GERECHTSHOF AMSTERDAM
afdeling civiel recht en belastingrecht, team I (handel)
zaaknummer : 200.339.860/01
zaaknummer rechtbank Amsterdam : 10670355 CV EXPL 23-11609
arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 27 januari 2026
in de zaak van
de rechtspersoon naar Duits recht
[appellant] ,
gevestigd te [plaats 1] , Duitsland,
appellante in principaal hoger beroep,
geïntimeerde in incidenteel hoger beroep,
advocaat: mr. Ch.G.A. van Rijckevorsel te Amsterdam,
tegen
1. [geïntimeerde 1] ,
gevestigd te [plaats 2] ,
geïntimeerde in principaal hoger beroep,
advocaat: mr. T.S. Jansen te Amsterdam,
2. [geïntimeerde 2] .,
gevestigd te [plaats 2] ,
geïntimeerde in principaal hoger beroep,
appellante in incidenteel hoger beroep,
advocaat: mr. T.S. Jansen te Amsterdam.
Partijen worden hierna [appellant] , [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] genoemd.
1. De zaak in het kort
Een vennootschap huurt een hotel en heeft in dat verband een bankgarantie gesteld. Een gelieerde vennootschap heeft voor de nakoming van de verplichtingen van de huurster uit de huurovereenkomst een concerngarantie afgegeven alsmede een bankgarantie. De huurster heeft een huurachterstand laten ontstaan. De verhuurster vordert dat beide vennootschappen hoofdelijk tot betaling worden veroordeeld. In reconventie heeft de garant opheffing van het door verhuurster ten laste van haar gelegde beslag gevorderd. De kantonrechter heeft de vordering tot betaling jegens de huurster toegewezen, maar jegens de garant afgewezen. In reconventie is de vordering tot opheffing van het beslag ook afgewezen. De verhuurder heeft beide vennootschappen in hoger beroep gedagvaard, maar alleen een grief aangevoerd tegen de afwijzing van de vordering tegen de garant. De oorspronkelijke huurachterstand is voldaan, maar vervolgens heeft de huurster weer een huurachterstand laten ontstaan, waarna de verhuurster bij wijze van eisvermeerdering deze huurachterstand van beide vennootschappen heeft gevorderd. Het hof acht dit toelaatbaar. Inhoudelijk gaat het hoger beroep in wezen over de uitleg van de concerngarantie.
2. Het geding in hoger beroep
[appellant] is bij dagvaarding van 3 april 2024 in hoger beroep gekomen van een mondelinge uitspraak van de kantonrechter in de rechtbank Amsterdam van 24 januari 2024, onder bovenvermeld zaaknummer gedaan tussen [appellant] als eiseres in conventie en verweerster in reconventie en [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] als gedaagden in conventie en eiseressen in reconventie (hierna: het bestreden vonnis). De appeldagvaarding bevat de grief. Op de eerst dienende dag heeft [appellant] geconcludeerd overeenkomstig de appeldagvaarding.
Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:
- memorie van antwoord, tevens memorie van grieven in incidenteel appel, met producties;
- memorie van antwoord in incidenteel appel, met producties.
Op 27 november 2025 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden.
[appellant] heeft bij deze gelegenheid nog producties in het geding gebracht en haar eis vermeerderd. [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] hebben bezwaar gemaakt tegen de eiswijziging, welk bezwaar het hof na beraad in raadkamer gedeeltelijk heeft gehonoreerd. De gronden van deze beslissing zijn hieronder vermeld.
Mr. Ch.G.A. van Rijckevorsel, bijgestaan door zijn kantoorgenoot J.M. Berendsen, en mr. T.S. Jansen, bijgestaan door zijn kantoorgenoot mr. V.G.J. Boumans, hebben de zaak toegelicht aan de hand van spreekaantekeningen die zij hebben overgelegd. Partijen hebben vragen van het hof beantwoord.
Ten slotte is arrest gevraagd.
3. Feiten
1. Subject to the provisions of this [bedrijf 1] , by way of an independent and obligation of its own, the Guarantor irrevocably guarantees to the Lessor or any of its successors in title the performance of any and all obligations of:
4. [bedrijf 2] pay upon the Lessor's or any of its successor's in title first written demand, as if it were its own debt to the Lessor or any of its successors in title all that the Lessor or any of its successors in title claims from the Guarantor pursuant to the Lease (…) and in accordance with this [bedrijf 1] up to the maximum amount, with neither recourse to compensation and/or reduction, nor suspension of the Guarantor's obligation to perform, by virtue of any defence.
5. In case of any non-performance of the Guarantor under this [bedrijf 1] , the Lessor or any of its successors in title will, as a sole remedy claim under the [bedrijf 3] II, the amounts due and payable by the Guarantor or any of its successors in title. This means that if the Lessor or any of its successors in title successfully claims the maximum amount under the [bedrijf 3] under this [bedrijf 1] will lapse.
17. With reference to art. 6.9 of the Lease, the Lessor or any of its successors in title will only make any claims under this [bedrijf 1] in case the [bedrijf 3] I will be insufficient to cover any claims of the Lessor or any of its successors in title.
Het hof gaat uit van de volgende feiten, die enerzijds zijn gesteld en anderzijds niet, of onvoldoende gemotiveerd, zijn betwist.
a. [appellant] verhuurt sinds 15 augustus 2019 aan [geïntimeerde 1] een hotel in [plaats 2] . [geïntimeerde 2] behoort tot hetzelfde concern als [geïntimeerde 1] .
b. In artikel 6.1 tot en met 6.4 van de huurovereenkomst is bepaald dat [geïntimeerde 1] als zekerheid voor de nakoming van haar verplichtingen uit die overeenkomst en ter dekking van de risico’s van [appellant] met betrekking tot onder meer de vroegtijdige beëindiging van de huurovereenkomst de volgende garanties zou verstrekken: een bankgarantie ten bedrage van € 567.000,= (Bankgarantie I genoemd) en een concerngarantie van [geïntimeerde 2] ten bedrage van € 3.969.000,=. In artikel 6.6 van de huurovereenkomst is vervolgens bepaald dat [geïntimeerde 2] als zekerheid en enige rechtsmiddel voor de verplichtingen uit de concerngarantie een non-revolving bankgarantie zou verstrekken van € 1.701.00,= (Bankgarantie II genoemd). De bedragen van de concerngarantie en van Bankgarantie II zijn later in onderling overleg gewijzigd.
c. De concerngarantie bevat, voor zover hier van belang, de volgende bepalingen:
(i) the Lessee to the Lessor pursuant to the Lease or any renewal thereof;
(…)
to the maximum amount of EUR 5.315,625 (…) (hereinafter " the maximum amount "). Payment under a different guarantee by the same or a different guarantor does not reduce the maximum amount of this guarantee.
(…)
d. [geïntimeerde 1] heeft betalingsachterstanden laten ontstaan.
e. Op grond van een toen bestaande betalingsachterstand heeft [appellant] beslag laten leggen op bankrekeningen van [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] en op aandelen van [geïntimeerde 2] in dochtervennootschappen.
4. Procedure bij de kantonrechter
Samengevat heeft [appellant] bij de kantonrechter in conventie gevorderd dat [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] hoofdelijk zouden worden veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 807.966,41 aan huurachterstand, € 47.884,78 aan achterstallige onroerendezaakbelasting, € 21.420,16 aan vertragingsboetes, € 18.150,= aan incassokosten en € 4.507,86 aan beslagkosten. In reconventie hebben [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] gevorderd dat de beslagen zouden worden opgeheven.
