GERECHTSHOF AMSTERDAM
afdeling civiel recht en belastingrecht,
team I (handel)
zaaknummer : 200.343.470/01
zaak-/rolnummer rechtbank Amsterdam : C/13/732123/ HA ZA 23-353
arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 27 januari 2026
in de zaak van
[appellant] .,
gevestigd te [plaats 1] , [plaats 3] ,
appellante,
advocaat: mr. A. Haan te Amsterdam,
tegen
[geïntimeerde] ,
gevestigd te [plaats 2] ,
geïntimeerde,
advocaat: mr. D.J. Beenders te Amsterdam.
Partijen worden hierna [appellant] en [geïntimeerde] genoemd.
1. De zaak in het kort
[geïntimeerde] heeft na ruim 20 jaar de franchiseovereenkomst met haar Slovaakse franchisenemer beëindigd in augustus 2022 omdat de franchisenemer volgens haar niet langer aan bepaalde voorwaarden voldeed. In geding is welke voorwaarden op dat moment golden, of daar al dan niet aan werd voldaan en of [geïntimeerde] de duurovereenkomst kon beëindigen zonder de franchisenemer een schadevergoeding aan te bieden. De rechtbank heeft geoordeeld dat [geïntimeerde] de overeenkomst rechtsgeldig heeft beëindigd en de vordering van de Slovaakse franchisenemer afgewezen. [geïntimeerde] tegenvordering tot betaling van een rekening voor een op de algemene voorwaarden gebaseerde vergoeding wegens het annuleren van bestellingen, is toegewezen. Het hof komt tot een ander oordeel.
2. Het geding in hoger beroep
[appellant] is bij dagvaarding van 17 mei 2024 in hoger beroep gekomen van een vonnis van 21 februari 2024 van de rechtbank Amsterdam, onder bovenvermeld zaaknummer gewezen tussen [appellant] als eiseres in conventie, verweerster in reconventie en [geïntimeerde] als gedaagde in conventie, eiseres in reconventie.
Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:
- memorie van grieven van [appellant] met 26 producties;
- memorie van antwoord van [geïntimeerde] met 15 producties (nrs. 47 tot en met 61);
Op 7 oktober 2025 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden. Voor [appellant] is mr. Haan voornoemd verschenen alsmede haar kantoorgenoten mrs. A. Aslan en S. Blans. Voor [geïntimeerde] zijn verschenen mrs. A.J.C. Bogaards en J.A.M. Gijsbers, kantoorgenoten van mr. Beenders voornoemd. De advocaten hebben de zaak toegelicht aan de hand van spreekaantekeningen die zij hebben overgelegd.
Voorafgaand aan de zitting hebben partijen nog producties toegezonden. [geïntimeerde] heeft één productie overgelegd (nr. 62). [appellant] heeft 29 producties overgelegd (nrs. 27 tot en met 55), waartegen [geïntimeerde] bezwaar heeft gemaakt. Ook heeft [appellant] de avond voor de zitting een akte eiswijziging toegestuurd, waartegen [geïntimeerde] ter zitting bezwaar heeft gemaakt. Op deze bezwaren wordt hierna onder 4 beslist.
Ten slotte is arrest gevraagd.
3. Feiten
Het hof gaat uit van de volgende feiten.
[appellant] exploiteert winkels voor duurdere merkkleding in [plaats 3] en [plaats 4] . Zij doet dit onder andere als franchisenemer. [geïntimeerde] produceert dergelijke kleding. Zij verkoopt deze kleding niet alleen rechtstreeks via een eigen website, maar ook via franchisewinkels en andere retailformules.
Sinds 2001 doen [geïntimeerde] en [appellant] zaken met elkaar. Op 1 februari 2005 is tussen [geïntimeerde] en de rechtsvoorganger van [appellant] (genaamd [bedrijf 1] ., die per december 2015 is opgevolgd door [appellant] ) een eerste franchiseovereenkomst gesloten. Als franchisenemer exploiteerde [appellant] onder de naam [geïntimeerde] verschillende franchisewinkels in [plaats 3] en [plaats 4] . Daarnaast exploiteerde zij enkele multibrand-winkels, waar zij ook kleding van [geïntimeerde] verkocht.
Het in 2005 in het Engels opgemaakte franchisecontract (dat in eerste instantie alleen gold voor twee winkels in respectievelijk [plaats 1] en [bedrijf 2] ), bepaalde onder meer dat de overeenkomst werd gesloten voor vijf jaar en zou aflopen op 31 januari 2010. Daarna zou de franchiseovereenkomst telkens weer voor vijf jaar worden verlengd, tenzij een van de partijen de andere partij uiterlijk zes maanden voor afloop van een vijfjaarstermijn schriftelijk zou berichten de overeenkomst niet te willen verlengen. Het contract kende verder geen regeling voor tussentijdse opzegging. Wel was in artikel 11 (‘Termination’) geregeld in welke gevallen het contract voortijdig zou eindigen en wat er dan moest gebeuren.
Met ingang van 20 mei 2010 is voor de samenwerking van partijen de in het Engels opgestelde Master Franchise Agreement (hierna: MFA) gaan gelden voor op dat moment zeven winkels. De MFA geeft de algemene regels, terwijl voor de afzonderlijke winkels de specifiek daarvoor geldende afspraken, zoals de looptijd, zijn vastgelegd in zogenoemde Annexes A bij de MFA. In artikel 2.4 van de MFA is vastgelegd dat iedere overeenkomst geldt voor de duur van vijf jaar en één keer kan worden verlengd met nogmaals vijf jaar, tenzij een van partijen uiterlijk zes maanden voor afloop van de eerste termijn de andere partij laat weten de overeenkomst te willen beëindigen.
In artikel 4 van de MFA is vastgelegd hoe de winkels eruit dienen te zien en hoe de bedrijfsvoering moet gebeuren. In 4.5 is vastgelegd dat de franchisenemer zich moet inspannen om in huurovereenkomsten opgenomen te krijgen dat [geïntimeerde] of een nieuwe franchisenemer de huur kan overnemen in geval de franchiseovereenkomst eerder eindigt dan de huurovereenkomst. Volgens 4.7 moeten kort gezegd de inrichting, de façade en de uitstraling van de winkels voldoen aan de eisen van [geïntimeerde] , moet [geïntimeerde] toestemming verlenen voor aanpassingen en komen de kosten daarvan voor rekening van de franchisenemer evenals overigens alle verdere bouwkosten voor de winkels (4.8). Op grond van 4.9 kan [geïntimeerde] iedere vijf jaar een zogenoemde refit van de winkels verlangen. De kosten daarvan zijn eveneens voor de franchisenemer, met dien verstande dat [geïntimeerde] alle ‘items and services’ voor de refit zal leveren tegen haar standaardprijzen.
