zoon, [naam] (de zoon), verklaard dat de zoon een autobedrijf in [plaats 2] exploiteerde waarvoor auto’s naar [land] werden vervoerd ter reparatie. Het vervoer werd verzorgd door belanghebbende, die daarvoor de auto (met een trailer) gebruikte. Als de auto niet werd gebruikt voor dit vervoer, stond deze geparkeerd op het terrein van het autobedrijf van de zoon in [plaats 2] . In [Z] , waar belanghebbende woonde, had hij, zo is door hem ter zitting bij het Hof verklaard, de beschikking over een tweede auto. Uit dit een en ander volgt, aldus nog steeds belanghebbende, dat de auto hem gedurende de naheffingsperiode feitelijk niet ter beschikking stond.

Dit betoog faalt. Onder beschikkingsmacht moet worden verstaan de bevoegdheid om een goed vrijelijk te kunnen gebruiken. Beschikkingsmacht kan er ook toe leiden dat het goed feitelijk niet wordt gebruikt, bijvoorbeeld omdat de houder daartoe geen aanleiding ziet. Waar het bij de beschikkingsmacht op aankomt is of belanghebbende de controle heeft over het gebruik. En die controle had belanghebbende als eigenaar en houder van de auto. Uit de (geloofwaardige) verklaring van belanghebbende (en zijn zoon) volgt in elk geval niet het tegendeel. Sterker nog, het getuigt juist van zijn beschikkingsmacht. De belanghebbende had de auto, zo hij dat had gewenst, immers ook op een andere wijze kunnen gebruiken. Het Hof wijst er in dit verband op dat belanghebbende de auto ten tijde van de controle, volgens zijn aan de verbalisanten afgelegde verklaring, gebruikte voor een bezoek aan zijn ex-vrouw in [plaats 1] en dat zich blijkens een door de verbalisanten gemaakte foto op dat moment geen aanhanger achter de auto bevond.

Voor dat geval betoogt belanghebbende dat de wetgever, door in artikel 26a en artikel 29, lid 2, van het Uitvoeringsbesluit motorrijtuigenbelasting 1994 (hierna: het Uitvoeringsbesluit) twee verschillende vrijstellingen op te nemen voor ingezetenen onderscheidenlijk niet-ingezetenen die in Nederland gebruik willen maken van een auto met buitenlands kenteken, het discriminatieverbod heeft geschonden. Hij kan vanwege die schending, zo stelt hij, met succes een beroep doen op de voor hem meest gunstige vrijstelling: die van artikel 29, lid 2 van het Uitvoeringsbesluit (voor ‘buitenlandse’ houders).

Met deze grief stelt belanghebbende aan de orde de verenigbaarheid van de opgelegde naheffingsaanslag met het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU). Van directe discriminatie is sprake indien iemand op grond van zijn nationaliteit ongunstiger wordt behandeld dan een ander in een vergelijkbare situatie. Van directe discriminatie is in het onderwerpelijke geval geen sprake, omdat de wetgever bij de toepassing van de in het geding zijnde vrijstellingen geen onderscheid maakt naar nationaliteit maar naar hoofdverblijf.

Discriminatie kan echter ook indirect plaats vinden. Indirecte discriminatie in de zin van artikel 18 VWEU doet zich voor wanneer een bepaling, hoewel zonder onderscheid naar nationaliteit van toepassing, naar haar aard onderdanen van andere lidstaten eerder kan treffen dan eigen onderdanen en derhalve de eerste categorie meer in het bijzonder dreigt te benadelen, tenzij die bepaling objectief gerechtvaardigd en evenredig aan het nagestreefde doel is (vgl. HvJ 23 mei 1996, J. O’Flynn, C‑237/94, ECLI:EU:C:1996:206, punt 20). Ook van een dergelijke indirecte discriminatie is te dezen naar ’s Hofs oordeel geen sprake, omdat de vrijstelling voor personen die hun hoofdverblijf buiten Nederland hebben (veelal niet-Nederlanders) juist ruimer (en dus gunstiger) is dan de vrijstelling voor personen die hun hoofdverblijf binnen Nederland hebben (veelal Nederlanders). Van een belasting die onderdanen uit een andere lidstaat benadeelt, is dus geen sprake.

Voor dat geval betoogt belanghebbende dat hij aannemelijk heeft gemaakt dat is voldaan aan de voorwaarden voor toepassing van de vrijstelling van artikel 26a van het Uitvoeringsbesluit. Ook daarin volgt het Hof belanghebbende niet. De rechtbank is in r.o. 28 van haar uitspraak tot een juist oordeel is gekomen. Ten eerste heeft belanghebbende, zoals is vereist voor toepassing van de vrijstelling van artikel 26a, eerste lid, onderdeel c van het Uitvoeringsbesluit, niet vóór aanvang van het weggebruik een beroep gedaan op die vrijstelling en ten tweede heeft hij niet aannemelijk gemaakt dat de auto hem slechts incidenteel ter beschikking stond (zie 5.4).

Voor dat geval betoogt belanghebbende dat de termijn waarover is nageheven moet worden bekort overeenkomstig de naheffingstermijn van artikel 34 lid 2 van de Wet (van 12 maanden). Dit betoog kan niet worden gevolgd. In het onder 5.1 genoemde arrest heeft de Hoge Raad overwogen dat er in gevallen als de onderwerpelijke, geen grond is om de wettelijke naheffingsperiode buiten toepassing te laten. Uit dit oordeel volgt ook dat het hanteren van de wettelijke naheffingsperiode niet strijdig is met het evenredigheidsbeginsel.