Bij het bestreden vonnis heeft de kantonrechter in conventie de vorderingen van [appellant] tegen [geïntimeerde 1] toegewezen, maar die tegen [geïntimeerde 2] afgewezen met de overweging dat [appellant] in de processtukken niet had gesteld en onderbouwd op grond waarvan ook [geïntimeerde 2] tot betaling van de huurachterstand gehouden zou zijn. [geïntimeerde 1] is in de kosten van de conventie veroordeeld. In reconventie heeft de kantonrechter de vordering tot opheffing van de beslagen afgewezen omdat niet was gebleken dat [appellant] ten onrechte beslag had gelegd, nu [appellant] zowel op [geïntimeerde 1] als op [geïntimeerde 2] een vordering leek te hebben. [geïntimeerde 1] is ook in de kosten van de reconventie veroordeeld, die zijn begroot op nihil.
5. Vordering in hoger beroep en eiswijziging
[appellant] heeft [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] in hoger beroep gedagvaard en bij de appeldagvaarding gevorderd het bestreden vonnis te vernietigen voor zover de vorderingen van [appellant] daarbij niet zijn toegewezen en [geïntimeerde 2] , voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, alsnog hoofdelijk te veroordelen tot betaling van hetgeen waartoe ook [geïntimeerde 1] is veroordeeld, met hoofdelijke veroordeling van [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] in de kosten van de procedure, inclusief de nakosten en met wettelijke rente.
Ter zitting heeft [appellant] haar eis aldus vermeerderd dat zij vorderde het bestreden vonnis gedeeltelijk te vernietigen voor zover de vorderingen van [appellant] in eerste aanleg niet zijn toegewezen en, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, - [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] hoofdelijk te veroordelen tot betaling aan [appellant] van € 222.709,95 ter zake van huurpenningen en onbetaalde doorbelastingen, althans een in goede justitie te bepalen bedrag;
- voor recht te verklaren dat [geïntimeerde 2] uit hoofde van de concerngarantie van 3 augustus 2022 aansprakelijk is voor de nakoming van de verplichtingen van [geïntimeerde 1] onder de huurovereenkomst, tot een maximaal bedrag van € 5.315.625, met hoofdelijke veroordeling van [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] in de kosten van de procedure, inclusief de nakosten en met rente.
[geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] hebben bezwaar gemaakt tegen de eisvermeerdering. Zij hebben daartoe aangevoerd dat de wijziging in strijd is met de tweeconclusieregel en de goede procesorde. Doordat de aangevoerde grief geen betrekking heeft op [geïntimeerde 1] en de huurvordering inmiddels was voldaan, hebben [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] zich in de memorie van antwoord in hoofdzaak geconcentreerd op het voeren van formele (ontvankelijkheids)verweren. Door de eiswijziging verandert de inhoud van de rechtsstrijd echter aanzienlijk en verandert [geïntimeerde 1] van een formele in een materiële procespartij. Ook voelen [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] zich in hun verdediging benadeeld, omdat de eiswijziging pas zeer kort (twee weken) voor de zitting is aangekondigd, terwijl dat veel eerder had gekund.
Het hof heeft de eiswijziging toegestaan voor zover die betrekking had op de vordering tot betaling en niet toegestaan wat betreft de gevorderde verklaring voor recht. Deze beslissing berust op de volgende overwegingen. Door de wijziging van de vordering tot betaling wordt de eis aangepast aan de tijdens het hoger beroep gewijzigde omstandigheden, namelijk het ontstaan van een nieuwe betalingsachterstand. De omstandigheid dat de grief geen betrekking heeft op [geïntimeerde 1] verhindert niet dat bij wege van eisvermeerdering alsnog wordt gevorderd [geïntimeerde 1] in hoger beroep tot betaling van een hoger bedrag te veroordelen. Een hoger beroep mag immers ook uitsluitend dienen ter vermeerdering van de eis (NJ 1980/124). De wijziging voorkomt dat [appellant] over de huurachterstand een nieuwe procedure zou moeten aanspannen, terwijl partijen reeds met elkaar in de onderhavige procedure verwikkeld zijn. [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] worden door deze wijziging niet in hun verdediging geschaad, omdat over het bestaan van de huurachterstand zelf geen verschil van mening bestaat en [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] in hun memorie wel degelijk al zijn ingegaan op de kwestie of [geïntimeerde 2] moet instaan voor de huurschuld van [geïntimeerde 1] . De eiswijziging wat betreft de nieuwe vordering tot verklaring voor recht is niet toelaatbaar, omdat daarmee het geschil in hoger beroep in een zeer laat stadium aanzienlijk zou worden verbreed en [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] daardoor in hun verdediging zouden worden geschaad.
De vordering van [appellant] luidt na deze beslissing als volgt:
dat het bestreden vonnis gedeeltelijk wordt vernietigd voor zover de vorderingen van [appellant] in eerste aanleg niet zijn toegewezen en, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] hoofdelijk worden veroordeeld tot betaling aan [appellant] van € 222.709,95 ter zake van huurpenningen en onbetaalde doorbelastingen, althans een in goede justitie te bepalen bedrag, met hoofdelijke veroordeling van [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] in de kosten van de procedure, inclusief de nakosten en met rente.
[geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] hebben in principaal hoger beroep geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van [appellant] in het hoger beroep, althans tot afwijzing daarvan. In incidenteel hoger beroep heeft [geïntimeerde 2] geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden vonnis in conventie en in reconventie, veroordeling van [appellant] tot opheffing van het op de aandelen van [geïntimeerde 2] gelegde beslag en veroordeling van [appellant] jegens [geïntimeerde 2] in de kosten van het geding in eerste aanleg, inclusief de nakosten. Dit alles uitvoerbaar bij voorraad en met veroordeling van [appellant] in de kosten van het geding in principaal en incidenteel hoger beroep, inclusief de nakosten en met rente.
[appellant] heeft in het incidentele hoger beroep geconcludeerd tot bekrachtiging van het bestreden vonnis en veroordeling van [geïntimeerde 2] , uitvoerbaar bij voorraad, in de kosten van het incidentele hoger beroep, inclusief de nakosten en met rente.
6. Beoordeling
Kan [geïntimeerde 2] worden aangesproken voor de huurschuld?
Met haar grief in principaal hoger beroep betoogt [appellant] dat de kantonrechter ten onrechte geen grond heeft gezien om ook [geïntimeerde 2] (hoofdelijk samen met [geïntimeerde 1] ) te veroordelen tot betaling van de destijds bestaande betalingsachterstand van rond negen ton. Deze klacht is terecht. Op grond van artikel 4 van de concerngarantie moest [geïntimeerde 2] deze schuld van [geïntimeerde 1] uit de huurovereenkomst op eerste schriftelijk verzoek van [appellant] als haar eigen schuld voldoen. De kantonrechter had de vordering dus ook jegens [geïntimeerde 2] moeten toewijzen.
Aan het voorgaande doet, anders dan [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] aanvoeren, hetgeen is bepaald in artikel 17 van de concerngarantie niet af. Ten tijde van de uitspraak was het bedrag van de betalingsachterstand immers ruimschoots hoger dan het maximumbedrag van Bankgarantie I, zodat aan de voorwaarde van artikel 17 was voldaan.
Ook artikel 5 van de concerngarantie doet niet af aan hetgeen onder 6.1 is overwogen. Dat artikel heeft betrekking op de wijze waarop [appellant] haar vordering op [geïntimeerde 2] kan verhalen, maar beperkt [appellant] niet in de mogelijkheid [geïntimeerde 2] bij vonnis te laten veroordelen tot betaling.
De nieuwe huurschuld in hoger beroep
In hoger beroep is de situatie echter gewijzigd, doordat de ten tijde van het bestreden vonnis bestaande betalingsachterstand is ingelopen en vervolgens een nieuwe huurachterstand is ontstaan, maar nu een minder grote, namelijk een van € 222.709,95. Dit bedrag ligt ruimschoots onder het bedrag van Bankgarantie I, zodat het bepaalde in artikel 17 van de concerngarantie meebrengt dat [appellant] [geïntimeerde 2] daarvoor niet kan aanspreken. De vordering tot betaling van dit bedrag zal daarom alleen worden toegewezen jegens [geïntimeerde 1] , die die vordering niet heeft weersproken.
De proceskosten van het geding in eerste aanleg in conventie
De eerste incidentele grief van [geïntimeerde 2] is gericht tegen de kostenveroordeling in conventie. [geïntimeerde 2] meent dat de kantonrechter [appellant] jegens haar in de kosten van het geding in conventie had moeten veroordelen, omdat de vordering van [appellant] tegen [geïntimeerde 2] is afgewezen.
De grief heeft geen succes. Om te beginnen heeft [geïntimeerde 2] niet duidelijk gemaakt welke eigen proceskosten zij heeft gemaakt. Dat had wel voor de hand gelegen omdat zij en [geïntimeerde 1] vermoedelijk maar één keer griffierecht hebben betaald (want zij hebben gelijkluidende conclusies genomen) en in de gedingstukken in eerste aanleg maar zeer beperkt aandacht is besteed aan de verschillen in rechtspositie tussen [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] . Maar ook los daarvan ziet het hof voor een kostenveroordeling van [appellant] jegens [geïntimeerde 2] in conventie geen reden, omdat, zoals hiervoor al werd overwogen, de afwijzing van de vordering tegen [geïntimeerde 2] in eerste aanleg ten onrechte was.
De opheffing van het beslag op de aandelen van [geïntimeerde 2]
Met haar tweede incidentele grief bestrijdt [geïntimeerde 2] de afwijzing van haar vordering tot opheffing van het door [appellant] gelegde beslag op haar aandelen in dochtervennootschappen. Zij voert aan dat [appellant] nooit een opeisbare vordering op haar heeft gehad en in ieder geval geen vordering meer heeft na de voldoening van de aanvankelijke betalingsachterstand. Ten slotte beroept zij zich op artikel 5 van de concerngarantie, waarin is bepaald dat [appellant] ter verhaal van een eventuele vordering op [geïntimeerde 2] uitsluitend Bankgarantie II mag aanspreken, zodat het haar niet vrij staat beslag op de aandelen van [geïntimeerde 2] te leggen.
[appellant] heeft hiertegen ingebracht dat artikel 17 van de concerngarantie niet aan het beslag ten laste van [geïntimeerde 2] in de weg staat, omdat ten tijde van de procedure in eerste aanleg de betalingsachterstand ruim boven het bedrag van Bankgarantie I uitsteeg. Met betrekking tot artikel 5 van de concerngarantie heeft [appellant] aangevoerd dat het recht tot het leggen van conservatoir beslag niet contractueel kan worden uitgesloten omdat dat een fundamenteel juridisch middel is dat voortvloeit uit de wet en is bedoeld om de belangen van schuldeisers te beschermen. De Hoge Raad heeft geoordeeld dat conservatoir beslag naar zijn aard ertoe strekt om te waarborgen dat verhaal mogelijk zal zijn als de vordering in de bodemprocedure wordt toegewezen. [geïntimeerde 2] heeft er bovendien geen belang bij dat haar reconventionele vordering alsnog wordt toegewezen, omdat de beslagen zijn opgeheven na de voldoening van de aanvankelijke huurschuld, aldus nog steeds [appellant] .
Het hof volgt [geïntimeerde 2] in haar standpunt dat [appellant] op grond van het bepaalde in artikel 5 van de concerngarantie niet gerechtigd was beslag ten laste van [geïntimeerde 2] te leggen voor de aanvankelijke huurachterstand. In dat artikel is immers zonder omhaal bepaald dat [appellant] haar vordering op [geïntimeerde 2] uitsluitend kan verhalen op Bankgarantie II. In combinatie met artikel 5 van de concerngarantie moet artikel 17 daarvan aldus worden begrepen dat [appellant] haar huurvordering eerst dient te verhalen op Bankgarantie I, voordat zij voor het restant Bankgarantie II kan aanspreken. De beide bankgaranties samen boden voldoende verhaal voor de aanvankelijke betalingsachterstand van rond negen ton. Het hof laat in het midden wat rechtens zou zijn als dat niet het geval is.