Op de overeenkomst zijn volgens artikel 5.4 van de MFA [geïntimeerde] algemene verkoopvoorwaarden (General Sales Conditions) van toepassing.
In artikel 6 (‘Franchise Fee/Prices’) van de MFA is onder 6.1 bepaald dat de franchisenemer jaarlijks een fee van € 2.400,00 plus btw dient te betalen. Onder 6.2 is bepaald dat de franchisenemer als zekerheid voor de nakoming van zijn financiële verplichtingen aan [geïntimeerde] een bankgarantie moet verstrekken in de vorm zoals opgenomen in Annex D (die niet is overgelegd) en goedgekeurd door [geïntimeerde] . De MFA bevat geen specificatie van de hoogte van de af te geven bankgarantie.
Onder 7.1 is kort gezegd bepaald dat de franchisenemer jaarlijks ten minste 2% van zijn geplande netto omzet moet besteden aan marketing.
In artikel 12 (‘Termination’) is onder 12.4 vastgelegd dat [geïntimeerde] de overeenkomst via een ‘notice of termination’ mag beëindigen als de franchisenemer een van zijn verplichtingen uit de MFA niet nakomt, waarna de overeenkomst eindigt 15 dagen nadat de notice is gegeven, tenzij de franchisenemer binnen die termijn zijn tekortkoming herstelt. Indien echter binnen een periode van 12 maanden drie keer een dergelijke notice is verstrekt, verliest de franchisenemer bij de derde notice zijn recht om te herstellen en zal beëindiging van de overeenkomst volgen. Kosten die [geïntimeerde] in verband met het versturen van een notice maakt, komen voor rekening van de franchisenemer. In geval van een beëindiging op deze grond (‘termination of this Agreement for good cause’), heeft de franchisenemer geen recht op enige vorm van compensatie, zo is verder onder 12.7 bepaald. Ook in geval van het verstrijken van de looptijd bestaat geen recht op compensatie, aldus 12.7.
Bij de MFA behoren ook algemene verkoopvoorwaarden. Deze zijn opgenomen in Annex B, waar in artikel 3 onder 5 is bepaald dat in geval geplaatste orders worden geannuleerd, een annuleringsvergoeding van 25% van de waarde van de order verschuldigd is.
Van de oorspronkelijk zeven winkels waarvoor de MFA op 20 mei 2010 ging gelden, waren ten tijde van de in geding zijnde opzegging (bij brief van 31 augustus 2022) inmiddels twee winkels (de winkels 5 en 6) gesloten. De volgende vijf winkels waren nog operationeel:
- [plaats 1] , [plaats 5] (winkel 1);
- [bedrijf 2] , [plaats 6] (winkel 2);
- [plaats 7] , [plaats 8] (winkel 3);
- [bedrijf 2] - [plaats 9] , [plaats 10] (winkel 4);
- [plaats 11] , [plaats 5] (winkel 7).
Na 20 mei 2010 is de MFA ook voor de volgende drie winkels gaan gelden:
- [plaats 1] , [plaats 12] (winkel 8);
- [plaats 13] , [plaats 5] (winkel 9);
- [plaats 14] (winkel 10).
In totaal gold de MFA ten tijde van de opzegging op 31 augustus 2022 voor deze acht winkels.
De onder 3.5.1 bedoelde Annexes A bij de MFA vermeldden ten aanzien van de afzonderlijke winkels onder meer:
1. [plaats 1] , [plaats 5] : geopend in maart 2006, looptijd MFA 1 februari 2010 tot en met 31 januari 2015;
2. [bedrijf 2] , [plaats 6] : geopend mei 2005, looptijd MFA 1 februari 2010 tot en met 31 januari 2015;
3. [plaats 7] , [plaats 8] : geopend 9 september 2009, looptijd MFA 1 augustus 2009 tot en met 31 juli 2014;
4. [bedrijf 2] - [plaats 9] , [plaats 10] : geopend 20 februari 2010, looptijd MFA 1 februari 2010 tot en met 31 juli 2014;
7. [plaats 11] , [plaats 5] : geopend oktober 2010, looptijd MFA 1 oktober 2010 tot en met 30 september 2015;
8. [plaats 1] , [plaats 12] : geopend 1 augustus 2011, looptijd MFA 1 juni 2011 tot en met 31 mei 2016;
9. [plaats 13] , [plaats 5] : geopend 20 oktober 2011, looptijd MFA 1 juli 2011 tot en met 30 juni 2016;
10. [plaats 14] : geopend 31 oktober 2012, looptijd MFA 1 juni 2012 tot en met 31 mei 2017.
Alle contracten zijn na afloop van de eerste periode van vijf jaar, op de voet van artikel 2.4 MFA met vijf jaar verlengd.
In het voorjaar van 2014 heeft winkel 1 een refit ondergaan. In verband daarmee is toen in een Addendum No. 6 in artikel 11 vastgelegd dat de MFA voor deze winkel een looptijd zal hebben van 1 maart 2014 tot en met 28 februari 2019.
In het voorjaar van 2015 is winkel 2 in het winkelcentrum [plaats 6] verhuisd naar een andere winkelruimte in datzelfde centrum. De nieuwe winkel is in de stukken ook wel aangeduid als winkel 12. Vanwege deze verhuizing is in mei 2015 een nieuw Addendum voor deze winkel opgesteld, waarin is bepaald dat de looptijd van de MFA voor deze winkel zal zijn van 1 maart 2015 tot en met 28 februari 2020. De winkel in de oude ruimte is vanaf 29 maart 2015 gesloten.
Op 15 februari 2016 is de rechtsvoorgangster van [appellant] ( [bedrijf 1] .) met [geïntimeerde] overeengekomen dat al haar rechten en verplichtingen onder de MFA met terugwerkende kracht vanaf 1 december 2015 overgaan op [appellant] .
Vanaf 2019 heeft [geïntimeerde] [appellant] erop aangesproken dat zij niet de in artikel 6 MFA bedoelde bankgarantie stelde.
In een e-mail van 30 januari 2019 is namens [geïntimeerde] aan [appellant] onder meer geschreven:
(…)
REFURBISHMENT: To renew the stores between 2019 & 2022 is fine for us but we have to agree on a detailed plan on monthly/yearly base because the contracts will to start to expire this year. Please find below our suggested action plan on store/year/month level:
[volgt overzicht met planning voor een refit c.q. refurbishment voor de acht afzonderlijke winkels; hof]
(…)
Op 30 januari 2020 heeft een bank in [plaats 1] (Postova Banka) aan [geïntimeerde] namens [appellant] een bankgarantie van € 300.000,00 met een looptijd van één jaar gegeven. Begin 2020 brak in Europa ook de Covid-pandemie uit.
Voor de winkels 2 (c.q. 12), 3, 4 en 7 is in een op 17 december 2020 gedateerd Addendum vastgelegd dat de looptijd van de franchiseovereenkomst in afwijking van artikel 2.4 MFA zal eindigen op 31 januari 2021.
De franchiserelatie tussen [appellant] en [geïntimeerde] is feitelijk voortgezet na het verstrijken van de voor de verschillende winkels geldende verlengde looptijden van de MFA, zonder dat partijen daar verder afspraken over hebben gemaakt. [appellant] is de franchisevergoeding blijven betalen. Er zijn geen refits doorgevoerd.
In een in een Powerpoint-presentatie vastgelegde business update van september 2021 heeft [geïntimeerde] onder het kopje ‘open topics’ opgenomen: ‘bank guarantee of min. 300k €’.
In een videoconferentie op 2 augustus 2022 heeft [geïntimeerde] aan [appellant] aangekondigd dat zij de MFA gaat opzeggen. Daarbij heeft zij onder meer gewezen op, kort gezegd, het niet verstrekken van een bankgarantie en het niet tijdig doorvoeren van refits van de winkels. Op dat moment had [geïntimeerde] ook al vaker erover geklaagd dat [appellant] niet voldeed aan haar contractuele verplichting om een bedrag van 2% van haar geplande netto omzet aan marketing te besteden.
Op 24 augustus 2022 heeft de verhuurder van de twee winkels in [bedrijf 2] (de winkels 2 c.q. 12 en 4) de huur opgezegd. Op 28 augustus 2022 zijn deze winkels daadwerkelijk gesloten door de verhuurder (ECE).
In een ongedateerde brief die op 31 augustus 2022 door [appellant] is ontvangen, heeft [geïntimeerde] de franchiseovereenkomst beëindigd. De brief luidt:
(…)
We hereby terminate all existing franchise agreements with you. Some of the franchise agreements have already expired. We request that you close these businesses immediately, but no later than the dates stated in the following:
(…)
Daarna volgt een opsomming van de verschillende winkels met hun uiterste sluitingsdatum:
1. [plaats 1] , [plaats 5] : 28 februari 2024;
2./12. [bedrijf 2] , [plaats 6] : 30 april 2023;
3. [plaats 7] , [plaats 8] : 31 augustus 2023;
4. [bedrijf 2] - [plaats 9] , [plaats 10] : 31 augustus 2023;
7. [plaats 11] , [plaats 5] : 31 juli 2023;
8. [plaats 1] , [plaats 12] : 31 januari 2024;
9. [plaats 13] , [plaats 5] : 30 juni 2023;
10. [plaats 14] : 31 mei 2023.
Winkel 1 ( [plaats 1] , [plaats 5] ) is met ingang van 1 januari 2023 gesloten. De winkels 8 ( [plaats 1] [plaats 12] ) en 10 ( [plaats 14] ) zijn medio februari 2023 gesloten. Daarna zijn tussen begin april 2023 en eind augustus 2023 geleidelijk aan ook alle andere winkels gesloten.
4. Procedure bij de rechtbank
In conventie heeft [appellant] bij de rechtbank een verklaring voor recht gevorderd dat [geïntimeerde] aansprakelijk is voor de schade die zij heeft geleden en nog zal lijden als gevolg van de onrechtmatige opzegging van de MFA alsmede de veroordeling van [geïntimeerde] tot kort gezegd betaling van schadevergoeding aan haar.
In reconventie heeft [geïntimeerde] gevorderd dat [appellant] wordt veroordeeld om aan haar in hoofdsom € 447.018,30, vermeerderd met rente en kosten, ten titel van schadevergoeding te betalen wegens het niet afnemen van gedane bestellingen. Op grond van de toepasselijke algemene voorwaarden mag zij 25% van de bestelwaarde in rekening brengen.
De rechtbank heeft de vordering in conventie afgewezen en de vordering in reconventie toegewezen en [appellant] in de kosten veroordeeld.
5. Vordering in hoger beroep
[appellant] vordert vernietiging van het bestreden vonnis. Bij memorie van grieven heeft zij haar vordering gewijzigd in die zin dat zij vordert:
primair: verklaringen voor recht dat [geïntimeerde] de franchiserelatie onrechtmatig heeft opgezegd en dat zij daarmee in de zin van artikel 6:74 BW is tekortgeschoten in de nakoming van haar verplichtingen, althans dat zij onrechtmatig heeft gehandeld, met veroordeling van [geïntimeerde] om aan haar € 2.825.226,24 te betalen, vermeerderd met rente;
subsidiair: [geïntimeerde] te veroordelen tot schadevergoeding, nader op te maken bij staat, en tot betaling van een voorschot van € 1.000.000,00;
een en ander met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten.
De avond voor de zitting is een akte ontvangen waarin [appellant] meldt haar eis te willen vermeerderen met een vordering tot veroordeling van [geïntimeerde] tot betaling van een goodwillvergoeding van € 1.114.293,48, vermeerderd met rente. Dit in aanvulling op de door [geïntimeerde] te betalen schadevergoeding.
Volgens [geïntimeerde] moet het hof de vorderingen van [appellant] afwijzen en het vonnis bekrachtigen, met veroordeling van [appellant] in de kosten.
6. Beoordeling
Het betreft een geschil met een internationaal karakter. Partijen zijn het erover eens dat de Nederlandse rechter bevoegd is van dit geschil kennis te nemen en dat Nederlands recht daarop van toepassing is.
Allereerst staat ter beoordeling of de akte waarbij [appellant] voorafgaand aan de mondelinge behandeling 29 producties in het geding heeft willen brengen, toelaatbaar is en of de onder 5.2 bedoelde eiswijziging van [appellant] toelaatbaar is.
De nieuwe producties
Op vrijdagavond 26 september 2025 om 22:21 uur, heeft [appellant] de akte met daarbij 29 producties verstuurd aan het hof en aan [geïntimeerde] . Het hof heeft daarvan pas op maandagmorgen 29 september 2025 - dus minder dan tien dagen voor de zitting als bedoeld in artikel 87 lid 6 Rv - kennis gekregen. Het betreft omvangrijke stukken (circa 450 pagina’s in totaal), waarvan de inhoud voor een deel alleen in een Slavische taal is aangeduid. Daar komt bij dat een groot deel van de stukken ziet op gebeurtenissen die verder terug liggen in het verleden, zonder dat onmiddellijk duidelijk is wat de relatie is met de in geding zijnde opzegging en het tot dan toe tussen partijen gevoerde juridische debat. Het heeft er alle schijn van dat in een zeer laat stadium van de procedure in hoger beroep allerlei nieuwe omstandigheden worden opgevoerd. Naar het oordeel van het hof heeft [geïntimeerde] daar terecht bezwaar tegen gemaakt. Nu niet onmiddellijk duidelijk is hoe deze omvangrijke stukken in het licht van het tot dan toe gevoerde debat zijn te plaatsen, moeten deze stukken naar het oordeel van het hof wegens strijd met de goede procesorde buiten beschouwing blijven. Wel zal het hof indien het daaraan toekomt, rekening houden met het gespecificeerde bewijsaanbod van [appellant] om twee getuigen te horen, welk aanbod zij ter zitting heeft herhaald.
De eisvermeerdering
Ook tegen de in de avond voor de zitting verzochte eisvermeerdering heeft [geïntimeerde] bezwaar gemaakt. Een eiswijziging kan volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad ook nog in hoger beroep, maar in beginsel niet later dan bij memorie van grieven of antwoord (HR 20 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC4959, rov. 4.2.4). Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken op grond waarvan in dit geval van dit uitgangspunt zou moeten worden afgeweken. Ook aan de door [appellant] daags voor de zitting verzochte vermeerdering van eis gaat het hof daarom voorbij. Beslist zal worden op de onder 5.1 verkort weergegeven eis, zoals deze in hoger beroep is gewijzigd bij memorie van grieven.
De franchiseovereenkomst en de beëindiging daarvan
Dit geschil gaat over de beëindiging van de franchiseovereenkomst door [geïntimeerde] als franchisegever. [appellant] stelt dat [geïntimeerde] in 2022 de duurovereenkomst die is ontstaan nadat partijen in 2001 zijn gaan samenwerken, niet rechtsgeldig heeft opgezegd.
Vanaf 2010 waren de voor de afzonderlijke winkels geldende franchiseafspraken vastgelegd in de MFA. Op het moment dat [geïntimeerde] in 2022 de franchiserelatie beëindigde, was de looptijd van de MFA - die in beginsel was begrensd tot maximaal twee keer vijf jaar - voor alle winkels inmiddels verstreken. De rechtbank heeft geoordeeld dat na het verstrijken van de looptijd van de MFA, de franchiseovereenkomst een overeenkomst voor onbepaalde tijd is geworden die tussentijds opzegbaar werd. Tegen dat oordeel zijn partijen in hoger beroep niet opgekomen.
De MFA kende geen tussentijdse opzeggingsmogelijkheid buiten de in artikel 2.4 bedoelde mogelijkheid voor beide partijen om uiterlijk zes maanden voor het verstrijken van de eerste periode van vijf jaar de overeenkomst op te zeggen. Daarvan is geen gebruik gemaakt. Voor alle afzonderlijke winkels heeft de MFA in totaal circa tien jaar (vgl. 3.8, 3.9 en 3.14) gegolden. Vast staat ook dat daarna voor alle winkels de franchiserelatie feitelijk is voortgezet: [geïntimeerde] is goederen blijven leveren aan [appellant] , die kennelijk een franchisevergoeding is blijven betalen.
Het hof stelt voorop dat de tussen partijen bestaande franchiseovereenkomst ook zonder dat de bepalingen van de MFA golden, kon bestaan. Dat was na aanvang van de samenwerking in 2001 immers tot 2005 (toen de eerste franchiseovereenkomst werd gesloten) ook het geval. [geïntimeerde] gaat in haar stellingen ervan uit dat de MFA in 2022 weliswaar wat betreft de looptijd was geëindigd, maar dat met name enkele financiële verplichtingen uit de MFA - zoals het doen van bepaalde investeringen (refits en marketing) en het stellen van een bankgarantie - zonder meer bleven gelden voor [appellant] . Zij legt echter niet uit waarom dit zo zou zijn. Daarbij kan niet uit het oog worden verloren dat in het algemeen een relatie bestaat tussen dergelijke financiële verplichtingen en de duur van de overeenkomst: om veilig te stellen dat verplichte investeringen ook kunnen worden terugverdiend wordt de overeenkomst voor een bepaalde duur gesloten. In die zin hebben ook de advocaten van [geïntimeerde] tijdens de mondelinge behandeling in eerste aanleg verklaard (proces-verbaal zitting 9 januari 2024, p. 8). Tegen deze achtergrond kan er niet zonder meer van worden uitgegaan dat de financiële verplichtingen uit de MFA onverkort zijn blijven voortbestaan nadat de looptijd daarvan voor de verschillende winkels was verstreken en er sprake was van een franchiseovereenkomst voor onbepaalde duur die onmiddellijk opzegbaar was.
Een tweede punt is dat in deze procedure niet geheel eenduidig is hoe de overeenkomst door [geïntimeerde] is beëindigd. De Engelse term termination die vermeld staat in de onder 3.19 bedoelde ongedateerde brief van eind augustus 2022 van [geïntimeerde] aan [appellant] , kan zowel slaan op een (neutrale contractsbeëindiging door) opzegging als op een ontbinding wegens toerekenbaar tekortschieten. Weliswaar spreekt [geïntimeerde] in haar processtukken van een opzegging, maar zij stelt tegelijkertijd dat zij daartoe gerechtigd was wegens toerekenbaar tekortschieten van [appellant] . Vast staat dat [geïntimeerde] in een bespreking op 2 augustus 2022 aan [appellant] duidelijk heeft gemaakt op welke punten zij meende dat [appellant] tekort schoot. Daarbij ging het onder meer om het niet verstrekken van een bankgarantie en het niet tijdig doorvoeren van refits van de winkels. Voordien had [geïntimeerde] ook al regelmatig te kennen gegeven dat zij vond dat er onvoldoende geld aan marketing werd besteed.
De rechtbank heeft geoordeeld dat [geïntimeerde] de franchiseovereenkomst op de voet van artikel 12.4 MFA heeft opgezegd. Terecht heeft [appellant] in haar derde grief aangevoerd dat die bepaling niet ziet op een opzegging, maar de regels geeft voor het geval de overeenkomst voortijdig wordt ontbonden wegens schending van het contract door [appellant] . De rechtbank heeft verder geoordeeld dat [appellant] toerekenbaar is tekortgeschoten wat betreft het stellen van een bankgarantie en het doorvoeren van refits. Om die reden was [geïntimeerde] niet gehouden een nieuwe MFA voor twee keer vijf jaar aan te bieden (rov. 4.23 e.v.) en kon zij zonder een mogelijkheid tot herstel de overeenkomst beëindigen (rov. 4.33 e.v.), aldus de rechtbank. Met haar grieven 3, 4 en 5 komt [appellant] daartegen op.