Bij die uitkomst is belanghebbende van mening dat voor een verzuimboete geen plaats is, omdat sprake is van afwezigheid van alle schuld (avas). Belanghebbende was te goeder trouw. Mocht er toch ruimte zijn voor beboeting, dan is de boete passend noch geboden gelet op de financiële omstandigheden van belanghebbende, die slechts beschikt over AOW-inkomsten. Het Hof onderschrijft in zoverre r.o. 32 t/m 34 van de uitspraak van de rechtbank en overweegt in aanvulling daarop als volgt. Bij de beoordeling of de opgelegde verzuimboete een passende en geboden sanctie is, moet de rechter rekening houden met alle relevante omstandigheden van het geval. Daartoe behoort ook de omstandigheid dat de hoogte van de nageheven belasting is komen vast te staan met toepassing van het berekeningsvoorschrift dat is neergelegd in artikel 34 lid 2 tweede volzin van de Wet en de daarbij gehanteerde, weerlegbare vermoedens (van hoofdverblijf en van de duur van het houderschap). Omdat de boete door de inspecteur is verlaagd van 100% naar 10%, is naar ‘s Hofs oordeel voldoende rekening gehouden met de hiervoor genoemde omstandigheid. Dat belanghebbende te goeder trouw was, leidt, wat daar verder ook van zij, niet tot het oordeel dat sprake is van avas en vormt bijgevolg geen aanleiding de verzuimboete te vernietigen. Wat betreft zijn financiële (vermogens)positie, heeft belanghebbende onvoldoende feiten en omstandigheden aangevoerd om de boete, die reeds is verminderd tot € 523, nog verder te verminderen. Belanghebbende kan in dit verband niet volstaan met de stelling ‘dat de inspecteur via de aangiften inkomstenbelasting genoegzaam op de hoogte is van de financiële situatie van belanghebbende’ reeds omdat daarvoor de huidige financiële situatie van belanghebbende doorslaggevend is. Het Hof acht de boete passend en geboden.

De klacht over de toegekende kostenvergoeding voor de bezwaarfase slaagt wel. De rechtbank is ten onrechte uitgegaan van een waarde per punt van € 269, gelet op het arrest van de Hoge Raad van 12 juli 2024, ECLI:NL:HR:2024:1060. Het Hof zal voor de bezwaarfase uitgaan van 2 punten, met een tarief per punt van € 666, dus in totaal € 1.332.

De klacht dat de rechtbank een te lage puntwaarde voor de beroepsfase heeft gehanteerd (zie r.o. 37), faalt. Het toekennen van een factor ‘zeer licht’ acht het Hof in gevallen als de onderwerpelijke waarin het beroep alleen gegrond is verklaard omdat de inspecteur heeft nagelaten een punt toe te kennen voor het horen in de bezwaarfase, niet te gering.

6. Kosten hoger beroep

Aanleiding bestaat om de inspecteur te veroordelen in de kosten van belanghebbende voor het geding in hoger beroep. Die kosten stelt het Hof met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 467. Daarbij is uitgegaan van 2 punten, een waarde per punt van € 934, een wegingsfactor van 0,25.

7. Beslissing

Het Hof:

De uitspraak is gedaan door mrs. C.J. Hummel, voorzitter, B.A. van Brummelen en W.J. Blokland, leden van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. A.H. van Dapperen als griffier. De beslissing is op 17 maart 2026 in het openbaar uitgesproken.

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.

Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).

Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;

2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;

3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.

Toelichting rechtsmiddelverwijzing

Per 15 april 2020 is digitaal procederen bij de Hoge Raad opengesteld. Niet-natuurlijke personen (daaronder begrepen publiekrechtelijke lichamen) en professionele gemachtigden zijn verplicht digitaal te procederen. Wie niet verplicht is om digitaal te procederen, kan op vrijwillige basis digitaal procederen. Hieronder leest u hoe een cassatieberoepschrift wordt ingediend.

Digitaal procederen

Het webportaal van de Hoge Raad is toegankelijk via “Login Mijn Zaak Hoge Raad” op www.hogeraad.nl. Informatie over de inlogmiddelen vindt u op www.hogeraad.nl.

Niet in Nederland wonende of gevestigde partijen of professionele gemachtigden hebben in beginsel geen geschikt inlogmiddel en kunnen daarom niet inloggen in het webportaal. Zij kunnen zo lang zij niet over een geschikt inlogmiddel kunnen beschikken, per post procederen.

Per post procederen

Alleen bepaalde personen mogen beroep in cassatie instellen per post in plaats van via het webportaal. Zij mogen dit bovendien alleen als zij zonder een professionele gemachtigde procederen. Het gaat om natuurlijke personen die geen ondernemer zijn en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Een professionele gemachtigde moet altijd digitaal procederen, ongeacht voor wie de gemachtigde optreedt. Degene die op papier mag procederen en dat ook wil, kan het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

Een afschrift van deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, is een afschrift aangetekend per post verzonden op:

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl V-N Vandaag 2026/1446 NDFR Nieuws 2026/1130 NTFR 2026/1361 met annotatie van mr. M.W.C. Soltysik NLF 2026/1728
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand