ECLI:NL:GHAMS:2026:187

ECLI:NL:GHAMS:2026:187

Instantie Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak 20-01-2026
Datum publicatie 26-01-2026
Zaaknummer 25/56 en 25/57
Rechtsgebied Bestuursrecht; Belastingrecht
Procedure Hoger beroep
Zittingsplaats Amsterdam

Samenvatting

Box 3. Verzoek om ambtshalve vermindering. Intentie van de wet. Verzoek om terugwijzing naar de rechtbank.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

kenmerken 25/56 en 25/57

20 januari 2026

uitspraak van de vierde meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

[X] , wonende te [Z] , belanghebbende,

tegen de uitspraak van 12 november 2024 in de zaak met kenmerken HAA 23/3418 en HAA 23/6883 van de rechtbank Noord-Holland (hierna: de rechtbank) in het geding tussen

belanghebbende

en

de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.

1. Ontstaan en loop van het geding

De inspecteur heeft aan belanghebbende voor het jaar 2015 een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (hierna: ib/pvv) opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 18.864 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 839.

De inspecteur heeft aan belanghebbende voor het jaar 2016 een aanslag ib/pvv opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 19.399 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 461.

De inspecteur heeft de tegen beide voornoemde aanslagen gerichte bezwaarschriften van belanghebbende niet-ontvankelijk verklaard en beide bezwaren aangemerkt als een verzoek om ambtshalve vermindering en die verzoeken afgewezen.

Belanghebbende heeft tegen de afwijzingen van de verzoeken tot ambtshalve vermindering beroep ingesteld bij de rechtbank. De rechtbank heeft als volgt beslist (in de uitspraak van de rechtbank wordt belanghebbende aangeduid als ‘eiseres’ en de inspecteur als ‘verweerder’):

De rechtbank:

verklaart het beroep tegen de uitspraak op bezwaar van 7 april 2023 ten aanzien van de afwijzing ambtshalve vermindering van de aanslag IB/PVV 2015 gegrond (HAA/23/3418);

vernietigt de uitspraak op bezwaar van 7 april 2023, maar laat de rechtsgevolgen in stand;

verklaart het beroep tegen de afwijzing ambtshalve vermindering van de aanslag IB/PVV 2016 ongegrond (HAA 23/6883);

veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 16,20.

draagt verweerder op het betaald griffierecht van € 50 aan eiseres te vergoeden.

Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak hoger beroep ingesteld. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 december 2025. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden.

2. Feiten

De rechtbank heeft de volgende feiten vastgesteld:

“1. Eiseres heeft in de jaren 2015 en 2016 een fiscaal partner, [naam] (hierna: partner).

2. Eiseres en haar partner hebben twee kinderen.

3. Eiseres heeft voor het jaar 2015 een aangifte IB/PVV ingediend. Eiseres heeft in 2015 een uitkering ontvangen van € 19.492. Eiseres en haar partner hebben een eigen woning aan de [straat] te [plaats] (hierna: de woning). De WOZ-waarde van de woning in 2015 is € 147.000 en de schuld ten aanzien van de woning is € 62.000. Verder heeft eiseres een grondslag sparen en beleggen van € 29.557 aangegeven, waarvan een bedrag van € 20.975 aan eiseres is toegerekend. Dat leidt tot een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 839 en een belastingheffing in box 3 van € 251.

4. De bezittingen per 1 januari 2015 van eiseres en haar partner bestaan uit bank- en spaartegoeden (€ 398) en contant geld (€ 80.466). Het daadwerkelijk behaalde rendement bedraagt nihil. De gezamenlijke schulden voor aftrek van de schuldendrempel bedragen € 14.647.

5. Eiseres heeft voor het jaar 2016 een aangifte IB/PVV ingediend. Eiseres heeft in 2016 een uitkering ontvangen van € 19.823. De WOZ-waarde van de woning in 2016 is € 146.000 en de schuld ten aanzien van de woning is € 62.000. Verder heeft eiseres een grondslag sparen en beleggen van € 11.533 aangegeven, welke grondslag volledig aan eiseres is toegerekend. Dat leidt tot een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 461en een belastingheffing in box 3 van € 138.

6. De bezittingen per 1 januari 2016 van eiseres en haar partner bestaan uit bank- en spaartegoeden (€ 1.472) en contant geld (€ 64.460). Het daadwerkelijk behaalde rendement bedraagt nihil. De gezamenlijke schulden voor aftrek van de schuldendrempel bedragen € 11.525.