Hoewel een duurovereenkomst die voor onbepaalde tijd is aangegaan in beginsel door opzegging kan worden beëindigd, zonder dat er sprake is van een tekortkoming, ziet het hof aanleiding in te gaan op het door [appellant] in appel bestreden oordeel dat zij toerekenbaar is tekortgeschoten.
[geïntimeerde] verwijt [appellant] in de kern dat zij te weinig heeft geïnvesteerd en te weinig zekerheid bood en verwijst daarbij naar de MFA. Zoals hiervoor reeds is overwogen, valt zonder nadere toelichting, die ontbreekt, niet in te zien waarom de financiële verplichtingen uit de MFA na het verstrijken van de looptijd onverkort zouden zijn blijven gelden voor [appellant] . De omstandigheid dat zij de overeengekomen franchisevergoeding is blijven betalen, is daarvoor te mager.
Met betrekking tot de bankgarantie is verder van belang dat uit de stellingen van [geïntimeerde] niet blijkt hoe de omvang daarvan werd bepaald. Ook de MFA zwijgt op dit punt. Wel lijkt de bankgarantie via het formulier dat is opgenomen in Annex D bij de MFA te zijn gekoppeld aan het franchisecontract dat voor de afzonderlijke winkels via Annex A werd gesloten. Aannemelijk is dan ook dat het verstrijken van de termijn van de MFA tevens gevolgen had voor de bankgarantie. Voor de periode januari 2020 tot en met 31 januari 2021 was een bankgarantie voor alle winkels van € 300.000,00 gesteld. Voordien was er blijkbaar sprake van een kredietverzekering bij Atradius, waardoor een bankgarantie achterwege kon blijven. Toen echter in 2019 Atradius een kredietlimiet ging stellen, werd de vraag naar de bankgarantie weer actueel, zo begrijpt het hof uit de verklaring van de heer Hanak van [geïntimeerde] op de mondeling behandeling in eerste aanleg (proces-verbaal zitting januari 2024, p. 12). Daarop werd in januari 2020 een bankgarantie gesteld met een geldigheidsduur tot en met 31 januari 2021. Op 31 januari 2021 liepen ook de MFA’s voor de winkels 2/12, 3, 4 en 7 af, terwijl die voor winkel 1 al in 2019 was afgelopen. De bankgarantieverplichting zou nadien dus alleen nog voor de winkels 8, 9 en 10 hebben gegolden, maar ook voor de winkels 8 en 9 verstreek betrekkelijk kort daarna de looptijd van de MFA (namelijk op respectievelijk 31 september 2021 en 30 juni 2021). Alleen het contract voor winkel 10 liep pas af op 31 mei 2022. Maar ook voor deze laatste winkel was de MFA dus afgelopen toen in augustus 2022 de franchiseovereenkomst door [geïntimeerde] werd opgezegd. Uit de stukken blijkt onvoldoende duidelijk op welke grond [geïntimeerde] meent dat zij na 31 januari 2021 voor de drie nog resterende winkels waarvoor de MFA nog gold onverkort aanspraak kon blijven maken op een bankgarantie van kennelijk € 300.000,00 en evenmin hoe zij daar om heeft gevraagd. Zodoende kan er niet van worden uitgegaan dat [appellant] na 31 januari 2021 nog steeds gehouden was een bankgarantie van € 300.000,00 te stellen. Bij deze stand van zaken bieden de stellingen van [geïntimeerde] onvoldoende aanknopingspunten voor de conclusie dat [appellant] op het punt van de bankgarantie is tekortgeschoten. Het oordeel van de rechtbank houdt op dit punt geen stand.
Voor de refits lag het initiatief volgens de tekst van artikel 4.9 van de MFA bij [geïntimeerde] . Zij kon iedere vijf jaar een refit verlangen, waarna de franchisenemer deze moest uitvoeren. Daarbij moest blijkbaar gebruik worden gemaakt van door [geïntimeerde] aangereikte items en diensten, met dien verstande dat alle kosten voor de franchisenemer waren. Alleen winkel 1 heeft in 2014 een dergelijke refit ondergaan. Uit de stukken blijkt niet dat [geïntimeerde] nadien nog een refit heeft verlangd. De onder 3.12 bedoelde email van 30 januari 2019 bevat weliswaar een planning daarvoor, maar uit de stukken blijkt niet dat [geïntimeerde] daaraan op enig moment gevolg heeft gegeven. De omstandigheid dat het voor haar ook niet zonder meer voor de hand lag een refit te verlangen omdat de MFA’s voor de verschillende winkels zouden expireren, maakt in dit verband geen verschil. In het licht van de tekst van de MFA bieden de feiten onvoldoende aanknopingspunten voor de conclusie dat [geïntimeerde] [appellant] kan tegenwerpen niet tijdig refits te hebben doorgevoerd. Als zij dit anders had gewild, had [geïntimeerde] daar op moeten aansturen. Ook als de coronapandemie een rol heeft gespeeld, blijft staan dat het initiatief om concreet tot refits over te gaan van [geïntimeerde] had moeten komen.
Dat er meer geld aan marketing besteed had moeten worden is door [appellant] gemotiveerd weersproken, en vormde ook niet een zwaartepunt in verband met de (opmaat tot) beëindiging.
Daar komt bij dat in de systematiek van artikel 12.4 MFA de overeenkomst door [geïntimeerde] slechts kan worden beëindigd indien zij de franchisenemer na het versturen van een notice een mogelijkheid tot herstel heeft geboden gedurende vijftien dagen. Vast staat dat een dergelijke mogelijkheid niet is geboden. De omstandigheid dat de tekortkomingen in de ogen van [geïntimeerde] al langer speelden, brengt niet mee dat zij deze regeling - die duidelijkheid biedt over (het moment tot) wanneer de franchisenemer zijn verzuim kan zuiveren - kon negeren.
Het hof is dan ook van oordeel dat [appellant] terecht is opgekomen tegen het oordeel van de rechtbank dat [geïntimeerde] de franchiseovereenkomst met een beroep op artikel 12.4 MFA kon beëindigen. In zoverre slagen de grieven en houdt het vonnis geen stand.
