GERECHTSHOF AMSTERDAM
afdeling civiel recht en belastingrecht, team I
zaaknummer: 200.355.132/01
zaaknummer rechtbank Amsterdam: C/13/750660 / HA ZA 24-521
arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 14 juli 2026
inzake
1. STICHTING MONUMENT [straat] TE [plaats] ,
gevestigd te [plaats] ,
en
2. [appellant],
wonend te [plaats] ,
appellanten,
advocaat: mr. T.C. Boer te Amsterdam,
tegen
GEMEENTE AMSTERDAM,
zetelend te Amsterdam,
geïntimeerde,
advocaat: mr. M.C. Rijkhold Meesters te Amsterdam.
Appellanten worden hierna de stichting c.s. dan wel de stichting en [appellant] genoemd en geïntimeerde de gemeente.
1. De zaak in het kort
Appellant heeft niet voldoende concreet toegelicht dat het handelen van de gemeente rondom de bemiddelingspoging van de gemeente bij een VvE-conflict onrechtmatig was. Zowel de rechtbank als het hof oordelen daarom dat de gemeente niet schadeplichtig is.
2. Het geding in hoger beroep
De stichting c.s. is bij dagvaarding van 9 mei 2025 in hoger beroep gekomen van een vonnis van de rechtbank Amsterdam van 19 februari 2025, onder bovenvermeld zaaknummer gewezen tussen de stichting c.s. als eiser en de gemeente als gedaagde.
De stichting c.s. heeft daarna een memorie van grieven, met producties, ingediend en een akte overleggen nadere producties. De gemeente heeft vervolgens een memorie van antwoord, met een productie, ingediend. De stichting c.s. heeft daarop nog een akte overleggen nadere productie genomen.
Tijdens de mondelinge behandeling op 9 april 2026 hebben mr. Boer en mr. S. Beaufort, advocaat te Amsterdam, het woord gevoerd aan de zijde van de stichting c.s. en mr. Rijkhold Meesters heeft gesproken ten behoeve van de gemeente, steeds aan de hand van spreekaantekeningen. Partijen hebben hun standpunt toegelicht en vragen beantwoord.
Ten slotte is arrest gevraagd.
Beide partijen hebben in hoger beroep bewijs van hun stellingen aangeboden.
3. De feiten
De rechtbank heeft in het bestreden vonnis onder 3.1 tot en met 3.25 de feiten vastgesteld die zij tot uitgangspunt heeft genomen. Met grief 1 heeft de stichting c.s. aangevoerd dat deze feitenweergave niet volledig is. Dit bezwaar strandt. Het stond de rechtbank vrij alleen die feiten onder de vaststaande feiten te vermelden waarvan de vaststelling geen bijzondere motivering vergt en die dragend zijn voor haar oordeel. De stichting c.s. heeft ook betoogd dat de weergave onder 3.5 onjuist is. Het hof zal hiermee rekening houden. Voor het overige zijn de feiten ook in hoger beroep niet in geschil. Zij dienen daarom ook het hof als uitgangspunt en luiden als volgt.
[straat]
a. Het pand [straat] te [plaats] bestaat uit vier appartementen. De stichting is eigenaar van de appartementsrechten [straat] -A en 171-B te [plaats] . Het appartement met adres [straat] -A werd tot 2022 bewoond door [appellant] , die tot mei 2019 bestuurder was van de stichting. [appellant] is Ultimate Benificial Owner (UBO) van de stichting.
b. [naam 1] is eigenaar van het appartementsrecht [straat] -C. Hij woont inmiddels niet meer in dit appartement.
c. [naam 2] was tot 1 december 2020 eigenaar van het appartementsrecht [straat] -D. Inmiddels heeft hij het appartementsrecht verkocht, waarbij hij de economische eigendom heeft geleverd aan Onroerendgoed Maatschappij Maaskroon B.V., gelieerd aan [appellant] , en de juridische eigendom aan de stichting.
d. De stichting en [naam 1] (en voorheen [naam 2] ) zijn lid van de Vereniging van Eigenaars [straat] te [plaats] (hierna: de VvE). Binnen de VvE is onenigheid ontstaan over allerlei zaken waaronder de overkapping van een lichthof en de vraag of funderingsherstel nodig is. Dit heeft tot meerdere gerechtelijke procedures geleid.
De overkapping
e. [naam 1] heeft op 18 oktober 2018 het college van burgemeester en wethouders van de gemeente verzocht om handhavend op treden tegen de lichthofoverkapping van het appartement [straat] -A. In dit verzoek heeft [naam 1] met betrekking tot het lichthof aan de gemeente geschreven:
Navraag bij uw inspecteur de heer [naam 3] leert dat de actuele situatie inderdaad niet is vergund en hij heeft ons verzocht dit handhavingsverzoek aan u te richten.
Het blijkt dat het overkappen van de buitenruimte (patio) niet conform een vergunning heeft plaatsgevonden (…).
f. [naam 1] heeft dit handhavingsverzoek op 1 maart 2019 weer ingetrokken.
g. Bij brief van 5 maart 2019 heeft [naam 3] , inspecteur Bouwtoezicht stadsdeel centrum, de stichting bericht dat de aangetroffen situatie niet legaal is. In deze brief staat geschreven:
Er is naar aanleiding van een handhavingsverzoek geconstateerd dat de patio van uw woning, een origineel lichthof, is overdekt. U heeft aangegeven dat u de woning in de huidige staat, met overkapping, heeft aangekocht. Op de vergunning in het bouwarchief is de laatst vergunde toestand een patio die niet is overdekt. Wij wijzen u er op dat de huidige toestand niet de legale situatie is en u dient dit ofwel trachten te legaliseren met een aanvraag of terug te brengen in de oude staat. Aangezien het handhavingsverzoek is ingetrokken hebben wij besloten hier niet verder onze handhavingsmiddelen toe te passen. Wij wijzen u er echter op dat bij verkoop van het pand of een nieuw handhavingsverzoek u opnieuw wordt gewezen op de huidige illegale situatie indien u hier niets aan veranderd.
h. De stichting heeft de gemeente gesommeerd om deze brief in te trekken. In reactie daarop heeft de gemeente per brief van 23 april 2020 aan de stichting het volgende bericht:
Onze brief van d.d. 5 maart 2019 is slechts informatief en geen besluit dat gericht is op enig rechtsgevolg. Wij hebben uw cliënt er enkel op gewezen dat wij ons het recht voorbehouden om op een nader te bepalen tijdstip handhavend op te treden als uw cliënt de overtreding niet zelf ongedaan maakt. Oftewel, de brief kunt u zien als een wrakingsbrief.
Nader onderzoek
U heeft aangegeven dat de overdekte lichthof legaal is en dat dit onder andere blijkt uit de in 1976 afgegeven beschikking inzake bouwwerkzaamheden aan het pand aan de [straat] en uit de in 1997 afgegeven splitsingsvergunning. Naar aanleiding van de door u aangegeven informatie zullen wij, als wij besluiten alsnog over te gaan tot handhavend optreden, eerst nader onderzoek uitvoeren.
Wij merken daarbij expliciet op dat het nadere onderzoek ook betrekking zal hebben op de vraag wie als overtreder aangemerkt moet worden. Het onderzoek hiernaar hebben wij in een eerder stadium gestaakt, gezien de intrekking van het verzoek om handhaving.
i. De stichting c.s. is een procedure bij de rechtbank Amsterdam gestart tegen de gemeente. In deze procedure heeft zij onder meer schadeloosstelling gevorderd voor het volgens haar onzorgvuldige en onjuist ingenomen standpunt in de brief van 5 maart 2019 over de status van de overkapping. De rechtbank heeft bij vonnis van 16 december 2020 de stichting c.s. niet-ontvankelijk verklaard in haar vordering tot schadeloosstelling. De rechtbank heeft daartoe het volgende overwogen:
Voor de door de Stichting c.s. gewenste schadeloosstelling (het verkrijgen van een goed gemotiveerd en juist standpunt van het College, althans een rechterlijk oordeel) staat een bestuursrechtelijke rechtsgang open. Door middel van een handhavingsverzoek kunnen de Stichting c.s. immers van het College verlangen dat het een besluit neemt over de status van de Overkapping en, automatisch, de in dat kader aan te spreken vergunningsplichtige belanghebbende. (…)
De gang naar de bestuursrechter staat op dit moment nog niet voor de Stichting c.s. open, omdat de rechtsgang bij het College als bestuursorgaan nog niet is doorlopen. Van de Stichting c.s. mag echter in beginsel worden verlangd dat zij de deur naar de bestuursrechter zelf openen door middel van een handhavingsverzoek. (…)
Het voorgaande betekent dat de Stichting c.s. in beginsel niet-ontvankelijk moeten worden verklaard [in hun vordering tot schadeloosstelling, hof] (…). Dit beginsel kan slechts uitzondering lijden indien moet worden geoordeeld dat het door het College ingenomen standpunt onmiskenbaar onjuist of zonder grond is (…). Van die uitzondering is echter geen sprake: om de (on)juistheid van het door het College in de Brief ingenomen standpunt te beoordelen, is nader onderzoek vereist.
Het funderingsherstel
j. Duyts Bouwconstructies heeft een onderzoek verricht naar de fundering van het pand [straat] . In september 2018 heeft zij een rapport uitgebracht. Duyts heeft onder meer in het rapport geschreven dat de kwaliteit van de fundering van de achteruitbouw onvoldoende is en dat de fundering moet worden hersteld.
k. Op 25 april 2019 heeft de vergadering van eigenaars van de VvE het besluit genomen om een omgevingsvergunning aan te vragen voor funderingsherstel. Op 1 mei 2019 is de vergunning aangevraagd.
l. In mei 2019 heeft [naam 1] zich gemeld op het inloopspreekuur van de burgemeester van de gemeente.
m. Bij e-mailbericht van 7 mei 2019 heeft [naam 4] , medewerker vergunningen van de gemeente, aan [naam 1] geschreven:
Beste [naam 5] ,
Zojuist de stukken gemaild die op 1 mei zijn ontvangen. (…) Ik heb de zaak op mijn naam.