7. De partner van eiseres heeft in deze jaren geen inkomen.”

Het Hof gaat uit van de hiervoor vermelde feiten.

3. Geschil in hoger beroep

In hoger beroep is in geschil of de verzoeken om ambtshalve vermindering terecht zijn afgewezen.

4. Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank heeft voor zover van belang in hoger beroep het volgende overwogen:

Afwijzing verzoek ambtshalve vermindering - box 3 over het jaar 2015 en 2016

12. De Hoge Raad heeft voor het jaar 2016 geoordeeld dat met een schending van artikel 1 EP bij het EVRM op stelselniveau een rechtstekort gepaard gaat, waarin niet kan worden voorzien zonder op stelselniveau keuzes te maken en dat de rechter ten opzichte van de wetgever terughoudendheid past bij het voorzien in zo’n rechtstekort op stelselniveau (Hoge Raad 14 juni 2019, ECLI:NL:HR:2019:816 en Hoge Raad 2 juli 2021, ECLI:NL:HR:2021:1047). Voor ingrijpen van de rechter is in beginsel geen plaats, tenzij een individuele belastingplichtige in strijd met artikel 1 EP bij het EVRM wordt geconfronteerd met een individuele en buitensporige last. In de arresten van de Hoge Raad van 29 mei 2020, ECLI:NL:HR:2020:831 en 20 mei 2022, ECLI:NL:HR:2022:720, is geoordeeld dat hetzelfde geldt voor het jaar 2015.

13. Volgens vaste rechtspraak van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: EHRM) is belastingheffing te beschouwen als regulering van eigendom in de zin van artikel 1 van het EP bij het EVRM. Elke inbreuk door de Staat op het ongestoorde genot van eigendom moet in overeenstemming met het nationale recht zijn en een legitiem doel in het algemeen belang nastreven, terwijl een inbreuk alleen is toegestaan als een redelijke mate van evenredigheid bestaat tussen de gebruikte middelen en het doel dat ermee wordt nagestreefd. Dit vereist een redelijke verhouding ("fair balance") tussen dit algemeen belang en de bescherming van individuele rechten. Van deze redelijke verhouding is geen sprake als de betrokken persoon wordt getroffen door een individuele en buitensporige last.

14. Waar het gaat om de beoordeling van wat in het algemeen belang is en de keuze van de middelen om dit belang te dienen, komt de wetgever een ruime beoordelingsvrijheid toe. Een keuze van de wetgever binnen die beoordelingsvrijheid kan voor een belastingplichtige alleen dan leiden tot een individuele en buitensporige last indien en voor zover deze last zich in zijn geval sterker laat voelen dan in het algemeen

(Hoge Raad 6 april 2018, ECLI:NL:HR:2018:511, r.o. 3.2). Bij de beoordeling of de belastingplichtige door de box 3-heffing wordt geconfronteerd met een individuele en buitensporige last, moet de rechter die heffing bezien in samenhang met de gehele financiële situatie van de betrokkene (Hoge Raad 29 mei 2020, ECLI:NL:HR:2020:831, r.o. 2.5.2). De rechter moet bij zijn onderzoek of de heffing een individuele en buitensporige last vormt, alle relevante feiten en omstandigheden in zijn oordeel betrekken. Ook moet in aanmerking worden genomen of en in hoeverre een belastingplichtige een zodanig laag inkomen heeft dat hij op zijn vermogen moet interen om de belasting te voldoen. In het algemeen kan immers worden aangenomen dat de wetgever met een belasting naar inkomen geen heffing beoogt waardoor de belastingplichtige op zijn vermogen moet interen om de verschuldigde belasting te kunnen voldoen. De omstandigheid dat de belastingplichtige door de heffing inteert kan dan ook een aanwijzing zijn dat hij door die heffing wordt geconfronteerd met een buitensporige last (Hoge Raad 2 juli 2021, ECLI:NL:HR:2021:1047, r.o. 4.3.3). Voor het aannemen van een individuele en buitensporige last moet worden gedacht aan uitzonderlijk omstandigheden, zoals blijkt uit het arrest van de Hoge |Raad van 6 april 2018, ECLI:NL:HR:2018:511. De bewijslast dat sprake is van een individuele en buitensporige last rust op de belastingplichtige.

15. Ten aanzien van de stelling van eiseres dat het stelsel van box 3 in de jaren 2015 en 2016 in strijd is met artikel 1 van het EP bij het EVRM overweegt de rechtbank als volgt. Uit de jurisprudentie genoemd in overweging 12 volgt dat voor de jaren 2015 en 2016 geldt dat ook in het geval een rendement van 1,2% niet haalbaar is zonder (veel) risico te nemen, de rechter alleen kan ingrijpen als sprake is van een individuele en buitensporige last. De rechtbank zal daarom moeten beoordelen of in het geval van eiseres sprake is van een individuele en buitensporige last.

16. Eiseres voert aan dat zij geen rendement maakt op het vermogen. Daarnaast stelt eiseres dat sprake is van een individuele en buitensporige last omdat het gezinsinkomen onder de armoedegrens ligt. Volgens eiseres is het dan niet de bedoeling dat van dat lage inkomen ook nog belasting moet worden betaald, laat staan vermogensbelasting; dat inkomen is bedoeld om in de essentiële levensbehoeften te voorzien. Ook voert eiseres aan dat zij moet interen op het vermogen dat zij aanhoudt. Tot slot betoogt eiseres dat de contanten die zij aanhoudt mogelijk nodig zijn om later in haar pensioen te voorzien en dat daarmee ook rekening moet worden gehouden.

17. Verweerder stelt dat geen sprake is van een individuele en buitensporige last omdat de verschuldigde box 3-heffing in de jaren 2015 en 2016 niet zodanig hoog is (2015 € 206 en 2016 € 136) dat eiseres moet interen op het vermogen om de belasting te voldoen. Bovendien zijn volgens verweerder geen feiten gesteld waaruit blijkt dat eiseres een andere positie inneemt dan andere spaarders of belastingplichtigen die belasting op inkomsten uit sparen en beleggen betalen. Gelet op het besteedbaar inkomen van € 22.127 in 2015 en € 21.698 in 2016, het aangehouden vermogen, de overwaarde op de woning en de hoogte van de belasting, is geen sprake van een individuele en buitensporige last, aldus verweerder. Ter zitting heeft verweerder opgemerkt dat geen rendement is gemaakt omdat ervoor is gekozen om het vermogen in contanten aan te houden. Verweerder geeft in dat kader aan dat wel rendement gemaakt had kunnen worden als het vermogen op een andere manier zou zijn aangehouden.

18. De rechtbank oordeelt dat bij eiseres geen sprake is van een individuele en buitensporige last. De rechtbank is tot dit oordeel gekomen door de gehele financiële situatie van eiseres in ogenschouw te nemen, zoals volgens de in rechtsoverweging 14 genoemde jurisprudentie is vereist. Eiseres heeft weliswaar een laag inkomen, maar eiseres en haar fiscaal partner bezitten overig vermogen. De rechtbank wijst hierbij op de overwaarde op de eigen woning en het contante geld dat eiseres bezit. Eiseres heeft erop gewezen dat zij het contante geld mogelijk nodig heeft voor haar pensioen, maar daar staat de significante overwaarde op de woning tegenover. Dat eiseres inteert op haar vermogen kan een aanwijzing zijn voor een individuele en buitensporige last. Gelet op de omvang van het interen en de hoogte van de verschuldigde box 3-belasting wordt het interen niet (alleen) veroorzaakt door de verschuldigde belasting. De stelling van eiseres dat zij geen rendement heeft gemaakt op haar vermogen, leidt de rechtbank niet tot een ander oordeel. Eiseres heeft ervoor gekozen om haar vermogen contant aan te houden, waardoor zij geen rendement heeft gemaakt. Bovendien heeft verweerder ter zitting gesteld dat eiseres een rendement had kunnen behalen op het spaargeld en dat heeft zij niet weersproken. Dat eiseres geen rendement heeft gemaakt op het vermogen leidt dan ook niet tot de conclusie dat met de belastingheffing sprake is van een individuele en buitensporige last. Tot slot overweegt de rechtbank dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij een andere positie inneemt dan andere spaarders of belastingplichtigen. Dat eiseres geen rendement maakt, maakt dit oordeel niet anders. De rechtbank wijst er nog op dat alleen bij uitzonderlijke omstandigheden sprake kan zijn van een individuele en buitensporige last (zie rechtsoverweging 14). Dit maakt dat de rechtbank geen ruimte ziet om bij een beperkte inkomenspositie maar ruimere vermogenspositie, zoals in het geval van eiseres, een individuele en buitensporige last te constateren.

Slotsom

19. De conclusie van de rechtbank is dat het beroep voor het jaar IB/PVV 2015 gegrond is en de uitspraak op bezwaar moet worden vernietigd. De rechtbank laat daarbij de rechtsgevolgen van de uitspraak op bezwaar in stand omdat er geen aanleiding is om de aanslag IB/PVV 2015 ambtshalve te verminderen. Het beroep voor het jaar IB/PVV 2016 is ongegrond.’

5. Beoordeling van het geschil in hoger beroep

Belanghebbende heeft in hoger beroep uitdrukkelijk de stelling dat voor haar sprake is van een individuele en buitensporige last voor beide jaren laten vallen.

De hoger beroepsgrond waar het volgens belanghebbende om draait is dat “het niet de intentie van de wet is belasting te heffen over niet genoten inkomsten” en op die grond dienen de verzoeken tot ambtshalve vermindering voor de jaren 2015 en 2016 te worden gehonoreerd.

Voorts heeft, in haar optiek, de rechtbank zich ten onrechte niet uitgelaten over de stelling dat “het niet de intentie van de wet is [om] belasting te heffen over niet genoten inkomsten” en dient daarvoor de zaak terug te worden verwezen naar de rechtbank.

De intentie van de wet

Belanghebbende heeft in 2015 en 2016 (verreweg) het grootste deel van haar vermogen in contanten aangehouden (zie onder 4 en 6 van de rechtbankuitspraak) en daarop is geen daadwerkelijk rendement behaald. Volgens belanghebbende is het niet de intentie van de wet om belasting te heffen over niet genoten inkomsten en op die grond dient het verzoek tot ambtshalve vermindering voor de jaren 2015 en 2016 te worden gehonoreerd.

Hoewel het Hof begrip heeft voor het standpunt van belanghebbende neemt dit niet weg dat het Hof dient te toetsen aan de wettelijke voorschriften en de door de Hoge Raad gegeven voorwaarden om in te grijpen. Als aan die voorwaarden niet is voldaan, heeft het Hof, net als de inspecteur, geen ruimte om te bepalen dat het contante geld niet mag worden gerekend tot de rendementsgrondslag ter berekening van de box 3-heffing en dat daarover geen inkomstenbelasting hoeft te worden betaald, en dus de facto de wet opzij te zetten.

Ingevolge artikel 5.3, lid 2, onder d, van de Wet op de inkomstenbelasting 2001 vormt geld (waaronder chartaal geld ) een bezitting waarvan de waarde aan het begin van het kalenderjaar tot de rendementsgrondslag moet worden gerekend. Aan de hand van deze rendementsgrondslag wordt het voordeel uit sparen en beleggen in box 3 bepaald.

De Hoge Raad heeft geoordeeld dat de rechter niet eerder dan vanaf het jaar 2017 wegens strijdigheid met Europees Verdragsrecht op stelselniveau kan ingrijpen in de belastingheffing over het box 3-inkomen en dat voor de jaren daarvóór slechts voor een dergelijk ingrijpen plaats is als de belastingplichtige geconfronteerd wordt met een individuele buitensporige last (HR 24 december 2021, ECLI:NL:HR:2021:1963, BNB 2022/27, en HR 20 mei 2022, ECLI:NL:HR:2022:720, BNB 2022/89).

Voor zover belanghebbende dus betoogt dat de box 3-heffing voor de jaren 2015 en 2016 niet past bij de intentie van de wet, heeft zij gelijk. Maar voor zover zij stelt dat wegens die strijd (op stelselniveau) met Europees Verdragsrecht rechtsherstel moet worden geboden in die zin dat de verzoeken om ambtshalve vermindering moeten worden gehonoreerd, faalt dit standpunt derhalve.