De gevolgen van de beëindiging van de franchiseovereenkomst
Niet in geschil is dat er in augustus 2022 sprake was van een franchiseovereenkomst voor onbepaalde tijd. Uitgangspunt is dat een dergelijke duurovereenkomst in beginsel door beide partijen kan worden opgezegd. De eisen van redelijkheid en billijkheid kunnen in verband met de aard en inhoud van de overeenkomst en de omstandigheden van het geval meebrengen dat opzegging slechts kan als daarvoor een voldoende zwaarwegende grond bestaat. Ook kunnen aard en inhoud van de overeenkomst en de omstandigheden van het geval meebrengen dat er een opzegtermijn in acht moet worden genomen of dat opzegging slechts mogelijk is als deze gepaard gaat met een aanbod tot betaling van een (schade)vergoeding. Verder kan een beroep op een uit wet of overeenkomst voortvloeiende bevoegdheid om een duurovereenkomst op te zeggen, op grond van artikel 6:248 lid 2 BW naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zijn.
Uit het arrest van de Hoge Raad van 29 november 2024 (ECLI:NL:HR:2024:1709; Leen Bakker, m.n. rov. 3.2 en 3.3) leidt het hof af dat een onderscheid te maken is tussen (1) de opzegging die op grond van de eisen van redelijkheid en billijkheid gepaard moet gaan met een aanbod tot (schade)vergoeding en (2) de opzegging waarvoor geldt dat de omstandigheden van het geval meebrengen dat deze naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is omdat niet tegelijkertijd een passende (schade)vergoeding is aangeboden. In dit laatste geval is de opzegging niet geldig, terwijl in het eerste geval de opzegging geldig is, maar de rechter nog wel een passende (schade)vergoeding dient vast te stellen, waarbij kan worden meegewogen dat deze eerder niet is aangeboden.
In haar vijfde grief komt [appellant] op tegen het oordeel van de rechtbank dat de opzegging naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet onaanvaardbaar is. Uit de stellingen van [appellant] blijkt echter ook duidelijk dat zij de opzegging als zodanig niet ongedaan gemaakt wil zien. Zij legt zich neer bij de beëindiging van de samenwerking. Zij wil de volgens haar ongeldige opzegging gecompenseerd zien met een schadevergoeding. De vraag of de opzegging geldig was en dus effect heeft gehad, is daarmee een gepasseerd station. Het debat is beperkt tot de vraag of [appellant] in de gegeven omstandigheden aanspraak kan maken op een (schade)vergoeding en zo ja, hoe hoog die moet zijn.
[geïntimeerde] heeft erop gewezen dat in artikel 12.7 MFA is bepaald dat na afloop van de looptijd van de MFA (‘expiration of the Term of this Agreement’ zoals gedefinieerd onder 1.11 jo. 1.1 MFA) [appellant] kort gezegd geen recht heeft op enige vergoeding. Ten tijde van de opzegging in augustus 2022 was de looptijd van de MFA voor alle acht winkels inmiddels echter verstreken. Daarna is de franchiserelatie gewoon voortgezet voor alle winkels, zonder dat er nieuwe afspraken zijn gemaakt. Het enkele feit dat de MFA bepaalde dat in het geval de overeenkomst eindigt door het verstrijken van de looptijd er geen recht bestaat op compensatie, brengt in het geval de overeenkomst, zoals hier is gebeurd, niet eindigt maar wordt voortgezet, niet mee dat deze contractuele bepaling zonder meer haar gelding blijft houden. Dan geldt dat wordt teruggevallen op het hiervoor uiteengezette recht, zoals dat volgt uit wet en rechtspraak. Voor zover [geïntimeerde] hiervan had willen afwijken, had het op haar weg gelegen daarover tijdig duidelijke afspraken met [appellant] te maken. Dat is niet gebeurd. Het voorgaande geldt ook voor zover [geïntimeerde] aansluiting zou willen zoeken bij een beëindiging volgens artikel 12.7 MFA ‘for good cause’. Die bepaling ziet immers slechts op ontbinding en niet op opzegging, en ontbinding is niet aan de orde omdat, zoals hiervoor is overwogen, niet is gebleken van tekortkomingen van [appellant] .
[appellant] heeft verder aangevoerd dat [geïntimeerde] haar ook uitdrukkelijk erop had moeten wijzen dat wat haar betreft de franchiseovereenkomst na het verstrijken van de MFA voor de afzonderlijke winkels een overeenkomst voor onbepaalde tijd was geworden, die in beginsel onmiddellijk kon worden opgezegd. Het hof onderschrijft dit standpunt. Vast staat dat partijen in 2020 of daarna geen afspraken hebben gemaakt over de wijze waarop de MFA zou worden verlengd of over hoe hun franchiserelatie zou worden voortgezet. Dit laatste is wel gebeurd. Het had op de weg van [geïntimeerde] als franchisegever en opsteller van de MFA gelegen om aan [appellant] tijdig duidelijk te maken dat de franchiseovereenkomst wat haar betreft na het verstrijken van de looptijd van de MFA voor de verschillende winkels voor onbepaalde tijd zou gaan doorlopen en daarmee onmiddellijk opzegbaar zou worden. Dit geldt eens temeer nu zij erop bleef aandringen dat [appellant] de financiële verplichtingen van de MFA bleef nakomen. Daarmee riep zij een (juridisch) uiterst ondoorzichtige situatie in het leven op een moment waarop zij als franchisegever duidelijkheid had moeten verschaffen. Bovendien heeft [geïntimeerde] nagelaten een einde aan die onduidelijkheid te maken toen de spanningen tussen partijen medio 2022 opliepen. Ook toen heeft zij [appellant] niet ervoor gewaarschuwd dat wat haar betreft de franchiseovereenkomst onmiddellijk opzegbaar was geworden.
In deze door haar in het leven geroepen onduidelijke situatie is [geïntimeerde] in augustus 2022 overgegaan tot beëindiging van de franchiseovereenkomst. Voor de beoordeling van de vraag in hoeverre dit gepaard had moeten gaan met een aanbod van een (schade)vergoeding, zijn volgens het hof de volgende feiten en omstandigheden van belang.
Hier was sprake van een samenwerking van meer dan 20 jaar. Vanaf circa 2019 ontstonden er strubbelingen in de samenwerking. Uit de stukken blijkt dat [geïntimeerde] onder meer meende dat [appellant] onvoldoende financiële zekerheid bood en onvoldoende investeerde in het aanzien van de winkels en in marketing. Deze discussie is na het uitbreken van de coronapandemie eind 2019/begin 2020 kennelijk enige tijd ‘on hold’ gezet, maar in 2022 is zij hervat. Uiteindelijk leidt dit tot een opzegging van de franchiseovereenkomst in augustus 2022 door [geïntimeerde] met inachtneming van opzegtermijnen voor de afzonderlijke winkels.