Deze door [appellant] vrijwillig aangegane contractuele beperking van haar verhaalsmogelijkheden heeft, anders dan [appellant] meent, wel degelijk consequenties voor de mogelijkheden van [appellant] om conservatoir beslag te leggen ten laste van [geïntimeerde 2] . Een conservatoir beslag is immers bedoeld om verhaalsmogelijkheden veilig te stellen. Als dat doel niet wordt bereikt omdat de schuldeiser zich om de een of andere reden niet mag verhalen op het beslagen goed, moet het beslag als vexatoir worden beschouwd en op die grond desgevraagd door de rechter worden opgeheven. De kantonrechter heeft dat ten onrechte niet gedaan, zodat deze grief in zoverre slaagt.
De proceskosten van het geding in eerste aanleg in reconventie
Inmiddels is het beslag op de aandelen van [geïntimeerde 2] al opgeheven. Toewijzing van de opheffingsvordering is dus niet meer aan de orde. Het feit dat de reconventionele vordering van [geïntimeerde 2] in eerste aanleg ten onrechte is afgewezen, impliceert echter ook dat [appellant] de kosten van het geding in eerste aanleg moet dragen voor zover betrekking hebbend op [geïntimeerde 2] . Zij zal daartoe alsnog worden veroordeeld. Die kosten zullen worden gesteld op de helft van de totale geliquideerde kosten van de reconventie (twee punten, onbepaalde waarde).Het hof ziet, anders dan de kantonrechter, geen reden de kosten op nihil te stellen, aangezien in de gedingstukken wel degelijk afzonderlijk is ingegaan op de mogelijkheid om beslag te leggen voor de vordering.
Slotsom en kosten
Het principale hoger beroep slaagt ten dele, evenals het incidentele hoger beroep. Het bestreden vonnis wordt bekrachtigd onder verbetering van gronden. De betalingsvordering waarmee [appellant] haar eis in hoger beroep heeft vermeerderd zal worden toegewezen. [appellant] zal alsnog worden veroordeeld in de proceskosten van [geïntimeerde 2] in reconventie. In het principaal hoger beroep worden de proceskosten gecompenseerd, omdat [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] daarin gezamenlijk hebben geprocedeerd en [appellant] jegens de een in het gelijk en jegens de ander in het ongelijk is gesteld. In het incidenteel hoger beroep is [appellant] overwegend in het ongelijk gesteld. Zij zal daarom in de kosten daarvan worden veroordeeld (twee punten, tarief onbepaalde waarde).
7. Beslissing
Het hof:
bekrachtigt het bestreden vonnis onder verbetering van gronden als omschreven onder 6.1 tot en met 6.3 van dit arrest;
veroordeelt [geïntimeerde 1] tot betaling aan [appellant] van een bedrag van € 222.709,95;
veroordeelt [appellant] in de proceskosten in eerste aanleg in reconventie voor zover betrekking hebbende op [geïntimeerde 2] , hierbij aan de zijde van [geïntimeerde 2] begroot op € 264,= voor salaris;
compenseert de kosten van het geding in principaal hoger beroep aldus, dat iedere partij de eigen kosten draagt;
veroordeelt [appellant] in de proceskosten in het incidentele hoger beroep, tot nu aan de zijde van [geïntimeerde 2] vastgesteld op € 2.428,= voor salaris en € 178,= voor nasalaris, te vermeerderen met € 92,= voor nasalaris en de kosten van het betekeningsexploot als betekening van dit arrest plaatsvindt, te vermeerderen met de wettelijke rente, als niet binnen veertien dagen na het verschuldigd worden van de nakosten aan deze veroordeling is voldaan;
verklaart deze veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit arrest is gewezen door mr. M.E. van Neck, mr. J.C.W. Rang en mr. S. van Gulijk en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 27 januari 2026.