(…)
Er is geen beoordeling van de fundering waaruit blijkt dat vervanging/herstel noodzakelijk is. Ik mag niet meteen afwijzen, ik moet eerst vragen om dit alsnog aan te tonen.
n. [naam 2] heeft naar aanleiding van dit e-mailbericht een klacht ingediend bij de gemeente over [naam 4] . De gemeente heeft daarop [naam 4] van de kwestie afgehaald en de behandeling van de aanvraag op naam gezet van een andere ambtenaar.
o. [naam 1] heeft de kantonrechter verzocht het besluit van 25 april 2019 (zie 3.k) te vernietigen. In een e-mailbericht van 10 september 2019 heeft de advocaat van [naam 1] aan de kantonrechter onder meer het volgende geschreven:
Voorts deel ik u mee dat de heer [naam 6] (werkzaam bij de gemeente Amsterdam) bij de mondelinge behandeling d.d. 18 september 2019 aanwezig zal zijn. Indien U E.A. hem daartoe in de gelegenheid stelt, kan hij vanuit zijn hoedanigheid namens de gemeente verklaren dat de toegezonden informatie gewoonweg onjuist is, in die zin dat de informatie niet correspondeert met het daadwerkelijke standpunt van de gemeente in deze.
De stichting c.s. heeft bezwaar gemaakt tegen de aanwezigheid van [naam 6] op de mondelinge behandeling.
p. De mondelinge behandeling van het verzoek heeft op 18 september 2019 plaatsgevonden. Bij beschikking van 3 oktober 2019 heeft de kantonrechter het verzoek van [naam 1] tot vernietiging van het besluit van de VvE toegewezen. Daartoe heeft de kantonrechter het volgende overwogen:
5. De kantonrechter is er niet van overtuigd geraakt dat het op grond van de op 25 april 2019 bekende feiten noodzakelijk was om funderingsherstel te doen plaatsvinden en daarvoor een omgevingsvergunning aan te vragen. Zolang de noodzaak van dat herstel niet objectief is vastgesteld, is er geen goede reden dat de VvE kosten zou maken ter voorbereiding daarvan.
6. Uit de overgelegde bewijsstukken blijkt dat aan de zijde van de overheid naast de gemeentelijke afdeling Bouw- en Woningtoezicht ook het Bureau Monumenten Amsterdam en de Omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied bij het onderhavige pand zijn betrokken. Er heeft ná de ALV van 25 april 2019 nader onderzoek plaatsgevonden waarbij deze diensten vertegenwoordigd waren. Dat heeft niet geleid tot een afkeuring van de fundering. (…) De gemeente adviseert dan ook niet dat voor het gehele pand funderingherstel zal plaatsvinden. De Omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied heeft negatief geadviseerd met betrekking tot eventueel funderingsherstel van het pand.
7. Weliswaar heeft Duyts op 23 april 2019 aan [appellant] (…) geadviseerd de fundering te herstellen, maar de noodzaak daartoe wordt gemotiveerd weersproken in de rapportage van Fugro NL Land B.V. Alles bij elkaar was er op 25 april 2019 geen gegronde reden voor de VvE om te besluiten Duyts opdracht te geven om een omgevingsvergunning aan te vragen.
q. Tegen deze beschikking is geen hoger beroep ingesteld.
r. Op enig moment heeft de stichting c.s. de kantonrechter gevraagd om het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 18 september 2019 te verstrekken. Dat proces-verbaal is op 2 juni 2020 verzonden. Daarin staat vermeld:
Aan de zijde van verzoekers is verschenen de heer [naam 6] , die op vragen van de kantonrechter naar zijn betrokkenheid bij het onderhavige geschil heeft geantwoord:
Deze zaak is door de burgemeester onder de aandacht gebracht. Mogelijk zijn nog andere zaken aan de orde. Ik ben deelgenoot van het geschil gemaakt, maar ik ben zelf nergens bij aanwezig geweest.
(…)
Van de zijde van verzoekers is aangevoerd: [naam 6] mag praten namens de gemeente en hij is hier in die hoedanigheid.
[naam 6] heeft daarop gezegd: Gemeente heeft kennisgenomen van onderzoeken en vervolgvragen. Nu geen uitspraak over funderingsherstel. Omdat er rapporten ontbreken kunnen wij niet zeggen of het wel of niet nodig is.
s. Op 8 mei 2020 heeft [naam 6] [appellant] gebeld met het verzoek om in overleg te treden.
t. Op 13 mei 2020 heeft de advocaat van de stichting c.s. aan [naam 6] geschreven:
Geachte heer [naam 6] , zoals al vele malen duidelijk gemaakt (…) zijn er meerdere redenen waarom cliënten er bezwaar tegen hebben om met u het gesprek aan te gaan. Het heeft dus ook geen zin om daar maar op terug te blijven komen. Ik (…) verzoek u ook geen rechtstreeks contact meer met cliënten op te nemen.
u. Op 3 juni 2020 heeft een telefonisch gesprek plaatsgevonden tussen de advocaat van de stichting c.s. en [naam 7] , kabinetschef van de burgemeester. [naam 7] heeft tijdens dat telefoongesprek onder meer de betrokkenheid van [naam 6] bij de zaak toegelicht. Per e-mailbericht van 3 juni 2020 heeft [naam 7] het volgende aan de advocaat van de stichting c.s. geschreven:
Kort samengevat: de burgemeester heeft dhr [naam 1] in 2019 ontvangen bij een spreekuur voor Amsterdammers, waar hij vertelde dat hij in de knel zat, zich geïntimideerd voelde in een conflict met zijn buren, en hij vroeg om hulp. Burgemeester Halsema heeft daarop dhr [naam 6] gevraagd of hij contact op wilde nemen om te bezien of er vanuit de gemeente iets gedaan kon worden om hem te helpen. (…)
(…)
[naam 6] is gevraagd om in dit geval te kijken of we als gemeente kunnen helpen deze kwestie op te lossen omdat hij daar als ambtenaar ervaring mee heeft.
(…)
De gemeente Amsterdam, in persoon van de heer [naam 6] heeft geen bemoeienis met het juridische conflict dat gaande is binnen de VvE [straat] . De heer [naam 6] heeft geprobeerd in contact te treden, omdat er is aangegeven door de heer [naam 1] dat hij zich al meerdere jaren geïntimideerd voelt. Dit probleem wil de gemeente Amsterdam graag helpen oplossen. Telefonisch contact is wat mij betreft een gebruikelijke, en normale manier van
contact zoeken, zeker als er geen sprake is van juridische of formele betrokkenheid, maar van zorgen n.a.v. een hulpvraag.
v. [naam 1] heeft de VvE en de stichting gedagvaard voor de rechtbank Amsterdam en onder meer gevorderd dat het de VvE en de stichting wordt verboden de fundering van [straat] te herstellen dan wel een besluit daarover te nemen voordat bepaalde onderzoeken zijn gedaan. Bij tussenvonnis van 30 december 2020 heeft de rechtbank overwogen dat de omstandigheden ten opzichte van de situatie op 3 oktober 2019 (het vonnis van de kantonrechter, zie 3.p) niet zijn gewijzigd en dat niet kan worden geconcludeerd dat funderingsherstel op dit moment noodzakelijk is. In een eindvonnis van 21 april 2021 heeft de rechtbank de VvE en de stichting verboden zonder unanimiteit van stemmen besluiten te nemen over het funderingsherstel, zolang de gemeente geen vergunning heeft verleend.
w. Dit hof heeft bij arrest van 16 mei 2023 de vonnissen van 30 december 2020 en 21 april 2021 vernietigd. Daarbij is onder meer overwogen dat het aan de VvE door rechtbank opgelegd verbod om zonder unanimiteit van stemmen besluiten te nemen over het funderingsherstel van het pand is in strijd met de systematiek van het VvE-recht.
Overige procedures
x. De stichting c.s. heeft de rechtbank in juli 2020 verzocht om [naam 7] , [naam 6] en [naam 3] te horen over hun betrokkenheid bij het handhavingsverzoek tegen de overkapping van het lichthof en het funderingsherstel. Bij beschikking van 17 december 2020 heeft de rechtbank dit verzoek afgewezen. Het gerechtshof Amsterdam heeft deze beschikking op 1 maart 2022 bekrachtigd.
y. De stichting c.s. heeft verder verschillende Wob-verzoeken aan de gemeente gedaan.
4. De eerste aanleg
De stichting c.s. heeft in eerste aanleg gevorderd, kort samengevat:
I. verklaring voor recht dat de gemeente onrechtmatig jegens de stichting c.s. heeft gehandeld en veroordeling van de gemeente tot vergoeding van de daardoor door de stichting c.s. geleden schade, nader op te maken bij staat en;
II. een verbod om zich op onrechtmatige wijze te mengen in het civielrechtelijke geschil aangaande het pand aan de [straat] te [plaats] .
De gemeente heeft verweer gevoerd.
De rechtbank heeft de vordering afgewezen en de stichting c.s. in de kosten van de procedure veroordeeld.
5. Het hoger beroep
De stichting c.s. heeft in hoger beroep, onder aanvoering van zeven grieven waarvan de eerste grief hierboven al aan de orde is geweest, gevorderd, kort samengevat:
A. vernietiging van het bestreden vonnis;
B. verklaring voor recht dat de gemeente onrechtmatig jegens de stichting c.s. heeft gehandeld en veroordeling van de gemeente tot vergoeding van de daardoor door de stichting c.s. geleden schade, nader op te maken bij staat;
C. een verbod om zich op onrechtmatige wijze te mengen in het civielrechtelijke geschil aangaande het pand aan de [straat] te [plaats] en;
D. veroordeling van de gemeente tot terugbetaling aan de stichting c.s. van al hetgeen de stichting c.s. aan de gemeente heeft voldaan ter uitvoering van het bestreden vonnis.
De gemeente heeft opnieuw verweer gevoerd en geconcludeerd tot verwerping van het hoger beroep.
6. De beoordeling
Brief 5 maart 2019
Grief 2 is gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat de gemeente niet onrechtmatig heeft gehandeld met haar hierboven onder g. weergegeven brief van 5 maart 2019 van [naam 3] . De rechtbank heeft over deze brief overwogen:
De rechtbank is van oordeel dat de gemeente met de door haar gedane mededelingen in de brief van 5 maart 2019 (…) niet onrechtmatig heeft gehandeld. Uit de brief blijkt dat de gemeente naar aanleiding van het handhavingsverzoek in haar eigen archieven kennelijk geen stukken heeft aangetroffen waaruit blijkt dat de overkapping van het lichthof legaal is gebouwd. Na het stopzetten van het handhavingstraject is deze brief aan de Stichting gestuurd. De daarin gedane mededeling dat: “bij verkoop van het pand (…) u opnieuw wordt gewezen op de huidige illegale situatie indien u hier niets aan veranderd” is een waarschuwing en leidt niet tot een juridisch bindende verplichting. De gemeente heeft daarmee dan ook niet onzorgvuldig of onrechtmatig gehandeld, integendeel. Als de gemeente zou hebben medegedeeld dat het handhavingstraject was gestaakt zonder toe te lichten waarom, zou de Stichting daaraan de conclusie hebben kunnen verbinden dat de overkapping dus legaal was. Dat was volgens de gemeente, op grond van haar voorlopig onderzoek, echter niet het geval. Tegen die achtergrond is het logisch dat de gemeente erop heeft gewezen dat het handhavingstraject in de toekomst alsnog kan worden voortgezet. Dat zij daarbij ook haar (voorlopige) conclusie heeft medegedeeld dat uit haar eigen archieven niet blijkt dat de huidige situatie vergund is, was niet noodzakelijk, maar maakt haar handelen ook niet onrechtmatig. Voor zover de Stichting c.s. zich niet kon vinden in deze voorlopige conclusie had het op haar weg gelegen om de bestuursrechtelijke route te bewandelen (…).
De stichting c.s. heeft aangevoerd dat de gemeente onzorgvuldig en vooringenomen heeft gehandeld door deze wrakingsbrief te versturen op - volgens de stichting c.s. - eerste verzoek van [naam 1] zonder deugdelijk onderzoek te doen naar de feiten. Noch de stichting noch [appellant] kunnen van het bouwen zonder omgevingsvergunning als overtreder worden aangemerkt, omdat de overkapping al aanwezig was toen de stichting het pand in eigendom verkreeg. De stichting c.s. moet nu bij een eventuele verkoop van het appartement melding maken van een potentieel handhavingsrisico, terwijl de illegaliteit en de daarvoor verantwoordelijke persoon nog niet vaststaat. [naam 3] heeft [naam 1] gestimuleerd een handhavingsverzoek in te dienen. Niet valt uit te sluiten dat bij het (voorlopig) onderzoek tunnelvisie is opgetreden of [naam 3] nadien terughoudend is geweest om af te wijken van het eerder door hem ingenomen standpunt dat een overtreding aan de orde is. Dat de gemeente geen open vizier had en zich bij het opstellen van de brief sterk heeft laten beïnvloeden door de inhoud van het handhavingsverzoek van [naam 1] volgt ook uit het feit dat de brief is gericht aan de stichting (t.a.v. [appellant] ), terwijl nader zelfstandig onderzoek zou hebben duidelijk gemaakt dat de gemeente de VvE had moeten aanschrijven, omdat de overtreding betrekking heeft op de gemeenschappelijke onderdelen van het pand.
De gemeente heeft zich beroepen op niet-ontvankelijkheid van de grief, omdat de wrakingsbrief van 5 maart 2019 een onzelfstandige handeling ter voorbereiding op een mogelijk toekomstig besluit is en de beoordeling van de rechtmatigheid daarvan derhalve valt onder de beoordeling van de rechtmatigheid van dat mogelijke toekomstige besluit, waarover de bestuursrechter bij uitsluiting bevoegd is te oordelen. Aangezien de stichting zich in dit hoger beroep feitelijk vooral richt tegen het grotere geheel van handelen door de gemeente rondom deze brief, wordt dit ontvankelijkheidsverweer door het hof gepasseerd.
De grief heeft geen succes. Het hof deelt het oordeel van de rechtbank. De gemeente heeft de brief blijkens de tekst daarvan op basis van eigen archiefonderzoek opgesteld. Het verwijt dat onzorgvuldig en niet objectief is gehandeld, is onvoldoende feitelijk onderbouwd. Er zijn in de procedure geen aanwijzingen naar voren gekomen dat het eerdere contact tussen [naam 1] en de gemeente leidend is geweest voor de inhoud van de brief. Indien de inhoud van de wrakingsbrief onjuist is, kan de stichting c.s. daarover een bestuursrechtelijk besluit uitlokken. Daartegen staat vervolgens zo nodig een bestuursrechtelijke rechtsgang open. De nadelige effecten die de stichting c.s. vreest, materialiseren zich dan niet. De wrakingsbrief zelf heeft geen rechtsgevolg.
Optreden [naam 6]
De grieven 3, 4 en 5 vechten de overwegingen van de rechtbank over het optreden van [naam 6] aan. De stichting c.s. heeft zich in eerste aanleg op het standpunt gesteld dat [naam 6] (i) geen hoor en wederhoor heeft toegepast, (ii) kant heeft gekozen en heeft opgetreden ten gunste van [naam 1] op basis van een eenzijdig verhaal, (iii) aanwezig is geweest tijdens een mondelinge behandeling in een civiele procedure waarbij de gemeente geen partij is, terwijl een wettelijke grondslag voor die aanwezigheid ontbreekt en (iv) uitlatingen heeft gedaan over het funderingsherstel zonder daartoe te zijn gemachtigd. De gemeente heeft [naam 6] ingezet voor bemiddeling in het kader van de zogenoemde Treiteraanpak, zonder wettelijke grondslag, aldus de stichting c.s. De rechtbank heeft ter zake overwogen:
De rechtbank volgt de Stichting c.s. niet in haar stelling dat voor elk handelen van een ambtenaar van de gemeente een wettelijke grondslag is vereist. Voor zover de vordering van onrechtmatig handelen daarop is gebaseerd kan de vordering dan ook niet slagen. De rechtbank voegt daaraan toe dat de gemeente, in dit geval de burgemeester, wanneer zij een klacht van een burger ontvangt, een rol mag spelen bij het oplossen daarvan. Die rol kon in dit geval bestaan uit het inschakelen van [naam 6] om te bemiddelen. De Stichting c.s. heeft op internet gevonden dat [naam 6] bij de afdeling Directie Openbare Orde en Veiligheid ook werkzaam was als medewerker van de zogenoemde Treiteraanpak. De gemeente heeft echter gemotiveerd betwist dat [naam 6] in het kader van die Treiteraanpak is ingeschakeld, zodat dat niet vast staat. Ook in die zin is dus niet gebleken dat de gemeente onrechtmatig heeft gehandeld.
De rechtbank onderkent dat het verstandiger was geweest als [naam 6] voorafgaande aan de mondelinge behandeling contact zou hebben opgenomen met de VvE en/of de Stichting c.s., ook als de rol van [naam 6] beperkt was tot toehoorder, zoals de gemeente stelt. Dit geldt te meer gelet op de aankondiging van advocaat van [naam 1] voorafgaande aan de mondelinge behandeling. De gemeente heeft er echter terecht op gewezen dat die aankondiging, waarbij ten onrechte de indruk wordt gewekt dat [naam 6] het standpunt van [naam 1] steunt, niet aan haar kan worden toegerekend. De gemeente stelt dat zij niet op de hoogte was van deze wijze van aankondiging. De Stichting c.s. heeft dit niet betwist. Dat [naam 6] in de procedure in 2019 kant heeft gekozen voor [naam 1] is dan ook niet gebleken.
Ook is het niet handig geweest dat [naam 6] een lange tijd heeft laten verstrijken na de mondelinge behandeling in september 2019 voordat hij in mei 2020 contact heeft opgenomen met [appellant] . Het is al met al denkbaar dat het handelen van [naam 6] bij de Stichting c.s. vragen heeft opgeroepen. Dat hij het beginsel van hoor en wederhoor heeft geschonden, is echter niet gebleken; hij heeft in het voorjaar van 2020 juist contact gezocht met [appellant] , maar daar geen gehoor gevonden.
De rechtbank komt dan ook tot het oordeel dat de gemeente op deze punten niet onrechtmatig heeft gehandeld. Uit het optreden van [naam 6] valt geen vooringenomenheid of schijn daarvan te ontdekken.
De stichting heeft in hoger beroep gesteld dat grote vraagtekens kunnen worden geplaatst bij de rol van [naam 6] in het kader van ‘bemiddeling’. Zo is hij over zijn functie bij de gemeente tijdens de zitting bij de kantonrechter bewust vaag gebleven. De gemeente weigert transparantie over het optreden van [naam 6] te bieden. De stichting c.s. heeft zich daarom genoodzaakt gezien om op het internet naar aanvullende informatie over de hoedanigheid van [naam 6] te zoeken. [naam 6] heeft zich voorafgaand aan de zitting niet bij de stichting c.s. gemeld of zich aan de stichting c.s. voorgesteld en evenmin de moeite genomen de kant van het verhaal van de VvE, de stichting of [appellant] aan te horen. De inzet en het optreden van [naam 6] werd dan ook omgeven door een zweem van vaagheid en onduidelijkheid. De gemeente heeft het geschil niet via het gebruikelijke kanaal ‘BeterBuren’ laten lopen. Het is daarmee evident dat de burgemeester met [naam 6] bewust heeft willen inzetten op een ‘zwaar kaliber’. Het standpunt van de gemeente dat [appellant] , als hij daadwerkelijk onder de Treiteraanpak zou vallen, daarvan op de hoogte zou zijn gesteld, is niet zonder meer houdbaar. Het valt immers niet uit te sluiten dat dit toch het geval is geweest en de gemeente dat nu probeert te maskeren. De feiten wijzen immers in de richting van een zaak die past binnen de context van de Treiteraanpak. De Gemeente kan dit volgens de stichting c.s. niet betwisten met een enkele ontkenning.
De gemeente heeft hierbij volgens de stichting c.s. ook wel degelijk kant gekozen voor [naam 1] Er was voor [naam 6] geen enkele reden om tijdens de zitting bij de kantonrechter verklaringen af te leggen. [naam 6] had op de vraag van de kantonrechter naar zijn betrokkenheid bij het geschil moeten volstaan met het antwoord enkel als toehoorder aanwezig te zijn. De stelling van de gemeente dat [naam 6] slechts naar de zitting was gekomen om kennis te nemen van de ernst van het geschil is vanwege de door [naam 6] afgelegde verklaringen niet aannemelijk. Het e-mailbericht van 10 september 2019 van de advocaat van [naam 1] (zie 3.o) maakt dit ook ongeloofwaardig.
Hoor en wederhoor maakt deel uit van het door de gemeente in acht te nemen zorgvuldigheidsbeginsel, zo heeft de stichting c.s. ook aangevoerd. [naam 6] heeft echter zijn verklaring ter zitting afgelegd zonder eerst de stichting c.s. te horen. De verhalen van [naam 1] werden geloofd zonder deze eerst bij de stichting c.s. te toetsen. [naam 6] had moeten handelen zoals een deskundige in een civiele procedure moet handelen, beschreven in de ‘leidraad deskundigen in civiele zaken’. De stichting c.s. had de gelegenheid moeten worden geboden aanwezig te zijn bij het eerdere contactmoment met [naam 1] of [naam 6] had audio- of video-opnamen daarvan moeten maken althans een schriftelijk verslag en deze opnamen dan wel dit verslag aan de stichting c.s. moeten vertrekken, zodat de stichting c.s. daarop inhoudelijk had kunnen reageren. Het is de stichting c.s. nu onduidelijk hoe, wanneer en hoe lang het gesprek tussen [naam 6] en [naam 1] heeft plaatsgevonden en wat de inhoud daarvan was. Van de contacten met de stichting c.s. heeft [naam 6] wél een uitgebreid verslag gemaakt. Toen [naam 6] negen maanden na de zitting contact opnam met [appellant] , werd onmiddellijk druk op [appellant] uitgeoefend. In zijn appberichten schreef [naam 6] dat “er kennelijk sprake is van spanningen tussen bewoners / leden van de VvE als gevolg waarvan enkele bewoners / leden VvE hun woning zijn ontvlucht (…) Doel is nu om terzake in gesprek te geraken en daar waar nodig en mogelijk tot een oplossing te komen.” [naam 6] begon dus meteen over oplossingsrichtingen zonder de kant van [appellant] te hebben gehoord. Dit handelen is niet objectief en neutraal. Het is de wereld op zijn kop dat de rechtbank [appellant] verwijt dat [naam 6] bij hem geen gehoor vond. De stichting c.s. heeft te kennen gegeven dat een gesprek met een neutrale partij, zoals de huisadvocaat van de gemeente, voor de stichting c.s. tot de mogelijkheden behoorde, maar dit is niet gehonoreerd, aldus nog steeds de stichting c.s.
Deze grieven hebben evenmin succes. Het hof onderschrijft de hierboven weergegeven overwegingen van de rechtbank eveneens. Het staat de gemeente vrij, indien op haar een beroep wordt gedaan, zich in te spannen een burengeschil te beslechten. Het enkele feit dat de hiervoor ingeschakelde ambtenaar ook optrad in het kader van de Treiteraanpak, betekent niet dat de stichting c.s. vanuit de Treiteraanpak werd benaderd. De stichting c.s. heeft onvoldoende concreet toegelicht dat [naam 6] in die specifieke hoedanigheid betrokken was bij het geschil met [naam 1] De stichting c.s. is er ook niet in geslaagd feiten of omstandigheden naar voren te brengen op grond waarvan concreet kan worden vastgesteld dat [naam 6] de kant van [naam 1] had gekozen. Van de zijde van de stichting c.s. wordt daarop slechts gehint aan de hand van zich volgens de stichting c.s. mogelijk voorgedane scenario’s. De uitlatingen van [naam 6] op de zitting bij de kantonrechter vormen daarvoor geen grond. [naam 6] heeft op deze zitting niet het standpunt van [naam 1] ondersteund. Ook verder is partijdigheid van [naam 6] niet tot uitdrukking gebracht. Het bijwonen van de zitting bij de kantonrechter maakte het [naam 6] mogelijk nader zicht op het probleem te krijgen. Toen [naam 6] , weliswaar laat, ook de stichting c.s. wilde spreken, werd hem niet die gelegenheid geboden. [naam 6] had geen verplichting over (de inhoud van) zijn contact met [naam 1] aan de stichting c.s. te rapporteren. Hij trad op als bemiddelaar, niet in de daarmee niet vergelijkbare positie van deskundige in een gerechtelijke procedure. [naam 6] heeft het verslag van 18 mei 2020 gemaakt blijkens de inhoud daarvan kennelijk om duidelijk te maken welke pogingen waren ondernomen om vanuit de gemeente in contact te komen met de stichting c.s., naar het hof begrijpt juist vanuit de gedachte dat hoor en wederhoor diende te worden toegepast.
Causaal verband tussen optreden [naam 6] en gestelde schade?
De rechtbank heeft overwogen dat niet is gebleken van causaal verband tussen het optreden van [naam 6] op de zitting bij de kantonrechter en de door de stichting c.s. gestelde schade. Grief 6 keert zich tegen deze overweging, die, onder verwijzing naar de hierboven onder 3.o, p, r en v weergegeven feiten, als volgt luidt:
Met betrekking tot de uitspraken van [naam 6] op de mondelinge behandeling van 18 september 2019 is niet gebleken dat er causaal verband bestaat tussen zijn optreden en de door de Stichting c.s. gestelde schade. Dat de aanwezigheid van [naam 6] enige invloed heeft gehad op de beslissing van de kantonrechter is namelijk niet gebleken. In het proces-verbaal staat opgenomen dat [naam 6] heeft gezegd: “Nu geen uitspraak over funderingsherstel. Omdat er rapporten ontbreken kunnen wij niet zeggen of het wel of niet nodig is.” (…). Uit de motivering van de beslissing van de kantonrechter van 3 oktober 2019 blijkt dat zij zelf kennis heeft genomen van de rapporten en dat zij heeft geconcludeerd dat het niet noodzakelijk was om funderingsherstel te doen plaatsvinden en daarvoor een omgevingsvergunning aan te vragen (…). Bovendien is meermaals (voor en na 3 oktober 2019) in gerechtelijke procedures waar [naam 6] niet bij betrokken was het oordeel geveld dat de noodzaak van funderingsherstel niet is aangetoond (…).
De grief veronderstelt onrechtmatig handelen van de Gemeente. Aangezien in dit hoger beroep niet kan worden vastgesteld dat [naam 6] onrechtmatig heeft gehandeld, faalt ook deze grief.
Totaalbeeld
De laatste grief, grief 7, betreft de volgende overweging van de rechtbank:
Het verwijt van de Stichting c.s. aan [naam 4] ziet op een niet neutrale en partijdige opstelling, die zou blijken uit de toon en inhoud van zijn e-mail aan [naam 1] van 7 mei 2019 (…). Wat hiervan ook zij, [naam 4] heeft geen enkele inhoudelijke beslissing genomen die het verloop van het geschil heeft beïnvloed. Bovendien heeft de gemeente hem na een klacht van [naam 2] meteen van de zaak gehaald en heeft zij de zaak door een andere ambtenaar laten behandelen. Dat laat juist zien dat de gemeente elke schijn van belangenverstrengeling heeft willen vermijden.
Volgens de stichting c.s. dient het handelen van de gemeente in samenhang te worden bezien. Met het totaalbeeld wordt zichtbaar dat de gemeente stelselmatig handelde naar aanleiding van verzoeken van [naam 1] , terwijl verzoeken van de stichting c.s. telkens werden afgewezen en dat de gemeente zich bij haar handelen sterk liet beïnvloeden door de standpunten van [naam 1] zonder daarbij de juistheid of volledigheid van die informatie zelfstandig te toetsen. [naam 1] had in [naam 4] een bondgenoot gevonden, die zich voor het karretje van [naam 1] liet spannen. Het feit dat de gemeente [naam 4] van de zaak heeft gehaald, bevestigt dat [naam 4] zich niet objectief en neutraal heeft opgesteld en dus onrechtmatig heeft gehandeld. Hiernaast is uit een e-mailbericht van 4 januari 2021 van de manager Vergunningen, Toezicht en Handhaving gebleken dat het dossier over het geschil tussen [naam 1] en de stichting c.s. bij de gemeente als een dossier over intimidatie is aangeduid. Dit geeft een duidelijk beeld van hoe de gemeente naar de stichting c.s., althans naar [appellant] , kijkt. Opeenvolgende ambtenaren worden zo telkens opnieuw geïnformeerd met dezelfde eenzijdige en onjuiste beeldvorming.
Ook hier volgt het hof de rechtbank. Het hof verwijst verder naar hetgeen hierboven al is overwogen. Hoewel de toon van het e-mailbericht van [naam 4] van 7 mei 2019 ongelukkig is, heeft dit e-mailbericht tot niets geleid en kan het ook overigens niet als onrechtmatig worden aangeduid. Het door de stichting c.s. geschetste totaalbeeld doet ook niet af aan het hierboven eerder overwogene. Deze grief faalt dan ook eveneens.
Slotsom
Aangezien de stellingen van de stichting c.s. tekortschieten, wordt aan bewijslevering niet toegekomen. De slotsom is dat de grieven geen van alle succes hebben. Het vonnis waarvan beroep zal worden bekrachtigd. De stichting c.s. zal als in het ongelijk gestelde partij worden verwezen in de kosten van het hoger beroep.
7. De beslissing
Het hof:
bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;
veroordeelt de stichting c.s. in de kosten van het geding in hoger beroep, tot op heden aan de zijde van de gemeente begroot op € 827,00 aan verschotten en € 2.580,00 voor salaris en op € 189,00 voor nasalaris, te vermeerderen met € 98,00 voor nasalaris en de kosten van het betekeningsexploot ingeval betekening van dit arrest plaatsvindt, te vermeerderen met de wettelijke rente, indien niet binnen veertien dagen na dit arrest dan wel het verschuldigd worden van de nakosten aan de kostenveroordeling is voldaan;
verklaart deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;
wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit arrest is gewezen door mrs. D. Kingma, E.K. Veldhuijzen van Zanten en M.J.R. Brons en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 14 juli 2026.