De franchise zag op de verkoop van duurdere merkkleding. Omdat er meer aanbieders van dat soort producten zijn, kan worden aangenomen dat [appellant] in beginsel de mogelijkheid had een andere franchisegever te zoeken. Daarbij is van belang dat de franchiseovereenkomst kennelijk niet aan de huurovereenkomsten voor de afzonderlijke winkels was gekoppeld; die winkels werden gehuurd door [appellant] en hoorden in beginsel dus bij haar bedrijfsdebiet. Het bepaalde in artikel 4.5 MFA maakt dat niet anders. Dat [appellant] ten behoeve van [geïntimeerde] daadwerkelijk afspraken als daar bedoeld met verhuurders had gemaakt, is immers niet gebleken. [geïntimeerde] had zodoende te respecteren dat [appellant] op zoek zou gaan naar een nieuwe franchisegever voor de acht door haar gehuurde winkels. Om over te gaan naar een nieuwe franchisegever, heeft een franchisenemer een zekere periode nodig.
Volgens [appellant] zou zij daarvoor vijf tot zeven jaar nodig hebben. Zij stelt dat zij door [geïntimeerde] ‘gratis is ingeruild’ tegen andere franchisenemers die door [geïntimeerde] ook aan de huurovereenkomsten zijn geholpen. Van een franchisegever mag naar het oordeel van het hof worden verwacht dat deze ervoor zorgt dat een franchisenemer die, zoals hier, zelf geen plannen heeft om zijn onderneming te staken, zijn onderneming tot het einde van de franchiseovereenkomst behoorlijk kan exploiteren om vanuit die positie een nieuwe franchisegever te zoeken.
Zoals hiervoor al is opgemerkt, heeft [geïntimeerde] bij haar opzegging een opzegtermijn aangehouden, waarbij zij heeft aangeknoopt bij het verstrijken van de looptijden van de MFA voor de afzonderlijke winkels. Aangezien [geïntimeerde] na dat moment echter voor alle winkels de franchiseovereenkomst heeft laten doorlopen, valt niet in te zien waarom voor de verschillende winkels andere opzegtermijnen gingen gelden. [geïntimeerde] moet zonder meer hebben begrepen dat dit voor [appellant] uiterst nadelig was en dat dit de zoektocht naar een nieuwe franchisegever zou bemoeilijken, omdat op deze manier haar bedrijfsvorm gaandeweg werd uitgehold. Door de geleidelijke sluiting van de afzonderlijke winkels kwamen de huurovereenkomsten die zij daarvoor had gesloten immers stuksgewijs op de tocht te staan. Daarna kon [geïntimeerde] met een nieuwe franchisenemer een aanbod doen aan de verhuurder. Daarbij is kennelijk ook winkelpersoneel overgenomen. In dit verband is relevant dat [appellant] kennelijk mede als gevolg van Covid (met grote impact in [plaats 3] ) nog maar weinig financiële armslag had. Daarmee bevond [appellant] zich ten opzichte van [geïntimeerde] in een bijzonder afhankelijke positie. Mede in het licht van de langdurige relatie tussen partijen, moest [geïntimeerde] zich daar rekenschap van geven. Dat heeft zij niet gedaan, nu de wijze waarop [geïntimeerde] de opzegtermijn heeft vormgegeven niet eraan heeft bijgedragen dat [appellant] een reële mogelijkheid kreeg een andere franchisegever te zoeken. Dat [appellant] de winkels uiteindelijk stuk voor stuk heeft gesloten voordat de opzegtermijnen waren verstreken, is tegen de geschetste achtergrond niet op te vatten als een vrijwillige keuze, maar is een uiting van de onmogelijkheid om de formule nog langer in de lucht te houden.
Schadevergoeding
De hiervoor beschreven gang van zaken, biedt naar het oordeel van het hof grond om aan [appellant] schadevergoeding toe te kennen zoals zij in haar zevende grief betoogt. Het hof licht dat als volgt toe.
De samenwerking is kennelijk lange tijd naar tevredenheid van beide partijen verlopen. [appellant] heeft onweersproken gesteld dat er nooit sprake is geweest van wanbetaling van haar kant. Er is ook niet gebleken dat de samenwerking vóór 2019 op enig moment stroef verliep. Medio 2022 was er sprake van acht operationele winkels die geheel op basis van de franchiseovereenkomst draaiden. Er waren lopende huurcontracten en in de winkels werkten circa 80 personeelsleden, zo is gebleken. Het moet voor [geïntimeerde] zonder meer duidelijk zijn geweest dat deze doorlopende verplichtingen voor [appellant] een probleem zouden vormen bij een opzegging van de franchiseovereenkomst. Hiervóór is al overwogen dat [geïntimeerde] haar verplichting om de opzegging zo in te kleden dat [appellant] een reële mogelijkheid kreeg een andere franchisegever voor haar onderneming te zoeken, heeft verzaakt.
De winkels lagen kennelijk op door [geïntimeerde] gewenste locaties. Mogelijk voldeed de inrichting van de winkels niet meer (geheel) aan de door [geïntimeerde] gewenste standaarden, maar uit niets is gebleken dat het ging om zieltogende winkels waar de loop uit was. Er werden ook nog gewoon bestellingen gedaan door [appellant] (zelfs nog twee dagen voor de opzegging) en er werden ook uitgaven voor marketing gedaan, zo is onweersproken betoogd door [appellant] . Er was zodoende sprake van een lopende onderneming waarin werd geïnvesteerd, met een klantenbestand. Er was dus ook sprake van goodwill.
De wijze waarop [geïntimeerde] de langjarige franchiseovereenkomst heeft beëindigd zonder enige vorm van schadevergoeding aan te bieden, is naar het oordeel van het hof in strijd met de eisen van redelijkheid en billijkheid. [geïntimeerde] is daarom schadeplichtig.