Het verzoek om terugwijzing

Het Hof overweegt over het verzoek om terugwijzing dat het uitgangspunt is dat de hogerberoepsrechter de zaak zelf afdoet en niet terugverwijst naar de rechtbank. Daarop bestaan uitzonderingen (artikel 8:115, lid 1, letter a en b, van de Awb). Een dergelijke uitzondering doet zich onder meer voor als de hogerberoepsrechter van oordeel is dat de zaak opnieuw door de rechtbank moet worden behandeld (letter b). De Hoge Raad heeft hierover geoordeeld (Hoge Raad 12 juni 2019, ECLI:NL:HR:2019:1084) dat:

“[D]e hiervoor in artikel 8:115, lid 1, letter b, Awb bedoelde situatie zich kan voordoen als het oordeel van de hogerberoepsrechter meebrengt dat de rechtbank ten onrechte belangrijke feitelijke kwesties niet heeft onderzocht. Als de hogerberoepsrechter over die kwesties meteen zelf een oordeel zou geven, zou dit volgens de wetgever voor partijen een ongewenst verlies van instantie kunnen betekenen. De wet verzet zich echter volgens de wetgever niet ertegen dat, indien beide partijen vanuit een oogpunt van proceseconomie de voorkeur eraan geven dat de hogerberoepsrechter deze feitelijke kwesties beslist, die rechter bij de keuze tussen terugwijzen of zelf afdoen rekening houdt met dergelijke eenstemmige wensen van partijen.[…]

Opmerking verdient dat het met het oog op een snelle finale geschilbeslechting als regel de voorkeur verdient dat het gerechtshof de zaak niet terugwijst op de voet van artikel 8:115, lid 1, letter b, Awb, tenzij de procespartijen de wens daartoe aan het gerechtshof kenbaar hebben gemaakt. Dat geldt te meer in gevallen, waarin niet sprake is van verlies van instantie, maar de verwijzing slechts strekt tot heroverweging van de reeds door de Rechtbank gegeven beslissing.”

In het onderhavige geval verzoekt uitsluitend belanghebbende om terugverwijzing en is er dus geen sprake van een eenstemmige wens van partijen dat het Hof de zaak finaal beslecht. Het Hof heeft daarom beoordeeld of sprake is van belangrijke feitelijke kwesties die door de rechtbank niet zijn onderzocht, want dan zou belanghebbende bij niet terugverwijzen geconfronteerd worden met het verlies van een instantie, maar acht hiervan geen sprake. Naar het oordeel van het Hof heeft de rechtbank alle belangrijke feitelijke kwesties onderzocht. Een terugverwijzing zou slechts strekken tot heroverweging van de reeds door de rechtbank gegeven beslissing. Een terugverwijzing zou geen zinnig doel hebben en wel voor vertraging van de finale beslechting van deze zaak zorgen. Het Hof is dan ook van oordeel dat de zaak niet opnieuw door de rechtbank dient te worden behandeld.

Het Hof zal het verzoek om terugwijzing dan ook niet honoreren

Slotsom

De slotsom is dat het hoger beroep niet slaagt en de uitspraak van de rechtbank bevestigd dient te worden.

6. Kosten

Er bestaat geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

7. Beslissing

Het Hof bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

De uitspraak is gedaan door mrs. M.J. Leijdekker, voorzitter, N. Djebali en M. Ferrier, leden van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. H.M. Nijland als griffier. De beslissing is op 20 januari 2026 in het openbaar uitgesproken.

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.

Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).

Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;

2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;

3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.

Toelichting rechtsmiddelverwijzing

Per 15 april 2020 is digitaal procederen bij de Hoge Raad opengesteld. Niet-natuurlijke personen (daaronder begrepen publiekrechtelijke lichamen) en professionele gemachtigden zijn verplicht digitaal te procederen. Wie niet verplicht is om digitaal te procederen, kan op vrijwillige basis digitaal procederen. Hieronder leest u hoe een cassatieberoepschrift wordt ingediend.

Digitaal procederen

Het webportaal van de Hoge Raad is toegankelijk via “Login Mijn Zaak Hoge Raad” op www.hogeraad.nl. Informatie over de inlogmiddelen vindt u op www.hogeraad.nl.

Niet in Nederland wonende of gevestigde partijen of professionele gemachtigden hebben in beginsel geen geschikt inlogmiddel en kunnen daarom niet inloggen in het webportaal. Zij kunnen zo lang zij niet over een geschikt inlogmiddel kunnen beschikken, per post procederen.

Per post procederen

Alleen bepaalde personen mogen beroep in cassatie instellen per post in plaats van via het webportaal. Zij mogen dit bovendien alleen als zij zonder een professionele gemachtigde procederen. Het gaat om natuurlijke personen die geen ondernemer zijn en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Een professionele gemachtigde moet altijd digitaal procederen, ongeacht voor wie de gemachtigde optreedt. Degene die op papier mag procederen en dat ook wil, kan het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

Een afschrift van deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, is een afschrift aangetekend per post verzonden op:

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl Viditax (FutD) 2026012811
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?