Wat betreft de hoogte van de schadevergoeding heeft [appellant] aangevoerd dat aansluiting gezocht kan worden bij de winst die de acht franchisewinkels hebben gemaakt in 2019, het jaar voordat Covid uitbrak. De brutowinst (EBITDA) bedroeg volgens haar in totaal € 941.742,08. Zij vordert een bedrag van drie keer die som omdat een redelijke opzegtermijn drie jaar zou zijn, zijnde een bedrag van € 2.825.226,24. [geïntimeerde] vindt dit bedrag ‘exorbitant’, maar legt geen tegenberekening over. Het hof zal daarom de schadevergoeding moeten schatten, waarbij niet alleen rekening moet worden gehouden met misgelopen inkomsten na de opzegging, maar ook met extra kosten door bijvoorbeeld de opzegging van huur- of arbeidsovereenkomsten en het verlies van goodwill. Rekening houdend met alle hiervoor geschetste omstandigheden en het gegeven dat medio 2022 de situatie rond Covid nog niet geheel was hersteld, oordeelt het hof al schattend ex aequo et bono dat een schadevergoeding van € 75.000,00 per winkel aangewezen is. Daarbij heeft het hof er rekening mee gehouden dat uit de stukken voldoende blijkt dat de winkels het in 2022 al enige tijd moeilijk hadden, terwijl onvoldoende is gebleken dat de beëindiging van huur- en arbeidsovereenkomsten [appellant] voor (hoge) kosten heeft gesteld. Ook is er bij deze schatting rekening mee gehouden dat de twee winkels in [plaats 4] al kort na de opzegging zijn gesloten vanwege de opzegging van huur. Dat laat echter onverlet dat deze winkels op het moment dat [geïntimeerde] overging tot opzegging nog in bedrijf waren. In het bedrag, dat in totaal neerkomt op € 600.000,00 is tevens een vergoeding voor goodwill begrepen.
In zoverre slaagt het appel tegen de afwijzing van de vordering die [appellant] in eerste aanleg in conventie heeft ingesteld. Het hof zal voor recht verklaren dat [geïntimeerde] de franchiseovereenkomst in augustus 2022 in strijd met de eisen van redelijkheid en billijkheid heeft opgezegd zonder aan [appellant] een schadevergoeding aan te bieden en zal haar veroordelen om aan [appellant] een bedrag in hoofdsom van € 600.000,00 te betalen.
Dit bedrag had [geïntimeerde] al meteen bij de opzegging in augustus 2022 moeten aanbieden. Nu zij dit heeft nagelaten, is ook de met ingang van 31 augustus 2022 gevorderde wettelijke rente over dit bedrag toewijsbaar.
De tegenvordering van [geïntimeerde]
Met haar negende grief komt [appellant] op tegen het oordeel van de rechtbank dat zij op grond van artikel 3 lid 5 van de toepasselijke Algemene Voorwaarden annuleringskosten verschuldigd is vanwege het afzeggen van bestellingen. De kosten ten bedrage van 25% van de bestelwaarde, zijn door de rechtbank toegewezen tot een bedrag van in hoofdsom € 447.018,30.
Naar het oordeel van het hof is de grief terecht voorgesteld. Daarbij gaat het hof ervan uit dat de Algemene Voorwaarden, die kennelijk bij iedere bestelling werden meegestuurd, in beginsel golden, dus ook na het verstrijken van de MFA. Dat laat echter onverlet dat uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat er verschillende gebreken kleven aan de wijze waarop [geïntimeerde] de franchiseovereenkomst in augustus 2022 heeft opgezegd. Zij heeft onvoldoende rekening gehouden met de belangen van [appellant] . De wijze waarop [geïntimeerde] de overeenkomst heeft opgezegd, brengt mee dat zij er rekening mee diende te houden dat [appellant] zou overgaan tot annulering van bestellingen. Daarbij is van belang dat de opzegging [appellant] zal hebben overvallen (het feit dat zij tot enkele dagen voor de opzegging bestellingen heeft geplaatst, is wat dat betreft illustratief). [geïntimeerde] had [appellant] er immers nooit op gewezen dat de overeenkomst volgens haar onmiddellijk opzegbaar was geworden. Tegen deze achtergrond diende [geïntimeerde] er rekening mee te houden dat [appellant] moeite zou krijgen de kleding te verkopen in de haar nog gegunde opzegperiode. Uit niets blijkt dat [geïntimeerde] zich er rekenschap van heeft gegeven dat hier van een reguliere annulering geen sprake was. Tegen deze achtergrond heeft [appellant] terecht betoogd dat het beroep van [geïntimeerde] op artikel 3.5 van haar Algemene Verkoopvoorwaarden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Het in reconventie gegeven oordeel van de rechtbank dat [appellant] nog een bedrag van € 447.018,30 is verschuldigd, houdt geen stand.
Slotsom, kosten en bewijsaanbod
Het hoger beroep heeft succes. Het bestreden vonnis wordt vernietigd zowel wat betreft het oordeel in conventie als in reconventie omdat de grieven 3, 4, 5, 7 en 9 (deels) slagen. De overige grieven behoeven geen bespreking. Het hof ziet geen aanleiding om een van partijen toe te laten tot bewijslevering, omdat geen bewijs is aangeboden van voldoende concrete stellingen die, indien bewezen, tot een andere uitkomst kunnen leiden. [geïntimeerde] is in het hoger beroep in het ongelijk gesteld en zal daarom worden veroordeeld in de proceskosten van beide instanties. Het hof stelt de proceskosten als volgt vast:
Eerste aanleg:
- explootkosten € 109,33
- griffierecht: € 8.519,00
- salaris advocaat € 12.216,00
Totaal: € 20.844,33
(salaris advocaat: conventie 1 punt Tarief VIII, reconventie 1 punt Tarief VII, zitting 1 punt tarief VIII)
Hoger beroep
- explootkosten € 112,37
- griffierecht € 13.124,00
- salaris advocaat € 12.434,00tarief VIII, 2 punten)
Totaal € 25.670,37
7. Beslissing
Het hof:
vernietigt het bestreden vonnis en doet opnieuw recht:
verklaart voor recht dat [geïntimeerde] de franchiseovereenkomst met [appellant] in augustus 2022 in strijd met de eisen van redelijkheid en billijkheid heeft opgezegd zonder aan [appellant] een schadevergoeding aan te bieden;
veroordeelt [geïntimeerde] om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [appellant] een schadevergoeding van € 600.000,00 te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 31 augustus 2022;
veroordeelt [geïntimeerde] in de proceskosten in beide instanties, voor de eerste aanleg tot nu vastgesteld op € 20.844,33 en voor het hoger beroep tot nu vastgesteld op € 25.670,37, te vermeerderen met de wettelijke rente, als niet binnen veertien dagen na dit arrest aan de proceskostenveroordeling is voldaan;
veroordeelt [geïntimeerde] tot betaling van € 178,00 voor nasalaris, te vermeerderen met € 92,00 voor nasalaris en de kosten van het betekeningsexploot als betekening van dit arrest plaatsvindt, te vermeerderen met de wettelijke rente, als niet binnen veertien dagen na het verschuldigd worden van de nakosten aan deze veroordeling is voldaan;
verklaart deze veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit arrest is gewezen door mrs. M.A.M. Vaessen, G.R. den Dekker en C.S. Schillemans en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 27 januari 2026.